12 Eerste afval in de gemeente

Zuiverheid van de apostolische gemeenten - Begin van de achteruitgang van hun godsvrucht - Valse leraars stonden op in de gemeente kort na de apostelen - De grote Roomse afval begon voor de dood van Paulus - Iets wat verkeerd is kan niet goed worden genoemd omdat het ontstond in de apostolische tijd - Hoe te kiezen tussen waarheid en dwaling - De tijd kan de fabelen van mensen niet veranderen in de waarheid van God - Het getuigenis van de geschiedenis aangaande de eerste ontwikkelingen van de grote afval - Een dergelijke oudheid geen maatstaf om aan de hand daarvan de Bijbel te corrigeren - Getuigenis van Bower met betrekking tot de tradities van deze tijd - Het getuigenis van Dowling - De mening van dr. Cummins over het gezag van de kerkvaders - Getuigenis van Adam Clarke - De kerk van Rome heeft de geschriften van de kerkvaders verdraaid - De aard van de traditie geïllustreerd - De twee geloofsregels die het christendom verdelen - De sabbat van de eerste dag kan alleen worden ondersteund door de voorschriften van de Roomsen aan te nemen.



Het boek Handelingen is de geïnspireerde geschiedenis van de gemeente. De apostelen en hun medewerkers leefden gedurende de periode die dit boek beslaat. Onder hun toeziende zorg bewaarden de gemeenten van Christus in grote mate hun zuiverheid van leven en leer. Zo worden deze apostolische gemeenten ons voorgehouden als voorbeeld voor alle latere tijden. Dit boek verbindt heel terecht de berichten van de vier evangelisten met de apostolische brieven en maakt op deze wijze het Nieuwe Testament tot één geheel. Maar als wij de periode van deze gewijde geschiedenis met de gemeenten, die door geïnspireerde mannen waren gesticht en bestuurd, achter ons laten, komen we in heel andere tijden. Jammer genoeg schuilt er een grote waarheid in de harde woorden van Gibbon: “De theoloog kan zich met plezier bezig houden met het beschrijven van de godsdienst zoals deze van de hemel kwam in haar oorspronkelijke zuiverheid. Voor de geschiedschrijver is echter een somberder taak weggelegd. Hij moet het onvermijdelijk mengsel van dwaling en verderf aan het licht brengen, dat deze godsdienst heeft opgedaan tijdens haar lange verblijf op aarde, temidden van zwakke en ontaarde wezens.” (1) Wat zegt het boek Handelingen over de tijd onmiddellijk na de arbeid van Paulus? Als Paulus de oudsten van de gemeente te Efeze toespreekt, zegt hij:

“Zelf weet ik dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken.” (2)

Uit deze woorden blijkt dat wij niet gemachtigd zijn om de leer van mensen aan te nemen, alleen maar omdat zij vlak na de apostolische tijd hebben geleefd, of zelfs nog in de tijd van de apostelen. Grimmige wolven zouden binnendringen onder het volk van God, en uit hun midden zouden mannen opstaan, die verkeerde dingen zouden spreken. Als de vraag wordt gesteld hoe zij te onderscheiden zijn van de ware dienstknechten van God, luidt het juiste antwoord: Degenen die spraken en handelden in overeenstemming met de leer der apostelen, waren mannen van God. Zij, die iets anders zouden leren, behoorden tot degenen, die verkeerde dingen zouden spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. Wat zeggen de apostolische brieven over deze afval? Paulus schreef aan de Thessalonicenzen:

“Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien dat hij een god is... Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren, dien de Here Jezus zal doden door de adem zijns monds en machteloos zal maken door zijn verschijning als Hij komt.” (3)



En aan Timotheüs wordt op gelijke wijze gezegd:

“Verkondig het woord, dring er op aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf, en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. Want er komt een tijd dat de mensen de gezonde leer niet meer zullen verdragen, maar, omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich tal van leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar verdichtsels keren.” (4)

