05 Een bijzondere blik op ons levensverslag

Aan het einde van de 2300 jaardagen van Daniel 8.14 stond de Vader op van Zijn troon in de eerste afdeling van het hemels heiligdom en begaf zich naar het Heilige der Heiligen en zette zich daar op Zijn troon. (EW55.4) Spoedig daarna stond Jezus op en volgde de Vader. Het was toen dat de Zoon des mensen kwam tot de Oude van dagen (Daniel 7.13) Op dat ogenblik kwam de Heer 'plotseling tot Zijn tempel' Het was op dat moment dat Christus inging tot de bruiloft (Matt.25.6) Het was toen dat het werk begon dat zijn hoogtepunt vindt in de reiniging van het heiligdom (Dan.8.14) (GC426.) God verwacht van ons dat wij onze Hogepriester daarheen in het geloof volgen (GC430.4, 431.1) ; maar toch moest Ellen White nog in 1890 verklaren dat 'het volk is de heilige plaats niet binnengegaan, waar Jezus is heengegaan om een verzoening te doen voor Zijn kinderen'. (RH02-25-90)

Wij worden opgeroepen om uit onze geestelijke slaapzucht te ontwaken, het verlossingsplan te bestuderen in verbinding met de grote verzoendag, en onder de leiding van de Heilige Geest deel te nemen aan die dienst.

Onze studie in dit hoofdstuk begint met het tijdstip dat wij het 'onderzoekend oordeel' noemen - het onderzoek in de hemelse boeken. Dat tijdstip begon in 1844 en strekt zich uit tot aan het einde van de genadetijd. Sommige Adventisten schijnen te geloven dat de reiniging van het heiligdom en het uitdelgen van de 'zonden van de levenden' (let wel) sinds 1844 voortdurend plaats vindt, ja zelfs reeds daarvoor. Sommigen geloven dat de zonden worden uitgedelgd zodra zij worden beleden. Daartoe worden twee getuige­nissen aangehaald om dit te bevestigen: t.w. 'God oordeelt ieder mens naar zijn werk. Hij oordeelt niet alleen, maar hij telt dag aan dag, uur na uur, het goede in onze vooruitgang op'. (7BC987.6)

'Als de genadetijd eindigt, zal dit plotseling gebeuren, onverwacht, op een moment dat wij dit het minst verwachten. Maar wij kunnen heden een schone lijst van aantekeningen bezitten, en weten dat God ons aanvaardt; en tenslotte, als wij getrouw zijn, zullen wij verzameld worden in het koninkrijk des hemels'. (7BC989.7)



God oordeelt iedereen, volkeren, gezinnen en personen; dat doet Hij voortdurend, maar dit is niet het 'onderzoekend' oordeel. Wanneer de maat van een onbekeerlijk volk vol is of van een persoon, dan is de genadetijd voorbij voor dat volk of die persoon, en wordt aan de vernietiging overgeleverd. (PP165.8; 7BC987.9) Op deze wijze is de genadetijd voor sommigen van de goddelozen reeds afgesloten tijdens hun leven; en dit vindt plaats sinds de zonde op aarde een aanvang nam. Zo was het met de bewoners van Sodom. (PP165.1) Het 'onderzoekend oordeel' begon echter in 1844 en alleen voor diegenen, wier namen geschreven staan in het boek des levens. (GC480) God beoordeelt hoe ieder mens van dag tot dag vooruitgaat. (TM448.5) Hij beslist (oordeelt) op het moment van de gedachte of de daad, of die moet worden opgetekend in het 'Boek der herinnering' of dat het een aantekening van zonde is. (4T63.1, 646.4 ; 4BC1171.9 ; 5BC1085.7) Het is no­dig dat de boeken van dag tot dag worden bijgehouden. (CH416 ; MM184.3)



