69 Op de Olijfberg

Op de Olijfberg (69)

De woorden van Christus tot de priesters en oversten: "Zie, uw huis wordt aan u overgelaten" (Matth.23:38), hadden hen bevreesd gemaakt. Zij wendden onverschilligheid voor, maar steeds kwam weer de vraag bij hen op, wat deze woorden zouden hebben te beduiden. Een onzichtbaar gevaar scheen hen te bedreigen. Zou het kunnen zijn, dat de prachtige tempel, die de roem van de natie vormde, spoedig in een puinhoop zou worden ver­anderd?
Het voorgevoel van onheil werd door de discipelen gedeeld, en zij wachtten met ongerustheid op een nadere verklaring van Jezus. Terwijl ze met Hem de tempel verlieten, vestigden zij Zijn aandacht op de kracht en de schoonheid daarvan. De stenen van de tempel waren van het zui­verste marmer, volmaakt wit, en sommige daarvan hadden bijna ongeloof­lijke afmetingen. Een gedeelte van de muur had de belegering van het leger van Nebukadnezar doorstaan. Door het volmaakte metselwerk scheen het één grote steen, die in zijn geheel uit de steengroeve was ge­graven. Hoe die machtige muren omver zouden kunnen worden geworpen, begrepen de discipelen niet.


Wat moeten de onuitgesproken gedachten van die Verworpene zijn ge­weest, toen Zijn aandacht op de schoonheid van de tempel werd geves­tigd! Het schouwspel dat voor Hem lag, was inderdaad prachtig, maar Hij zei bedroefd: Ik zie het alles. De gebouwen zijn inderdaad schitte­rend. U wijst erop, dat deze muren schijnbaar niet te verwoesten zijn; maar luistert naar Mijn woorden: De dag zal komen waarop "geen steen op de andere zal worden gelaten, die niet zal worden weggebroken." (Matth.24:2)

De woorden van Christus waren gesproken tot een groot aantal toe­hoorders; maar toen Hij alleen op de Olijfberg was gezeten, kwamen Petrus, Jacobus, Johannes en Andreas tot Hem. "Zeg ons", zeiden zij, "wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van Uw komst en van de voleinding der wereld?" (Matth.24:3)
Jezus antwoordde Zijn discipelen niet met een afzonderlijke uiteenzeting over de verwoesting van Jeruzalem en de grote dag van Zijn komst. Hij mengde de beschrijvingen van deze twee gebeurtenissen dooreen. Indien Hij de toekomstige gebeurtenissen aan Zijn discipelen zou hebben geopenbaard zoals Hij die aanschouwde, zouden zij niet in staat zijn geweest de aanblik te verdragen.
In Zijn barm­hartigheid jegens hen haalde Hij de beschrijvingen van die twee grote gebeurtenissen dooreen, en liet het aan de discipelen zelf over de betekenis daarvan te bestuderen. Terwijl Hij sprak over de verwoesting van Jeru­zalem, reikten Zijn profetische woorden over die gebeurtenis tot aan de beslissende grote brand op die dag wanneer de Here zal verrijzen van Zijn plaats om de wereld te straffen voor haar ongerechtigheden, wanneer de aarde het op haar vergoten bloed aan het licht zal brengen en haar geslagenen niet langer zal bedekken. Deze gehele redevoering werd niet alleen gegeven voor de discipelen, maar tevens voor hen die de laatste tonelen van de geschiedenis der aarde zouden beleven.

Terwijl Hij Zich tot de discipelen wendde, zei Christus: "Ziet toe, dat niemand u verleide! Want velen zullen komen onder Mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden." (Matth.24:4,5)
Vele valse messiassen zullen optreden, en beweren dat zij wonderen verrichten, en verklaren dat de tijd van de verlossing van het Joodse volk is gekomen. Deze zullen velen misleiden. De woorden van Christus zijn in vervulling gegaan. Tussen Zijn dood en de belegering van Jeruzalem verschenen vele valse Christussen. Maar Zijn waarschuwing werd ook gegeven aan de mensen die in deze tijd op de wereld leven. Dezelfde misleidingen die plaatsvonden vóór de verwoesting van Jeruzalem, zijn door de eeuwen aangewend en zullen opnieuw aangewend worden.

