11 Levenslessen

Spreek tot de aarde, en zij zal u onderrichten.”

Christus’ aanschouwelijk onderwijs
De grote Leraar bracht Zijn toehoorders in aanraking met de natuur, opdat zij konden luisteren naar de stem die spreekt door alles wat geschapen is; en wanneer hun hart zich opende en hun geest ontvankelijk werd, hielp Hij hen om de geestelijke lessen van de dingen die zij aanschouwden, in zich op te nemen. De gelijkenissen, waardoor Hij zo gaarne de lessen der waarheid leerde, tonen hoe ontvankelijk Zijn geest was voor de invloeden der natuur - en hoe gaarne Hij de geestelijke leer ontleende aan alles wat men in het dagelijkse leven tegenkomt.

Geschikt voor alle toehoorders
Christus illustreert de onsterfelijke waarheid door middel van de vogels in de lucht, de leliën op het veld, de zaaier en het zaad, de herder en de schapen. Hij ontleende Zijn illustraties ook aan de voorvallen in het leven, ervaringen waarmede de luisteraars vertrouwd waren - de zuurdesem, de verborgen schat, de parel, het visnet, de verloren penning, de verloren zoon, de huizen op de rots en op het zand. In Zijn onderricht was iets dat iedereen belangstelling kon inboezemen, dat sprak tot elk hart. Zo werden de bezigheden van elke dag, in plaats van een steeds terugkerende sleur zonder hogere gedachten te zijn, geplaatst in een meer verheven licht door ze aanhoudend in verband te brengen met het geestelijke en het onzichtbare.

Zó moeten wij onderwijzen. Leert de kinderen in de natuur een uitdrukking van de liefde en de wijsheid van God te zien; laat de gedachten aan Hem verbonden worden met vogels en bloemen en bomen; laat alles wat zichtbaar is, voor hen de vertolker van het onzichtbare worden en al de voorvallen des levens een middel om het Goddelijke onderwijs in zich op te nemen.

Dezelfde wetten
Wanneer zij aldus leren de lessen in al de geschapen dingen en in al de ervaringen des levens te bestuderen, toon dan dat dezelfde wetten waaraan de dingen der natuur en de gebeurtenissen des levens onderworpen zijn, ook ons beheersen; dat ze gegeven zijn voor ons bestwil; en dat we alleen in gehoorzaamheid aan die wetten waar geluk en succes zullen vinden.

De wet van het dienen
Alle dingen, zowel in de hemel als op aarde, verkondigen dat de grote wet des levens een wet van het dienen is. De eeuwige Vader dient het leven van elk levend schepsel. Christus kwam naar de aarde als “dienaar”. Lucas 22:27. De engelen zijn “dienende geesten die uitgezonden worden ten dienste van hen die het heil zullen beërven”. Hebr. 1:14. Dezelfde wet van het dienen staat geschreven op alle dingen der natuur. De vogels in de lucht, de dieren op het land, de bomen van het bos, de bladeren, het gras en de bloemen, de zon aan de hemel en de lichtende sterren - zij allen hebben hun taak. Het meer en de oceaan, de rivier en de waterbron - elk neemt om te geven.

Ontvangen door te geven
Wanneer elk wezen in de natuur aldus het leven der wereld dient, dan waarborgt dat ook zijn eigen leven. “Geeft, en u zal gegeven worden” (Lucas 6:38), is de les, even zeker geschreven in de natuur als op de bladzijden van de Heilige Schrift.
Wanneer de berghellingen en de vlakten een bedding openen voor de bergstroom, dan ontvangen ze honderdvoudig terug wat ze geven. De stroom die bruisend zijn weg gaat, laat zijn gaven van schoonheid en vruchtbaarheid achter. Door de velden, verdord en bruin geworden onder de zomerhitte, geeft een strook groen de loop van de rivier aan; elke edele boom, elke knop, elke bloem is een getuige van de beloning die Gods genade schenkt aan allen die Hem in de wereld vertegenwoordigen.

Wetten van de groei
Van de bijna ontelbare lessen die men kan leren van de verschillende groeiprocessen, zijn enkele van de kostbaarste vervat in de gelijkenis van de Heiland van het ontkiemende zaad. Daarin liggen lessen voor jong en oud.
“Alzo is het Koninkrijk Gods als een mens die zaad werpt in de aarde en slaapt en opstaat, nacht en dag, en het zaad opkomt en groeit, zonder dat hijzelf weet hoe. De grond brengt vanzelf vrucht voort; eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar.” Marcus 4:26-28.

