11 De Sabbat tijdens het werk der apostelen

De kennis van God bewaard in de familie van Abraham - De heidenen geroepen - Het nieuwe verbond brengt Gods wet in het hart van elke christen - Het nieuwe verbond heeft een tempel in de hemel, en een ark, waarin het grote origineel van de wet, die in de ark op aarde was; en voor die ark een priester, wiens offer de zonde kan wegnemen - Het oude en het Nieuwe Testament met elkaar vergeleken - Het menselijk geslacht verantwoordelijk ten opzichte van Gods wet - De goede olijfboom toont de intieme relatie tussen de gemeente van het Nieuwe Testament en de Joodse gemeente - De apostolische gemeente vierde de sabbat - Onderzoek van Hand. 13 - De vergadering der apostelen te Jeruzalem - Oorsprong van de gemeente in Filippi op Sabbat - Van de gemeente in Tessalonika - Korinthe - De gemeente in Judea en vele gemeenten onder de heidenen begonnen met sabbatvierders - Onderzoek van 1 Kor.16:1,2. - Tegenstrijdigheid van dr. Edwards met zichzelf - Paulus in Troas - Onderzoek van Rom.14:1-6 - Vlucht der discipelen uit Judea - De sabbat van de Bijbel aan het einde van de eerste eeuw.



Wij zijn nu de sabbat nagegaan tijdens de periode waarin hij een speciale band had met de familie van Abraham. Het einde van de zeventig weken brengt ons tot bij de roeping van de heidenen, en hun erkenning in dezelfde voorrechten als het Joodse volk. Wij hebben gezien dat er van de kant van God geen onrecht bestond in het geven van speciale zegeningen aan de Joden, terwijl Hij terzelfdertijd de heidenen overliet in de weg die zij zelf gekozen hadden. (1) Hij had tweemaal aan het menselijk geslacht, als geheel, de overvloedigste bewijzen van genade getoond, die Hij hun kon geven, en elke keer had dit een vrijwel totale afval van het mensdom tot gevolg. Toen koos God de familie van Abraham als zijn vriend, als zijn erfdeel en bewaarde door middel van die familie op aarde de kennis van zijn wet, zijn sabbat en zichzelf, tot de komst van de grote Messias. Deze bevestigde tijdens zijn werk op plechtige wijze de bestendigheid van de wet van zijn Vader, door zelfs in het minste gebod gehoorzaamheid te eisen. (2) Door zijn dood verbrak Hij de scheidsmuur (3) waardoor de Joden zolang een afgezonderd volk gebleven waren op aarde. Toen Hij opvoer naar de hemel, gebood Hij zijn discipelen om heen te gaan in de gehele wereld en het evangelie te prediken aan alle schepselen, en hen te leren onderhouden alles wat Hij hun geboden had. (4) Bij het verstrijken van de zeventigste week begonnen de apostelen met de uitvoering van deze grote opdracht onder de heidenen. (5) Hier moeten verschillende betekenisvolle feiten worden vastgesteld:



1. Het nieuwe verbond of testament dateert vanaf de dood van de Verlosser. In overeenstemming met de voorzegging van Jeremia begon het werk alleen met de Israëlieten, en bleef uitsluitend beperkt tot hen, tot op het einde van de zeventigste week. Toen werden de heidenen toegelaten tot volledig deelgenootschap met de Israëlieten en in de hun verstrekte zegeningen, daar zij niet langer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers der heiligen waren. (6) God ging nu een verbond aan met zijn volk als enkelingen en niet als een natie. De beloften van dit verbond omvatten twee punten van grote betekenis: Dat God zijn wet in de harten van zijn volk zal schrijven; en dat Hij hun zonden zal vergeven. Omdat deze beloften zeshonderd jaar voor de geboorte van Christus werden gegeven, kan er geen twijfel bestaan over de vraag welke wet van God hier werd bedoeld. Het was de toen bestaande wet van God, die in het hart van elke gelovige van het nieuwe verbond zou worden geschreven. Het nieuwe verbond berust dus op de eeuwige duur van Gods wet; het schaft die wet niet af, maar neemt de zonde, de overtreding van de wet weg uit het hart en stelt Gods wet daarvoor in de plaats. (7) De eeuwige duur van elk gebod van de zedenwet vormt daarom de grondslag van het nieuwe verbond.



2. Zoals het eerste verbond een heiligdom had, met daarin een ark waarin Gods wet met de tien geboden, (8) en ook een priesterschap om voor die ark dienst te doen, en om verzoening te doen voor de zonden der mensen, (9) is dat ook het geval met het nieuwe verbond. In plaats van de tabernakel, die door Mozes werd opgericht als een beeld van de ware tabernakel, heeft het nieuwe verbond een grotere en volmaaktere tabernakel, welke de Here heeft opgericht en geen mens - de tempel Gods in de hemel. (10) Zoals het grote centrale punt in de aardse tabernakel de ark was, met daarin de wet, die de mensen hadden verbroken, is dat ook het geval met het hemels heiligdom. “De tempel Gods, die in de hemel is, ging open en de ark van zijn verbond werd zichtbaar in zijn tempel.” (11) Onze Here Jezus Christus brengt als de grote Hogepriester zijn eigen bloed voor de ark van Gods verbond in de hemelse tempel. Met betrekking tot dit voorwerp waarvoor Hij dienst doet, dient het volgende te worden opgemerkt:



1. De ark in de hemelse tempel is niet leeg; deze bevat Gods testament; daarom is deze het grote middelpunt van het hemels heiligdom, zoals de ark van Gods verbond het middelpunt was van het aardse heiligdom. (12)

2. De dood van de Verlosser voor de zonden der mensen, en zijn werk als hogepriester voor de ark in de hemel heeft rechtstreeks te maken met het feit, dat in die ark de wet ligt, die de mensheid heeft verbroken.

3. Omdat de verzoening en het priesterschap van Christus betrekking hebben op de wet in die ark, waarvoor Hij dienst doet, volgt daaruit dat deze wet bestond en overtreden werd eer de Heiland naar de aarde kwam om voor de mensen te sterven.

4. Bijgevolg is de wet in de ark in de hemel geen wet die in het Nieuwe Testament is ontstaan, maar die wet bestond noodzakelijkerwijs al lange tijd daarvoor.

5. Als God daarom deze wet aan de mens heeft geopenbaard, moet die openbaring in het Oude Testament te vinden zijn; want hoewel het Nieuwe Testament vaak verwijst naar de wet, die er oorzaak van was dat de Heiland zijn leven moest geven voor de zondige mensen, en zelfs aanhalingen uit die wet doet, is het geen tweede editie, maar citeert uit het Oude Testament uit de oor­spronkelijke wet. (13)

6. Daaruit volgt, dat deze wet geopenbaard is, en dat die openbaring te vinden is in het Oude Testament.

7. In dat boek zullen wij een verslag vinden van a) De nederdaling van de Heilige God op de berg Sinaï; b) De verkondiging van zijn wet in tien geboden; c) De tien geboden, geschreven door Gods vinger op de twee stenen tafelen; d) Deze tafelen gelegd onder het verzoendeksel in de ark van het aardse heiligdom. (14)

8. Dat deze opmerkelijke Oud Testamentische wet, die geborgen lag in de ark van het aardse heiligdom, identiek was met de wet in de hemelse ark, kan als volgt worden aangetoond: a) Het verzoendeksel boven de tien geboden was de plaats vanwaar vergeving werd verwacht, het grote centrale punt in het verzoeningswerk; (15) b) De wet onder het verzoendeksel maakte het verzoeningswerk noodzakelijk; c) Er bestond geen verzoening die de zonden kon wegnemen, omdat dit alleen maar een schaduwachtige of zinnebeeldige verzoening was; d) Er was wel echte zonde, en dus een echte wet die verbroken was; e) Er moet daarom een verzoening bestaan, die de zonden kan wegnemen; en die ware verzoening moet betrekking hebben op die wet, die verbroken was, en met betrekking waarop een komende verzoening werd afgebeeld; (16) f) Zo worden de tien geboden in het Oude Testament naar voren gebracht als de wet, waarvoor verzoening moest worden gedaan; terwijl altijd het feit voor ogen moet worden gehouden dat die offeranden de zonden niet konden wegnemen; (17) g) De dood van Jezus, als de werkelijkheid van die offeranden, was bedoeld om datgene waarheen deze offers wezen, te verwezenlijken, of wel verzoening te doen voor de overtreding van die wet, die in de ark onder het verzoendeksel lag. (18) Wij moeten dus concluderen dat Gods wet in de ark in de hemel identiek is aan de wet, die zich bevond in de ark op aarde, en dat beide wetten identiek zijn aan die wet, die bij het nieuwe verbond in het hart van elke gelovige wordt geschreven. (19) Het Oude Testament geeft ons dus de wet van God, en noemt deze volmaakt; het verschaft ook een zinnebeeldige verzoening, maar zegt dat deze niet in staat is om zonden weg te nemen. (20) Er was daarom geen nieuwe uitgave van Gods wet nodig, want de wet, die reeds gegeven was, was volmaakt; maar er was behoefte aan een werkelijke verzoening, om de schuld van de zondaar weg te nemen. Het Nieuwe Testament beantwoordt precies aan deze behoefte, door te voorzien in een werkelijke verzoening door de dood en het middelaarswerk van de Verlosser, zonder dat er een nieuwe editie verscheen van de wet van God; (21) wel wordt dikwijls de volmaakte wet die lang geleden werd gegeven, aangehaald. Hoewel dus het Nieuwe Testament geen nieuwe editie verschaft van Gods wet, laat het zien dat de christelijke bedeling het grote origineel van die wet bezit in het hemels heiligdom.