Maar de rechtszitting van de hemelse rechtbank vindt niet plaats vóór dit leven voorbij is, d.w.z. of bij de dood of het: moment dat Gods werk voor de levenden eindigt, dat de boeken worden geopend, onderzocht en de aantekeningen der zoned worden uitge­wist. (GC486.2 , 483.1 , 428.5) Het getuigenis zegt duidelijk dat het onmogelijk is, dat zonden worden uitgewist, vóórdat het onderzoek van het levensverslag van de persoon, in de hemel heeft plaatsgevonden. (GC485.5) Het onderzoekend oordeel maakt een einde aan de genadetijd voor de betreffende persoon en dit gebeurt plotseling en onverwacht. (7BC989.7 ; GC490.7) Er vindt geen tweede onderzoekend oordeel voor een persoon plaats. De uitdelging van de zonden voor de levenden vindt een korte tijd voor de tweede komst van Christus plaats. (GC485.4 ; 352.7) Het geschiedt als een onderdeel van de 'speciale' of 'laatste' zoendaad (EW251, 253) , en is een onderdeel van het laatste werk van voorspraak en bemiddeling. (GC428.1) Voor de rechtvaardig levenden gebeurt dit in de tijd van de 'verkoeling' of de 'spade regen'. (GC485.5, 612.9) In 1900 nog verklaarde Ellen White dat het onderzoekend oordeel voor de levenden nog niet was begonnen. (GC490.6 ; EW280.2; 1SM125.3; 6T130.7) De generatie van de levenden is de laatste, die in het onderzoekend oordeel komt. (GC483.2) Het onderzoekend oordeel over de levenden had kort na 1844 kunnen plaats vinden, maar bij een deel van Gods volk waren er nog tekortkomingen. (GC458.1; EW71.8; 1SM174.9)



Wat is de oorzaak van het uitstel? Waarom waren zij nog niet gereed? Waarom zijn wij niet gereed? Klaarblijkelijk heeft God nog iets anders aan het universum te openbaren met betrekking tot de natuur van de zonde, dat onze medewerking vereist. (4T34-36 ; PP41.4 ; PP42.6; 5T6526.2 ; 6T6-13) Zijn genade voor zondaren en de rechtvaardiging van Zijn naam staan op het spel. In het onderzoekend oordeel zullen twee groepen van hen, die belijden in Christus te geloven, onderzocht worden:

a. Zij die gestorven zijn vóór dit onderzoek;

b. Zij die tijdens het onderzoek leven.

Daar wij uit de hierboven aangehaalde getuigenissen weten dat het onderzoekend oordeel niet vóór 1844 begon, komt natuurlijk de vraag naar voren, wanneer zijn dan Henoch, Elia en Mozes, alsmede diegenen die met Jezus zijn opgestaan en met Hem naar de hemel gingen, in hun onderzoekend oordeel geweest en wanneer werden hun zonden uitgedelgd? Het antwoord hierop moet verkregen worden uit hetgeen er met de hoofdgroep gebeurt. Wanneer precies degenen die ons voorgingen in het oordeel waren, weten wij niet, maar zeker is dat zij onderzocht moesten worden en dat hun zonden uitgedelgd moesten zijn vóór zij in de hemel werden opgenomen. (5T467.3 ; MB141.9) De tijden en gelegenheden zijn echter in Gods hand. Hij had hen allen in het graf kunnen laten, en hun levens­verslag eerst na 1844 kunnen onderzoeken, maar Hij besloot om enigen voor te bereiden en hen op een eerder tijdstip in de hemel op te nemen dan de beide hoofdgroepen, dit om ons hoop te geven. (PP88.3) Dat God dit deed moet ons niet in de war brengen, of ons afbrengen van de grote grondbeginselen van het verlossingsplan tot herstel van zondaars.



