33 Samenwerking

“Wij zijn leden van elkander.”
Bij de karaktervorming zijn geen andere invloeden zo van belang als de invloed van het gezin. Het werk van de onderwijzer moet dat van de ouders aanvullen, maar moet dat niet vervangen. In alles wat het welzijn van het kind betreft, moet er een samenwerking zijn tussen de ouders en de onderwijzers.

Samenwerking der ouders
De samenwerking moet reeds in het gezinsleven tot stand komen tussen de vader en moeder zelf. Bij de opvoeding van hun kinderen, dragen zij samen de verantwoordelijkheid, en aanhoudend moet hun streven erop gericht zijn, samen te werken. Zij moeten zich aan God overgeven en bij Hem hulp zoeken om elkander tot steun te zijn. Laten ze hun kinderen leren oprecht te zijn tegenover God en tegenover beginselen, en aldus eerlijk tegenover zichzelf en tegenover allen met wie zij te maken hebben. Wanneer de kinderen zo zijn opgevoed, zullen ze op school geen zorgen of moeilijkheden veroorzaken. Zij zullen een hulp voor hun onderwijzers en een voorbeeld en bemoediging voor hun medescholieren zijn.

Naast de onderwijzer staan
Ouders, die hun kinderen op deze wijze opvoeden, zullen niet behoren tot degenen die de onderwijzer kritiseren. Zij voelen dat zowel het belang van hun kinderen als de rechtvaardigheid ten opzichte van de school eisen dat zij hem helpen en respecteren die in hun verantwoordelijkheid deelt.

Kritiek
Hierin falen tal van ouders. Door hun haastige, ongegronde kritiek wordt de invloed van de trouwe, zich opofferende onderwijzer vaak zo goed als te niet gedaan. Vele ouders, wier kinderen door toegevendheid bedorven zijn, belasten de onderwijzer met de onaangename taak hun verzuim goed te maken; en dan maken zij door hun manier van doen zijn taak bijna hopeloos. Hun kritiek en hun afgeven op de leiding van de school zetten de kinderen aan tot ongehoorzaamheid en versterken hen in hun verkeerde gewoonten.
Worden kritiek of voorstellen betreffende het werk van de onderwijzer noodzakelijk, dan moet men hem apart daarover spreken. Heeft dit geen resultaat, dan moet de kwestie worden voorgelegd aan hen die de verantwoordelijkheid van het beheer van de school dragen. Niets moet gezegd of gedaan worden wat het respect der kinderen tegenover hem, van wie hun welzijn in zo grote mate afhangt, verzwakt.

De onderwijzer op de hoogte stellen
Daar de ouders zowel met het karakter van hun kinderen als met hun fysieke eigenaardigheden en zwakheden goed bekend zijn, zou het een hulp zijn voor de onderwijzer, wanneer hij daarvan op de hoogte werd gesteld. Het is heel jammer dat velen dit niet inzien. De meeste ouders tonen weinig belangstelling om zich op de hoogte te stellen van de eigenschappen van de onderwijzer, of met hem in zijn arbeid samen te werken.

De onderwijzer ten opzichte van de ouders
Omdat de ouders zo zelden contact zoeken met de onderwijzer, is het des te belangrijker dat de onderwijzer contact zoekt met de ouders. Hij moet zijn scholieren thuis een bezoek brengen, teneinde zich op de hoogte te stellen van de invloeden en omgeving waarin zij verkeren. Wanneer hij persoonlijk in aanraking komt met hun tehuis en met hun leven, kan hij de banden tussen hem en zijn leerlingen versterken en leren hoe hij met de jonge mensen met hun verschillende aanleg en aard het best kan omgaan.