9. Wij hebben gezien dat het nieuwe verbond de wet van God in het hart van elke gelovige brengt, en dat het origineel van die wet bewaard wordt in de hemelse tempel. Dat alle mensen verantwoording schuldig zijn aan de wet van God en dat ook altijd zijn geweest, blijkt duidelijk uit de brief van Paulus aan de Romeinen. In het eerste hoofdstuk gaat hij de oorsprong na van de afgoderij tot op de opzettelijke afval der heidenen, die kort na de zondvloed plaatsvond. In het tweede hoofdstuk laat hij zien dat hoewel God hen aan hun eigen wegen heeft overgelaten, en zij bijgevolg zijn geschreven wet niet bezitten, zij toch niet in volledige duisternis zijn gelaten; want van nature was het werk der wet in hun harten geschreven. Hoe vaag dit licht ook was, toch zouden zij behouden kunnen worden als zij naar dat licht zouden leven; of ze zouden verloren gaan door tegen dat licht te zondigen. In het derde hoofdstuk toont hij welke voordelen het geslacht van Abraham had, doordat het tot Gods erfdeel werd gemaakt, terwijl alle andere volken werden overgelaten aan hun eigen weg. Dat voordeel bestond uit het feit, dat zij de geschreven wet van God in hun midden hadden, benevens het werk der wet welke in hun harten was geschreven; dit laatste hadden zij van nature gemeen met de heidenen. Hij laat dan zien dat zij niet beter waren dan de heidenen, omdat beide klassen de wet hadden overtreden. Dit bewijst hij met aanhalingen uit het Oude Testament. Dan toont hij aan dat Gods wet over alle mensen gezag heeft:

“Nu weten wij, dat de wet bij al wat zij zegt, tot hen spreekt, die onder de wet zijn, opdat alle mond gestopt en de gehele wereld strafwaardig worde voor God”. (22)

Hij laat dan zien dat de wet de schuldigen niet kan redden, maar hen volkomen terecht moet veroordelen. Vervolgens openbaart hij het grote feit dat verlossing door de dood van Jezus het enige middel is, waardoor God hen, die vergeving zoeken, kan rechtvaardigen, terwijl Hij toch zelf rechtvaardig blijft. En tenslotte roept hij uit: “Stellen wij dan door het geloof de wet buiten werking? Volstrekt niet; veeleer bevestigen wij de wet.” (23)



Hieruit volgt dus dat de wet van God niet afgeschaft is; dat het oordeel, dat ze uitspreekt over de schuldigen, even veelomvattend is als het aanbod van vergeving door het evangelie; dat het werk ervan, van nature geschreven is in de harten der mensen, waaruit wij de gevolgtrekking kunnen maken dat de mens in zijn zondeloze staat deze kennis volmaakt bezat, zoals verder blijkt uit het feit, dat het nieuwe verbond de wet volmaakt in de harten der mensen schrijft, nadat ze zijn bevrijd van de veroordeling der wet. Uit dit alles volgt dat Gods wet de grote maatstaf is aan de hand waarvan de zonde wordt aangetoond, (24) en dat die bijgevolg de leefregel is aan de hand waarvan alle mensen, zowel Joden als heidenen, moeten leven.

Door de illustratie van de goede olijfboom wordt aangetoond dat de gemeente in de huidige bedeling in werkelijkheid een voortzetting is van de vroegere Joodse gemeente. Die vroegere gemeente was Gods olijfboom, en deze werd nooit vernietigd. (25) Door ongeloof zijn SOMMIGE van de takken ervan afgebroken; maar de prediking van het evangelie aan de heidenen schept geen nieuwe olijfboom. Door die prediking worden alleen die heidenen, die geloven, geënt op de goede boom, waardoor zij een plaats krijgen tussen de oorspronkelijke takken, opdat zij deel zouden mogen hebben aan de wortel en de vettigheid van de boom. Deze olijfboom moet dateren van de roeping van Abraham na de afval der heidenen; de stam stelt dan de patriarchen voor, te beginnen met de vader der gelovigen; (26) de takken zijn het Joodse volk. Het enten van de wilde olijftakken in plaats van de takken, die werden afgebroken, stelt de heidenen voor die werden toegelaten tot dezelfde voorrechten als de Joden hadden, na het verstrijken der zeventig weken. De Oud Testamentische gemeente, de oorspronkelijke olijfboom, was een priesterlijk koninkrijk, een heilige natie; de Nieuw Testamentische gemeente, de olijfboom na het enten der heidenen, wordt met dezelfde bewoording beschreven. (27)



Toen God de heidenen prijsgaf aan afval, voordat Abraham werd geroepen, verwarde Hij hun spraak, zodat zij elkaar niet meer konden begrijpen, en verstrooide hen op deze wijze over de gehele aardbodem. Hiertegenover staat de gave der tongen op de Pinksterdag, een voorbereiding op de roeping der heidenen en hun enting op de goede olijfboom. (28) Wij hebben de sabbat nagegaan tot de roeping van de heidenen, en de inleidende gebeurtenissen van de evangeliebedeling. Wij hebben gezien dat de wet van God, waarvan de sabbat een deel uitmaakt, de dood van onze Heer als een verzoenend offer noodzakelijk maakte; dat het grote origineel van die wet in de ark in de hemel is, voor welke ark onze Heer dienst doet als Hogepriester, terwijl een afschrift van die wet door het nieuwe verbond geschreven is in het hart van elke gelovige. Wij zien dus dat Gods wet veel nauwer verbonden is met Gods volk na de dood van de Verlosser dan daarvoor. Er bestaat geen twijfel over het feit, dat de apostolische gemeente de sabbat, evenals alle andere geboden van de zedenwet als heilig beschouwde. Dit feit wordt door verschillende overwegingen aangetoond:

1. De eerste christenen werden niet beschuldigd van het schenden van de sabbat door hun meest onverzoenlijke vijanden;

2. Zij zagen zonde als overtreding van de wet; volgens hen was de wet de grote maatstaf waardoor zonde wordt aangetoond, en waardoor zonde des te zondiger wordt, (29) - punten die wel een heel duidelijk bewijs leveren voor het feit, dat de apostolische gemeente zich hield aan het vierde gebod;

3. Het getuigenis van Jacobus met betrekking tot de tien geboden - wie één daarvan overtreedt, is schuldig geworden aan alle - is ook een krachtig bewijs dat de jonge gemeente de gehele wet van God als heilig beschouwde; (30)

4. Naast deze feiten hebben wij echter een speciale garantie dat de sabbat des Heren niet door de apostolische gemeente werd vergeten. De bede die onze Heer zijn discipelen leerde, opdat hun vlucht uit Judea niet zou plaatsvinden op sabbat, was, zoals wij hebben gezien, bedoeld om hen diep te doordringen van de heiligheid ervan, en dit moet gevolgen hebben gehad. (31) In de geschiedenis van de jonge gemeente hebben wij verschillende belangrijke verwijzingen naar de sabbat.