Voor wij verder gaan willen wij ons een ogenblik verdiepen in de redenen die God heeft, om elke gedachte, elk motief, elk woord en daad in het oordeel te brengen. (5T466.4 ; 5BC1085.7; 4BC1171.9 ; PP218.1)Wij moeten Zijn redenen hiervoor niet verkeerd uitleggen. De Godheid, in feite het gehele niet gevallen universum, heeft een diepe, liefdevolle belangstelling voor iedere ziel. Het levensverslag van onze boze daden en satan - beide - beschuldigen ons voor God. God wil dat wij rein zijn. Hij wil dat ons geestesoog in staat zal zijn, alles wat in onze herinnering ligt opgeslagen,onderzocht en doorlopen kan worden, zonder weer verzocht te worden of waardoor een neiging kan opkomen kwaad te denken. Hiertoe moet Hij ons nu grondig en diepgaand onderzoeken om ons te helpen vrij te worden, en te blijven, van elke vlek en smet op ons karakter. (GC487.4) Als wij werkelijk vrij willen zijn van elke smet, dan moeten wij dit nauwkeurige onderzoek waarderen en onze dank tot uitdrukking brengen aan de Vader, de Zoon en allen die ons gediend hebben. (4T354.6) Soms gebeurt het, als ik spreek over het uitdelgen van de aantekening der zonde zodat zij nooit meer herinnerd zal worden of in de geest zal opkomen, dat sommigen dit beschouwen als een soort geheugenverlies. Zij zijn dan verontrust over die voorstelling. Om de een of andere reden schijnt het, dat zij, hoewel zij de zonde hebben opgegeven, toch wat terughoudend zijn om afscheid te nemen of afstand te doen van sommige herinneringen uit het verleden. Persoonlijk zou ik blij zijn afstand tedoen van alle zondige gedachten, zelfs al zou mijn natuurlijke neiging dat niet zijn. Met Gods genade verlang ik er niet meer aan herinnerd te worden. Moet het bovendien niet een zegen zijn, dat zondige gedachten, die wij keer op keer hebben verworpen en teruggedrongen, en tenslotte hebben overwonnen, uitgedelgd worden, om nooit meer in onze gedachten op te komen? Zou het in de hemel enig verschil maken dat een deel van onze gedachten (het zondige) ontbreekt?



Mijn conclusie is, dat wij er geen behoefte aan hebben. Wij zullen ons bewust zijn dat wij zondaars waren en dat het een harde geestelijke strijd gekost heeft met de zonde, zonder dat wij ons dan nog de details van de zonde herinneren. God weet hoe Hij de met zonde besmette beelden (ons levensverslag van de zonde) uit ons geheugen moet verwijderen, en de goede beelden (het boek der herinnering) kan behouden, gedachten, die wij veilig tot in alle eeuwigheid overdenken kunnen. Ik wil mij geheel op Zijn oordeel verlaten. Eerder haalden wij een getuigenis aan, dat zegt, dat wij vandaag een zuiver levensverslag in de hemel kunnen bezitten. De vraag dringt zich dan op hoe dit waar kan zijn, als de aante­kening der zonde tot het onderzoekend oordeel en tot het einde van de genadetijd, blijft bestaan. Het antwoord ligt besloten in hetgeen God nu voor ons kan doen. Hij kan vandaag in ons een rein en nieuw hart scheppen. (2SM32.1) Hij kan vandaag iedere schuld van de zonde op het heiligdom overdragen en vergeving schrijven achter iedere zonde van ons. (GC420.2) Hij kan vandaag iedere beleden zonde bedekken met het bloed van Jezus. (COL311.7) En door vandaag iedere plicht te vervullen; door in de kracht van God, die ons vandaag ter beschikking staat, iedere verzoeking en moeilijkheid te overwinnen, kunnen wij nu, vandaag, weerhouden worden nog te zondigen. (GC425; 8T46.8; DA 664.7; 1SM409) De belofte is gegeven, er is geen excuus voor de zonde. (DA311.7) Alle voorzieningen om op dit punt succesvol te zijn, zijn getroffen; maar wij streven er niet naar te leven onder de leiding en heerschappij van de Heilige Geest. 'Gij hebt nog niet ten bloede toe weerstand geboden in uw worsteling tegen de zonde' Hebr. 12.4. Onze liefde voor de gerechtigheid en voor onze Zaligmaker is niet groot genoeg, noch onze haat tegen de ongerechtigheid. Wij zijn lauw ten aanzien van Christus, wij zijn tevreden met onze welstand en geestelijk passief.

