59 "Het huis van IsraŽl"

In de verkondiging van de waarheden van het “eeuwig evangelie aan ieder volk, natie, taal en stam….” (Openb. 14:6) vervult Gods kerk op aarde in deze tijd de profetie uit het verleden: “Israël zal bloeien en uitspruiten, zodat zij de wereld met vruchten vervullen.” (Jes. 27: 6)

De volgelingen van Jezus bezetten in samenwerking met hemelse wezens steeds meer de woeste plaatsen op aarde; en als gevolg van hun werk is een rijke oogst van kostbare zielen zichtbaar. Nu brengt als nooit tevoren de verspreiding van de Bijbelse waarheden door een toegewijde kerk aan de mensen de zegeningen, eeuwen geleden afgebeeld in de belofte aan Abraham en aan geheel Israël – aan Gods gemeente in alle tijden – Ik zal u zegenen, . . . . en gij zult tot een zegen zijn.” (Gen. 12: 2)

Deze belofte van zegening had in grote mate vervuld moeten worden in de eeuwen die volgden op de terugkeer van de Israëlieten uit het land van hun ballingschap.

Het was Gods bedoeling dat de hele aarde voorbereid zou worden op de eerste komst van Christus zoals nu de weg wordt voorbereid op zijn wederkomst. Na de jaren van vernederende ballingschap beloofde God genadig door Zacharia aan zijn volk Israël. “Ik keer weder tot Sion en Ik woon binnen Jeruzalem; Jeruzalem zal de stad der trouw, en de berg van de Here der heerscharen zal de berg der heiligheid genoemd worden.” En van zijn volk zei Hij: “Ik zal hun tot een God zijn, in trouw en in gerechtigheid.” (Zach. 8: 3, 8)

Deze beloften waren gegeven op voorwaarde van gehoorzaamheid. De zonden waardoor de Israëlieten gekenmerkt waren voor hun wegvoering, mochten niet herhaald worden. “Spreekt eerlijk recht”, had de Here gezegd tot hen die bezig waren met de herbouw, “bewijst elkander liefde en barmhartigheid; verdrukt weduwe noch wees, bijwoner noch arme, en beraamt niet in uw hart elkanders onheil.” (Zach. 7: 9,10) Spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten.” (Zach. 8: 16)

Rijk waren zowel de tijdelijke als geestelijke beloningen, beloofd aan hen die deze beginselen van recht in praktijk zouden brengen. “Het zaad gedijt, de wijnstok geeft zijn vrucht”, had God gezegd, “het land geeft zijn opbrengst en de hemel geeft zijn dauw; en Ik doe het overblijfsel van dit volk dit alles beërven. Gelijk gij onder de volken een vervloeking geweest zijt, o huis van Juda en huis van Israël, zo zult gij, doordat Ik u heil schenk, een zegen worden.” (Zach. 8: 12,13)

Door de Babylonische ballingschap waren de Israëlieten voorgoed genezen van het aanbidden van gesneden beelden. Na hun terugkeer schonken ze veel aandacht aan godsdienstig onderricht en het bestuderen van wat geschreven stond in het boek der wet en in de profeten over het aanbidden van de ware God.

Het herstel van de tempel stelde hen in staat de ceremoniële diensten van het heiligdom ten volle na te leven. Onder de leiding van Zerubbabel, Ezra en Nehemia beloofden ze herhaaldelijk alle geboden en inzettingen van de Here te zullen onderhouden. De perioden van voorspoed die volgden, leverden overvloedig bewijs dat God bereid was te aanvaarden en te vergeven; en toch wendden ze zich met noodlottige kortzichtigheid telkens weer af van hun heerlijke bestemming, en pasten zelfzuchtig op zichzelf toe wat genezing en geestelijk leven aan tallozen zou hebben gebracht.