De eerste hiervan luidt als volgt:

“Doch zelf gingen zij van Perge verder en kwamen te Antiochië in Pisidië, en op de sabbatdag in de synagoge gegaan zijnde, namen zij plaats.” (32)

Op uitnodiging van de oudsten der synagoge hield Paulus een uitvoerige toespraak om te bewijzen dat Jezus de Christus was. Tijdens deze rede gebruikte hij de volgende woorden:

“Want die te Jeruzalem wonen en hun oversten hebben Hem niet erkend en zij hebben de uitspraken der profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, door hun oordeel vervuld.” (33)



Toen Paulus zijn rede geëindigd had, lezen wij:

“En toen zij vertrokken, verzochten zij hun tegen de eerstvolgende sabbat verder deze woorden te spreken. (34) En na het uitgaan der synagoge volgden velen van de Joden en de vereerders van God, die Jodengenoten waren, Paulus en Barnabas, die dan ook tot hen spraken en bij hen aandrongen om te blijven bij de genade Gods. En de volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord Gods te horen.” (35)

Deze teksten laten zien 1) dat met de uitdrukking “sabbat” in het boek der Handelingen die dag wordt bedoeld waarop het joodse volk in de synagoge bijeenkwam om naar de woorden der profeten te horen; 2) dat deze toespraak veertien jaar na de opstanding van Jezus werd gehouden, en het verslag van Lucas ongeveer dertig jaar na deze gebeurtenis ontstond, hieruit blijkt dat Lucas noch Paulus na al deze jaren niets wisten van deze beweerde verandering; 3) Hier was een bijzondere gelegenheid om de verandering van de sabbat bekend te maken, als werkelijk de sabbat was veranderd ter ere van de opstanding van Christus; want toen aan Paulus werd gevraagd om dezelfde woorden op de volgende sabbat te prediken, had hij kunnen antwoorden dat de volgende dag van nu af aan de geschikte dag was om God te aanbidden; en Lucas, die dit voorval vermeldt, had toch moeilijk het noemen van deze nieuwe dag kunnen vermijden, als het werkelijk een feit was geweest dat een andere dag de sabbat des Heren was geworden; 4) Omdat bij deze volgende bijeenkomst in hoofdzaak heidenen aanwezig waren, kan in dit geval niet worden gezegd dat Paulus op de sabbat predikte om rekening te houden met de Joden; het verhaal geeft integendeel eerder weer dat Paulus grote eerbied had voor de sabbat als de juiste dag om God te aanbidden; 5) Ook kan niet worden geloochend dat de heidenen in die stad goed op de hoogte waren van de sabbat en dat zij er een bepaalde eerbied voor koesterden, een feit dat door andere teksten zal worden bevestigd.



Verschillende jaren na deze gebeurtenissen vergaderden de apostelen in Jeruzalem om de kwestie van de besnijdenis te bespreken. (36) Sommigen die uit Judea kwamen, en merkten dat de heidenen niet besneden waren, “leerden de broeders: indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden”. Als zij hadden ontdekt dat de heidenen de sabbat veronachtzaamden, zouden zij zonder twijfel het eerst hierover zijn gevallen. Inderdaad is opmerkelijk dat in deze tijd in de gemeente geen redetwist bestond omtrent het vieren van de sabbat, want dit punt werd niet in deze apostolische vergadering ter sprake gebracht. Als echter de verandering van de sabbat toen werd voorgestaan, of dat Paulus de heidenen had geleerd zich niet aan de sabbat te storen, zouden zij, die de kwestie van de besnijdenis naar voren brachten, ongetwijfeld met meer nadruk de kwestie van de sabbat naar voren hebben gebracht. Uit verschillende duidelijke gegevens blijkt dat het in deze vergadering ging om de wet van Mozes en niet om de tien geboden:

1) Petrus noemt de wet, waarom het hier gaat, een JUK dat noch hun vaderen noch zijzelf konden dragen; terwijl Jacobus juist de koninklijke wet, die zoals hij laat zien de tien geboden omvat, een wet der vrijheid noemt; 2) Deze vergadering nam een besluit dat inging tegen het gezag van de wet van Mozes; en toch drong Jacobus, die een lid van deze vergadering was, een aantal jaren later aan op de gehoorzaamheid van de geboden, met de verklaring, dat wie één ervan overtrad, schuldig zou zijn aan de gehele wet; (37) 3) Het voornaamste punt in de wet van Mozes, dat hier ter sprake kwam, was de besnijdenis; (38) maar de besnijdenis wordt niet in de tien geboden genoemd. En als het waar zou zijn geweest dat de wet van Mozes inderdaad deze geboden omvatte, dan zou toch de besnijdenis in dat geval één der voornaamste kenmerken van die wet zijn geweest en dat is niet zo; 4) Tenslotte worden alle geboden die wel geldig bleven, niet in de tien geboden genoemd. Dit was in de eerste plaats het verbod om vlees te eten wat aan de afgoden was geofferd; ten tweede het verbod om bloed te eten; ten derde, te eten wat verstikt was, en ten vierde werd hoererij verboden. (39) Al deze geboden worden herhaaldelijk in de boeken van Mozes genoemd, (40) en het eerste en het laatste vallen onder het tweede en het zevende gebod; maar geen van deze geboden wordt woordelijk in de zedenwet genoemd.

Daaruit blijkt duidelijk dat in deze vergadering het gezag van de tien geboden niet ter sprake kwam, en dat hun besluiten niets van doen hadden met die geboden; als dat wel het geval zou zijn geweest, zouden de apostelen de heidenen hebben vrijgesteld van gehoorzaamheid aan acht van de tien geboden, en van de verdere verboden, die in de overige twee worden genoemd.



Het ligt voor de hand dat zij, die het doen voorkomen alsof de heidenen werden vrijgesteld van de verplichting om de sabbat te vieren, door de uitspraak van deze vergadering, ten zeerste dwalen. Deze zaak werd bij deze gelegenheid niet onder de aandacht der apostelen gebracht - een krachtig bewijs voor het feit, dat aan de heidenen niet was geleerd om de sabbat te negeren, zoals zij deden met de besnijdenis, om welke reden die kwestie werd voorgelegd aan de apostelen in Jeruzalem. Toch werd de sabbat in deze vergadering genoemd als een bestaande inzetting, ook in verband met de christenen uit de heidenen. Toen Jacobus een uitspraak deed over deze zaak, gebruikte hij de volgende bewoording:

“Daarom ben ik van oordeel, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. Immers, Mozes wordt van oudsher in iedere stad, die hem prediken, elke sabbat in de synagoge voorgelezen.” (41)

Dit laatste feit wordt door Jacobus aangehaald als de reden voor wat hier wordt voorgesteld als regel voor de heidenen. “Want Mozes wordt van oudsher in iedere stad, die hem prediken, elke sabbat in de synagoge voorgelezen.” Hier­uit blijkt, dat de vroegere gewoonte van goddelijke eredienst op sabbat niet alleen werd aangehouden door het joodse volk, en door hen naar iedere stad der heidenen werd meegenomen, maar dat ook de christenen uit de heidenen deze diensten bijwoonden. Als dat niet het geval was geweest, zou de reden, door Jacobus aangevoerd, alle kracht verliezen, omdat die in dit geval niet van toepassing zou zijn. Dat zij die diensten wel bijwoonden, bewijst dat de sabbat de dag van aanbidding was bij de gemeente uit de heidenen.

De aard van het hierboven genoemde dispuut bewijst ten stelligste dat de vroegere sabbat des Heren vóór deze apostelvergadering niet was afgeschaft of veranderd. Het slot van hun bijeenkomst omvatte de bijbelse sabbat, die nog steeds op geheiligde wijze troonde binnen de beveiliging van het vierde gebod. Later werd Paulus in een nachtgezicht geroepen om naar Macedonië te gaan. Gehoorzaam aan deze roep kwam hij in Filippi, de voornaamste stad in dat deel van Macedonië. Lucas vermeldt dit als volgt:

“En wij vertoefden enkele dagen in die stad. En op de sabbatdag gingen wij de poort uit, de rivier langs, waar wij verwachtten dat een gebedsplaats zou zijn; en nedergezeten, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren. En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster uit de stad Thyatira, die God vereerde, hoorde toe, en de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd.” (42)



Dit schijnt geen vergadering van de Joden te zijn geweest, maar van de heidenen, die net als Cornelius, de ware God aanbaden. Hieruit blijkt dat de gemeente in Filippi ontstond uit een gelovige bijeenkomst van sabbatvierende heidenen. Het is aannemelijk dat Lydia met degenen, die in haar dienst waren en die klaarblijkelijk de sabbat vierden, het middel waren om het evangelie in hun eigen stad Thyatira te verkondigen. “En hun weg nemende over Amphipolis en Apollonia, kwamen zij te Thessalonika, waar een synagoge der Joden was. En Paulus, zoals hij gewoon was, (43) ging naar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften... En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen.” (44)