"Ook zult gij horen van oorlogen en van geruchten van oorlogen. Ziet toe, weest niet verontrust; want dat moet geschieden, maar het einde is het nog niet." (Matth.24:6)
Vóór de verwoesting van Jeruzalem streden de mensen om de oppermacht. Keizers werden vermoord. Degenen waarvan men meende dat zij dicht bij de troon stonden, werden ter dood gebracht. Er waren oorlogen en geruchten van oorlogen. "Dat moet geschieden", zei Christus, " maar het einde [van het Joodse volk als natie] is het nog niet. Want volk zal opstaan tegen volk, en koninkrijk tegen koninkrijk, en er zullen nu hier, dan daar, hongersnoden en aardbevingen zijn. Doch dat alles is het begin der weeën." (Matth.24:6-8)
Christus zei : Wanneer de rabbi's deze tekenen zien, dan zullen zij verklaren, dat het Gods oordeel is over de volken, omdat ze Zijn uitverkoren volk in slavernij houden. Zij zullen verklaren, dat deze tekenen een bewijs zijn voor de komst van de Mes­sias. Laat u niet misleiden; ze zijn het begin van Zijn oordelen. De mensen hebben op zichzelf gezien. Ze hebben geen berouw gehad en hebben zich niet bekeerd, dat Ik hen zou genezen. De tekenen die zij verklaren als voorboden van hun bevrijding uit de slavernij, zijn tekenen van hun ondergang.

"Dan zullen zij u overleveren aan verdrukking en zij zullen u doden, en gij zult door alle volken gehaat worden om Mijns naams wil. En dan zullen velen ten val komen en zij zullen elkander overleveren en elkander haten." (Matth.24:9,10)
Dit alles hebben de christenen verdragen. Vaders en moeders hebben hun kinderen verraden. Kinderen hebben hun ouders verraden. Vrienden hebben hun vrienden overgeleverd aan het Sanhedrin. De ver­volgers voerden hun opzet uit door Stefanus, Jacobus en andere chris­tenen ter dood te brengen.

Door middel van Zijn dienstknechten gaf God het Joodse volk een laatste kans om tot berouw te komen. Hij openbaarde Zichzelf door Zijn getuigen, wanneer zij gevangen genomen, verhoord en in de gevangenis geworpen werden. Niettemin spraken hun rechters een doodvonnis over hen uit. Zij waren mannen op wie de wereld geen prijs stelde, en door hen te doden, kruisigden de Joden opnieuw de Zoon van God. Zo zal het opnieuw gebeuren. De machthebbers zullen wetten maken waardoor de godsdienstvrijheid wordt beperkt. Zij zullen zich het recht aanmatigen dat God alleen toekomt. Zij zullen denken dat zij het geweten, dat alleen door God beheerst dient te worden, kunnen dwingen. Reeds nu beginnen zij daarmee; dit werk zullen zij blijven doen, totdat zij een grens be­reiken die zij niet kunnen overschrijden. God zal tussenbeide komen ter wille van Zijn trouwe volk, dat Zijn geboden bewaart.

Bij iedere gelegenheid waarbij mensen vervolgd worden, nemen zij die daarvan getuigen zijn, een beslissing, hetzij vóór, hetzij tegen Christus. Zij die medegevoel tonen met de mensen die ten onrechte worden ver­oordeeld, laten zien dat zij Christus zijn toegedaan. Anderen nemen aan­stoot, omdat de beginselen der waarheid regelrecht ingaan tegen hun prak­tijken. Velen struikelen en vallen, en worden ontrouw aan het geloof dat zij eens verdedigden. Zij die afvallen in de tijd van beproeving, zullen om hun eigen veiligheid te verzekeren, vals getuigenis geven en hun broeders verraden. Christus heeft ons hiervoor gewaarschuwd, opdat wij niet ver­baasd zullen zijn over de onnatuurlijke, wrede handelwijze van hen die het licht verwerpen.
Christus gaf Zijn discipelen een aanduiding van de verwoesting die over Jeruzalem zou komen, en Hij vertelde hun, hoe ze zouden kunnen ontkomen: "Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen en die op het land zijn, er niet binnengaan, want dit zijn de dagen van ver­gelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. (Luc.21:20-22) Deze waar­schuwing werd gegeven, opdat men er veertig jaar later, bij de verwoesting van Jeruzalem, acht op zou slaan. De christenen namen de waarschuwing ter harte, en niet één christen kwam om bij de val van de stad.


"Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat" (Matth.24:20), zei Christus. Hij Die de sabbat had gemaakt, heeft die niet teniet gedaan door hem aan het kruis te nagelen. De sabbat werd niet van nul en gener waarde bij Zijn dood.
Veertig jaar na Zijn kruisiging zou hij nog steeds worden geheiligd. Veertig jaar lang moesten de discipelen bidden, dat hun vlucht niet op een sabbat zou vallen.