Het onderzoek van ons levensverslag in het onderzoekend oordeel is een beoordeling van het ons verleende karakter van Christus, dat zich openbaart in de gezindheid en houding van ons; een onderzoek of al onze zonden beleden, vergeven en bedekt zijn. De schuld van alle zonden van de persoon moet volledig overgedragen zijn op het hemels heiligdom. Beide, zowel 'mijn boek der herinnering', als het verslag van mijn zonden worden onderzocht. (GC481)



De gelijkenis van Matth. 22 over de koning, die binnentreedt om de bruiloftsgasten te onderzoeken, benadrukt het feit, dat het ons karakter, het verkregen kleed van Christus is, dat wordt onderzocht. (COL310-14) Ook is de olie in de lampen van de wijze maagden, een beeld van het karakter. (TM234.1; 4BC1179) De toegerekende gerechtigheid, voorgesteld als een kleed, bedekt de aantekening der zonde; de verleende gerechtigheid wordt in het karakter ingeweven en blijft tot in eeuwigheid bij de gelovige. (4BC1178; MB9.2:COL203.5 ;COL310-12; COL204.4 ; 4T429.5) Wij zijn de Vader grote dank verschuldigd. Op Golgotha stond Hij niet in de hoedanigheid als Vader, maar als Rechter tegenover de 'Zondendrager'. Wat een angst en smart zal dat Hem gekost hebben. (TM246.2) Tijdens het onderzoekend oordeel is Hij de oordelende Rechter in het hemelse gerechtshof. (GC479.5 ; Dan.7:9-10 Hand.18:31) Onze Zaligmaker verricht daar de dienst als middelaar en pleitbezorger, en heft daar eveneens een rol als Rechter. (GC482.8 ; DA210.6; 9T185.6 ; RH03.12.01) Hij verdedigt daar alleen diegenen, die Hij zijn dienstwerk waardig acht, doordat zij hun deel aan de voorwaarden der verlossing hebben vervuld. (6T163.9 9) Onze Zaligmaker zal daar geen twijfelachtige gevallen verdedigen in de hoop een andere interpretatie van de wet te verkrijgen voor het hemelse hof. Wat vóór 6000 jaren zonde was, is het ook heden nog. Wat tegenwoordig een nieuwe moraal genoemd wordt, is veelal oude immoraliteit vermomd in een nieuw kleed. Door de verdienste van Zijn dood aan het kruis, heeft Christus een weg ontsloten tot de troon van God voor allen, die er gehoor aan willen geven. (GC489.4) Met een verdriet, dat alleen maar ten dele kan worden verstaan door de mens, keren zich de Vader en Jezus af van hen, die niet op zijn genade en liefde willen ingaan. (TM245-6) Hosea zegt daarover: "Verknocht aan beelden is Efraim, laat hem geworden" Hos.4:17 "Hoe zal ik u prijsgeven, Efraim?" Hos.11.8. De Israëlieten wilden niet dat Hij hun heilige bossen (hun goddeloze voorstellingen) teneerwierp, noch dat hun zondige gedachten gevangen geleid warden zie ook Hos.10.8-13 ; 2Kon.15.3-4 (MB142) zie ook 2 Cor.10.5.



Nadat het onderzoekend oordeel is afgesloten, legt Jezus zijn ambt als Middelaar en Voorspraak neer, en wordt Koning en Rechter. (GC485; EW280.1; 7BC989.7; 4T387.8) In deze hoedanigheid spreekt Hij het oordeel uit over goddelozen en rechtvaardigen. (RHll-22-98; GC490.9 ; GC666.6) God heeft Christus aangewezen als rechter voor de uiteindelijke, de voltrekkende fase van het oordeel, de uitvoering van de beslissingen van het gerechtshof in de hemel. (DA210.4 ;Joh.5:27; Jud.14:15) Dan zal blijken, dat de goddelozen in feite zichzelf hebben vernietigd. (Hos.13:9; COL84.9; A764.1) Zij hebben de enige weg tot behoud verworpen, die hen had kunnen redden van de vlammen, die de goddelozen zullen vernietigen en de aarde op Gods bevel zullen reinigen. (GC666.5)