Dit vormde het ontstaan van de gemeente in Thessalonika. Er bestaat geen twijfel over het feit, dat het begin werd gevormd door een vergadering van sabbatvierders; want behalve de enkele Joden die het evangelie aannamen door het werk van Paulus, was er een grote menigte Grieken; d.w.z. heidenen, die zich met de Joden hadden verenigd in het aanbidden van God op de sabbat. In de volgende woorden van Paulus, die tot hen als gemeente van Christus werden gericht, hebben wij een krachtig bewijs voor het feit, dat zij de sabbat bleven vieren nadat zij het evangelie hadden aangenomen:

“Want gij, broeders, zijt navolgers geworden van de gemeenten Gods in Christus Jezus, die in Judea zijn.” (45)

Zoals wij gezien hebben, onderhielden de gemeenten in Judea de sabbat des Heren. De eerste bekeerlingen in Thessalonica waren sabbatvierders, alvorens zij het evangelie aanvaardden; en toen zij een christelijke gemeente werden, namen zij de gemeenten in Judea als hun gepaste voorbeelden. En deze gemeente werd genomen als voorbeeld door de gemeenten in Macedonië en Achaje. Hiertoe behoorden ook de gemeenten in Filippi en Korinthe. Paulus schrijft aan hen:

“En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap des Heiligen Geestes aangenomen, zodat gij een voorbeeld geworden zijt voor alle gelovigen in Macedonië en in Achaje. Want uit uw midden heeft het woord des Heren weerklonken niet alleen in Macedonië en Achaje, maar allerwegen is uw geloof, dat zich op God richt, bekend geworden.” (46)



Na dit alles kwam Paulus in Korinthe. Hier vond hij eerst Aquila en Priscilla.

“En omdat hij hetzelfde handwerk uitoefende, bleef hij bij hen, en zij werkten samen, want zij waren tentenmakers van hun handwerk. En hij hield elke sabbat besprekingen in de synagoge en trachtte Joden en Grieken te overtuigen.” (47) Ook in deze plaats vond Paulus zowel heidenen als Joden die op sabbat bijeenkwamen om God te aanbidden. De eerste leden van de gemeente in Korinthe waren dus sabbatvierders die het evangelie aanvaardden; en zoals wij hebben gezien, volgden zij het voorbeeld van de sabbatvierende gemeente in Thessalonika, die zich op haar beurt richtte naar de gemeenten in Judea. De eerste gemeenten werden gesticht in het land Judea. Alle leden van die gemeenten waren van kinds af vertrouwd met Gods wet, en begrepen heel goed het gebod: “Gedenk de sabbatdag, dat gij dien heiligt.”

Naast dit gebod hadden al deze gemeenten een bijzonder aandenken aan de sabbat. Zij wisten van onze Heer zelf, dat de tijd zou komen wanneer zij allen plotseling uit dat land zouden moeten vluchten; en met dit feit voor ogen moesten zij bidden dat het tijdstip van hun vlucht niet zou vallen op een sabbat, - een gebed dat zoals wij gezien hebben bedoeld was om de heiligheid van de sabbat te bewaren. Er bestaat daarom geen twijfel aan het feit, dat de gemeenten in Judea waren samengesteld uit sabbatvierders. Van de gemeenten die buiten het land Judea werden gesticht, en waarvan de oorsprong in het boek Handelingen wordt besproken, begonnen bijna allen met joodse bekeerlingen, die de sabbat vierden toen zij het evangelie ontvingen. In hen werden de bekeerlingen uit de heidenen geënt. En het is de moeite waard om op te merken dat in een groot aantal van deze gevallen, die heidenen “gelovige Grieken”, “godsdienstige proselieten”, “mensen die God aanbaden”, die “God vreesden” en “die altijd tot God baden”, worden genoemd. (48) Zoals wij hebben gezien, waren deze heidenen ten tijde van hun bekering aanbidders van God op de sabbat, samen met de Joden. Toen Jacobus had voorgesteld wat voor brief door de apostelen aan de bekeerlingen uit de heidenen zou worden gezonden, voegde hij daaraan een reden toe om deze te doen aanvaarden, waarvan de kracht nu op prijs gesteld kan worden; hij zegt: “Immers, Mozes wordt van oudsher IN IEDERE STAD die hem prediken, elke sabbat in de synagogen voorgelezen.” Het sabbatvierend karakter van de apostolische gemeente wordt aldus duidelijk getoond.



In de brief aan de Korinthiërs, die Paulus schreef nadat zij ongeveer vijf jaar daarvoor het evangelie hadden aanvaard, zou een vijfde zuil voor de zondagstempel te vinden zijn en wel als volgt:

“Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Galatië geregeld heb: elke eerste dag der week legge ieder van u naar vermogen thuis iets weg, en hij spare dit op, opdat er niet eerst na mijn komst inzamelingen gehouden worden.” (49)



Sommigen hebben deze tekst genomen en daaruit beweerd dat deze tekst spreekt ten gunste van de sabbat van de eerste dag.

1. Volgens hen is hier sprake van een publieke kollekte.

2. Bijgevolg was volgens hen de eerste dag van de week een dag van publieke aanbidding in de gemeenten in Korinthe en Galatië.

3. Van daaruit beweren zij dan dat de sabbat was veranderd.

De verandering van Sabbat in de gemeenten van Korinthe en Galatië wordt afgeleid uit het feit dat er vergaderingen waren voor de eredienst op de eerste dag van de week. Dat er vergaderingen waren ten behoeve van de eredienst wordt op zijn beurt weer afgeleid uit het feit dat “op de eerste dag van de week iedereen bij zichzelf iets moest wegleggen.”1 Cor.16:1-2.



Maar wat zeggen deze woorden eigenlijk? Daar is maar één antwoord op: zij zeggen precies het tegenovergestelde van een kollekte in de eredienst. Iedereen zou bij zichzelf iets wegleggen op de eerste dag van de week, naar de mate God hen gezegend had, opdat wanneer Paulus komen zou, het geld gereed zou liggen.

J.W. Morton, een presbyteriaans zendeling in Haïti, geeft daartoe de volgende verklaring:

“De hele kwestie draait om de vraag wat de apostel bedoelt als hij zegt “bij zichzelf”. Ik sta verbaasd als ik zie dat sommigen hiervan maken `de kollektezak in de eredienst’. Greenfield vertaalt in zijn woordenboek de Griekse term hier met: “bij zichzelf d.w.z. thuis.” Twee latijnse vertalingen, de Vulgata en de vertaling van Castellio, geven het weer als “apud se”, bij zichzelf, thuis. Drie Franse vertalingen, van Martin, Osterwald en de Sacu geven “chez soi”, in zijn eigen huis, thuis. De Luthervertaling zegt `bei sich selbst’, thuis. De Italiaanse van Diodati, `appresso dise’, in zijn eigen tegenwoordigheid; thuis. De Spaanse van Felippe Scio `en su casa’, in zijn eigen huis. De Portugese van Ferreira, `para isso’, bij zichzelf. De Zweedse, `nær sig self’, bij zichzelf. (50)



Dr. Bloomfield geeft het volgende kommentaar op het origineel: “bij zichzelf.” In het Frans “chez lui”, thuis. (51) De Douay Bijbel zegt: “Laat ieder bij zichzelf wat wegleggen.” De latijnse uitgave van Beza zegt: “Apud se”, dat is thuis. De Syriac zegt: “Laat een ieder thuis iets opzij leggen.”

Het is waar dat een eminente verdediger van de zondag, Justin Edwards, in een poging om de verandering van de Sabbat naar de zondag te verdedigen deze tekst naar voren brengt om aan te tonen dat de eerste dag van de week een dag van eredienst was. Hij zegt:

“Dit opzij leggen vond niet thuis plaats, want dat zou de vergaderingen niet hinderen als hij zou komen.” (52)

Dat is de taal van een theoloog op wie de zware last gevallen is om de verandering van de Sabbat in de zondag vanuit de Schrift te verdedigen. Maar in zijn aantekeningen op het Nieuwe Testament waar hij zich vrij voelt om de waarheid te spreken, daar spreekt hij zichzelf tegen. Luister:

“Bij zichzelf wegleggen, THUIS. Dat er geen kollekte zij; en dat hun gaven gereed liggen als de apostel komt.” (53)

Dus ook Dr. Edwards belijdt dat het idee van een openbare kollekte niet in deze tekst besloten ligt. Integendeel, er wordt gezegd dat ieder individu, in gehoorzaamheid aan dit voorschrift, aan het begin van elke nieuwe week thuis iets weg moet leggen voor de zaak van God, en dat in overeenstemming met de zegeningen die ontvangen zijn. Een bewijs voor de verandering van de Sabbat wordt in deze tekst niet gevonden. Zoals wij gezien hebben was de kerk in Corinthe een Sabbatvierende kerk. Het is duidelijk dat zij de idee voor een verandering van de Sabbat nooit uit deze tekst konden halen.