Dit falen in het voldoen aan Gods plan kwam heel duidelijk in de dagen van Maleachi naar voren. Gestreng sprak de boodschapper des Heren over de boosheden die Israël beroofden van tijdelijke voorspoed en geestelijke kracht. In zijn bestraffing van de zondaars spaarde de profeet priesters noch volk. De godsspraak door Maleachi luidde, dat de lessen uit het verleden niet vergeten mochten worden, en het verbond dat God met het huis van Israël had gemaakt, trouw gehouden moest worden. Alleen door oprecht berouw kon Gods zegen hun deel zijn. “Tracht maar God te vermurwen”, pleitte de profeet, “dat Hij ons genadig zij.” (Mal. 1: 9)

Het eeuwenoude plan voor de verlossing van de mensheid zou echter niet door een tijdelijk falen van Israël mislukken. Het mocht dan al waar zijn dat degenen, tot wie de profeet zich richtte, geen acht sloegen op de boodschap; maar Gods plannen zouden niettemin gestadig in vervulling gaan. “Vanwaar de zon opkomt tot waar zij ondergaat”, had de Here door zijn boodschapper doen weten, “is mijn naam groot onder de volken, allerwege wordt mijn naam reukwerk gebracht en een rein spijsoffer, want groot is mijn naam onder de volken, zegt de Here der heerscharen.” (Mal. 1: 11)

Het verbond van “leven en vrede” dat God met de zonen van Levi had gemaakt, – het verbond dat onnoemelijke zegeningen zou hebben gebracht als het gehouden was – wilde de Here nu vernieuwen met hen die vroeger geestelijke leiders waren geweest, maar die door de zonde ,,verachten en vernederden voor het gehele volk” waren. (Mal. 2: 5,9)

Plechtig werden de boosdoeners gewaarschuwd dat de oordeelsdag zou aanbreken, en de Here iedere zondaar met een haastig oordeel zou bezoeken. Toch werd niemand zonder hoop gelaten; de profetieën van Maleachi over het oordeel gingen gepaard met uitnodigingen tot de onboetvaardigen om vrede te sluiten met God. “Keert terug tot Mij”, nodigde de Here, “dan zal Ik tot u terugkeren.” (Mal, 3: 7)

Men zou menen dat ieder hart aan zulk een uitnodiging gehoor zou moeten geven. De God des hemels smeekt zijn dwalende kinderen tot Hem terug te keren, om met Hem samen te werken in het bevorderen van zijn werk op aarde. De Here steekt zijn hand uit om de hand van Israël vast te pakken hen te helpen op het smalle pad van zelfverloochening en zelfopoffering, om met Hem de erfenis als kinderen van God te delen. Zullen ze gehoor geven? Zullen ze ontdekken wat hun enige hoop is?

Hoe verdrietig is het bericht dat de Israëlieten in de dagen van Maleachi aarzelden om hun hoogmoedige harten te verootmoedigen in directe en liefdevolle gehoorzaamheid en van harte gemeende samenwerking. Uit hun antwoord blijkt hun zelfrechtvaardiging: “In welk opzicht moeten wij terugkeren?” (Mal. 3: 7)

De Here openbaart zijn volk een van hun speciale zonden. “Mag een mens God beroven?” vraagt Hij. Toch berooft gij Mij”. Nog steeds niet overtuigd, vragen de ongehoorzamen: Waarin beroven wij U?” (Mal. 3: 8)

Het antwoord van God is duidelijk: “In de tienden en de heffing. Met de vloek zijt gij vervloekt, en gij berooft Mij, gij volk in zijn geheel. Brengt de gehele tiende naar de voorraadkamer, opdat er spijze zij in mijn huis; beproeft Mij toch daarmede, zegt de Here der heerscharen, of Ik dan niet voor u de vensters van de hemel zal openen en zegen in overvloed over u uitgieten. Dan zal Ik, u ten goede, de afvreter dreigen, opdat hij de vrucht van uw land niet verderve en opdat de wijnstok op het veld voor u niet zonder vrucht zij, zegt de Here der heerscharen. En alle volken zullen u gelukkig prijzen, omdat gij een land van welbehagen zijt, zegt de Here der heerscharen.” (Maleachi 3 : 8-12

God zegent het werk van mensenhanden, opdat zij Hem zijn aandeel kunnen teruggeven. Hij geeft de zonneschijn en de regen; Hij doet het groene kruid groeien; Hij geeft gezondheid en kracht om welvaart te verkrijgen. Elke zegening is van Hem afkomstig, en Hij wil dat mannen en vrouwen hun dank tonen door Hem een deel terug te geven in de vorm van tienden en gaven – in dankoffers, vrijwillige gaven, in zondoffers. Ze moeten hun middelen gebruiken in zijn dienst, opdat zijn wijngaard geen woestenij zal worden.