Deze teksten voorzeggen heel duidelijk een grote afval in de gemeente en stellen vast dat die afval reeds is begonnen. De gemeente te Rome, die het oudst is wat betreft de afval, beroemt zich op haar apostolisch karakter. In de bewoording van Paulus aan de Thessalonicenzen, zojuist aangehaald, kan dat grote anti­christelijke lichaam inderdaad de aanspraak op zijn oorsprong in apostolische tijd rechtvaardigen, maar de apostolische aard ervan wordt onomwonden geloochend. Hier hebben wij een treffende illustratie van het feit, dat iets wat verkeerd is, nooit goed kan worden door de toevallige omstandigheid dat de oorsprong ervan ligt in de tijd van de apostelen. Alles is bij het ontstaan of goed, of fout. Als het goed is, blijkt dit uit het overeenstemmen met de goddelijke maatstaf; als het echter reeds bij het begin verkeerd is, zal het altijd verkeerd blijven. Satans grote leugen, die het menselijk geslacht in ellende heeft gedompeld, is nog steeds geen waarheid geworden, hoewel er, sinds deze leugen voor het eerst werd geuit, zesduizend jaar zijn verstreken. U, die zich buigt voor eerbiedwaardige dwalingen, doet er goed aan hier over na te denken. Toen menselijke fabe­len de plaats innamen van de waarheid van God, werd Hij daardoor ont­eerd. Hoe kan Hij dan de gehoorzaamheid aan deze fabelen aanvaarden als een deel van die zuivere toewijding die Hij van ons eist? Wie God aanbidden, moeten Hem aanbidden in Geest en waarheid. Hoeveel tijd moet er verstrijken, voordat menselijke fabelen kunnen veranderen in goddelijke waarheid? De kerkgeschiedenis levert overvloedige bewijzen dat de voorzeggingen van het Nieuwe Testament met betrekking tot de grote afval in de gemeente ten volle bewaarheid werden. Mr. Dowling geeft in zijn “History of Romanism” het volgende getuigenis:

“Er is nauwelijks iets wat de geest van de zorgvuldige student, die de oude kerkgeschiedenis bestudeert, meer treft dan de betrekkelijk vroege periode waarin veel dwalingen van het christendom, die in het roomse stelsel worden belichaamd, zijn ontstaan. Toch is niet aan te nemen dat de ontwerpers van veel van deze onbijbelse gedachten en praktijken die daarmee dit zaad van verderf hebben gezaaid, konden voorzien of zelfs maar konden denken dat dit zou uitgroeien tot zulk een wijdverbreid afgrijselijk stelsel van bijgeloof en dwaling als dat van het pausdom... Elke grote dwaling uit latere jaren onstond op een wijze, waarvan men moeilijk kon zeggen dat deze ten zeerste was af te keuren... Het aanbidden van beelden, het aanroepen van heiligen, en het bijgeloof waren alleen maar uitwerkingen van natuurlijke gevoelens van verering en genegenheid, gekoesterd ter herinnering aan hen, die voor de waarheid geleden hadden en gestorven waren.” (5)



Robinson, de schrijver van “History of Baptism”, zegt het volgende:

“Tegen het einde van de tweede eeuw hadden de meeste gemeenten een andere vorm gekregen en de eerste eenvoud verdween; en onbewust kwamen, nadat de eerste discipelen neerdaalden in het graf, hun kinderen naar voren, samen met nieuwe bekeerlingen uit de Joden en de heidenen en gaven het werk een nieuwe vorm.” (6)

De uitwerking van de verborgenheid der ongerechtigheid in de eerste eeuwen van de christelijke kerk wordt door een recente schrijver als volgt beschreven:

