09 Een verduidelijking van Zijn methoden

Een verduidelijking van Zijn methoden (9)
“Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt.”

Opleiding van de twaalven
Het meest volmaakte beeld van Christus’ methoden als leraar wordt gevonden in Zijn opleiding van de eerste twaalf discipelen. Op deze mannen zouden zware verantwoordelijkheden gelegd worden. Hij had hen verkoren als mannen die Hij met Zijn Geest kon doordringen en die opgeleid konden worden om Zijn werk op aarde te volvoeren, wanneer Hij die zou verlaten. Aan hen, boven alle anderen, verleende Hij het voorrecht van Zijn persoonlijk gezelschap. Door een persoonlijke omgang drukte Hij Zijn stempel op deze verkoren medearbeiders. “Het leven toch is geopenbaard”, zegt Johannes, de geliefde discipel, “en wij hebben het gezien en getuigen daarvan”. 1 Joh. 1:2.

Alleen door zo’n gemeenschap - de gemeenschap van geest met geest en hart met hart, van het menselijke met het goddelijke - kan die levengevende kracht worden toebedeeld, hetgeen de taak is van ware opvoeding. Alleen leven verwekt leven.

De gezinsschool
In de opleiding van Zijn discipelen volgde de Heiland het opvoedingssysteem dat in den beginne was ingesteld. De eerste twaalf uitverkorenen, met enkele anderen, die slechts af en toe met hen verbonden waren om hen te dienen, vormden het gezin van Jezus. Zij waren met Hem in huis, aan tafel, in de binnenkamer, in het veld. Zij vergezelden Hem op Zijn tochten, deelden in Zijn lasten en moeilijkheden en namen zoveel zij konden deel aan Zijn werk. Soms onderwees Hij hun als ze gezamenlijk op de berghelling zaten, soms aan de oever van het meer of vanaf de vissersboot, soms wanneer ze onderweg waren. Wanneer Hij sprak tot de menigte, zaten de discipelen in de voorste rij. Zij zochten een plaats zo dicht mogelijk bij Hem, opdat niets van Zijn onderricht hun zou ontgaan. Zij waren oplettende toehoorders, begerig om de waarheden te verstaan die zij in alle landen en voor alle tijden moesten brengen.

Uit het gewone volk
De eerste leerlingen van Jezus werden gekozen uit de rijen van het gewone volk. Het waren nederige, ongeschoolde, ongeletterde mannen, deze vissers van Galilea; mannen, niet onderwezen in de leer en gewoonten der rabbi’s; maar gevormd door de harde tucht van zware arbeid. Het waren mannen met een natuurlijke begaafdheid en een ontvankelijke geest; mannen die onderwezen en gevormd konden worden voor het werk van de Heiland. Op de levenswegen bevindt zich menige arbeider die dag in dag uit geduldig zijn plicht doet, zonder enig bewustzijn van de sluimerende krachten die, indien ze tot activiteit werden aangezet, hem zouden plaatsen onder de grote leiders in de wereld. Zo waren de mannen die door de Heiland geroepen werden om Zijn medearbeiders te zijn. En zij hadden het voordeel dat ze drie jaar lang werden opgeleid door de grootste Opvoeder Die deze wereld ooit heeft gekend.

Karaktertypen
Onder deze eerste discipelen traden grote tegenstellingen aan de dag. Zij waren bestemd de leraars der wereld te worden, maar zij toonden zeer verschillende typen van karakter. Daar was Levi-Mattheüs, de tollenaar, geroepen uit een druk, aan Rome ondergeschikt leven; Simon de ijveraar, de onbuigzame vijand van Cesars macht; de onstuimige, zelfvoldane, meevoelende Petrus met Andreas, zijn broer; Judas de Judeeër, beschaafd, bekwaam, maar onoprecht van geest; Filippus en Thomas, trouw en ernstig, maar traag van hart om te geloven; Jacobus de jongere en Judas, de onder de broeders niet zo op de voorgrond tredend, maar mannen van kracht, positief zowel in hun fouten als in hun deugden; Nathanaël, een kind in oprechtheid en vertrouwen; en de eerzuchtige zonen van Zebedeüs, toch met een vriendelijke aard.