Goddelijke macht in de groei
Het zaad heeft in zichzelf een ontkiemend element; een element dat God Zelf daar heeft ingeplant; en toch, zou het zaad aan zichzelf zijn overgelaten, dan zou het geen kracht om te ontkiemen bezitten. De mens heeft zijn deel te doen om de groei van het zaad te bevorderen; maar er is één punt, waarbuiten hij niets kan verrichten. Hij is afhankelijk van Hem Die het zaaien en het oogsten door de wonderbaarlijke schakels van Zijn persoonlijke almacht heeft verbonden.
Er is leven in het zaad en kracht in de grond; wanneer echter niet dag en nacht een Goddelijke macht aan het werk is, zal het zaad niet opgroeien. De regen moet de dorstige akkers verkwikken; de zon moet warmte geven; elektriciteit moet toegevoerd worden aan het begraven zaad. Het door de Schepper ingeplante leven kan Hij alleen te voorschijn roepen. Elk zaadje groeit, elke plant ontwikkelt zich door de kracht van God.

“Het zaad is het Woord Gods”. “Zoals de aarde haar gewas voortbrengt en een hof zijn zaaisel doet uitspruiten, zo zal de Here, Here gerechtigheid en lof doen uitspruiten”. Lucas 8:11; Jes. 61:11. Zoals het is in het natuurlijke, zo is het ook in het geestelijke zaaien; de kracht die alleen leven kan voortbrengen, is uit God.

Zaaien in het geloof
Het werk van de zaaier is een werk des geloofs. De verborgenheid van het ontkiemen en de groei van het zaad kan hij niet begrijpen; maar hij heeft vertrouwen in de middelen waardoor God de planten doet bloeien. Hij strooit het zaad uit en verwacht in een overvloedige oogst dat veelvoudig in te zamelen. Zo moeten ook ouders en onderwijzers werken door een oogst te verwachten van het zaad dat zij uitstrooien.

Gods verbond ten aanzien van de oogst
Gedurende een poos kan het goede zaad onopgemerkt in het hart liggen, zonder blijk te geven dat het wortel heeft geschoten; maar later wanneer de Geest van God de ziel aanraakt, zal het verborgen zaad ontkiemen en ten slotte vrucht voortbrengen. In onze levenstaak weten wij niet wat zal gedijen, dit of dat. Het staat niet aan ons dat vraagstuk op te lossen. “Zaai uw zaad in de morgen en laat uw hand tegen de avond niet rusten”. Pred. 11:6. Gods grote verbond zegt dat “zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst.... niet ophouden”. Gen. 8:22. Vertrouwende op deze belofte ploegt en zaait de landman.

Ten aanzien van het geestelijk zaaien werken wij met niet minder vertrouwen, afgaande op Zijn verzekering: “Alzo zal Mijn woord dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn: het zal niet ledig tot Mij wederkeren, maar het zal doen wat Mij behaagt en dat volbrengen”.

“Hij gaat al wenende voort, die de zaadbuidel draagt; voorzeker zal hij komen met gejuich, dragende zijn schoven”. Jes. 55:11; Psalm 126:6.

Het ontkiemen van het zaad stelt het begin van het geestelijke leven voor, en de ontwikkeling van de plant is een beeld van de ontwikkeling van het karakter. Er kan geen leven zonder groei zijn. De plant moet òf groeien òf sterven. Zoals haar groei in alle stilte, onmerkbaar, maar aanhoudend zich voltrekt, zo is ook de groei van het karakter. In elk stadium der ontwikkeling kan ons leven volmaakt zijn; nochtans wanneer Gods doel ten opzichte van ons vervuld wordt, zal er een bestendige vooruitgang zijn.