Van de verwoesting van Jeruzalem ging Christus snel over op een grotere gebeurtenis, de laatste schakel in de keten van de geschiedenis der aarde — de komst van de Zoon van God in majesteit en heerlijkheid. Tussen deze twee gebeurtenissen zag Christus lange eeuwen van duisternis, eeuwen die voor Zijn gemeente werden aangeduid door bloed en tranen en zielestrijd. De discipelen konden het toen niet verdragen deze eeuwen te aanschouwen, en Jezus ging daaraan voorbij met een korte opmerking. "Er zal dan een grote verdrukking zijn", zei Hij, "zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. En indien die dagen niet ingekort werden, zou geen vlees behouden worden; doch ter wille van de uitverkorenen zullen die dagen worden ingekort." (Matth.24:21,22)
Meer dan duizend jaar lang zou een vervolging, zoals de wereld nooit tevoren had gekend, over de volgelingen van Christus komen. Miljoenen en miljoenen van Zijn getrouwe getuigen zouden worden gedood. Als God Zijn hand niet had uitgestrekt om Zijn volk te bewaren, zouden allen zijn omgekomen. "Doch ter wille van de uitverkorenen", zei Hij, „zullen die dagen worden ingekort." (Matth.24:22)

Nu spreekt onze Here over Zijn tweede komst in woorden die niet mis te verstaan zijn, en Hij waarschuwt voor de gevaren die Zijn komst in de wereld zullen voorafgaan. "Indien dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, of : Hier, gelooft het niet. Want er zullen valse Christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, waren het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden ver­leiden. Zie, Ik heb het u voorzegd. Indien men dan tot u zegt: Zie, Hij is in de woestijn, gaat er niet heen; zie, Hij is in de binnenkamer, ge­looft het niet. Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn." (Matth.24:23-27) Eén van de tekenen van de verwoesting van Jeruzalem, die Christus opnoemde, was: "Vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden." (Matth.24:11)
Er stonden inderdaad valse profeten op, die het volk misleidden en grote scharen naar de woestijn trokken. Magiërs en tovenaars, die beweerden een wondere kracht te bezitten, trokken de mensen achter zich aan naar de eenzame bergen. Maar deze profetie werd ook uitgesproken voor het laatste der dagen. Dit teken is gegeven als een teken van de tweede komst. Zelfs nu doen valse christenen en valse profeten tekenen en won­deren om Zijn discipelen te verleiden. Horen wij niet de roep: "Zie, Hij is in de woestijn”? (Matth.24:26)
Zijn niet duizenden de woestijn ingegaan in de hoop, Christus te zullen vinden? En horen wij nu niet vanuit duizenden bijeenkomsten waar de mensen belijden gemeenschap te hebben met de geesten der gestorvenen, de kreet: "Zie, Hij is in de binnenkamer"? (Matth.24:26)
Dat is juist datgene wat het spiritisme beweert. Maar wat zegt Christus? "Gelooft het niet. Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn." (Matth.24:26,27)

De Heiland geeft tekenen van Zijn komst, en meer dan dat. Hij be­paalt de tijd waarin het eerste van die tekenen verschijnen zal: "Ter­stond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des men­sen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijk­heid. En Hij zal Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen Zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere." (Matth.24:29-31)

Aan het einde van de grote pauselijke vervolging, verklaarde Christus, zou de zon verduisterd worden, en de maan zou haar licht niet geven. Ver­volgens zouden de sterren van de hemel vallen. En Hij zegt: "Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur." (Matth.24:32,33)

Christus heeft tekenen van Zijn komst gegeven. Hij verklaart, dat wij kunnen weten, wanneer Hij nabij is, voor de deur. Hij zegt van de men­sen die deze tekenen zullen zien: "Dit geslacht zal geenszins voorbij­gaan, voordat dit alles geschiedt." (Matth.24:34) De tekenen zijn verschenen. Nu heb­ben wij zekerheid, dat de komst des Heren nabij is. "De hemel en de aarde zullen voorbijgaan", zegt Hij, "maar Mijn woorden zullen geens­zins voorbijgaan." (Matth.24:35)