Dit is de enige tekst in de Schrift waar Paulus melding maakt van de eerste dag van de week. Deze brief werd geschreven dertig jaar nadat de voorgewende verandering van de Sabbat plaatsvond. Paulus laat alles wat de schijn op zou kunnen wekken van heiligheid weg en heeft het eenvoudig over de eerste dag van de week - dat is een naam die aantoont dat het slechts één van “de zes werkdagen is”. (54) Ook is het van belang om op te merken dat dit het enige voorschrift is in de hele Bijbel waar de eerste dag van de week genoemd wordt. En dit voorschrift zegt niets met betrekking tot de heiligheid van de dag. De plicht die daar opgelegd wordt, heeft meer te maken met een gewone bezigheid dan een heilige dag.



Spoedig nadat Paulus de eerste Brief aan de Corinthiërs geschreven had, bezocht Paulus Troas. In het reisverslag van dit bezoek wordt voor de laatste keer in het Nieuwe Testament melding gemaakt van de eerste dag van de week:

“Maar wij voeren na de dagen der ongezuurde broden van Filippi af en kwamen binnen vijf dagen bij hen te Troas aan, (55) waar wij zeven dagen doorbrachten. En toen wij op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was de volgende dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht. En er waren verscheidene lampen in de bovenzaal, waar wij vergaderd waren. En een zekere jonge man, genaamd Eutychus, zat in de vensterbank, en door een diepe slaap bevangen, viel hij, toen Paulus zo lang sprak, door de slaap overmand, van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen. Doch Paulus kwam naar beneden, wierp zich op hem, en sloeg de armen om hem heen, en zeide: Maakt geen misbaar, want er is leven in hem. En bovengekomen, brak hij brood en at, en hij sprak nog lang met hen, tot de morgenstond, en zo vertrok hij. En zij brachten de jongen levend weg, en werden buitengewoon bemoedigd. Maar wij gingen vooruit aan boord en voeren naar Assus om Paulus daar op te nemen, want zo had hij het beschikt, daar hij zelf te voet wilde gaan.” (56)

Dit Schriftgedeelte wordt beschouwd als de zesde pilaar in de tempel van de eerste dag. De bewijsvoering kan als volgt kort samengevat worden: Dit getuigenis toont aan dat de eerste dag van de week door de apostolische kerk aangenomen was om vergaderingen te houden voor het breken van het brood ter ere van de opstanding van Christus. Van hieruit redenerend is het logisch aan te nemen dat deze dag de christelijke Sabbat was geworden.



Zelfs als deze stelling bevestigd kon worden als een onloochenbaar feit, dan zou daar nog niet automatisch uit volgen dat de Sabbat veranderd was. Het zou alleen maar een plausibele gevolgtrekking zijn. De hierna volgende feiten zullen ons helpen om te beoordelen of deze beweringen op waarheid berusten:

1. Dit is de enige plaats in het Nieuwe Testament waar sprake is van een godsdienstige vergadering.

2. Er kan geen nadruk gelegd worden op het feit dat de discipelen tezamen gekomen waren “om te bewijzen dat vergaderingen met het doel om het brood te breken, gehouden werden op elke eerste dag van de week”. De heilige schrijver vermeldt alleen dat de discipelen voor deze gelegenheid samengekomen waren. (57)

3. De instelling van het avondmaal was niet ingesteld om de opstanding van Christus te gedenken. Zij was ingesteld met de uitdrukkelijke bedoeling om de dood van Christus te gedenken. (58) Daarom is het breken van het brood op de eerste dag van de week geen gedenken van de opstanding van Christus.

4. Als het avondmaal (het breken van het brood) de dood en de kruisiging van Christus gedenkt en ingesteld werd op de avond dat de dag van de kruisiging begon, toen Jezus en de apostelen alle bijeen waren (59), dan is het duidelijk dat de dag van de kruisiging meer aanspraak kan maken op de viering van deze instelling dan de dag van zijn opstanding.

5. Als onze Heer geen dag aangewezen heeft voor het vieren van het avondmaal en als de Schrift aangeeft dat de apostolische kerk in Jeruzalem dit dagelijks gevierd heeft (60), dan is het duidelijk een aanmatiging om te beweren dat de verandering van Sabbat naar zondag plaatsvond als er één keer vermeld wordt dat op de eerste dag van de week het brood gebroken werd.

6. Deze avondmaalsviering op de eerste dag van de week staat in verbinding met het onmiddellijk daarop vertrekken van de apostel Paulus.

7. Het is ook een merkwaardig feit dat deze vergadering de enige is waarvan gezegd wordt dat ze gehouden werd op de eerste dag van de week. De vergadering was ‘s avonds want de lampen brandden en de vergadering duurde tot midden in de nacht, want Paulus preekte tot midden in de nacht.

8. Daaruit volgt dat de vergadering gehouden werd op zaterdagavond (61), omdat de dag gerekend werd van avond tot avond. De avond is in dit geval zonsondergang. (62) De eerste dag van de week is dus volgens Joodse telling van zaterdagavond tot zondagavond zonsondergang. Een avondvergadering op de eerste dag van de week was dus op zaterdag, na de Sabbat.

9. Paulus preekte dus tot middernacht op zaterdagavond, want de discipelen hadden een avondvergadering na het einde van de Sabbat, en dat was omdat hij de volgende morgen vertrekken zou. Deze vergadering werd onderbroken doordat een jongeman uit het venster viel, waarop Paulus naar beneden ging en hem genas. Daarop ging de apostel weer naar de opperzaal en vierde het avondmaal. De volgende morgen verliet hij de stad.

10. Wij hebben hier dus een bewijs dat de apostel Paulus tezamen met zijn reisgenoten ‘s morgens op de eerste dag van de week op reis gingen naar Jeruzalem. Zij namen het schip naar Assos, en hijzelf ging te voet, en dat is een verder bewijs hoe Paulus over de Sabbat dacht, daar hij wachtte tot de Sabbat voorbij was voordat hij zijn reis voorzette. Tevens is het een positief bewijs dat hij niets wist van wat in moderne tijden de christelijke Sabbat genoemd wordt.

11. Dit verhaal werd geschreven door Lucas, op z’n minst 13 jaar nadat men voorwendt dat de Sabbat verouderd zou zijn. Het is van belang op te merken dat bij Lucas alle woorden ontbreken die zouden kunnen duiden op enige heiligheid en hij eenvoudig spreekt over “de eerste dag van de week”. Lucas is hier in bewonderenswaardige harmonie met het evangelie dat zijn naam draagt. Als hij in dat evangelie spreekt over de gebeurtenis waarvan men beweert dat die de Sabbat in de zondag veranderde, dan vermijdt hij niet alleen dat feit te vermelden, maar noemt ook de dag in kwestie met de wereldse titel “de eerste dag van de week”. Tegelijkertijd spreekt hij over het vieren van de Sabbat “naar het gebod”. (63)



In hetzelfde jaar waarin Paulus een bezoek bracht aan Troas schreef hij een brief aan de gemeente te Rome, waarin het volgende gezegd wordt:

“Aanvaardt de zwakke in het geloof, maar niet om overwegingen te beoordelen. De een gelooft, dat hij alles eten mag, maar de zwakke eet plantaardig voedsel. Wie wèl eet, minachte hem niet, die niet eet, en wie niet eet, oordele hem niet, die wèl eet, want God heeft hem aanvaard. Wie zijt gij, dat gij eens anders knecht oordeelt? Of hij staat of valt, gaat zijn eigen heer aan. Maar hij zal staande blijven, want de Here is bij machte hem vast te doen staan. Deze immers stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd. Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, en wie eet, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God.” (64)