Ze moeten nagaan wat de Here zou doen als Hij in hun plaats zou zijn. Ze moeten alle moeilijkheden aan Hem voorleggen in het gebed. Ze moeten een onzelfzuchtige belangstelling tonen in de opbouw van zijn werk in alle delen van de wereld.

Door boodschappen als deze van Maleachi, de laatste profeet uit het Oude Testament, zowel als door verdrukking van heidense vijanden, leerden de Israëlieten eindelijk de les dat ware voorspoed afhankelijk is van gehoorzaamheid aan Gods wet. Maar bij vele mensen was gehoorzaamheid niet het gevolg van geloof en liefde. Hun drijfveer was zelfzuchtig. Ze bewezen uiterlijke dienst als middel tot nationale grootheid.
Het uitverkoren volk werd geen licht voor de wereld, maar zonderde zich af van de wereld om niet tot afgoderij te worden verleid. De beperkingen die God had opgelegd door het verbod dat zijn volk zich niet door huwelijken zou verzwageren met de heidenen, en het verbod voor Israël om niet deel te nemen aan de afgodische gebruiken van omringende volken, werd op een dusdanige wijze verdraaid, dat een scheidsmuur werd opgericht tussen de Israëlieten en alle andere volken, waardoor de zegeningen, die Israël op Gods bevel aan de wereld had moeten doorgeven, hun werden onthouden.

In dezelfde tijd scheidden de Joden zich door hun zonden af van God.
Ze konden niet de diepe geestelijke strekking ontdekken van hun zinnebeeldige dienst. In hun eigengerechtigheid vertrouwden ze op hun eigen werken, op de offers en instellingen zelf, in plaats van te vertrouwen op de verdiensten van Hem op wie dit alles heenwees. Door op deze wijze te trachten “hun eigen gerechtigheid te doen gelden” (Rom. 10: 3) bouwden ze aan een zelfvoldane vormendienst.
Bij gebrek aan de Geest en Gods genade trachtten ze in deze leemte te voorzien door een strikte waarneming van godsdienstige ceremoniën en vormen. Niet tevreden met de inzettingen die God zelf had geboden, omgaven zij de goddelijke geboden met talloze geboden van eigen maaksel. Hoe verder ze van God verwijderd waren, des te nauwgezetter waren ze in het waarnemen van deze vormen.

Met al deze nauwgezette en lastige geboden was het vrijwel onmogelijk voor het volk om de wet te houden. De grote beginselen van gerechtigheid, in de tien geboden uiteengezet, en de heerlijke waarheden, afgebeeld in de schaduwdienst, werden verduisterd, begraven onder een menigte menselijke overleveringen en bepalingen. Zij die werkelijk verlangden God te dienen, en trachtten de gehele wet waar te nemen, zoals dit door de priesters en oversten werd geboden, kreunden onder een zware last.

Als volk waren de Israëlieten, terwijl ze verlangden naar de komst van de Messias, zo ver van God gescheiden in hart en leven, dat ze geen juiste voorstelling konden hebben van de aard of zending van de beloofde Verlosser. In plaats van te verlangen naar bevrijding van zonde en naar de heerlijkheid en vrede van ware heiligheid, was hun hart gericht op bevrijding van hun nationale vijanden en op het herstel van wereldse macht. Ze zagen uit naar de Messias als de komende overwinnaar, als Eén die elk juk zou verbreken en Israël boven alle andere volken zou verheffen.
Op deze wijze was satan erin geslaagd de harten van het volk voor te bereiden op het verwerpen van de Heiland als Deze zou komen. Hun eigen trots en onjuiste voorstellingen van zijn aard en zending zou verhinderen dat ze eerlijk de bewijzen van zijn zending zouden overdenken.