Christus komt met de wolken en met grote heerlijkheid. Een schare stralende engelen zal met Hem komen. Hij zal komen om de doden op te wekken en de levende heiligen te veranderen van heerlijkheid tot heer­lijkheid. Hij zal komen om hen te eren die Hem hebben liefgehad en Zijn geboden hebben bewaard, en om hen tot Zich te nemen. Hij heeft noch hen noch Zijn belofte vergeten. Daar zal de gezinsverband weer worden gesmeed. Wanneer we naar onze doden kijken, kunnen we denken aan de morgen wanneer de bazuin Gods zal klinken en "de doden onvergan­kelijk zullen worden opgewekt en wij veranderd zullen worden." (1 Cor.15:52)
Nog een korte tijd, en wij zullen de Koning in Zijn schoonheid aanschouwen. Nog een korte tijd, en Hij zal alle tranen van onze ogen afwissen. Nog een korte tijd, en Hij zal ons doen staan "onberispelijk... voor Zijn heer­lijkheid in grote vreugde." (Judas 24)
Daarom zei Hij, toen Hij deze tekenen van Zijn komst te kennen gaf: "Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt." (Luc.21:28)

Maar de dag en het uur van Zijn komst heeft Christus niet geopen­baard. Hij verklaarde duidelijk aan Zijn discipelen, dat Hijzelf het uur van Zijn tweede verschijning niet bekend kon maken. Indien Hij vrij was geweest dit te openbaren, waarom zou Hij hen dan hebben behoeven te vermanen om voortdurend te blijven uitzien? Er zijn mensen die beweren, dat zij precies de dag en het uur van de verschijning van de Here kennen. Met grote ernst beschrijven zij de toekomst. Maar de Here heeft hen aangezegd, het terrein waarop zij zich begeven hebben, te ver­laten. De juiste tijd van de tweede komst van de Zoon des mensen is Gods geheimenis.

Christus wijst op de toestand van de wereld bij Zijn komst, en ver­volgt: "Zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in (die) dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst van de Zoon des mensen zijn." (Matth.24:38)
Christus schildert geen tijdelijk millennium, een dui­zendjarig rijk, waarin allen zich moeten voorbereiden op de eeuwigheid. Hij zegt ons, dat gelijk het was in de dagen van Noach, het zo zal zijn wanneer de Zoon des mensen wederkomt.

Hoe was het in de dagen van Noach? "De Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten, te allen tijde slechts boos." (Gen.6:5) De bewoners van de aarde van vóór de zondvloed wendden zich af van Jehova en weigerden Zijn heilige wil te doen. Zij volgden hun eigen onheilige inbeeldingen en verdorven ideeën. Vanwege hun verdorvenheid werden zij omgebracht; op het ogenblik gaat het met de wereld in dezelfde richting. Er treden geen vleiende tekenen van een duizendjarige heerlijkheid naar voren. De overtreders van Gods wet vervullen de aarde met goddeloosheid. Hun weddenschappen, hun wedrennen, hun speculaties, hun losbandigheid, hun wellustige praktijken, hun ontembare hartstochten vervullen de wereld snel met geweld.

In de profetie over de verwoesting van Jeruzalem zei Christus: "Om­dat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evan­gelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn." (Matth.24:13.14) Deze profetie zal opnieuw in vervulling gaan. De toenemende ongerechtig­heid van die tijd vindt haar tegenhanger in deze generatie. Zo is het ook met de voorzegging betreffende de prediking van het evangelie. Vóór de val van Jeruzalem schreef Paulus, geïnspireerd door de Heilige Geest, dat het evangelie gepredikt was aan "de ganse schepping onder de hemel." (Col.1:23)
Zo zal ook nu, vóór de komst van de Zoon des mensen, het eeuwig evangelie gepredikt worden aan alle volk en stam en taal en natie." (Openb.14:6 zie ook vers 14)
God "heeft een dag bepaald waarop Hij de aardbodem recht­vaardig zal oordelen." (Hand.17:31)
Christus zegt ons, wanneer die dag zal worden ingeluid. Hij zegt niet, dat de gehele wereld zich zal bekeren, maar: "Dit evangelie van het koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn." Matth.24:14)

Door het evangelie aan de wereld te brengen, hebben wij de macht om de komst des Heren te verhaasten. Wij moeten niet alleen uitzien naar de dag van God, maar die ook verhaasten. (2 Petr.3:12, zie vert. Obbink)
Indien de gemeente van Christus het werk had gedaan dat haar was toegewezen, zou de gehele wereld reeds in het verleden zijn gewaarschuwd, en de Here Jezus zou naar onze aarde gekomen zijn in kracht en grote heerlijkheid.