Om een eenheid te vormen
Om met succes het werk waartoe zij geroepen waren, te kunnen verrichten, moesten deze discipelen, zo erg verschillend in karakter, in scholing en in levensgewoonten, tot eenheid van gevoelens, gedachten, en actie komen. Het doel van Christus was, deze eenheid tot stand te brengen. Daarom probeerde Hij hen één met Hem te doen worden. Hoe zwaar dit bij Hem woog, komt tot uiting in Zijn gebed tot de Vader, “opdat zij allen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn....; opdat de wereld erkenne dat Gij Mij gezonden hebt en dat Gij hen liefgehad hebt, gelijk Gij Mij liefgehad hebt”. Joh. 17:21-23.

Die Hem het naast stonden
Vier van de twaalf discipelen zouden een leidende positie innemen, ieder in een bepaalde richting. Christus Die alles voorzag, onderrichtte hen om ze daarop voor te bereiden. Jacobus, bestemd tot een spoedige dood door het zwaard, Johannes, die van de broeders het langst zijn Meester zou volgen in arbeid en vervolging; Petrus, de pionier, die eeuwenoude vooroordelen zou doorbreken en aan de heidenwereld de boodschap zou brengen; en Judas, bekwaam om in het werk boven zijn broeders uit te komen, maar die in zijn ziel plannen koesterde, aan welker vruchten hij weinig dacht - aan dezen besteedde Christus Zijn grootste zorgen en Zijn meeste onderwijs.

Johannes
Petrus, Jacobus en Johannes zochten elke gelegenheid om in nauw contact met hun Meester te komen en hun verlangen werd bevredigd. Van de twaalf stonden zij in de innigste verhouding tot Hem. Johannes kon alleen tevredengesteld worden door een nog vertrouwelijker omgang en die werd hem ook toegestaan.

Op die eerste samenkomst bij de Jordaan, toen Andreas, Jezus gehoord had, zich haastte om zijn broer te roepen, zat Johannes heel stil, geheel in de ban van die wonderlijke leer. Hij volgde de Heiland als een ijverige, toegewijde luisteraar. Toch had Johannes geen volmaakt karakter. Hij was geen zachtmoedige, dromerige dweper. Hij en zijn broer werden “zonen des donders” (Marc. 3:17) genoemd. Johannes was trots, eerzuchtig, strijdlustig; maar onder dit alles ontdekte de goddelijke Leraar het vurige, oprechte liefdevolle hart. Jezus berispte zijn zelfzucht, stelde zijn eerzucht teleur, beproefde zijn geloof. Maar Hij openbaarde hem waarnaar zijn ziel had verlangd - de schoonheid der heiligheid, Zijn eigen, verandering aanbrengende liefde. “Aan de mensen”, zei Hij tot Zijn Vader, “die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt, heb Ik Uw Naam geopenbaard”. Joh. 17:6.

Gemeenschap; omvorming
Johannes had een natuur die hunkerde naar liefde, sympathie en gemeenschap. Hij was altijd dicht bij Jezus, zat naast Hem, leunde tegen Zijn borst. Hij nam in zich op het goddelijke licht en leven, zoals een bloem dat doet met de zon en de dauw. Hij aanschouwde de Heiland vol liefde en verering, totdat zijn enigste verlangen werd, op Christus te gelijken, met Hem gemeenschap te hebben en in zijn karakter het karakter van Zijn Meester te weerkaatsen.

“Ziet”, zei hij, “welk een liefde ons de vader gegeven heeft, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het ook. Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; maar wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien gelijk Hij is. En een ieder die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is”. 1 Joh. 3:1-3.

Petrus
De geschiedenis van geen der discipelen illustreert beter de vormingsmethode van Christus dan de geschiedenis van Petrus. Stoutmoedig, strijdlustig, vol van vertrouwen, vlug in het opmerken en handelen, direct klaar voor vergelding, maar even vlug bereid om te vergeven, dwaalde Petrus dikwijls en werd vaak berispt. maar ook werden zijn hartelijke trouw en toewijding ten opzichte van Christus erkend en geprezen. Geduldig, met een scherpzinnige liefde, ging de Heiland om met Zijn onstuimige discipel, terwijl Hij probeerde zijn zelfvertrouwen te beperken en hem nederigheid, gehoorzaamheid en vertrouwen te leren.