Meer dan duizend jaar had het Joodse volk gewacht op de komst van de beloofde Zaligmaker. Hun voornaamste hoop was gericht op dit gebeuren. Duizend jaar lang vormde zijn naam het middelpunt in lied en profetie, in tempeldienst en huisgodsdienst; toch, toen Hij kwam, herkenden zij Hem niet als de Messias waarop ze zo lang hadden gewacht.”Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Joh. 1: 11)

Voor hun wereldsgezinde harten was de Beminde des hemels als een wortel uit dorre aarde.” In hun ogen had Hij “gestalte noch luister”; ze ontdekten in Hem niets, dat zij Hem zouden begeren. (Jes. 53: 2)

Het gehele leven van Jezus van Nazaret onder het Joodse volk was een aanklacht tegen hun zelfzucht, zoals bleek uit hun onwil de rechtvaardige aanspraken van de Eigenaar van de wijngaard waarover zij als landlieden waren geplaatst te erkennen. Ze haatten zijn voorbeeld van waarachtigheid en vroomheid; en toen de laatste toets kwam, de toets die gehoorzaamheid tot eeuwig leven, of ongehoorzaamheid, met als gevolg eeuwige dood, betekende, verwierpen zij de Heilige Israëls, en werden aansprakelijk voor zijn kruisiging op Golgota.

Tegen het eind van zijn werk op aarde vestigde Christus in de gelijkenis van de wijngaard de aandacht van de Joodse leraars op de rijke zegeningen die Israël had ontvangen, en toonde hierdoor Gods aanspraken op hun gehoorzaamheid. Duidelijk hield Hij hun de heerlijkheid van Gods doel dat zij door gehoorzaam te zijn hadden kunnen vervullen, voor ogen. Terwijl Hij de sluier voor de toekomst terzijde schoof, liet Hij zien hoe het hele volk door niet aan zijn plannen te beantwoorden, zijn zegen verbeurde en ondergang bracht over zichzelf.

“Er was een heer des huizes”, zei Christus, “die een wijngaard plantte, en er een heg omheen zette, er een wijnpers in groef en een toren bouwde; en hij verhuurde die aan pachters en ging buitenslands.” (MattH 21: 33)

Op deze wijze wees de Heiland op “de wijngaard van de Here der heerscharen” waarvan de profeet Jesaja eeuwen eerder had gezegd dat deze het “huis Israëls” was. (Jes. 5: 7)

“Toen nu de tijd der vruchten naderde”, vervolgde Christus, zond de eigenaar van de wijngaard zijn slaven naar die pachters om zijn vruchten in ontvangst te nemen. Maar de pachters grepen zijn slaven, sloegen de ene, doodden de andere en stenigden een derde. Hij zond weder andere slaven, nog meer dan eerst, en zij behandelden hen op dezelfde wijze. Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden, om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem”.

Nadat Christus de priesters hun de bekroning van hun boosheid had voorgehouden, stelde hij hen de vraag: “Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen?” De priesters hadden het verhaal met grote belangstelling gevolgd; en zonder eraan te denken het onderwerp op zichzelf van toepassing te brengen, waren ze het eens met het volk door te zeggen: Een kwade dood zal hij die kwaden doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren”.

Zonder het te weten, hadden ze hun eigen vonnis uitgesproken. Jezus zag op hen neer en onder zijn doorzoekende blik wisten ze dat Hij het verborgene van hun harten had gelezen. Zijn goddelijkheid straalde hen met onmiskenbare kracht tegen. Ze zagen in de pachters een beeld van zichzelf, en onwillekeurig riepen ze uit: Dat zij verre!”

Plechtig en verdrietig vroeg Christus: “Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom, Ik zeg u: het koninkrijk Gods zal van u weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.

En wie op deze steen valt, zal verpletterd worden, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.” (Matth. 21: 34-44)

Christus zou de ondergang van het Joodse volk hebben afgewend als het volk Hem had aangenomen. Maar nijd en afgunst maakten hen onverzoenlijk. Ze hadden zich voorgenomen dat ze Jezus van Nazaret niet als de Messias wilden aannemen. Ze verwierpen het licht der wereld, en van deze tijd af zouden ze in het duister van de nacht leven. De voorspelde ondergang trof het Joodse volk. Hun eigen ontembare hartstochten veroorzaakten hun ondergang. In hun blinde woede doodden ze elkander. Hun opstandige, koppige hoogmoed bracht over hen de toom van hun Romeinse veroveraars. Jeruzalem werd verwoest, de tempel vernietigd, en de plaats waar hij had gestaan, werd omgeploegd. Het volk van Juda kwam op een verschrikkelijke wijze om. Miljoenen werden als slaven in heidense landen verkocht.

