Het Reukofferaltaar en de Dienst van het Reukoffer

Het Reukofferaltaar en de Dienst van het Reukofferaltaar

Het gouden altaar, of reukofferaltaar, stond midden voor de voorhang in de eerste afdeling van het heiligdom. Het was een el in het vierkant en twee ellen hoog. Aan elke hoek bevond zich een horen. Het altaar was gemaakt van sittim-, of acaciahout, en helemaal overtrokken met zuiver goud. Rond de bovenkant was een mooie, gouden sierlijst. Onder die sierlijst zaten ringen. Daarin staken de draagbomen voor het altaar, ook weer helemaal overdekt met zuiver goud (Exodus 30:16).

Binnen de sierlijst bovenop het altaar, werd heilig vuur voortdurend brandende gehouden (Exodus 30:8). Daaruit steeg geurig reukwerk op, die elke morgen en avond op het altaar werd gelegd. Het reukwerk drong door in het hele heiligdom. En de wind nam het mee tot ver buiten de omheining van de voorhof.

Dit reukwerk was samengesteld uit gelijke hoeveelheden van vier soorten geurige gomhars en andere harsen, en werd volgens goddelijke aanwijzingen bereid. Het reukwerk was erg heilig. Iemand die iets dergelijks maakte, al was het maar voor parfum, moest uit het midden van zijn volksgenoten worden uitgeroeid (Exodus 30:34–38).
Uitsluitend de hogepriester mocht de heilige taak verrichten, reukwerk voor de Heer op het gouden reukofferaltaar te leggen (Exodus 30:7–8).

Het altaar en het geurige reukwerk in het aardse heiligdom waren een beeld van het werk, dat onze grote Hogepriester nu voor ons doet (Hebreeën 8:5). Wij moeten vaak nadenken over het werk, dat Christus in het heiligdom in de hemel doet (Hebreeën 3:1). Mozes werd, toen hij de opdracht ontving om het heiligdom te bouwen, het hemels voorbeeld getoond, waarvan hij een “schaduw” moest maken (Exodus 25:40). Johannes, de geliefde discipel, werd meerdere keren toegestaan, om in een visioen de Heiland dienst te zien doen in het hemelse heiligdom. Hij zag een hemels wezen staan bij het heerlijk schitterende gouden altaar. Hij zag, dat op dat heilige altaar reukwerk werd geofferd. Wat moet het hem in de ziel geraakt hebben, toen hij zag, dat dit kostbare reukwerk werd toegevoegd aan de arme, wankele gebeden van de worstelende heiligen hier op aarde. Hij zag, dat die gebeden, nadat het reukwerk was toegevoegd, opstegen voor God. En ze werden aangenomen, omdat ze door het reukwerk geurig waren gemaakt (Openbaring 8:3-4). “Wij weten niet wat wij bidden zullen zoals het behoort. De Geest Zelf echter bidt voor ons met onuitsprekelijke verzuchtingen. En Hij Die de harten doorzoekt, weet wat het denken van de Geest is, omdat Hij naar de wil van God voor de heiligen pleit” (Romeinen 8:26–27). Maar zelfs de Geest kan de gebeden van zondige stervelingen niet aanbieden aan een zuivere en heilige God, zonder dat hij het geurige reukwerk daaraan toevoegt.

Toen Jezus Zijn discipelen erop voorbereidde, dat Hij niet langer persoonlijk bij hen zou zijn, verzekerde Hij hun: “Alles wat u de Vader zult bidden in Mijn Naam, zal Hij u geven” (Johannes 16:23). De kracht van een naam is het karakter van de persoon, die deze naam draagt. De naam van onze kostbare Verlosser wordt geëerd. Elke smeekbede die in deze naam wordt gedaan, wordt in de voorhoven van de hemel verhoord, omdat Jezus een zondeloos leven heeft geleid. Hij heeft geen zonde gekend (II Korinthe 5:21). De vorst van deze wereld heeft geen macht over Hem, want Hij was rein en heilig, zonder een smet van de zonde (Johannes 14:30). Christus’ gerechtigheid maakt, dat onze gebeden door de Vader aangenomen worden.