Maar de les werd slechts ten dele geleerd. Die zelfverzekerdheid werd niet met wortel en al uitgeroeid.
Vaak probeerde Jezus, terwijl de last zwaar op Zijn eigen hart drukte, met de discipelen te spreken over Zijn beproevingen en lijden. Maar hun ogen bleven daarvoor gesloten. Die kennis was hun niet welkom en zij zagen die niet. Zelfbeklag dat terugschrok

voor de gemeenschap met Christus in het lijden, deed Petrus uitroepen: “Dat verhoede God, Here, dat zal U geenszins overkomen” Matth. 16:22. Zijn woorden drukten de gedachten en gevoelens uit van de twaalf discipelen.
Zo gingen zij voort, de crisis tegemoet; terwijl zij pochend en strijdlustig, bij voorbaat reeds de koninklijke eer voor zich opeisten, dachten zij helemaal niet aan het kruis.

Berisping die terugbrengt op de goede weg
Voor hen allen hield de ervaring van Petrus een les in. Voor diegene die vol zelfvertrouwen is, staat beproeving gelijk met nederlaag. De zekere gevolgen van het boze, dat niet is verzaakt, kon Christus niet voorkomen. Maar zoals Zijn reddende hand zich uitstrekte toen Petrus in het watergraf dreigde te zinken, zo heeft Zijn liefde hem behoed toen de diepe wateren zijn ziel overspoelden. Steeds en steeds weer brachten de pochende woorden van Petrus hem dichter en dichter bij de rand van de ondergang. Steeds en steeds weer werd de waarschuwing gegeven: Gij zult loochenen.... dat gij Mij kent. Lucas 22:34.

“Ik heb voor u gebeden”
De bekentenis “Here, met U ben ik bereid ook gevangenis en dood in te gaan” (Lucas 22:33), kwam uit het gekwelde, liefdevolle hart van de discipel; en Hij Die de harten leest, gaf Petrus de boodschap, die toen weinig op prijs gesteld werd, maar die in de snel vallende duisternis een straal van hoop zou werpen: “Simon, Simon, zie, de Satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen”. Lucas 22:31,32.

“Wanneer gij tot bekering gekomen zijt”
Toen in de rechtszaal de verloochenende woorden waren gesproken, toen Petrus’ liefde en trouw, ontwaakt onder de blik vol medelijden, liefde en smart van de Heiland, hem voortdreven naar de hof waar Christus had geweend en gebeden; toen zijn tranen van bitter berouw vielen op de grond, nat gemaakt met de bloeddruppels van Zijn zielestrijd - toen waren de woorden van de Heiland: “Ik heb voor u gebeden....als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen” een plechtanker voor zijn ziel. Hoewel Christus Petrus’ zonde voorzag, heeft Hij hem toch niet aan de wanhoop ten prooi gelaten.

Hoe dicht zou de duisternis rondom Petrus geweest zijn, indien de blik die Jezus op hem wierp, gesproken had van veroordeling in plaats van medelijden of wanneer in de voorzegging der zonde Hij niet van hoop had gesproken! Hoe diep zou dan de wanhoop geweest zijn van die gekwelde ziel! Wat zou hem in dat uur van angst en zelfverfoeiing hebben weerhouden dezelfde weg als Judas op te gaan?

Niet alleen
Hij Die Zijn discipel de angst niet kon besparen, liet hem niet alleen in zijn bittere droefheid. Zijn liefde eindigt nooit en vergaat nooit. Menselijke wezens, zelf in het kwade verstrikt, hebben de neiging met de verzochten en de dwalenden op een liefdeloze manier om te gaan. Zij kunnen niet zien wat er in het hart omgaat, zij kennen daarvan niet de strijd en de moeiten. Van de berisping die liefde is, van de slag die wondt om te genezen, van de waarschuwing waarin de hoop verankerd ligt, moeten ze nog heel veel leren.