Wat God van plan was te doen voor de wereld door Israël, het uitverkoren volk, zal Hij ten slotte bereiken door zijn gemeente op aarde in deze tijd. Hij heeft zijn wijngaard verhuurd aan andere pachters, aan het volk dat vasthoudt aan zijn verbond en dat Hem op tijd de vruchten aflevert. De Here heeft altijd trouwe vertegenwoordigers gehad op deze aarde, die zijn belangen tot de hunne hebben gemaakt. Deze getuigen voor God worden gerekend tot het geestelijk Israël, en in hen zullen alle verbondsbeloften, door God aan het oude Israël gedaan, in vervulling gaan.

Nu is Gods gemeente vrij het goddelijk plan voor de redding van de verloren mensheid te voltooien. Eeuwen lang is de vrijheid van Gods volk beperkt geweest. De prediking van het evangelie in haar zuiverheid was verboden, en de strengste straffen werden toegepast op hen die de besluiten van mensen ongehoorzaam durfden zijn. Bijgevolg was de grote morele wijngaard van God vrijwel zonder werkers. De mensen bleven verstoken van het licht van Gods Woord. Het duister van dwaling en bijgeloof dreigde de kennis van de ware godsdienst teniet te doen. Gods gemeente op aarde was in deze lange tijd van meedogenloze vervolging evenzeer in ballingschap als de kinderen van Israël in Babel tijdens de zeventigjarige ballingschap.

Maar Gode zij dank, dat zijn gemeente niet langer gebonden is. De voorrechten van Gods volk zijn teruggegeven aan het geestelijk Israël, zoals dat ook het geval was met Gods volk toen het uit Babel werd bevrijd. In alle delen van de aarde geven mannen en vrouwen gehoor aan de boodschap van de hemel, die Johannes op Patmos in visioen had gehoord voor de wederkomst van Christus: “Vreest God en geeft Hem eer, wat de ure van zijn oordeel is gekomen.” (Openb. 14: 7)

Niet langer kunnen de machten van het kwaad de gemeente gevangen houden; want “gevalIen, gevallen is het grote Babylon, dat van de wijn van de hartstocht zijner hoererij al de volken heeft doen drinken”; en tot het geestelijk Israël is de boodschap gericht: “Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij geen gemeenschap hebt aan haar zonden en niet ontvangt van haar plagen.” (Openb. 14 : 8; 18: 4)

Zoals de ballingen in Babel gehoor gaven aan de boodschap: “VIucht uit Babel” (Jer. 51: 6), en terugkeerden naar het land der belofte, geven degenen die in deze tijd God vrezen gehoor aan de boodschap om zich terug te trekken uit het geestelijk Babylon, en spoedig zullen ze staan op de nieuwe aarde als overwinningstekenen van Gods genade.

In de dagen van Maleachi werd de spottende vraag van de onboetvaardigen:
“Waar is . . . . de God van het recht?” beantwoord met de ernstige woorden:
“Plotseling zal tot zijn tempel komen de Here, Here, . . . . . de Engel des verbonds . . . . Doch wie kan de dag van zijn komst verdragen, en wie zal bestaan, als Hij verschijnt?
Want Hij zal zijn als het vuur van de smelter en als het loog van de blekers. Hij zal zitten, het zilver smeltend en reinigend. Hij zal de zonen van Levi reinigen, Hij zal hen louteren als goud en als zilver, opdat zij de Here in gerechtigheid offer brengen. Dan zal het offer van Juda en van Jeruzalem de Here aangenaam zijn als in de dagen van ouds, als in vroegere jaren.” (Mal. 2: 17; 3: 1-4)

Toen de beloofde Messias op het punt stond te verschijnen, luidde de boodschap van Christus’ voorloper: “Bekeert u, tollenaars en zondaars; bekeert u, Farizeeën en Sadduceeën, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” (Matth. 3: 2)

Nu vestigen boodschappers, door God geroepen om in de geest en de kracht van Elia en van Johannes de Doper te werken, de aandacht van een wereld die voor het oordeel moet verschijnen, op de plechtige gebeurtenissen die spoedig zullen plaatsvinden in verband met de laatste ogenblikken van de genadetijd en de verschijning van Christus Jezus als Koning der koningen en Heer der heren. Spoedig zal iedereen geoordeeld worden naar hetgeen hij gedaan heeft in het vlees. Het uur van Gods oordeel is gekomen, en op de leden van zijn gemeente op aarde rust de plechtige verantwoordelijkheid om hen te waarschuwen die als het ware op de rand van eeuwige ondergang staan. Aan ieder mens in heel de wereld moet duidelijk gemaakt worden, welke beginselen op het spel staan in de grote strijd die gaande is, beginselen waarvan het lot van heel de mensheid afhangt.