Een dubbele zegen
Wanneer hij van zijn belangstelling in de gezinsopvoeding blijk geeft, doet hij aan twee kanten een goed werk. Door geheel op te gaan in hun werk en in hun zorgen, zien vele ouders hun kansen niet meer, het leven hunner kinderen ten goede te beïnvloeden. De onderwijzer kan veel doen door deze ouders te wijzen op hun mogelijkheden en voorrechten. Hij zal ook ouders ontmoeten voor wie het gevoel van hun verantwoordelijkheid een zware last is, zo verlangend zijn ze dat hun kinderen zullen opgroeien tot goede, nuttige mannen en vrouwen. Vaak kan de onderwijzer deze ouders helpen in het dragen van hun lasten, en door daarover te beraadslagen zullen zowel de onderwijzer als de ouders bemoedigd en gesterkt worden.

Ouders en kinderen
In de gezinsopvoeding van de jeugd is het beginsel van samenwerking onschatbaar. Van hun prilste jaren moet men de kinderen leren dat zij deel uitmaken van het gezin. Zelfs de kleintjes moet reeds geleerd worden in het dagelijkse werk een handje te helpen en men moet ze laten voelen dat hun hulp nodig is en gewaardeerd wordt. De oudere kinderen moeten hun ouders helpen door belangstelling te tonen voor hun plannen en te delen in hun verantwoordelijkheden en lasten. Vaders en moeders moeten de tijd nemen om hun kinderen te onderrichten en ze moeten hun tonen hoe zeer zij hun hulp waarderen, hun vertrouwen gaarne hebben, en hun gezelschap op prijs stellen. Wanneer de ouders dit doen, zullen de kinderen niet aarzelen daarop in te gaan. Niet alleen zullen de ouderlijke lasten worden verlicht en de kinderen een praktische opvoeding van onschatbare waarde ontvangen, maar de gezinsbanden zullen versterkt en de karaktereigenschappen verdiept worden.

Onderwijzers en scholieren
Samenwerking moet de geest en de wet van het schoollokaal zijn. De onderwijzer die de medewerking van zijn leerlingen weet te verkrijgen, verschaft zich een waardevolle hulp om de orde te handhaven. Door te helpen in het schoollokaal zal menige jongen wiens rusteloosheid aanleiding is tot wanorde en ongehoorzaamheid, een uitlaat voor zijn overvloedige energie vinden. Laten de ouderen de jongeren, de sterken de zwakken helpen; en laat zo veel mogelijk een ieder in de gelegenheid gesteld worden iets te doen waarin hij uitmunt. Dat zal zelfrespect en het verlangen zich nuttig te maken, aanmoedigen.

Bijbelse voorbeelden
Voor de jeugd als ook voor de ouders en onderwijzers zou het goed zijn, de les van samenwerking zoals die in de Bijbel geleerd wordt, ter harte te nemen. Besteed onder die vele voorbeelden vooral aandacht aan de bouw van de tabernakel - die aanschouwelijke les van karaktervorming - waaraan het hele volk deelnam; “iedere man wiens hart hem dreef, ieder wiens geest hem drong”. Exod. 35:21. Leest hoe te midden van armoede, moeilijkheden en gevaren de muren van Jeruzalem door de teruggekeerde gevangenen werden herbouwd, hoe de grote taak tot een succesvol einde werd gebracht omdat “het volk lust had om te werken”. Neh. 4:6. Lees hoe de discipelen deel hadden in het wonder van de Heiland, toen de duizenden werden gespijzigd. Het voedsel vermeerderde in de handen van Christus, maar de discipelen ontvingen het brood en gaven het door aan de wachtende scharen.
“Wij zijn leden van elkander”. Daarom “dient elkander, een ieder naar de genadegave die hij ontvangen heeft, als goede rentmeesters over de velerlei genade Gods”. Efez. 4:25; 1 Petr. 4:10.
Wel mochten de woorden, geschreven van de bouwers van afgodsbeelden in het verleden, maar dan met een waardiger doel, als motto aangenomen worden door de karakterbouwers van heden: “De een hielp de ander en zeide tot zijn makker: Houd moed!” Jes. 41:6.
(Karaktervorming, - E.G.White)