Dienstwerk van de Hogepriester

Dienstwerk van de Hogepriester

In vroeger tijden waren de aartsvaders priesters over hun eigen huis. Volgens het oorspronkelijke plan van God moest de oudste zoon zijn vader als priester van het gezin vervangen. Maar Gods plan is vaak doorkruist door de zonden van de oudste zoon. Uit Gods woorden aan Kaïn kun je afleiden, dat hij uitgesloten werd van de functie die hij op grond van zijn erfrecht bezat: “Mag u uw hoofd niet opheffen, als u het goede doet? Maar als u dat niet doet, ligt de zonde aan de deur” (Genesis 4:7), (King James: Is er voor u geen voortreffelijkheid, als u het goede doet?). De zonde voorkwam, dat Kaïn “de voortreffelijkheid” ontving.

Vanwege zijn zonde verloor Ruben, de eerstgeborene van Jakob, zijn positie als “de voortreffelijkste in hoogheid en de voortreffelijkste in sterkte” Dat was zijn recht op grond van zijn geboorte (Genesis 49:3 – 4; I Kronieken 5:1–2). Toen hij nog maar een jongen was, ontwikkelde Jozef de karaktereigenschappen, die hem “de voortreffelijkheid” boven zijn broers deed ontvangen. Het is zeer waarschijnlijk, dat de veelkleurige mantel, die hij van zijn vader ontving (Genesis 37:3–4), door zijn broers werd uitgelegd als aanwijzing, dat hij het priesterschap zou ontvangen.

God gaf Zijn Eerstgeborene, om de wereld te verlossen. Daarom kreeg volgens Gods plan iedere eerstgeborene speciale voorrechten. Hij kreeg een dubbel deel van zijn vaders vermogen (Deuteronomium 21:17). Hij ontving het priesterschap. En als eerstgeboren nakomeling in de lijn van Izaäk ontving je de eer, de verwekker van de Messias te mogen zijn. Als de eerstgeborene onwaardig bleek te zijn, werd zijn erfenis aan anderen gegeven. Zoals in het geval van Ruben, waar Juda de verwekker van Christus werd. Jozef ontving het dubbele deel. En Levi ontving het priesterschap (I Kronieken 5:1–2; Numeri 3:6, 9). De eerstgeborene was vanwege zijn zonden zó vaak onwaardig, dat de Heer zei, toen Hij Israël uit Egypte leidde: “Zie, Ik zelf neem uit de Israëlieten de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen der Israëlieten, … want alle eerstgeborenen zijn mijn eigendom” (Numeri 3:12, 13). Omdat de stam Levi in tijden van crisis trouw aan God bleef, koos God hen uit om Hem te dienen (Deuteronomium 33:8–11). Toen de dienst van het heiligdom werd ingesteld, werd het priesterschap verleend aan Aäron en zijn zonen. De rest van de stam Levi moest het werk in het heiligdom doen, onder aanwijzing van de priesters (Exodus 28:1). Aäron werd aangewezen om als hogepriester dienst te doen, en zijn zonen als gewoon priester. De oudste zoon moest bij de dood van Aäron het ambt van hogepriester overnemen (Exodus 29:29; Numeri 20:25–28).

De wijding tot het ambt van priester was een indrukwekkend ritueel. Aäron werd bekleed met de gewaden, die op aanwijzing van God voor hem gemaakt waren. Verschillende offers werden geslacht, en het bloed van de ram van de inwijding werd aan Aärons rechter oorlel gestreken, aan de duim van zijn rechterhand en de grote teen van zijn rechtervoet. Hetzelfde gebeurde ook met zijn zonen. Dit betekende, dat hun oren, handen en voeten gewijd waren voor de dienst aan God. Ongezuurde broden, die duiden op “zuiverheid en waarheid” (I Korinthe 5:8), en de rechter schouder van het inwijdingsoffer, werden op de handen van Aäron en van zijn zonen gelegd. De priesters moesten een beeld zijn van die Ene, waarvan Jesaja heeft gesproken: “de heerschappij rust op Zijn schouders” (Jesaja 9:6). Zij moesten de lasten van het volk dragen. Daarna werd de zalfolie en het bloed op Aäron en zijn zonen gesprenkeld. Dit was het beeld van het bloed van Christus en van de Heilige Geest. Alleen zij konden hen volkomen in staat stellen om dit heilige ambt te vervullen (Exodus 29:5–35). Het priesterschap bleef onafgebroken in de familie van Aäron, totdat de zonden van Eli en zijn zonen een verandering noodzakelijk maakten. Een tijd lang vervulde Samuel, een Efraïmiet, het ambt van voornaamste priester in Israël (I Samuel 1:1, 19–20). Abjathar werd uit het priesterambt gezet, als vervulling van de profetie aan Eli (I Koningen 2:26–27). Maar Zadok, die in de tijd van David en Salomo het ambt van hogepriester bekleedde, houden veel mensen voor de kleinzoon van Eli. Toen de Israëlieten de Heer verlieten, werd het priesterschap corrupt. In de tijd van Christus werd het ambt voor geld gekocht en verkocht.