Nadat Hij de tekenen van Zijn komst had gegeven, zei Christus: "Zo moet ook gij, wanneer gij dit ziet geschieden, weten, dat het koninkrijk Gods nabij is." (Luc.21:31)
"Ziet toe, blijft waakzaam." ((Mar.13:33) God heeft de mensen altijd gewaarschuwd voor komende oordelen. Zij die geloof hadden in Zijn boodschap voor hun tijd, en die hun geloof in daden omzetten, in gehoorzaamheid aan Zijn geboden, ontkwamen aan de oordelen die over de ongehoorzamen en ongelovigen kwamen. Het woord kwam tot Noach: "Ga in de ark, gij en geheel uw huis, want u heb Ik in dit geslacht voor Mijn aangezicht rechtvaardig bevonden." (Gen.7:1)
Noach gehoorzaamde en werd behouden. Tot Lot kwam de boodschap: "Staat op, verlaat deze plaats, want de Here gaat de stad verwoesten." (Gen.19:14)
Lot stelde zichzelf onder de bescherming van de hemelse boodschappers en werd behouden. Zo ont­vingen de discipelen van Christus de waarschuwing voor de verwoesting van Jeruzalem. Zij die uitzagen naar het teken van de komende verwoesting en uit de stad wegvluchtten, ontkwamen aan de ondergang. Zo zijn ook wij nu gewaarschuwd voor de tweede komst van Christus en voor de verwoesting die over de wereld zal komen. Zij die acht slaan op de waarschuwing, zullen worden behouden.

Omdat wij niet precies het uur weten van Zijn komst, worden we be­volen te waken. "Zalig die slaven die de heer bij zijn komst wakende zal aantreffen." (Luc.12:37)
Zij die uitzien naar de komst van Christus zitten niet meer in werkloze afwachting. De verwachting van de komst des Heren moet maken dat de mensen de Here en Zijn oordeel over hun overtredingen vrezen. Zij moeten wakker gemaakt worden om hun grote zonde te zien: het verwerpen van Zijn aangeboden genade. Zij die uitzien naar de Here, reinigen hun zielen door gehoorzaamheid aan de waarheid. Met opmerk­zaam waken verenigen zij ernstige arbeid. Daar zij weten dat de Here voor de deur is, wordt hun ijver en verlangen versterkt om met de god­delijke wezens mede te werken voor de behoudenis van zielen. Zij zijn de getrouwe en wijze dienstknechten, die het huishouden van de Here "op tijd hun deel geven." (Luc.12:42)
Zij verkondigen de waarheid die nu in het bijzonder van toepassing is. Evenals Henoch, Noach en Abraham ieder de waarheid voor hun tijd verkondigden, zo zullen nu de dienstknechten van Christus een bijzondere waarschuwing geven aan hun geslacht.

Maar Christus brengt een andere klasse onder ogen: "Als die slaaf slecht was, en in zijn hart zou zeggen: Mijn heer blijft uit, en hij zou be­ginnen zijn medeslaven te slaan en met de dronkaards zou eten en drin­ken, dan zal de heer van die slaaf komen op een dag dat hij het niet verwacht." (Matth.24:48,49)

De slechte slaaf zegt in zijn hart: "Mijn heer blijft uit." (Matth.24:39)
Hij zegt niet, dat Christus niet komen zal. Hij spot niet met de gedachte aan de tweede komst. Maar in zijn hart en door zijn daden en woorden ver­klaart hij, dat de komst des Heren uitgesteld is. Hij verbant uit de ge­dachten van anderen de overtuiging dat de Here spoedig komt. Zijn invloed brengt de 'mensen tot een aanmatigend, zorgeloos uitstel. Zij worden gestijfd in hun wereldzin en bedwelming. Aardse hartstochten, verdorven gedachten nemen bezit van de geest. De slechte dienstknecht eet en drinkt met de dronkaards, sluit zich aan bij de wereld in zijn jacht naar plezier. Hij slaat zijn medeslaven en beschuldigt en veroordeelt hen die trouw zijn aan hun Meester. Hij doet mee met de wereld. Hij groeit met zijn soort op in overtreding. Op verschrikkelijke wijze wordt hij aan hen gelijk. Met de wereld wordt hij in de strik gevangen. "Dan zal de heer van die slaaf komen... op een uur dat hij het niet weet, en hij zal hem folteren en hem in het lot der huichelaars doen delen." (Matth.24:50,51)