Deze woorden zijn dikwijls aangehaald om aan te tonen dat het houden van het vierde gebod, een zaak is zonder enige betekenis. Volgens die uitleg is het een zaak waarin iedereen zijn eigen idee volgen kan. Zo’n buitengewone leerstelling moet aan een nauwkeurig onderzoek onderworpen worden voordat zij aangenomen wordt. Want als God het goed gedacht heeft om de mens de Sabbat te geven voor de zondeval, en de Sabbat een plaats te geven in de tien geboden, maakt de Sabbat dus deel uit van de Wet waarover verzoening gedaan werd. De Here Jezus heeft gedurende zijn leven veel tijd besteed om de genadige doeleinden van deze Wet te verklaren. Hij vertelde het volk om te bidden dat hun vlucht bij de val van Jeruzalem niet plaats zou vinden op de Sabbat, een gebeurtenis die tijdens het schrijven van de brief van Paulus nog tien jaar in de toekomst lag. De Sabbat van het vierde gebod wordt uitdrukkelijk vermeld en erkend na de kruisiging van Christus. Al deze feiten wijzen erop dat, als er al sprake geweest zou zijn van een verandering of een wegdoen van de Sabbat, wij dan mogen verwachten dat er uitdrukkelijk melding gemaakt wordt van dit feit. Maar in bovenstaand Bijbelgedeelte wordt noch de Sabbat noch het vierde gebod genoemd. De redenen, dat de apostel Paulus hier niet spreekt van de Sabbat, zijn in het kort de volgende:

1. Dit gezichtspunt maakt de gehoorzaamheid aan één van de tien geboden een zaak van ondergeschikt belang. Jakobus zegt echter van die Wet dat het overtreden van één van die geboden gelijk staat aan het overtreden van alle geboden. (65)

2. Het is in direkte tegenspraak met wat de apostel even te voren opmerkt in zijn brief n.l. dat de Wet, dat is de Tien Geboden heilig, geestelijk, rechtvaardig en goed is. Verder zegt hij dat zonde overtreding van de wet is en dat de zonde door de overtreding van het gebod toeneemt. (66)

3. Paulus zegt in dezelfde brief dat deze Wet voortduurt en dat dat de reden is dat de Heiland Zijn leven gegeven heeft voor de zondige mens. (67)

4. Paulus noemt in hoofdstuk 14 de Sabbat van het vierde gebod niet, en sprak ook zeker niet over de morele wet.

5. Het onderwerp dat hem ertoe leidde om te spreken over bepaalde dagen, was verbonden met het eten van allerlei aard van voedsel en het zich onthouden van bepaalde dingen.

6. Het vierde gebod is niet verbonden met dit soort voorschriften, maar uitsluitend met morele wetten. (68)

7. De ceremoniële wetten die verbonden waren met voorschriften over voedsel, waren verbonden met een groot aantal feestdagen, die niets te maken hadden met de Sabbat van de Here. (69)

8. De gemeente te Rome, die waarschijnlijk begon met Joden die uit Rome aanwezig waren op de Pinksterdag, had veel Joodse leden, zoals men zien kan in de brief zelf. (70) Deze Joden hadden natuurlijk een grote interesse in de beslissing over de vraag met betrekking tot de ceremoniële wet. De bekeerde Joden waren natuurlijk erg gewetensvol in het houden van de ceremoniële voorschriften, terwijl de gemeenteleden uit de heidenen niet zo’n moeite hadden met deze dingen. De raad van de apostel Paulus paste dus precies voor beide partijen en was verder in volmaakte overeenstemming met de besluiten op het apostelconvent.

9. Ook kan de uitdrukking “alle dagen” niet aangehaald worden als bewijs dat de Sabbat daarbij inbegrepen is. Op het moment dat de Sabbat op een meer formele wijze gegeven werd aan de Joden, werden dat soort uitdrukkingen gebruikt, hoewel zij alleen van toepassing waren op de zes werkdagen.



Zo luidde de opdracht aan het volk: “Elke dag moet het volk uitgaan om een bepaalde hoeveelheid te verzamelen.”

En het verhaal zegt: “Zij verzamelden elke morgen.” Toen sommigen van hen echter uitgingen om op Sabbat manna te rapen, zei God: “Hoe lang weigert gij, om in mijn wet in te gaan?” (71) De Sabbat is een grote waarheid, zij werd duidelijk aangewezen en vele malen herhaald. Het is dus duidelijk dat Paulus alleen spreekt over de zes werkdagen als hij het heeft over “alle dagen”. De ceremoniële wet bevatte echter met betrekking tot deze zes werkdagen voorschriften over voedsel. Een soortgelijk geval zien wij als Paulus de woorden van David toepast op Jezus, “Alle dingen zijn Hem onderworpen” dan voegt hij er aan toe: “Het is duidelijk dat Hij uitgesloten is die Hem alle dingen onderworpen heeft.” (72)

10. En tenslotte in de woorden van de apostel Johannes, “Ik was in de Geest op de dag des Heren” (73) hebben wij een absoluut bewijs dat in de bedeling van het evangelie de Allerhoogste nog steeds één dag heeft die Hij beschouwt als zijn eigen dag. (74)

Tien jaar nadat deze brief geschreven werd, vond de gedenkwaardige vlucht van Gods volk uit Judea plaats. Het was geen winter, want het was net na het loofhuttenfeest, ergens in oktober. En het was niet op de Sabbat. Josephus, de Joodse geschiedschrijver die melding maakt van het plotselinge terugtrekken van het Romeinse leger nadat het de stad omsingeld had, vertelt ons dat de Joden uit de stad kwamen en zich op de terugtrekkende Romeinen stortten.

Het omsingelen van de stad was het teken dat de Heer gegeven had om direct zonder enige vertraging te vluchten. De geschiedschrijver vermeldt niet dat de Joden een overval deden op de Romeinen op de Sabbat hoewel hij zorgvuldig beschrijft hoe de Joden een paar dagen te voren in razernij de Sabbat volkomen vergaten en een uitval deden op de Romeinen op de Sabbat. Deze door de voorzienigheid geleide omstandigheden in de vlucht van de discipelen die de Here afhankelijk gesteld had van het biddend vragen, bewijst dat de discipelen niet vergeten hadden om te bidden dat hun vlucht niet zou geschieden in de winter of op de Sabbat. (75)



Zesentwintig jaar na de val van Jeruzalem werd het boek de Openbaringen geschonken aan Johannes de geliefde discipel. Het bevat de volgende feiten met betrekking tot plaats en tijd:

“Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus, was op het eiland, genaamd Patmos, om het woord Gods en het getuigenis van Jezus. Ik kwam in vervoering des geestes op DE DAG DES HEREN, en ik hoorde achter mij een luide stem, als van een bazuin, zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste; en: Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek.” (76)

Het boek werd dus gegeven op het eiland Patmos en op de dag des Heren. De plaats, de dag en de persoon waren echt en er was niets mystieks aan. Aan het einde van de eerste eeuw, lang nadat de teksten geschreven waren waaruit men nu afleiden wil dat de Sabbat veranderd werd in de zondag, wordt ons aangetoond dat de dag des Heren even werkelijk was als het eiland Patmos en de geliefde apostel Johannes.



Welke dag was dan de “dag des Heren”?

1. Sommigen zeggen dat het de evangeliebedeling is.

2. Anderen dat het de dag des oordeels is.

3. Weer anderen dat het de zondag is.

4. Maar de Bijbel zegt dat “de dag des Heren” de Sabbat is.



Het eerste antwoord kan niet waar zijn, omdat het de term mystiek maakt. Het zou betekenen dat Johannes, die in de evangeliebedeling leeft en in de evangelie bedeling dus dit gezicht heeft aan zijn medegelovigen schrijft dat hij een gezicht kreeg tijdens de evangeliebedeling. Dat is een beetje absurd. Hij kon dat gezicht niet krijgen in een andere bedeling, omdat hij toen niet leefde.

Ook het tweede antwoord kon niet waar zijn. Want hoewel het natuurlijk waar is dat hij ook een gezicht met betrekking tot de oordeelsdag had, kon hij dat gezicht niet hebben op de oordeelsdag die toen nog in de toekomst lag. Het zou een absolute leugen zijn, als iemand beweert dat hij een gezicht gehad heeft op een dag die nog in de toekomst ligt. Het is ongeveer gelijk aan: “Ik heb gisteren een fiets gekregen op a.s. vrijdag.”

Het derde antwoord dat de dag des Heren de eerste dag van de week is, wordt bijna algemeen aanvaard. De tekst die wij nu onderzoeken, wordt naar voren geschoven met een air van overwinning, als de voltooiing van de eerstedagstempel - het bewijs dat die dag inderdaad de christelijke sabbat is.