Voorwaarden tot de groei
De plant groeit doordat zij ontvangt wat God heeft verschaft om haar leven in stand te houden. Zo wordt de geestelijke groei verkregen door samenwerking met goddelijke hulpmiddelen. Zoals de plant wortel schiet in de grond, zo moeten wij wortel schieten in Christus. Zoals de plant de zonneschijn, de dauw en de regen ontvangt zo moeten wij de heilige Geest ontvangen. Wanneer wij ons hart gezet hebben op Christus, zal Hij tot ons komen “als de regen, als de late regen die het land besproeit”. Als de Zon der Gerechtigheid zal Hij over ons opgaan “met genezing onder Zijn vleugelen”. Wij zullen “bloeien als de lelie”. Wij zullen “bloeien als de wijnstok”. Hosea 6:3; Mal. 4:2; Hosea 14:6,8.

Vrucht dragen
De tarwe groeit, “eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar”. Marc. 4:28. Het doel van de landman in het zaaien van het zaad en de verzorging van de plant, is het verkrijgen van graan - brood voor de hongerigen en zaad voor de komende oogsten. Zo verwacht de Goddelijke Landman ook een oogst. Hij probeert Zijn beeld te ontwikkelen in het hart en leven van Zijn navolgers, opdat Hij door hen gestalte zal krijgen in hart en leven van anderen.

Een les in kinderopvoeding
De geleidelijke groei van de plant uit het zaad is een aanschouwelijke les in kinderopvoeding. Er is “eerst een halm, daarna een aar, daarna het volle koren in de aar”. Marcus 4:28. Hij Die deze gelijkenis gaf, schiep het kleine zaad, gaf daaraan zijn levenskrachten en maakte de wetten die zijn groei besturen.

Natuurlijke ontwikkeling
En de waarheden, door de gelijkenis geleerd, werden verwerkelijkt in Zijn eigen leven. Hij, de Majesteit des hemels, de Koning der heerlijkheid, werd als baby in Bethlehem geboren en was gedurende een tijd het hulpeloze kind in de zorgen van zijn moeder. In Zijn kinderjaren sprak en deed Hij als een kind, eerde Zijn ouders en deed wat Hem werd opgedragen. Maar vanaf de eerste vorming van het verstand, groeide Hij voortdurend op in genade en kennis der waarheid.
Ouders en onderwijzers moeten zich ten doel stellen de neigingen van de kinderen zo te leiden, dat ze in elke periode van het leven de schoonheid, verbonden met die periode, weerkaatsen en zij zich, evenals de planten in de tuin, op natuurlijke wijze ontwikkelen.

Eenvoud
De kleinen moeten in kinderlijke eenvoud opgevoed worden. Men moet hun leren tevreden te zijn met de kleine, nuttige plichten en de genoegens en ervaringen, overeenkomstig hun leeftijd. De jeugd komt overeen met de halm in de gelijkenis en de halm heeft van zichzelf een bijzondere schoonheid. Kinderen moeten niet gedrongen worden tot een vroegtijdige rijpheid, maar ze moeten zo lang mogelijk de frisheid en bevalligheid van hun prille jaren behouden. Hoe rustiger en eenvoudiger het leven van een kind is, hoe meer bevrijd van gekunstelde opwinding en hoe meer in harmonie met de natuur, des te gunstiger zal dat zijn voor zijn lichamelijke, verstandelijke en voor zijn geestelijke kracht.

Het wonder van de oogst
In het wonder van de Heiland bij de spijziging van de vijfduizend is de werking van Gods macht in het voortbrengen van de oogst duidelijk gemaakt. Jezus trekt de sluier weg van de wereld der natuur en laat de scheppende kracht zien, welke aanhoudend voor ons bestwil wordt uitgeoefend. In de vermenigvuldiging van het in de aarde gestrooide zaad, doet Hij Die de broden vermenigvuldigde, elke dag een wonder. Het is door een wonder dat Hij elke dag miljoenen mensen spijzigt van de oogstvelden der wereld. Terwijl mensen geroepen zijn met Hem samen te werken in de verzorging van het graan en de bereiding van het brood, verliezen zij het Goddelijke werktuig uit het oog. De werking van Zijn kracht wordt toegeschreven aan natuurlijke oorzaken of aan menselijke tussenkomst, en maar al te vaak maakt men van Zijn gaven een zelfzuchtig gebruik en wordt van de zegen een vloek gemaakt. God probeert in dat alles verandering te brengen. Het is Zijn verlangen dat ons trage begrip bezield wordt om Zijn barmhartige goedertierenheid te onderscheiden en dat Zijn gaven ons tot een zegen worden, zoals Hij oorspronkelijk bedoeld heeft.