"Indien gij dan niet wakker wordt, zal Ik komen als een dief, en gij zult niet weten op welk uur Ik u zal overvallen." (Openb.3:3)
De komst van Christus zal de valse leraars verrassen. Zij zeggen: "Het is (alles) vrede en rust." (1 Thess.5:3)
Evenals de priesters en de leraars vóór de val van Jeruzalem, zien zij ernaar uit, dat de kerk aardse voorspoed en eer zal kennen. De tekenen der tijden verklaren zij als zodanig. Maar wat zegt het Woord der Inspiratie? "Een plotseling verderf overkomt hun." (1 Thess.5:3) Voor allen die op de gehele aardbodem wonen, voor allen die van deze wereld hun tehuis maken, zal de dag des Heren komen als een strik. Hij komt voor hen als een binnensluipende dief.

De wereld is, met al zijn rumoer, met al zijn goddeloze plezier, ge­dompeld in een slaap, de slaap van vleselijke veiligheid. Mensen ver­wijzen de komst des Heren naar de verre toekomst. Zij lachen om de waarschuwingen. Vol trots pocht men: Alles blijft zó, als het van het begin der schepping af geweest is." (2 Petr.3:4) "De dag van morgen zal zijn als die van vandaag, nog veel geweldiger." (Jes.56:12)
Wij willen dieper wegzinken in de liefde voor genoegens. Maar Christus zegt: "Zie, Ik kom als een dief." (Openb.16:15)
Op hetzelfde ogenblik waarop de wereld spottend vraagt: "Waar is de belofte van Zijn komst?" (2 Petr.3:4) gaan de tekenen in vervulling. Terwijl zij uitroepen: "Het is (alles) vrede en rust" (1 Thess.5:3), nadert een plotseling verderf. Wanneer de spotter, de mens die de waarheid verwerpt, aanmatigend is geworden, wanneer de vaardigheid van het werk in de verschillende branches om geld te verzamelen voortgaat zonder zich aan beginselen te houden, wanneer de onderzoeker ijverig zoekt naar kennis van alles behalve van zijn Bijbel, dan komt Christus als een dief.

Alles in de wereld is in beroering. De tekenen der tijden zijn dreigend. Ophanden zijnde gebeurtenissen werpen hun schaduwen voor zich uit. De Geest van God trekt Zich terug van de aarde, en de ene ramp volgt de andere ter zee en te land. Er zijn stormen, aardbevingen, branden, over­stromingen en moorden, de een al erger dan de andere. Wie kan de toe­komst lezen? Waar is zekerheid? Niets dat menselijk of aards is, is zeker. Schielijk scharen de mensen zich onder de banier die zij gekozen hebben. Rusteloos wachten zij af en slaan de bewegingen van hun leiders gade. Er zijn mensen die wachten op en uitzien naar de komst des Heren en daarvoor arbeiden. Een andere groep schaart zich onder het beleid van de eerste grote afvallige. Weinigen geloven met hart en ziel dat wij een hel te vermijden en een hemel te winnen hebben.
De crisis besluipt steelsgewijze ons. De zon schijnt aan de hemel en doet zijn gewone rondgang, en de hemelen verkondigen nog Gods eer. De mensen eten en drinken nog, planten en bouwen, huwen en geven ten huwelijk. Kooplieden kopen en verkopen nog. De mensen duwen elkander opzij, vechten om de hoogste positie. De liefhebbers van plezier gaan nog in groten getale naar de theaters, de wedrennen, de speelholen. De hoogste opwinding zegeviert, niettemin nadert het einde van de genadetijd met rasse schreden, en spoedig zal over ieder geval voor eeuwig worden beslist.
Satan ziet, dat zijn tijd kort is. Hij heeft al zijn machten aan het werk gezet om de mensen te misleiden, te verleiden, bezig te houden en onder zijn invloed te houden, totdat de genadetijd voorbij zal zijn, en de deur der genade voor eeuwig gesloten is.

Plechtig komen tot ons door de eeuwen heen de waarschuwende woor­den van onze Here vanaf de Olijf berg: "Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en zorgen voor levens­onderhoud, en die dag niet plotseling over u kome." (Luc.21:34)
"Waakt te allen tijde, biddende, dat gij in staat moogt wezen te ontkomen aan alles wat geschieden zal, en gesteld te worden voor het aangezicht van de Zoon des mensen." (Luc.21:36) ("Wens der eeuwen" E.G.White)