“Tijdens deze eeuwen werden de voornaamste dwalingen van het pausdom hetzij in beginsel naar voren gebracht, ofwel werd het zaad daarvan zo succesvol gezaaid dat het als vanzelf die verderfelijke vruchten voorbracht, die in latere tijden zo rijkelijk tevoorschijn kwamen. In de tijd van Justinus de Martelaar, minder dan vijftig jaar na het apostolisch tijdperk, werd de beker gemengd met water en een deel van de bestanddelen gezonden naar hen die afwezig waren. Het brood, dat in het begin alleen naar zieken werd gebracht, werd ten tijde van Tertullianus en Cyprianus door de mensen mee naar huis genomen, en als een goddelijke schat weggeborgen voor eigen gebruik. In deze tijd werd ook het avondmaal toegediend aan heel jonge kinderen en werd het gezien als het offeren van het lichaam van Christus. Het gebruik om voor de doden te bidden was volgens Tertullianus in de tweede eeuw gebruikelijk en werd in latere tijden een algemeen gebruik, zodat het in de vierde eeuw als een soort ketterij werd gezien om de doeltreffendheid ervan te loochenen. In deze tijd waren het aanroepen van de heiligen, het bijgelovig gebruik van beelden, van het teken van het kruis en van gewijde olie, gevestigde praktijken geworden, en voorgewende wonderen werden er vol vertrouwen aan toegeschreven als bewijs van de veronderstelde doeltreffendheid van dit alles. Op deze wijze deed de verborgenheid der ongerechtigheid, die reeds werkzaam was in de tijd van de apostelen, kort na hun heengaan zijn verderfelijk werk onder de belijders van het christendom.” (7) Neander spreekt als volgt over het vroege ontstaan van beeldenverering:

“En toch hadden godsdienstige beelden wellicht reeds tegen het einde van de derde eeuw; vanuit het huiselijk leven hun weg gevonden naar de kerken en de muren der kerken werden op soortgelijke wijze beschilderd.” (8)

De vroege afval van de belijdende kerk is een feit, dat evenzeer berust op het gezag van de inspiratie als op dat van de kerkgeschiedenis. Paulus zei: “Het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking.” Wij verbazen ons over het feit dat zo’n groot deel van Gods volk zo spoedig van de genade Gods werd afgebracht naar een ander evangelie.



Wat moet worden gezegd van hen, die naar deze periode van de geschiedenis teruggaan, zelfs naar latere tijden, om hun Bijbels bij te stellen? Paulus zei dat er, uit het midden van de oudsten van de apostolische gemeente mannen zouden opstaan, die verkeerde dingen zouden spreken, en dat de mensen hun gehoor van de waarheid zouden afwenden om zich te keren tot fabelen. Zijn de overleveringen van deze periode zo belangrijk, dat zij Gods Woord krachteloos zouden kunnen maken? De geleerde geschiedschrijver van de pausen, Archibald Bower, gebruikt de volgende nadrukkelijke taal:

“Als wij willen vermijden dat we geïmponeerd worden, moeten wij de overlevering evenzo behandelen als wij dat zouden doen met een beruchte en bekende leugenaar, aan wie wij geen geloof schenken, tenzij hetgeen hij zegt wordt bevestigd door een onkreukbaar persoon... Valse en leugenachtige tradities zijn al heel oud, en de grootste mannen zijn er, door hun godvruchtig geloof, door geïmponeerd geworden.” (9)



Mr. Dowling getuigt iets dergelijks:

“`De Bijbel, ik herhaal, de Bijbel alleen vormt de godsdienst van de Protestanten.’ Naar de mening van de oprechte Protestant doet het er niet toe hoe oud een leerstelling is, als deze niet in de Bijbel te vinden is. In het Nieuwe Testament leest hij dat er in de dagen der apostelen dwalingen waren, en dat zij hun pennen vaak gebruikten om die dwalingen te bestrijden. Als er dus een leerstelling naar voren wordt gebracht, stelt hij de vraag: Is deze te vinden in het geïnspireerd woord? Hebben de Here Jezus Christus en zijn apostelen die onder­wezen?... Meer nog, wij kunnen hieraan toevoegen dat ofschoon Cyprianus, Hieronymus of Augustinus, ja zelfs eerdere kerkvaders zoals Tertullianus, Ignatius of Ireneus duidelijk onschriftuurlijke leerstellingen en dogma’s van het pausdom hebben onderwezen, wat echter in geen geval wordt erkend, dan zou de serieuze Protestant toch eenvoudigweg vragen: Is deze leer te vinden in de Bijbel? Hebben Christus en zijn discipelen deze onderwezen?... Wie ook maar één enkele leerstelling aanvaardt, uitsluitend op gezag van de overlevering, verlaat, hoe hij dat ook mag noemen, door deze daad de protestantse rots en overschrijdt de grens tussen het Protestantisme en het pausdom, zonder dat hij een geldige reden kan geven waarom hij niet alle eerdere leerstellingen en vormen van de roomse kerk om dezelfde reden aanvaardt.” (10)



Dr. Cumming uit Londen zegt, als hij het heeft over het gezag van de oude kerkvaders:

“Sommigen van hen traden naar voren door hun bekwaamheid, sommigen door hun welsprekendheid, enkelen om hun vroomheid, en maar al te veel door hun fanatisme en bijgeloof. Dr. Delahogue (die professor was in het Rooms Katholiek College te Maunooth) zegt, op het gezag van Eusebius, dat de Kerkvaders, die feitelijk het meest geschikt waren om de tijd waarin zij leefden, te verlichten, het te druk hadden met het bereiden van hun kudden op het martelaarschap, om zich nog te kunnen wijden aan het schrijven; dat is de reden waarom wij, volgens de erkentenis van deze rooms-katholieke godgeleerde, niet beschikken over de volledige en duidelijke verklaringen van alle kerkvaders uit de eerste eeuwen, maar enkel over die van hen, die uiterst ambitieus waren met betrekking tot letterkundig onderscheid, en minder gericht waren op hun taak... De meest toegewijde en godvruchtige kerkvaders hadden het druk met het onderrichten van hun kudden. Zij die ijdeler en eerzuchtiger waren, besteedden hun tijd aan het schrijven van verhandelingen. Als alle kerkvaders, die deze eeuw kenmerkten, hun gedachten onder woorden hadden gebracht, zouden wij nu een tamelijk juiste voorstelling hebben gehad van de theologie van de kerk van de kerkvaders; maar gezien slechts enkelen dit hebben gedaan (waarbij ook nog een deel van hun geschriften zijn verminkt of verdwenen) en dit niet de meest toegewijde en geestelijk gezinden waren, houd ik het ervoor dat het onjuist is om de theologie van de vroege eeuwen te beoordelen aan de hand van de geschriften van die weinige kerkvaders, de enige overblijfselen uit die tijd, zoals het ook onjuist zou zijn om de theologie van de negentiende eeuw te beoordelen naar de preken van mr. Newman, de toespraken van dr. Candlish of de verschillende voortbrengsels van Edward Irving.” (11)

Dr. Adam Clarke laat het volgende duidelijk getuigenis horen over hetzelfde onderwerp:

“Maar aan de hand van dit alles kunnen wij veilig stellen, dat er geen enkele waarheid is, uit de meest orthodoxe geloofsbelijdenissen, die niet bewezen kan worden op haar gezag, noch dat er één enkele ketterij zou bestaan, die de roomse kerk naar beneden heeft gehaald, die haar niet kan aanklagen als haar handlanger. Wat leerstellingen betreft, betekent hun gezag voor mij niets. Alleen Gods Woord is mijn geloofsbelijdenis. Wat betreft een aantal punten kan ik mij wenden tot de griekse en latijnse kerkvaders om te weten wat zij hebben geloofd, en wat de leden van hun verschillende gemeenschappen hebben geloofd; maar na dit alles moet ik terugkeren naar Gods Woord om te weten wat ik volgens Hem moet geloven.” (12)



Tijdens zijn leven gebruikte hij de volgende krachtige bewoording:

