Issaschar

Issaschar

Issaschar was de negende zoon van Jakob, en de vijfde van Lea, zijn eerste vrouw. Over Issaschar als persoon zwijgt de Bijbel. Alleen zijn geboorte wordt vermeld. We weten niets over hoe hij met zijn broers omging. Maar de zegen van zijn oude, stervende vader onthult de geschiedenis van het leven van Issaschar: een leven van zelfopoffering en het dragen van lasten. Ook krijgen we een beeld van zijn stille en zachtmoedige geest.

Jakob vergelijkt hem met een geduldige ezel, die twee zulke zware lasten draagt, dat hij eronder neerknielt. Het feit, dat het hier niet over een normaal dier gaat maar over een “sterk” dier, geeft aan hoe sterk het karakter van Issaschar was. “Issaschar is een ezel met een sterk gebeente, die tussen twee lasten ligt” Vervolgens onthult de aartsvader het geheim van Issaschars leven van zelfopoffering. Hij vertelt het motief, dat hem ertoe bracht de dubbele last te dragen: “Als hij ziet, dat het goed rusten is en het land liefelijk, buigt hij zijn schouders om te dragen en verricht zwaar slavenwerk” (Genesis 49:14–15).
Veel mensen verliezen hun zegen, door te morren en te klagen wanneer er van hen gevraagd wordt, dubbele lasten te dragen. Maar Issaschar werd gesteund door de gedachte aan het liefelijke land dat hem wachtte, waar het goed rusten is. Diezelfde hoop zal ook vandaag lastdragers steun geven.

In de veldslag bij Megiddo zien we, dat Issaschar trouw is aan het karakter, dat in Jakobs zegen bij zijn sterven geschilderd wordt. “Ook vorsten van Issakar (daalden af), met Debora. En als Issakar, zo ook Barak!” (Richteren 5:15). Uit de woorden van Debora af te leiden, lijkt het alsof Issaschar de lasten van de strijd nog meer droeg dan Barak.

Dezelfde karakterbeschrijving wordt van Issaschar gegeven, toen alle stammen vergaderd waren om David tot koning over Israël te kronen. Issaschar had een helder onderscheidingsvermogen. Er staat vermeld: “De Issascharieten, die de juiste tijden kenden, zodat zij wisten wat Israel doen moest” Zij stonden voor mensen, die zware verantwoordelijkheden droegen, steunpilaren voor het werk van God. Het waren geen oorlogsspecialisten, zoals Zebulon, die klaar stonden om van het ene moment op het andere impulsief op te rukken naar waar de strijd het heetst was. Maar zij waren in staat een veldslag voor te bereiden, en het zwaarste werk op zich te nemen.

Al de verschillende fases van een christelijk karakter zijn nodig om het volmaakte karakter van Christus te vormen. De lastdrager neemt binnen het werk voor God net zo’n belangrijke plaats in als het koninklijke Juda, of de leraar uit de stam van Levi.
Uit elke groep zullen er twaalfduizend in dat wonderlijke gezelschap zijn, de honderdvierenveertigduizend, “die het Lam volgen waar Het ook naartoe gaat” (Openbaring 14:4).

De kinderen van Issaschar waren een hard werkende, geharde en dappere stam. Ze werkten met geduld en waren in de oorlog onoverwinnelijk. Het waren “dappere helden” (I Kronieken 7:1 – 5). Zij hadden één van de rijkste gedeelten van Palestina in bezit. In het oosten werd het begrensd door de rivier de Jordaan, in het noorden door Zebulon, en in het zuiden door de halve stam Manasse.

Er lagen veel steden binnen de grenzen van Issaschar, die in de heilsgeschiedenis genoemd worden. De grote overwinning van Barak en Debora werd er behaald “in Taänach, bij de wateren van Megiddo” (Richteren 5:19).

Sunem was de woonplaats van de edele vrouw, die een extra kamer bouwde voor Elisa, de “heilige man van God” Ze deed dit, toen ze ontdekte dat haar huis niet groot genoeg was om hem te herbergen. Zo zou zij het voorrecht hebben, om hem bij haar thuis te kunnen ontvangen (II Koningen 4:8 – 10). Bij alle rijke zegeningen, die zij in haar leven ontving (II Koningen4:12–37), wist zij maar al te goed, hoe waar deze woorden zijn: “Voor zover u dit voor één van deze geringste broeders van Mij gedaan hebt, hebt u dat voor Mij gedaan” (Mattheüs 25:40).