Deelgenoten van het leven Gods
Het is het Woord Gods, het toebedelen van Zijn leven, dat aan het zaad leven geeft; en, door het eten van het graan, worden wij van dat leven deelgenoten. En God wil dat wij dat terdege zien; Hij verlangt dat zelfs in het ontvangen van ons dagelijks brood, wij Zijn macht zullen erkennen en in nauwer gemeenschap met Hem gebracht zullen worden.

We oogsten wat we zaaien
Door Gods wetten in de natuur ziet men oorzaak en gevolg met een onveranderlijke zekerheid. Het oogsten getuigt van het zaaien. Hier wordt geen schijn geduld. Mensen kunnen hun medemensen bedriegen en kunnen beloning en eer ontvangen voor diensten die zij niet hebben bewezen. Maar in de natuur is van zo’n misleiding geen sprake. Over de ontrouwe landman spreekt de oogst een veroordelend vonnis en in de hoogste zin geldt dit ook in de sfeer van het geestelijke. Het lijkt alsof het kwaad succes heeft, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Het kind dat spijbelt om te kunnen spelen, de jongeling die traag is in zijn studie, de bediende of leerjongen die nalatig is de belangen van zijn patroon te dienen, de man in handel of beroep die zijn hoogste verantwoordelijkheden ontrouw wordt, mag zich vleien dat zolang het kwaad verborgen blijft, hij zich bevoordeelt maar dat is niet zo; hij bedriegt zichzelf. De levensoogst is het karakter en dat bepaalt weer op zijn beurt ons lot, zowel voor dit leven als voor het toekomende.

De oogst des levens is het karakter
De oogst is een wedervoortbrenging van het gezaaide zaad. Elk zaad brengt vrucht voort “naar zijn aard”. Zo is het ook met de karaktertrekken die wij koesteren. Zelfzucht, genotzucht, eigenliefde, zelfbewustheid, ontwikkelen zich en het einde is rampzaligheid en ondergang. “Wie op de akker van zijn vlees zaait, zal uit zijn vlees verderf oogsten, maar wie op de akker van de Geest zaait, zal uit de geest eeuwig leven oogsten”. Gal. 6:8. Liefde, medeleven en vriendelijkheid werpen vrucht en zegen af, een onvergankelijke oogst.

Toeneming door zaaien
In de oogst wordt het zaad vermenigvuldigd. Een enkele, door herhaald zaaien vermeerderde graankorrel, zou een hele akker met gouden schoven bedekken. Zo uitgestrekt kan de invloed zijn van een enkel leven, ja zelfs van een enkele daad.
Hoeveel liefdedaden heeft de herinnering aan die albasten kruik, die gebroken werd bij de zalving van Jezus, de eeuwen door teweeg gebracht! En dan die “twee koperstukjes, samen een duit” (Marcus 12:42) welke een arme, ongenoemde weduwe in de offerkist wierp, wat zijn die aanleiding geweest tot ontelbare schenkingen voor het werk van de Heiland!

“Geeft overvloedig”
De les van het zaad-zaaien leert vrijgevigheid. “Wie karig zaait, zal ook karig oogsten en wie mildelijk zaait, zal mildelijk oogsten”. 2 Cor. 9:6.

De Here zegt: “Welzalig gij die aan alle wateren zaait”. Jes. 32:20. Zaaien aan alle wateren wil zeggen, geven waar onze hulp nodig is. Dat zal niet leiden tot armoede. “Wie mildelijk zaait, zal mildelijk oogsten”. Door uit te delen, vermeerderen wij onze zegen. Gods belofte verzekert ons een voldoende voorraad, opdat we kunnen blijven geven.
Nog meer: wanneer we de zegeningen van dit leven uitdelen, zal de dankbaarheid van de ontvanger zijn hart bereid maken om geestelijke waarheid te ontvangen en zo wordt een oogst voor het eeuwige leven verkregen.

Leven door de dood
Door het werpen van het graan in de aarde, geeft de Heiland een beeld van Zijn offer voor ons. “Indien de graankorrel niet in de aarde valt en sterft”, zegt Hij, “blijft zij op zichzelf; maar indien zij sterft, brengt zij veel vrucht voort”. Joh. 12:24. Alleen door het offer van Christus, het Zaad, kon vrucht voor het Koninkrijk Gods worden voortgebracht. In overeenstemming met de wet van het plantenrijk, is het leven het resultaat van Zijn dood.