“Wij moeten er acht op slaan hoe wij de kerkvaders citeren om de leer van het evangelie te bewijzen; immers, wie ze het best kennen, weten dat zij over veel van deze onderwerpen soms fel soms onverschillig schrijven.” (13)

De volgende citaten verklaren ten dele de onbetrouwbare aard van de kerkvaders. Ephraim Pagitt getuigt:

“De kerk van Rome, die zich bewust was van haar dwalingen en misbruiken, zowel in zaken van geloof als in werken, heeft menigmaal reformaties voorgewend; toch heeft haar grote trots en het oneindig voordeel, dat ze haalde uit de leer van het vagevuur, de aflaten en andere dergelijke praktijken, al zulke reformaties in de weg gestaan. Om daarom haar grootheid, dwalingen en nieuwe geloofsartikelen te handhaven, heeft ze:

1. veel van de woorden van de vroege kerkvaders vervalst en is na een nieuwe uitgave gaan spreken zoals het haar beviel...

2. Ze heeft veel boeken geschreven in de naam van deze vroegere schrijvers, en decreten, canons en concilies vervalst om hen een vals getuigenis te laten geven.” (14)

Wm. Reeves zegt hetzelfde:

“De kerk van Rome heeft alle mogelijke kansen van tijd, plaats en macht gehad om het rijk der duisternis te stichten; en dat ze door de oorspronkelijke verslagen bij te werken, te verkorten en uit te wissen zoals het haar zinde, zichzelf niet heeft tekort gedaan, is heel duidelijk zichtbaar.” (15)

De overleveringen van de vroege kerk worden door velen als even betrouwbaar beschouwd als de woorden van de Heilige Schrift. Een enkel voorbeeld uit de Bijbel toont de aard van de overlevering, en laat zien hoe weinig daarop kan worden vertrouwd:

“En Petrus, zich omwendende, zag de discipel volgen, dien Jezus liefhad, die zich bij de maaltijd aan zijn borst geworpen had en gezegd had: Here, wie is het die U verraadt? Toen hij deze zag, zei Petrus tot Jezus: Here, maar wat zal met deze gebeuren? Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij. Dit gerucht ging dan uit onder de broeders, dat die discipel niet sterven zou; doch Jezus had niet tot hem gezegd dat hij niet zou sterven, maar: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het U aan?” (16)

Hier is het bericht van een overlevering, die feitelijk is ontstaan in de apos­tolische gemeente, en die deze niettemin aan de latere generaties volkomen fout heeft doorgegeven. Let wel hoe zorgvuldig Gods Woord deze fout herstelt. Twee geloofsregels omvatten in feite heel de christelijke wereld. Eén daarvan is: `het woord van God alleen’; de ander is: `Gods Woord en de overleveringen van de kerk’. Hier volgen ze:



I. DE GELOOFSREGEL VAN DE MAN GODS: ALLEEN DE BIJBEL.

“Elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerech­tigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.” (17)



II. DE GELOOFSREGEL VAN DE KATHOLIEK: SCHRIFT EN TRADITIE.

“Als wij de volledige geloofsregel van christelijk geloof en praktijk willen bezitten, moeten wij niet tevreden zijn met die geschriften, die Timotheüs kende van kindsbeen af, d.w.z met alleen het Oude Testament; evenmin met het Nieuwe Testament alleen, zonder de tradities van de apostelen en de verklaring van de kerk, waarvan de apostelen zowel het boek als de juiste betekenis hebben overhandigd.” (18)