Bij de poort van de stad Naïn, aan de grens van Issaschar, klonken de woorden van de Heiland: “Jongeman, Ik zeg u, sta op!” Dit bracht leven en gezondheid in het dode lichaam van de man, die zijn vrienden naar zijn graf droegen (Lukas 7:11–17).

In het zelfde gebied, dat door de voetstappen van de Heiland en van Gods profeten werd geheiligd, werd de macht van de duivel ook zichtbaar. In Endor, in het land van Issaschar, beging Saul de grootste zonde van zijn leven door een heks te raadplegen. Zo verliet hij God helemaal, en werd een prooi van de duivel (I Samuel 28:7–25). Saul werd gedood, omdat hij “zelfs de geest van een dode ondervraagd en geraadpleegd had” (I Kronieken 10:13–14). Mensen die vandaag hetzelfde doen, zullen uiteindelijk door hetzelfde lot getroffen worden. Zij zullen geestelijk sterven, en voor eeuwig van de Heer gescheiden zijn (Jesaja 8:19–20).

b Hand. 9:40
Jizreël, gelegen in de vruchtbare vlakte van Jizreël, was het toneel voor de goddeloze moord op Naboth (I Koningen 21:1–19). En in de straten van diezelfde stad aten de honden het vlees van Izebel (II Koningen 9:30–37).

Tola, onder wiens regering Israël drieëntwintig jaar rust had, kwam uit de stam Issaschar (Richteren 10:1–2). Basa, die vierentwintig jaar over het koninkrijk in het noorden regeerde, was een Issaschariet. “Hij deed wat kwaad was in de ogen van de HERE” Ela, zijn zoon, volgde in zijn voetstappen. Hij werd door Zimri vermoord. En de koninklijke macht werd de stam Issaschar weer uit handen genomen (I Koningen
15:27–16:10).

Issaschar vormde het centrum van de macht voor Izebel. De Baälaanbidding, die zij invoerde, heeft nog lang na haar dood invloed gehad.

Ongeveer vijf jaar voordat Issaschar door Salmanassar in gevangenschap naar Assyrië gevoerd werd (II Koningen 17:3–6), vierde Hizkia in Jeruzalem het grote Pesachfeest. De stam Issaschar was zover afgeweken van de ware godsdienst, dat zij vergeten hadden de noodzakelijke reiniging door te voeren. Toch nam een aantal van hen de uitnodiging aan. Ze gingen naar het feest, hoewel ze ritueel niet klaar waren om eraan deel te nemen. Hizkia’s band met de Heer was voldoende, om in te zien, dat een hartsverlangen om God te dienen belangrijker was dan vormen en rituelen. Hij stond toe, dat zij van het Pesachmaal aten. Terwijl zij dat deden, bad hij het volgende gebed: “De HERE, die goed is, doe verzoening over ieder die zijn hart erop gericht heeft God, de HERE, de God van zijn vaderen, te zoeken, al was het niet naar de reinheid welke bij het heilige past” “Het is namelijk niet wat de mens ziet, want de mens ziet aan wat voor ogen is, maar de HEERE ziet het hart aan” “En de HERE verhoorde Hizkia en genas het volk” (II Kronieken 30:17–20 NBG; I Samuel 16:7).

Samenvatting

I Kronieken 7:1:
Issaschar had vier zonen. Uit hen ontstond de stam die zijn naam draagt.

Numeri 26:23–25:
Toen de kinderen van Israël het beloofde land binnentrokken, telde Issaschar 64.300 man.

Issaschar bezat één van de rijkste delen van Palestina.

Het dal van Megiddo, of de vlakte van Jizreël, lag binnen de grenzen van Issaschar.

Richteren 10:1–2:
Tola, die Israël drieëntwintig jaar richtte, was een Issaschariet

I Koningen 15:27:
Basa, koning van Israël, was uit de stam Issaschar.