Deze tekst zou de heiligheid van de eerste dag van de week boven alle twijfel verheffen. Tot dusver hebben wij deze tempel uiterst zorgvuldig onderzocht. Wij hebben ontdekt dat al haar fundamenten tot nu toe rusten op de verbeelding. Dat de pilaren waarop de tempel rust alleen bestaan in de geest van hen die aanbidden aan haar altaar. Wij zullen nu onderzoeken of de domkerk die men veronderstelt hier te hebben in deze tekst echter is dan de pilaren waarop zij rust.



Dat de eerste dag van de week geen recht heeft op de titel “de dag des Heren” zullen wij aantonen met de volgende feiten:

1. Omdat deze tekst niets zegt over de term “de dag des Heren” moeten wij ergens anders in de Bijbel zoeken naar bewijs dat aantoont dat de titel terecht is.

2. Mattheüs, Marcus, Lucas en Paulus - de andere heilige schrijvers die melding maken van deze dag - gebruiken voor haar alleen de term “eerste dag van de week”, een naam die behoort bij één van de zes dagen van de week. Drie van hen maken melding van deze dag op het moment dat men veronderstelt dat het de dag des Heren werd. Twee gebruiken de term “eerste dag van de week” dertig jaar nadat men veronderstelt dat het de dag des Heren werd.

3. Men beweert dat de Geest der Inspiratie Johannes ertoe geleid heeft om de titel dag des Heren te verbinden aan de eerste dag van de week. Toch blijft het een opmerkelijk feit dat Johannes nadat hij het eiland Patmos verliet een jaar later zijn evangelie schreef. (77) In dit evangelie maakt hij twee keer melding van “de eerste dag van de week”. Dat is een krachtig en overtuigend bewijs dat Johan­nes de titel “de dag des Heren” niet toepaste op die dag, en hij kende er ook geen heiligheid aan toe.

4. Wat verder het punt nog meer bevestigt, is dat de eerste dag van de week noch door de Vader, noch door de Zoon beschouwd werd iets anders te zijn dan één van de zes werkdagen die de mens gegeven is om te werken.

5. De rij van argumenten dat de eerste dag van de week recht heeft op de titel “dag des Heren” omdat de Allerhoogste die dag gekozen zou hebben als zijn eigen dag is daarmee teniet gedaan. Onderzoek heeft aan het licht gebracht dat het zonder grond was. Het derde antwoord is daarmee alle grond ontnomen. De eerste dag van de week heeft als heilige dag dus geen schriftuurlijk fundament. (78)

Dat de dag des Heren de Bijbelse Sabbat is, kan met duidelijke en heldere bewijzen onderbouwd worden. Toen God aan de mens zes werkdagen gaf, heeft Hij de zevende dag uitdrukkelijk gereserveerd voor zichzelf. Hij legde Zijn zegen op deze dag als een gedenkteken van het feit dat Hij op die dag rustte, en vanaf dat moment heeft Hij deze dag altijd opgeëist als Zijn heilige dag. Daar Hij deze dag nooit opzij geschoven heeft als Zijn heilige dag en geen andere dag gekozen heeft, is de Sabbat van de Here nog steeds Zijn heilige dag. Deze feiten kunnen gecontroleerd worden in de volgende teksten. Nadat God het scheppingswerk beëindigd heeft, wordt het volgende gezegd over de rust van de Schepper:

“En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.” (79)

Nadat de kinderen Israëls de woestijn Sin hadden bereikt, zei Mozes tot hen op de zesde dag:

“Een rustdag, een heilige sabbat is het morgen voor de Here.” (80)

Toen God de tien geboden gaf, heeft de Wetgever de volgende aanspraken vastgelegd op de Sabbat:

“De zevende dag is de sabbat van de Here, uw God;.... Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde die.” (81)

Hij gaf de mens de zes dagen waarop Hij werkte, en reserveerde de dag waarop Hij rustte voor zichzelf. Ongeveer achthonderd jaar na de wetgeving sprak God door Jesaja de volgende woorden:

“Indien gij niet over de SABBAT heenloopt door uw zaken te doen op MIJN HEILIGE DAG, ....dan zult gij u verlustigen in de Here en Ik zal u doen rijden over de hoogten der aarde.” (82)

Dit getuigenis is ondubbelzinnig. De dag des Heren is de oude Sabbat van de Bijbel. De Here Jezus beweerde het volgende:

“De Zoon des mensen is Heer ook van de Sabbat.” (83)

Of er nu sprake is van de Vader of de Zoon, de enige dag die de dag des Heren genoemd kan worden is de Sabbat van de grote Schepper. (84) En hier aan het einde van de geschiedenis van de Sabbat in de Bijbel worden twee feiten van groot belang naar voren gebracht.

1. Dat Johannes uitdrukkelijk melding maakt van het bestaan van de dag des Heren aan het einde van de eerste eeuw.

2. Dat de Heer van de Sabbat het goedachtte om een speciale eer te bewijzen aan zijn eigen dag, door die dag uit te kiezen als de dag waarop aan Johannes de Openbaring gegeven werd, die Hij alleen waardig was te ontvangen van de Vader.

Voetnoten

Verwijzingen:

(1) Zie hoofdst. 3.

(2) Matt.5:17-19.

(3) Ef.2:13-16; Kol.2:14-17.

(4) Matt.28:19,20; Mark.16:15.

(5) Dan.9:24-27; Hand.9;10;11; 26:12-17; Rom.11:13.

(6) 1 Kor.11:25; Jer.31:31-34; Hebr.8:8-12; Dan.9:27; Ef.2:11-22.

(7) Matt.5:17-19; 1 Joh.3:4,5; Rom.4:15.

(8) Hebr.9:1-7; Ex.25:1-21; Deut.10:4,5; 1 Kon.8:9.

(9) Hebr.7 tot 10; Lev. 16.

(10) Hebr.8:1-5; 9:23,24.

(11) Openb.11:19.

(12) Ex.25:21,22.

(13) Rom.3:19-31; 5:8-21; 8:3,4; 13:8-10; Gal.3:13,14; Ef.6:2,3; Jac.2:8-12; 1 Joh.3:4-5.

(14) Ex.19; 20; 24:12; 31:18; Deut.10.

(15) Lev.16.

(16) Rom.3:19-31; 1 Joh.3:4,5.

(17) Ps.40:7-9; Hebr.10.

(18) Hebr. 9 en 10.

(19) Jer.31:33; Rom.8:3,4; 2 Cor.3:3.

(20) Ps.19:7; Jak.1:25; Ps.40.

(21) Rom.5.

(22) Rom.3:19.

(23) Rom.3:31.

(24) Rom.3:20; 1 Joh.3:4,5; 2:1,2.

(25) Jer.11:16; Rom.11:17-24.

(26) Rom.4:16-18; Gal.3:7-9.

(27) Ex.19:5,9; 1 Petr.2:9-10.

(28) Gen.11:1-9; Hand.2:1-11.

(29) Rom.7:12,13.

(30) Jak.2:8-12.

(31) Zie hfdst. 10.

(32) Hand.13:14.

(33) vs.27.

(34) Dr. Bloomfield heeft de volgende aantekening bij deze tekst: “de woorden “eis to mataxu sabbaton” worden door sommigen vertaald als “op een dag in de week”. Maar dit wordt tegengesproken door vs. 44, en de betekenis, weergegeven in onze gewone vertaling, is zonder twijfel de juiste. Deze wordt erkend door de beste recente commentatoren, en bevestigd door de oudere handschriften.” Greek Test. with English notes,vol.1, p.521. Prof. Hackett heeft een soortegelijke aantekening. Comm. on Acts, p.233.

(35) Hand.13:42-44.

(36) Hand.15.

(37) Hand.15:10,28,29; Jac.2:8-12.

(38) Hand.15:1,5.

(39) Hand.15:29; 21:21,25.

(40) Ex.34:15,16; Num.25:2; Lev.17:13,14; Gen.9:4; Lev.3:17; Gen.34; Lev.19:29.

(41) Hand.15:19-21.

(42) Hand.16:12-14.

(43) De handelwijze van Paulus vinden we terug in de volgende teksten waar in alle gevallen blijkt dat deze vergaderingen plaatsvonden op sabbat: Hand.13:5; 14:1; 17:10.17; 18:19; 19:8.

(44) Hand.17:1-4.

(45) 1 Tes.2:14.

(46) 1 Tes.1:6-8.

(47) Hand.18:3,4.