In deze laatste ogenblikken van de genadetijd voor de mensen, waarin het lot van iedere ziel spoedig voor altijd zal zijn beslist, verwacht de Heer van hemel en aarde dat zijn gemeente aan het werk zal gaan als nooit tevoren. Zij die in Christus Vrij zijn door de kennis van de kostbare waarheid, worden door de Here Jezus gezien als zijn uitverkorenen, begunstigd boven alle andere mensen op de aardbodem; en Hij rekent op hen om de lof te verkondigen van Hem, die hen geroepen heeft uit het duister tot zijn wonderbaar licht. De zegeningen, die zo vrijgevig geschonken worden, moeten aan anderen worden medegedeeld. Het blijde nieuws van verlossing moet gepredikt worden aan elke natie, geslacht, taal en volk.

In de visioenen van de profeten werd getoond hoe de Heer der heerlijkheid speciaal licht liet schijnen op zijn gemeente in dagen van duisternis en ongeloof die aan zijn wederkomst zouden vooraf gaan. Als de Zon der gerechtigheid zou Hij over zijn gemeente opgaan met genezing . . . . onder haar vleugelen.” (Mal. 4: 2) En iedere ware discipel zou een invloed ten leven moeten verspreiden voor bemoediging, hulp en ware genezing.

De komst van Christus zal plaatsvinden in het donkerste uur van de geschiedenis van deze aarde. De dagen van Noach en van Lot schilderen de toestand van de wereld vlak voor de komst van de Zoon des mensen. De Bijbel zegt, bij het wijzen op deze tijd, dat “satan zal werken met allerlei krachten” en met allerlei verlokkende ongerechtigheid.” (zie 2 Thess. 2: 9,10)

Zijn werk is duidelijk zichtbaar aan de snel toenemde duisternis, de veelvuldige dwalingen, ketterijen en verleidingen van deze laatste dagen. Niet alleen neemt satan de wereld gevangen, maar zijn verleidingen dringen door in de belijdende kerken van onze Here Jezus Christus. De grote afval zal zich ontwikkelen in een duisternis, zo dicht als middernacht. Voor Gods volk zal het een nacht van beproeving, van geween, van vervolging ter wille van de waarheid zijn. Maar uit die duistere nacht zal Gods licht te voorschijn komen.

Hij doet het licht schijnen uit het duister. (2 Cor. 4: 6)

Toen de aarde “woest en ledig was, en duisternis lag op de vloed”, zweefde de Geest Gods over de wateren. En God zeide: “Er zij licht; en er was licht.” (Gen. 1: 2,3)

Zo klinkt Gods Woord in de nacht van geestelijke duisternis: “Er zij licht”. Tot zijn volk zegt Hij: “Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op.” (Jes. 60: 1)

Want zie”, zegt de Schrift, duisternis zal de aarde bedekken en donkerheid de natiën, maar over u zal de Here opgaan en zijn heerlijkheid zal over u gezien worden.” (Jes. 60: 2)

Christus, die het afschijnsel is van de heerlijkheid van zijn Vader, kwam naar deze wereld als haar licht. Hij kwam om God bekend te maken aan de mensen, en van Hem staat geschreven, dat Hij met de Heilige Geest en met kracht was gezalfd, en “is rondgegaan, weldoende.” (Hand. 10: 38)

In de synagoge te Nazaret zei Hij: “De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren.” (Luc. 4: 18,19)

Dit werk heeft Hij zijn discipelen opgedragen. “Gij zijt het licht der wereld”, zei Hij. “Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.” (Matth 5: 14,16)

Dit werk beschrijft de profeet Jesaja in de woorden. “Is het niet, dat gij voor de hongerige uw brood breekt en arme zwervelingen in uw huis brengt, ja, als gij een naakte ziet, dat gij hem kleedt en u niet onttrekt aan uw eigen vlees en bloed? Dan zal uw licht doorbreken als de dageraad en uw wond zich spoedig sluiten: uw heil zal voor u uit gaan, de heerlijkheid des Heren zal uw achterhoede zijn.” (Jes. 58: 7,8)