“Zegt Petrus”
Het was niet Johannes, die in de rechtszaal bij Zijn verhoor aanwezig was, die naast Zijn kruis stond en die van de twaalven het eerst bij het graf was - het was niet Johannes, maar Petrus, die in de eerste boodschap door Christus na Zijn opstanding aan de discipelen gezonden, bij name werd genoemd. “Zegt Zijn discipelen en Petrus”, zei de engel, “dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien”. Marcus 16:7.

Bij de laatste ontmoeting van Christus met de discipelen aan de zee werd Petrus, nadat hij op de proef gesteld was door de driemaal gestelde vraag: “Hebt gij Mij lief?” opnieuw zijn plaats onder de twaalven toegewezen. Zijn werk werd hem opgedragen, hij moest de kudde des Heren hoeden. Toen, als Zijn laatste persoonlijke aanwijzing, verzocht Jezus hem: “Volg gij Mij”. Joh. 21:17,22.

De les geleerd
Nu kon hij de woorden waarderen. De les, door Christus gegeven toen Hij een kind plaatste in het midden van de discipelen en hun verzocht dit gelijk te worden, kon Petrus nu beter verstaan. Hij was bereid te vertrouwen en te gehoorzamen omdat hij zowel zijn eigen zwakheid als de macht van Christus beter kende. In Zijn kracht kon hij zijn Meester volgen.

En aan het einde van al zijn werk en opofferingen, achtte de discipel, die eens het kruis maar niet had willen zien, het een vreugde zijn leven voor het evangelie te mogen geven. Alleen zag hij, die de Here had verloochend, het als een grote eer, op dezelfde manier te sterven als zijn Meester.

Een wonder der wonderen
De verandering die zich in Petrus voltrok, was een wonder van goddelijke barmhartigheid. Dat is een levensles voor allen die willen treden in de voetstappen van de Meester-Leraar.

Jezus berispte Zijn discipelen. Hij waarschuwde en bestrafte hen; toch verlieten Johannes en Petrus en hun broeders Hem niet. Ondanks al die terechtwijzingen wilden zij bij Jezus blijven. En de Heiland liet hen, vanwege hun tekortkomingen, toch niet aan hun lot over. Hij neemt de mensen zoals ze zijn, met al hun fouten en zwakheden en leidt ze op voor Zijn dienst, indien ze zich door Hem laten opvoeden en onderrichten.

Judas
Maar onder de twaalven was er een, tot wie, tot bijna aan het einde van Zijn werk, Christus geen woord van rechtstreeks verwijt richtte.

Een element van verzet
Met Judas was een element van verzet onder de discipelen gekomen. Door zich bij Jezus aan te sluiten, was hij ingegaan op de aantrekkingskracht van Diens karakter en leven. Hij had oprecht verlangd naar een verandering in zichzelf en had gehoopt dit te bewerkstelligen door een verbintenis met Jezus. Maar dit verlangen nam niet een overheersende plaats in. Wat hem overheerste was de hoop op eigen voordeel in het wereldse koninkrijk dat, naar hij meende, Christus zou oprichten. Al erkende hij de goddelijke kracht in de liefde van Christus, toch onderwierp Judas zich niet daaraan. Hij bleef zijn eigen oordeel en zienswijzen aanbrengen, alsook zijn neiging om te kritiseren en te veroordelen. De beweegredenen en daden van Christus, vaak zo ver verheven boven zijn eigen begrip, verwekten twijfel en teleurstelling en hij droeg zijn persoonlijke twijfel en eerzucht over op de discipelen. Veel van hun strijd om de eerste plaats en van hun teleurstelling over de methoden van Christus, vond zijn bron in Judas.

Geen conflict maar genezing
Jezus, Die wel zag dat ingrijpen nog meer zou verharden, vermeed een rechtstreeks conflict. De benepen zelfzucht in Judas’ leven probeerde Christus te genezen door contact met Zijn persoonlijke liefde, zo vol zelfopoffering. In Zijn onderricht ontvouwde Hij beginselen die de egocentrische eerzucht van de discipel in de wortel troffen. Zo werd de ene les na de andere gegeven en menig keer werd Judas zich bewust dat dit op zijn karakter en op zijn zonde sloeg; maar hij wilde zich niet onderwerpen.