Johannes zag de rook van het reukwerk samen met de gebeden van de heiligen opstijgen voor God. Onze gebeden, geurig gemaakt door de gerechtigheid van Christus, onze Heiland, worden door de Heilige Geest aan de Vader aangeboden. Voor Johannes leek het in zijn visioen een rookwolk, waarin de gebeden en het geurige reukwerk voor de troon van de Oneindige opstegen. De zwakste heilige, die weet hoe hij zijn smeekbeden in de naam van de zondeloze Jezus tot de genadetroon moet laten doordringen, heeft alle schatten van de hemel tot zijn of haar beschikking. Als de rijkste miljonair zijn cheques int bij aardse banken, dan valt dit in het niet bij de voorrechten, die een christen heeft.
De naam van Jezus wordt vaak op een nietszeggende manier aan gebeden verbonden. Veel gebeden worden slechts voor de vorm uitgesproken. Die stijgen niet hoger dan het hoofd van degene die ze uitspreekt. Maar elk gelovig gebed bereikt het oor van de God van het heelal. David begreep het beeld van het reukwerk. Hij bad: “Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan, laat mijn opgeheven handen zijn als het avondoffer” (Psalm 141:2).

Geen enkel onderdeel van de dagelijkse dienst in het heiligdom bracht de priester zó direct in Gods tegenwoordigheid als het reukoffer. Zo worden wij ook door geen enkel onderdeel van onze dienst als gelovigen in zó nauw contact gebracht met de Meester, als door het uitstorten van onze ziel in ernstig gebed. In de tijd van het Oude Testament steeg het gelovig gebed, net als in het ware heiligdom, op “tot in zijn heilige woning, tot in de hemel” (II Kronieken 30:27).

Elke morgen en avond werd een lam verbrand op het koperen brandofferaltaar in de voorhof. Op dat moment werd ook het reukwerk op het reukofferaltaar vernieuwd (Exodus 29:38–42). Het gouden reukofferaltaar is een ‘altaar voor voortdurende voorbede.’ Het is een beeld van de gebeden van Gods volk, die voortdurend naar Hem opstijgen. Het koperen brandofferaltaar is een ‘altaar voor voortdurende verzoening.’ Dit is een beeld voor het wegdoen en het vernietigen van de zonde. Die zonde is het enige wat ons van God scheidt, en die voorkomt, dat onze gebeden verhoord worden.

Het lam van het morgen- en avondoffer werd voor het oog van de gehele gemeente in zijn geheel verbrand. Het toonde hun verlangen om de zonde weg te doen, en zich aan de Heer te wijden. Dan konden hun gebeden, samen met het geurige reukwerk, opstijgen vanaf het altaar.

In het oude Israël verzamelde het volk wat in de buurt van de tempel woonde zich op het uur van het offer. En vaak gold: “Heel de menigte van het volk was buiten aan het bidden op het uur van het reukoffer” (Lukas 1:10). Het gebruik om thuis ’s morgens en ’s avonds te bidden is afkomstig van dit beeld van de ware aanbidding. Een gelovige Israëliet, die ver van de tempel woonde, bad met zijn gezicht naar de tempel, waar het reukwerk elke morgen en avond opsteeg. Josephus zegt, dat het reukwerk werd geofferd wanneer de zon ’s avonds onderging, en ’s morgens als de zon opging.

De schaduwdienst is prachtig, maar de werkelijkheid overtreft dit beeld verre. In het heiligdom in de hemel is een onuitputtelijke voorraad van de gerechtigheid van Christus. In de schaduwdienst steeg het reukwerk voortdurend op. Dit laat zien, dat wanneer een worstelende ziel ook om hulp roept, overdag of ’s nachts, zijn gebed gehoord wordt. Dat geldt natuurlijk ook voor de dankzegging en de lofprijzing voor ontvangen hulp. ’s Morgens lijkt het soms zo, dat de taken van die dag méér zijn dan je in menselijke kracht kunt dragen. Dan mocht de ziel die onder lasten gebukt ging, bedenken, dat er in de afbeelding van het hemels heiligdom elke morgen een nieuwe voorraad reukwerk op het altaar werd gelegd. En vanuit het ware heiligdom komt er voor die dag hulp voor iemand, die daar in de naam van Jezus een beroep op doet (Deuteronomium 33:26). ’s Avonds, wanneer we terugkijken op het werk van die dag, ontdekken we dat het door zonde is geschonden. Maar dan is er gezegende troost, wanneer we neerknielen en onze zonden belijden. Wij mogen weten, dat in de hemel het geurige reukwerk van Christus’ gerechtigheid aan onze gebeden toegevoegd wordt. In de schaduwdienst beschermde de wolk van het reukwerk de priester (Leviticus 16:13). Zo bedekt de gerechtigheid van Christus ook de fouten van de voorbije dag. En de Vader, die naar ons kijkt, ziet alleen het smetteloze gewaad van de gerechtigheid van Christus. Als we vollediger zouden begrijpen, wat een voorrecht het is om te mogen bidden, dan zouden we vaker, samen met de profeet zeggen: “Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil, met de mantel van de gerechtigheid heeft Hij mij omhuld” (Jesaja 61:10).