(48) Hand.10:2,4,7,8,30-35; 13:43; 14:1; 16:13-15; 17:4,10-12.

(49) 1 Kor.16:1,2.

(50) Vindication of the True Sabbath, 3rd ed. p.51,52.

(51) Greek Test. with English Notes, vol.2 p.173.

(52) Sabbath Manual of the Am. Tract Society, p.116.

(53) Family Test. of the American Tract Society,

(54) Ez.46:1.

(55) Prof. Hackett zegt over de duur van deze reis: “De overtocht tijdens de eerste reis van de apostel naar Europa duurde slechts twee dagen. Zie Hand.16:11. Tegenwind of windstilte konden in elk jaargetijde dit verschil veroorzaken.” Comm. on Acts, p.329. Dit laat zien hoe weinig reden er is om te beweren dat Paulus de sabbat overtrad op deze reis. Er was voldoende tijd om Troas te bereiken voor de sabbat, toen hij van Filippi vertrok, als niet onvoorziene omstandigheden dit zouden verhinderen.

(56) Hand.20:6-13.

(57) Prof. Whiting geeft het als volgt weer: “The disciples being assembled.” En Sawyer zegt: “We being assembled.”

(58) 1 Kor.11:23-26.

(59) Matt.26.

(60) Hand.2:42-46.

(61) Dit feit is erkend door tal van voorstanders van de eerste dag. Prof. Hackett zegt het volgende over deze tekst: “De Joden telden de dag van avond tot avond, en naar dat beginsel gerekend zou de avond van de eerste dag der week onze zaterdagavond zijn geweest. Als Lucas hier aldus rekende, zoals vele commentatoren veronderstellen, wachtte de apostel tot het verstrijken van de joodse sabbat, en hield zijn laatste godsdienstoefening met de broeders te Troas aan het begin van de christelijke sabbat, d.i. op zaterdagavond, en bijgevolg zette hij zijn reis voort op zondagmorgen.” Comm. on Acts, p.329,330. Maar hij probeert de sabbat van de eerste dag te beschermen tegen deze fatale erkenning door te suggereren dat Lucas waarschijnlijk de tijd berekende naar de heidense methode, in plaats van wat in de Bijbel wordt voorgeschreven. Kitto zegt bij de opmerking dat dit een avondvergadering was: “Uit deze laatste omstandigheid is de gevolgtrekking gemaakt dat de vergadering begon na zonsondergang op sabbat, toen dus de eerste dag der week was aangebroken volgens de joodse tijdrekening (Jahn’s Bibl. Antig. sec.398), wat niet al te best overeen zou komen met de gedachte aan een herdenking van de opstanding”. Cycl. of Bibl. Lit., art. Lord’s Day. Prynne, wiens getuigenis met betrekking tot verlossing als argument voor de verandering van de sabbat reeds is aangehaald, zegt hieromtrent: “Omdat in de tekst staat dat er vele lichten in de bovenzaal waren waar zij vergaderd waren, en dat Paulus sprak van het moment van hun aankomst tot middernacht,... begon deze bijeenkomst van discipelen in Troas, waar Paulus predikte, in de avond. De enige vraag is, welke avond dat was... Van mijn kant heb ik de overtuiging dat het op zaterdagavond was, zoals wij dat ten onrechte noemen, en niet de komende zondagavond... Omdat Lucas vermeldt dat deze vergadering plaatsvond op de eerste dag der week;... moet dit wel op zaterdag en niet op onze zondagavond zijn geweest, omdat de zondagavond in het verslag van Lucas en van de Bijbel geen deel was van de eerste, maar van de tweede dag; daar de dag begon en eindigde met de avond.” Prynne let op de tegenwerping, die ontleend wordt aan de zin: “van plan de volgende dag te vertrekken”, waar men uit wil opmaken dat dit vertrek niet plaatsvond op dezelfde dag der week waarop deze avondvergadering werd gehouden. Aannemende dat de dagen der week worden gerekend van avond tot avond, tonen de volgende teksten, waarin des avonds over de volgende dag wordt gesproken aan, dat er niet noodzakelijkerwijze een andere dag van de week wordt bedoeld in de onderhavige vraag. 1 Sam.19:11; Ester 2:14; Zef.3:3; Hand.23:31,32. Dissertation on Lord’s Day Sabbath, p.36-41, 1633.

(62) Zie conclusie van hfdst.8.

(63) Luc.23:56; 24:1.

(64) Rom.14:1-6.

(65) Jak.2:8-12.

(66) Rom.7:12,13; 1 Joh.3:4,5.

(67) Rom.3.

(68) Ex.20.

(69) Lev.23. Deze worden in het bijzonder genoemd in Kol.2, zoals we reeds hebben gezien in hfdst.7, en het slot van hfdst. 10.

(70) Hand.2:1-11; Rom.2:17; 4:1; 7:1.

(71) Ex.16;4,21,27,28.

(72) 1 Kor.15:27; Ps.8.

(73) Openb.1:10.

(74) Om te tonen dat Paulus het sabbatvieren als gevaarlijk beschouwde, wordt vaak Gal.4:10 aangehaald; evenwel beweren dezelfde personen dat Rom.14 aantoont dat het er niet toe doet, waarbij zij niet beseffen dat Paulus zichzelf dan zou tegenspreken. Maar als het geheel wordt gelezen van vs.8 tot 11 blijkt dat de Galaten voor hun bekering geen Joden waren maar heidenen; en dat deze dagen, maanden, tijden en jaren niet voortkwamen uit de levitische wet, maar dat zij die met bijgelovige eerbied hadden waargenomen toen zij nog heidenen waren. Let op de nadruk die Paulus legt op het woordt “opnieuw” in vs.9. En hoevelen die zich christenen noemen in onze tijd beschouwen niet bijgelovig bepaalde dagen als “gelukkig” of “ongelukkig”, ofschoon dergelijke gedachten aan het heidendom zijn ontleend!

(75) Zie hfdst.10.

(76) Openb.1:9-11.

(77) Hoewel dr. Bloomfield er zelf anders over denkt, zegt hij over de mening van anderen aangaande de datum van het evangelie van Johannes: “Het is de algemene gedachte van zowel vroegere als moderne onderzoekers, dat het tegen het einde van de eerste eeuw is geschreven.” Greek Test. with English Notes, vol.1 p.328. Morec zegt dat Johannes “zijn evangelie twee jaar later schreef dan de Openbaring, na zijn terugkeer van Patmos, zoals Augustinus, Hieronymus en Eusebius bevestigen”. Dialogues on the Lord’s Day, p.53,54.

(78) De Enc. Brittanica schrijft in het artikel over de sabbat dat “de godsdienstige waarneming van de eerste dag der week door de apostelen is vastgesteld”. Na alle passages te hebben aangehaald en besproken die als bewijs hiervoor konden worden gebruikt, wordt de volgende eerlijke erkenning gegeven: “We moeten echter bekennen dat deze passages niet voldoende zijn om te bewijzen dat de dag des Heren door apostelen is ingesteld, of dat zij die zelfs hebben gevierd.” De afwezigheid van alle schriftuurlijke getuigenissen met betrekking tot de verandering van de sabbat schrijven bepaalde voorstanders van die theorie niet toe aan de rondbors­tige erkenning dat die dag nooit door de Here is veranderd, maar ze halen Joh.21:25 aan, en nemen aan dat de verandering van de sabbat een niet te betwijfelen waarheid is, maar dat die uit de Bijbel is weggelaten omdat dit boek anders te dik zou worden! Volgens hen zouden wij met de kerkgeschiedenis moeten vervolgen om te weten wat onze plicht is; zij beseffen niet dat, gezien het vierde gebod onveranderd in de Bijbel staat, zij moeten erkennen dat de verandering naar de eerste dag berust op een traditie die Gods gebod teniet doet. De volgende hoofdstukken van dit boek zullen echter geduldig de argumenten nagaan voor het vieren van de eerste dag, en wel ontleend aan de kerkgeschiedenis.

(79) Gen.2:3.

(80) Ex.16:23.

(81) Ex.20:8-11.

(82) Jes.58:13,14.

(83) Mark.2:27,28.

(84) Een bekwaam tegenstander van de sabbatviering zegt over de uitdrukking “Dag des Heren” uit Openb.1:10; “Als er een bestaande dag zou zijn bedoeld, kan de enige dag, die aldus wordt omschreven, zowel in het Oude als in het Nieuwe Testament, alleen de zaterdag, de zevende dag der week zijn.” W.B. Taylor, Obligation of the Sabbath, p.296.