God heeft bepaald, dat de hogepriester meer op Christus moest lijken dan alle andere priesters. Het werk van alle priesters was een afbeelding van het werk van Christus. Maar de gewone priesters deden uitsluitend dienst in de voorhof en in de eerste afdeling van het heiligdom. Maar de hogepriester diende niet alleen, net als de gewone priesters, in de voorhof en in de eerste afdeling. Alleen hij ging het heilige der heiligen binnen (Leviticus 16:1-20; Hebreeën 9:7). Op bepaalde tijden offerde Aäron ook brandoffers op het koperen brandofferaltaar in de voorhof (I Kronieken 6:49).

Voor één man was het onmogelijk om alle werk in het heiligdom te doen, dat een afbeelding vormde van het werk van Christus. Om die reden was er een groep gewone priesters, die de hogepriester moesten bijstaan. Vaste regel is, dat iemand met een hoger ambt ook de ambten van zijn ondergeschikten mag uitoefenen. De hogepriester bracht brandoffers in de voorhof en zondoffers in de eerste afdeling. Paulus spreekt over de hogepriester, die de zondoffers brengt waarbij het bloed binnen het heiligdom wordt gebracht (Hebreeën 13:11). Bij de zondoffers voor de priesters en voor het volk werd het bloed binnen het heiligdom gebracht (Leviticus 4:3–7; 13–18). Het lijkt heel gepast, dat de hogepriester de zondoffers voor de gewone priesters en voor het hele volk moet brengen. Bij de meeste zondoffers werd het vlees gegeten op een heilige plaats. Het bloed werd in dat geval niet in het heiligdom gebracht (Leviticus 10:17–18). De hogepriester mocht elke taak in de eerste afdeling verrichten, die gewone priesters ook mochten doen. Maar in de dagelijkse offerdienst waren er onderdelen, die niemand anders dan de hogepriester mocht verrichten. Alleen hij mocht reukwerk ontsteken op het gouden altaar voor het aangezicht van de Heer. En hij alleen mocht de lampen van de gouden kandelaar in orde brengen en aansteken. Elke morgen en avond, twee keer per dag het hele jaar door, deed de hogepriester dienst in de eerste afdeling van het heiligdom (Exodus 30:7–8).

De dienst die de kroon vormde van het hele jaar viel op de tiende van de zevende maand. Dan ging de hogepriester alleen het heilige der heiligen binnen, om verzoening te doen voor de zonden van het volk. Op zijn borst stonden in de stenen op de borstplaat de namen van de twaalf stammen gegraveerd. Dit is een beeld van Christus onze Hogepriester, die aan ieder van ons persoonlijk denkt. Hij belijdt onze naam, wanneer deze in het oordeel behandeld wordt.

Schaduw
Exodus 28:1–2:Door God geroepen.
Werkelijkheid
Hebreeën 3:1–3:Door God aangesteld.

Schaduw
Exodus 29:29: Het priesterschap ging over van vader op zoon.
Werkelijkheid
Hebreeën 7:23–24: Deze Hogepriester leeft altijd.

Schaduw
Leviticus 16:1–20: De hogepriester deed aan het einde van de jaarlijkse offerdienst verzoening als afbeelding van de ware verzoening.
Werkelijkheid
Hebreeën 9:14, 26: Christus doet verzoening voor de zonde, doordat Hij Zichzelf offert (en met Zijn eigen bloed het Heilige der Heilige binnenging).