Omdat hij zich verzette tegen de smeekbeden der genade, kreeg de drang tot kwaad ten slotte de overhand. Steeds boos wordend over de gegeven berisping en wanhopig geworden door de teleurstelling van zijn eerzuchtige dromen, gaf Judas zijn ziel over aan de demon van de hebzucht en besloot zijn Meester te verraden. Vanuit de opperzaal van het Paasfeest, de vreugde van Christus’ aanwezigheid, en het licht der onsterfelijke hoop, ging hij weg om zijn boos werk te doen - naar de buitenste duisternis waar geen hoop meer was.

Nooit falende liefde
“Jezus wist van den beginne, wie het waren die niet geloofden en wie het was die Hem verraden zou”. Joh. 6:64. En toch, terwijl Hij hen allen kende, had Hij geen bede der barmhartigheid of gave der liefde achtergehouden.
Het gevaar van Judas ziende, had Hij hem nauw met Zichzelf verbonden binnen de cirkel van Zijn verkoren en vertrouwde discipelen. Dag in, dag uit, wanneer de last Hem zwaar op het hart lag, had Hij de moeiten verdragen van de aanhoudende omgang met die koppige, kwaaddenkende, broedende geest. Hij had dat aanhoudende, verborgen en listige verzet gezien en Zijn best gedaan het tegen te gaan. En dat alles opdat toch maar niets verzuimd zou worden om die bedreigde ziel te redden!
“Vele wateren kunnen de liefde niet blussen en rivieren spoelen haar niet weg”;
“Want sterk als de dood is de liefde.”
Hooglied 8:7,6
Een waarschuwing voor de elven
Wat Judas betreft, was het werk der liefde van Christus tevergeefs geweest. Maar dat ging niet op ten aanzien van zijn medediscipelen. Voor hen had de les een levenslange invloed. Zelfs zou zijn voorbeeld van minzaamheid en lankmoedigheid invloed hebben op hun omgang met de verzochten en dwalenden. En daarin waren nog andere lessen begrepen. Bij de aanstelling van de twaalven was het de bijzondere wens van de discipelen dat Judas tot hun kring zou behoren en zij hadden zijn opname gezien als een gebeurtenis die veel beloofde voor de groep der apostelen. Hij was met de wereld meer in aanraking geweest dan zij, iemand met goede manieren, met een goede opmerkingsgave en bekwaam om leiding te geven. En daar hij een hoge dunk had van zijn eigen begaafdheid, had hij de discipelen zo ver gebracht dat zij hem eveneens zo beschouwden. Maar de methoden die hij wilde invoeren in het werk van Christus, waren gebaseerd op wereldse beginselen en hadden een wereldse inslag. Zij zagen uit naar het zich verschaffen van wereldse erkenning en eer - naar het verkrijgen van het koninkrijk dezer wereld.

Wereldse wijsheid als doel
De gevolgen van deze verlangens in het leven van Judas, hielpen de discipelen de tegenstelling te onderscheiden tussen het beginsel van zelfverheerlijking en het beginsel van Christus van ootmoed en zelfopoffering - het beginsel van het geestelijke koninkrijk. In het noodlot van Judas zagen zij tot welk resultaat eigenbelang leidt.

Resultaten van Christus’ opleiding
Voor deze discipelen bereikte de zending van Christus ten slotte zijn doel. Langzamerhand vormden Zijn voorbeeld en Zijn lessen van zelfverloochening hun karakter. Zijn dood vernietigde hun hoop op wereldse grootheid. De val van Petrus, de afval van Judas, hun persoonlijk falen door Christus in Zijn zieleangst en gevaar alleen te laten, deed hun zelfvoldaanheid verdwijnen. Zij zagen hun eigen zwakheid; zij begonnen iets te zien van de grootheid van het hun opgedragen werk; bij elke stap voelden zij hun behoefte aan de leiding van hun Meester.