Overal om ons heen horen we de klachten van een wereld vol smart. Overal zijn behoeftigen en treurenden. Onze taak is, de moeilijkheden en het verdriet van het leven te verlichten en te verzachten. De behoeften van de ziel kunnen alleen door de liefde van Christus worden bevredigd. Als Christus in ons woont, zal ons hart vol van goddelijk medelijden zijn. De gesloten bronnen van oprechte christelijke liefde zullen ontsloten worden. Er zijn velen die geen hoop meer hebben. Breng hen weer in het zonlicht. Velen hebben de moed verloren. Bemoedig hen. Bid voor hen. Er zijn mensen die het brood des levens nodig hebben. Lees hen voor uit Gods Woord. Menige ziel is ziek, waar geen geneesmiddel of arts kan helpen. Bid voor deze zielen. Breng hen tot Jezus. Zeg hen dat er balsem is in Gilead en dat daar een Heelmeester is.

Het licht is een zegen, een universele zegen, waarvan de schatten komen tot een ondankbare, onheilige, gedemoraliseerde wereld. Zo is het ook met het licht van de Zon der gerechtigheid. De hele aarde, die zich bevindt in het duister van zonde, verdriet en pijn, moet verlicht worden met de kennis van Gods liefde.

Geen enkele groepering of klasse mensen mag worden uitgesloten van het licht, afkomstig van de troon des hemels. De boodschap van hoop en genade moet tot aan de einden der aarde worden gebracht. Ieder die dat wil, kan de hand uitstrekken om Gods kracht aan te grijpen en vrede te maken met Hem, en Hij zal vrede maken. Niet langer behoeven de heidenen in het duister te leven. Het donker moet verdwijnen voor de heldere stralen van de Zon der gerechtigheid.

Christus heeft elke mogelijke voorziening getroffen opdat zijn gemeente een veranderd lichaam zal zijn, verlicht door het Licht der wereld, en in het bezit van de heerlijkheid van Immanuël.

Het is zijn bedoeling dat elke christen omgeven zal zijn door een geestelijke atmosfeer van licht en vrede. Het is zijn verlangen dat we zijn vreugde in ons leven openbaren.

Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid des Heren gaat over u op.” (Jes. 60: 1)

Christus komt met macht en grote heerlijkheid. Hij komt in zijn heerlijkheid en de heerlijkheid van zijn Vader. Heilige engelen zullen Hem vergezellen bij zijn komst. Terwijl heel de wereld in het duister is gehuld, zal het licht zijn in de woningen der gelovigen. Zij zullen de eerste lichtstralen zien van zijn wederkomst. Het heldere licht zal afstralen van zijn pracht, en Christus de Verlosser zal geprezen worden door allen die Hem hebben gediend. Terwijl de goddelozen vluchten, zullen Christus’ volgelingen zich verblijden in zijn tegenwoordigheid.

Dan zullen de verlosten uit de mensen de erfenis die hen is beloofd, in ontvangst nemen. Op deze wijze zal Gods plan met Israël letterlijk in vervulling gaan. Wat God Zich heeft voorgenomen, kan de mens nooit doen mislukken. Zelfs te midden van het werk van het kwaad zijn Gods plannen steeds voorwaarts gegaan op weg naar hun vervulling. Zo ging het met het huis van Israël in de geschiedenis van de gedeelde rijken: zo gaat het ook met het hedendaags geestelijk Israël.

De ziener van Patmos zegt, als hij door de eeuwen blikt naar de tijd van dit herstel van Israël op de vernieuwde aarde: “Daarnaast zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen. En zij riepen met luider stem en zeiden:
De zaligheid is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam! En al de engelen stonden rondom de troon en de oudsten en de vier dieren, en zij wierpen zich op hun aangezicht voor de troon en aanbaden God, zeggende: Amen.” de lof en de heerlijkheid, en de wijsheid en de dankzegging, en de eer en de macht en de sterkte zij onze God tot in alle eeuwigheden!” (Openb. 7: 9-12)

“En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende:
Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven.” (Openb, 19: 6, 7)
“Hij is de Here der heren en Koning der koningen, en zij, die met Hem zijn, de geroepenen en uitverkorenen en gelovigen”. (Openb, 17 : 14)
("Profeten en Koningen" - E.G. White)