Zo moeten bij allen die vrucht voortbrengen als medearbeiders van Christus, eigenliefde en eigenbelang vergaan; het leven moet geworpen worden in de vore van ‘s werelds noden. Maar de wet van zelfopoffering is de wet van zelfbehoud. De landman behoudt zijn graan door het uit te strooien. Zo is het leven dat behouden zal blijven, het leven dat zich overvloedig geeft in het dienen van God en de mens.

Een symbool van de opstanding
Het zaad sterft om tot nieuw leven te ontkiemen. Hierin wordt de les van de opstanding geleerd. Van het menselijke lichaam, begraven om in het graf tot stof te vergaan, heeft God gezegd: “Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid en opgewekt in kracht”. 1 Cor. 15:42,43.

Studie der natuur heeft een praktische inslag
Wanneer ouders en onderwijzers deze lessen trachten te geven, moeten zij dat op een praktische manier doen. Laat de kinderen zelf de grond bewerken en het zaad zaaien. Wanneer zij bezig zijn, kan de ouder of de onderwijzer een verklaring geven van de tuin van het hart, met daarin gezaaid het goede of het slechte zaad, en dat, zoals de tuin klaar gemaakt moet worden voor het natuurlijke zaad, het hart voor het zaad der waarheid toebereid moet worden. Wanneer het zaad in de aarde geworpen is, kunnen zij de les leren van Christus’ dood; en wanneer de halm opgroeit, kunnen ze wijzen op de waarheid van de opstanding. Wanneer de plant opgroeit, kan men steeds blijven wijzen op de overeenstemming tussen het natuurlijke en het geestelijke zaaien.

De jeugd moet op een overeenkomstige manier worden onderricht. Uit het bebouwen van de grond kunnen aanhoudend lessen worden geleerd. Niemand zal zich vestigen op een braak liggend land in de verwachting dat dit ineens een oogst zal voortbrengen. Men moet met ijver en volharding de grond bewerken, het zaad zaaien en het gewas verzorgen. Zo moet het ook zijn in het geestelijke zaaien. De tuin van het hart moet bewerkt worden. De grond moet worden opengebroken door berouw. Het onkruid dat het goede graan verstikt, moet worden uitgetrokken. Zoals de grond, overwoekerd door doornen, alleen gezuiverd kan worden door vlijtige arbeid, zo kunnen de boze neigingen van het hart alleen overwonnen worden door ernstige arbeid in de naam en de kracht van Christus.

Gehoorzaamheid aan de wet
Bij de bewerking van de grond zal de opmerkzame arbeider ervaren dat schatten, waarvan hij niet heeft gedroomd, te voorschijn komen. Niemand kan bij de land- of tuinbouw succes verwachten, wanneer geen aandacht aan de daarbij behorende wetten wordt geschonken. De bijzondere behoeften van elke plantensoort moeten bestudeerd worden.

Karakterontwikkeling
De verschillende soorten vereisen een verschillende grondsoort en verzorging en het handelen naar de wetten waaronder elke plant staat, is een voorwaarde tot succes. De aandacht, geschonken aan het overplanten, opdat geen wortelvezel verbroken of verkeerd geplaatst wordt, de zorg voor de jonge planten, het snoeien en begieten, de bescherming tegen vorst des nachts en de zon overdag, het treffen van maatregelen tegen onkruid, ziekte en insectenplagen, de gehele verzorging - dat alles leert niet alleen belangrijke lessen aangaande karakterontwikkeling, maar het werk op zichzelf is een middel tot ontwikkeling. Door het aankweken van nauwgezetheid, geduld, aandacht voor het kleine, gehoorzaamheid aan de wet, geeft men een wezenlijke opvoeding. De aanhoudende verbinding met de verborgenheid des levens en de lieflijkheid der natuur, alsook de tedere zorg, zo noodzakelijk voor deze mooie voortbrengselen van Gods schepping, hebben de neiging de geest te verkwikken en het karakter te veredelen en te verheffen; en de lessen die hij leert stellen de arbeider in staat met meer succes met andere mensen om te gaan.
(Karaktervorming, - E.G. White)