Wantrouwen in het eigen-ik
Zij wisten, dat Hij persoonlijk niet langer in hun midden zou verkeren en als nooit tevoren, erkenden zij de waarde van de kansen die zij hadden gehad toen ze met de Gezant van God konden wandelen en spreken. Van Zijn lessen hadden ze er vele, toen ze gegeven werden, niet gewaardeerd en begrepen; nu hunkerden zij ernaar die lessen in hun herinnering terug te roepen en Zijn woorden opnieuw te horen. Met welk een blijdschap herinnerden zij zich nu Zijn verzekering: “Het is beter voor u dat Ik heenga. Want indien Ik niet heenga, kan de Trooster niet tot u komen, maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden”. “Alles wat Ik van Mijn Vader gehoord heb, Heb Ik u bekend gemaakt”. En “de Trooster.... Die de Vader zenden zal in Mijn Naam, Die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb”. Joh. 16:7; 15:15; 14:26.

De Leraar der Waarheid
“Al wat de Vader heeft, is het Mijne”. “Wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid.... Hij zal het uit het Mijne nemen en het u verkondigen”. Joh. 16:15,13, 14.

Op de Olijfberg hadden de discipelen uit hun midden Christus ten hemel zien varen. En toen de hemelen Hem ontvingen, hadden zij zich Zijn afscheidsbelofte herinnerd: “Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld”. Matth. 28:20.

De zekerheid des geloofs
Zij wisten dat Hij nog met hen meeleefde. Zij wisten dat ze bij de troon van God een vertegenwoordiger, een pleiter hadden. In de Naam van Jezus zonden zij hun smeekbeden op en herhaalden Zijn belofte: “Als gij de Vader om iets bidt, zal Hij het u geven in Mijn Naam” Joh. 16:23.

Steeds hoger strekten zij de hand des geloofs uit, met het machtige getuigenis: “Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, Die ter rechterhand Gods is, Die ook voor ons pleit”. Rom. 8:34.

Trouw aan Zijn belofte, stortte de Goddelijke, verheerlijkt in de hemelse hoven, Zijn volheid uit op Zijn volgelingen op aarde. Zijn verheffing op de troon aan Gods rechterhand werd bekend gemaakt door de uitstorting van de Heilige Geest op Zijn discipelen.

De laatste voorbereiding
Door het werk van Christus waren deze discipelen ertoe gebracht hun behoefte aan de Heilige Geest te voelen; onder de leiding van de Geest ontvingen zij hun laatste voorbereiding en konden ze hun levenstaak beginnen.

Niet langer waren zij ongeletterde, onontwikkelde mannen. Niet langer vormden zij een verzameling van op zichzelf staande eenheden of van tegengestelde, met elkaar in botsing komende elementen. Niet langer stelden zij hun verwachting op wereldse grootheid. Zij waren “eensgezind”, “één van hart en één van ziel”. Hun gedachten waren vol van Christus. De vooruitgang van Zijn koninkrijk was hun doel. In geest en karakter waren zij hun Meester gelijk geworden; en mensen “herkenden hen, dat zij met Jezus geweest waren”. Hand. 4:13.

Een werk dat de wereld deed schudden
Toen was er zo’n openbaring van de heerlijkheid van Christus, als sterfelijke mensen voordien nooit hadden aanschouwd. Heel velen die Zijn Naam hadden gesmaad en Zijn macht veracht, werden nu discipelen van de Gekruisigde. Door de medewerking van de Goddelijke Geest brachten de werkzaamheden van eenvoudige mensen, door Christus verkoren, de wereld in opschudding. In een enkel mensengeslacht werd het evangelie aan alle volken op aarde gebracht.

“Ik ben met u al de dagen”
Dezelfde Geest Die in Zijn plaats werd gezonden om Zijn eerste medearbeiders te onderrichten, is in opdracht van Christus ook de Leermeester van Zijn medearbeiders van heden.

“Zie, Ik ben met u al de dagen, tot aan de voleinding der wereld” (Matth. 28:20), is Zijn belofte.
De tegenwoordigheid van dezelfde Gids in het opvoedkundig werk van deze tijd zal dezelfde resultaten teweegbrengen als in het verleden. Dat is het doel waarnaar ware opvoeding streeft; dat is het werk dat volgens Gods plan gedaan moet worden.
(Karaktervorming, - E.G. White)