Zeker is, dat de eerste-dags-sabbat niet door de eerste van deze twee regels kan worden gesteund, want Gods Woord zegt niets over een dergelijke instelling. De tweede regel moet dus noodzakelijkerwijs worden aanvaard door allen, die voorstander zijn van de heiligheid van de eerste dag der week; want de geschriften van de kerkvaders en de tradities van de kerk verschaffen alle getuigenissen, die kunnen worden aangevoerd als ondersteuning van die dag. Als wij de eerste regel aanvaarden, betekent dat de veroordeling van de eerste-dags-sabbat als een menselijke instelling. Het aanvaarden van de tweede regel betekent in feite erkennen, dat de Rooms-Katholiek het bij het juiste eind heeft, want aan de hand van deze regel kunnen zij hun onbijbelse dogma’s ondersteunen. Mr. W.B. Taylor, een bekwaam schrijver en tegenstander van de sabbat, stelt dit op heel duidelijke wijze:

“De triomf van de consequente Rooms-Katholiek over alle zondagsvierders, die zich Protestanten noemen, is werkelijk volledig en niet te beantwoorden... Het zou een onderwerp van ernstige overdenking moeten zijn voor hervormde en evangelische christenen om te ontdekken, dat geen enkel argument of suggestie ten gunste van de zondagsviering kan worden aangehaald, dat ook niet met dezelfde kracht en volledigheid van toepassing is op de diverse andere “heilige dagen”, aangewezen door de “kerk”.” (19)

Luister naar het argument van de Rooms-Katholiek:

“Gods Woord gebiedt dat de zevende dag de sabbat van onze Heer is en dat deze dag geheiligd moet worden: gij (Protestanten) verandert zonder daartoe een gebod uit de Schrift te hebben, deze dag naar de eerste dag der week, waartoe gij alleen door onze tradities wordt gemachtigd. Verschillende engelse Puriteinen gaan hiertegen in, en zeggen dat de viering van de eerste dag wordt bewezen vanuit de Schrift, daar waar er wordt gezegd “de eerste dag der week”. (20) Hebben zij met het aanhalen van deze teksten niet lichtzinnig gehandeld? Als wij geen betere argumenten zouden aanvoeren voor het vagevuur, het bidden voor de doden, het aanroepen van de heiligen en dergelijke, zouden zij inderdaad alle recht hebben ons uit te lachen; want waar staat geschreven dat dit sabbatdagen waren, toen deze bijeenkomsten werden gehouden? Of waar staat geboden, dat deze dagen altijd moesten worden gevierd? Of, om dit alles samen te vatten, waar staat geboden dat de viering van de eerste dag de heiliging van de zevende dag zou be­ëindigen of afschaffen, hoewel God had gezegd dat deze dag voor altijd heilig zou zijn? Niet één van deze dingen komt tot uiting in het geschreven woord van God.” (21)

Wie zich daarom schaart achter de eerste-dags-sabbat, moet zich noodgedwongen - al is hij zich hiervan niet bewust - scharen onder de banier van de kerk van Rome.

Voetnoten

Verwijzingen:

(1) Decline and Fall of the Roman Empire, ch. 15.

(2) Hand.20:29,30.

(3) 2 Tess. 2:3,4,7,8.

(4) 2 Tim.4:2-4; 2 Petr.2; Jud.4; 1 Joh.2:18.

(5) Boek 2, ch.1, sec.1.

(6) Eccl. Res. ch.6, p.51, ed.1792.

(7) The Modern Sabbath Examined, pp.123,124.

(8) Rose’s Neander, p.184.

(9) Hist. of the Popes, vol.1, p.1, Phila, ed.1847.

(10) Hist. of Romanism, boek 2, ch.1, sec.3,4.

(11) Lect. on Romanism, p.203.

(12) Comm. over Spr.8.

(13) Autobiography of Adam Clarke, LL D,p.134.

(14) Christianography, deel 2, p.59, London,1636.

(15) Translatian of the Apologies of Justin Martyr, Tertullian and others, vol.2, p.375.

(16) Joh.21:20-23.

(17) 2 Tim.3:16,17.

(18) Aant. in de Douay Bijbel bij 2 Tim.3:16,17.

(19) Obl. of the Sabbath, pp. 254,255.

(20) Hand.20:7; 1 Kor.16:2; Openb.1:10.

(21) A Treatise of Thirty Controversies.