Niet alle gebeden, die door God worden aangenomen, worden onmiddellijk verhoord. Dat is niet altijd het beste voor ons. Maar elk gebed, waaraan de geur van Christus’ gerechtigheid is toegevoegd, wordt op het altaar in de hemel bewaard. En op het voor God goede moment wordt het verhoord. Johannes zag degenen die dienst deden voor de troon van God. Zij hadden “gouden schalen vol reukwerk” in hun hand. De uitleg staat erbij: “Dit zijn de gebeden van de heiligen” (Openbaring 5:8). Deze gebeden waren aangenomen, want het toegevoegde reukwerk geurde zó sterk, dat Johannes zei, dat de schalen vol reukwerk waren.

In de schaduwdienst werd iemand, die probeerde de geurige parfum van het reukwerk voor zichzelf te gebruiken, uit het volk van God uitgeroeid. Men mocht het reukwerk niet proberen na te maken (Exodus 30:37–38). Er mocht geen vuur gebruikt worden om het reukwerk te branden, behalve het vuur dat voor Gods aangezicht brandde op het reukofferaltaar. Nadab en Abihu brachten “vreemd vuur” voor de Heer, terwijl ze onder invloed waren van sterke drank. Zij werden door vuur uit de hemel verteerd (Leviticus 10:1–10). Hun lot is een gelijkenis voor iedereen, die de volmaakte gerechtigheid van Christus niet waardeert, en voor de Heer verschijnt in een “bezoedeld kleed” van zijn eigen gerechtigheid (Jesaja 64:6).

Toen de plaag in de gemeenschap van Israël toesloeg, deed Aäron de hogepriester reukwerk in de vuurschaal en haastte zich midden onder het volk “en de plaag hield op” (Numeri 16:46–48). Het heilige reukwerk werd uitsluitend ontstoken op het gouden altaar, en in de vuurschaal van de priesters. De andere Levieten mochten het niet ontsteken (Numeri 16:3–35). De priesters verrichtten een dienst, die op een heel speciale manier een beeld vormde van het werk van Christus. Zij waren de enigen die reukwerk voor de Heer mochten ontsteken.
De horens van het gouden reukofferaltaar werden vaak bestreken met het bloed van het zondoffer. Dit was een beeld, dat Christus’ dood het mogelijk had gemaakt, dat onze gebeden verhoord kunnen worden. En ook, dat wij met Zijn gerechtigheid bekleed kunnen worden. De geur van het reukwerk bleef niet beperkt tot het heiligdom, maar verplaatste zich door de lucht naar de omgeving. Zo is het ook, wanneer iemand met de gerechtigheid van Christus is bekleed. Er gaat een invloed van je uit. De mensen die met jou in contact komen, zullen aan de geur herkennen, dat die van hemelse oorsprong is.



Schaduw
Exodus 30:1–3; 40:26: Het gouden reukofferaltaar staat vóór de voorhang.
Werkelijkheid
Openbaring 8:3: In de hemel staat een gouden altaar voor de troon van God.

Schaduw
Exodus 30:7–8: Elke morgen en avond ontstak de hogepriester reukwerk op het gouden reukofferaltaar.
Werkelijkheid
Openbaring 8:3–4:Veel reukwerk wordt toegevoegd aan de gebeden van alle heiligen. En dan stijgen deze gebeden op voor God.

Schaduw
Exodus 30:9; Leviticus 10:1–9: Iemand, die vreemd vuur gebruikt om het reukwerk te ontsteken, moest gedood worden.
Werkelijkheid
Jesaja 64:6: Iemand, die met eigen gerechtigheid bekleed is, zal gedood worden.