16 Oorsprong van de viering van de eerste dag

Oorsprong van de viering van de eerste dag

Zondag een heidense feestdag uit de grijze oudheid - Oorsprong van de naam - Redenen die de leiders der kerk ertoe hebben gebracht dit feest te adopteren - Deze dag algemeen door de heidenen gevierd in de eerste eeuwen van het christendom - Een andere dag te hebben genomen zou bijzonder ongeschikt zijn geweest - Ze hoopten de bekering van de heidenen te vergemakkelijken door dezelfde dag als die van hun te vieren - Drie vrijwillige wekelijkse feesten in de kerk als gedachtenis aan de Verlosser - Zondag al spoedig boven de beide andere verheven - Justinus de Martelaar - Zondagviering het eerst gevonden in de kerk van Rome - Ireneus - De eerste daad van pauselijke aanmatiging was ten gunste van de zondag - Tertullianus - Eerste sporen van onthouding van arbeid op de zondag - Algemene constatering van feiten - De Roomse kerk deed haar eerste grote aanval op de sabbat door deze te veranderen in een vastendag.



De zondag als feestdag gaat terug tot voor de christelijke jaartelling, daar haar oorsprong teruggaat tot in de grijze oudheid. Deze dag is echter niet ontstaan door een goddelijk gebod, of door eerbied jegens God; de dag werd integendeel afgezonderd als een heilige dag door de heidenwereld ter ere van hun voornaamste godheid, de zon. Op grond van dit feit heeft de eerste dag der week de naam zondag gekregen, en met deze naam is de dag in vele talen bekend. Webster omschrijft het woord als volgt:

“Zondag; zo genoemd omdat deze dag vroeger gewijd was aan de zon en aan het aanbidden daarvan. De eerste dag der week; de christelijke sabbat; een dag gewijd aan het rusten van wereldse bezigheden, en aan godsdienstoefeningen; de dag des Heren.”

En Worcester gebruikt in zijn grote dictionary soortgelijke taal:

“Zondag; zo genoemd omdat de dag vroeger gewijd was aan de zon en de aanbidding daarvan. De eerste dag der week; de christelijke sabbat, gewijd aan rust en aan godsdienstoefeningen; de dag des Heren.”

Deze lexicografen noemen zondag de christelijke sabbat, enz., omdat deze dag in de algemene theologische literatuur van onze taal aldus wordt aangeduid, hoewel de Bijbel er nooit zo over spreekt. Lexicografen nemen het niet op zich om theologische vragen te beantwoorden; ze omschrijven alleen maar bepaalde uitdrukkingen, zoals die in een speciale taal worden gebruikt. Hoewel alle andere weekdagen heidense namen dragen, was alleen de zondag een opvallende heidense feestdag in de tijd van de jonge kerk. De North British Review noemt die dag, in zijn ijverig pogen om de viering van de zondag door de christelijke wereld te rechtvaardigen, “DE FANTASTISCHE ZONNEFEESTDAG (d.w.z. feestdag ter ere van de zon) VAN ALLE HEIDENSE TIJDEN.” (1) Verstegan zegt:

“Gezien de oude Germanen heidenen waren, die hun eerste dag van de week hadden bestemd voor de bijzondere viering van de zon, heeft die dag in onze taal de naam Zondag behouden, en de daaropvolgende dag, speciaal gewijd aan de maan, de naam Maandag gekregen; zij noemden de volgende dag naar die hemelse planeet die de bijzondere verering van hun god Ties kreeg, waarom wij in onze taal daaraan de naam Dinsdag of Tiesdag hebben gegeven.” (2) Dezelfde schrijver spreekt over de afgoden van onze Saksische voorouders:

“Hoewel zij er vele hadden, kozen zij er zeven uit, die in het bijzonder gewijd waren aan de zeven werkdagen... Aan de dag, gewijd aan de bijzondere aanbidding van de afgod der zon, gaven zij de naam Zondag, ofwel dag van de zon. Deze afgod werd in een tempel geplaatst en daar aanbeden en aan hem werden offers gebracht, want zij geloofden dat de zon aan het firmament correspondeerde en samenwerkte met deze afgod.” (3)

Jennings gaat nog verder in de geschiedenis terug tot voor de tijd van de bevrijding van Israël uit Egypte. Want als hij spreekt over de tijd van die bevrijding, heeft hij het over de heidenen als:

“De afgodische volkeren die ter ere van hun voornaamste god, de zon, hun dag begonnen met het opgaan ervan.” (4)

Hij zegt tevens dat zij de zondag afzonderden ter ere van het voorwerp van aanbidding:

“De dag die de heidenen in het algemeen wijdden aan de aanbidding en verering van hun voornaamste god, de zon, die naar onze telling, de eerste dag der week was.” (5)

De North British Review verdedigt aldus de invoering van dit heidense feest in de christelijke kerk:

“Deze dag was de zondag van hun heidense buren en landslieden; en hun vaderlandsliefde verenigde zich maar al te graag met de gepastheid om daarvan terstond hun dag des Heren en hun sabbat te maken... Als het gezag van de kerk ten volle door de Protestanten wordt geloochend, maakt dat geen verschil; omdat gelegenheden en algemene gepastheid voorzeker reden genoeg vormen voor het bewerkstelligen van zulk een vormelijke verandering als die van een weekdag voor de viering van de rust en heilige samenkomsten van de joodse sabbat. Die vroege kerk was in feite blind voor de infiltratie van de zondag, totdat deze dag gevestigd en overheersend was geworden en het te laat was om er nog een wijziging in aan te brengen; ook was het niet oneerbiedig of onaangenaam om deze dag te aanvaarden, gezien de eerste dag van de week in elk geval hun eigen hoogtijdag was; zodat hun inschikkelijkheid en voorkomendheid beloond werden door de verdubbelde heiligheid van hun stille feestdag.” (6) Zo te zien zou er iets krachtigers nodig zijn dan `vaderlandsliefde’ en `gepastheid’ om deze heidense feestdag te veranderen in de christelijke sabbat, of zelfs de invoering ervan in de christelijke kerk te rechtvaardigen. Een nadere uiteenzetting van de redenen die tot de invoering ervan leidden, alsmede een korte aanduiding van de eerste stappen om de zondag te veranderen in een christelijke inzetting, zal in de rest van dit hoofdstuk worden besproken. Chafie, een geestelijke van de Engelse Kerk, gaf in 1652 een werk uit, om de viering van de eerste dag te rechtvaardigen, met als titel “De Sabbat van de zevende dag”. Na te hebben getoond hoe de heidenwereld in de begintijd van de kerk algemeen de zondag vierde, noemt Chafie als volgt de redenen, die de christenen weerhouden om een andere dag te vieren.

“1. Vanwege de verachting, smaad en spot die zij zouden hebben te verduren gehad onder de heidenen, temidden waarvan zij leefden... Hoe pijnlijk zou hun tergen en smaad zijn voor de arme christenen, die temidden van hen leefden en aan hun macht waren onderworpen, terwille van hun nieuwe geheiligde dag, als de christenen een andere dag dan de zondag zouden hebben gekozen...

2. De meeste christenen waren toen slaven of behoorden tot de armen; en de heidenen zouden, naar alle waarschijnlijkheid, hun slaven niet de gelegenheid hebben geven om op een andere dag dan de zondag vrij van werk te zijn...

3. Omdat hun werk vergeefs zou zijn geweest, indien zij hadden geprobeerd zulk een verandering tot stand te brengen... waarin ze nooit zouden zijn geslaagd.” (7)

Zo blijkt dat in de tijd waarin de jonge kerk afvallig begon te worden van God en menselijke inzettingen begon na te volgen, de heidenwereld over het algemeen de eerste dag der week vierde ter ere van de zon, zoals ze dat al lang hadden gedaan. Veel van de eerste kerkvaders waren heidense wijsgeren geweest. Helaas namen zij veel van hun vroegere meningen en beginselen mee in de kerk. Met name kwam het bij hen op dat zij de bekering van de heidenen ten zeerste konden vergemakkelijken als zij zich met hen verenigden wat betreft hun wekelijkse feestdag. De redenen die voor de kerk aanleiding waren om het oude feest van de heidenen te adopteren, lagen dus voor de hand, zoals Morer stelt:

“Het is niet te loochenen dat wij de naam van deze dag hebben ontleend aan de oude Grieken en Romeinen, en wij geven toe dat de oude Egyptenaren de zon hebben aanbeden en als blijvend gedenkteken van hun aanbidding deze dag aan hem hebben gewijd. Wij zien dat door de invloed van hun voorbeeld andere volken, waaronder de Joden zelf, hem eer bewezen; (8) toch spoorden deze misbruiken de vaders van de christelijke kerk er niet toe aan om deze dag of de naam ervan eenvoudig te herroepen of terzijde te schuiven; doch zij heiligden en verbeterden beide, zoals ze ook deden met de heidense tempels, die voorheen door afgodische diensten waren verontreinigd. Verder waren er vele andere voorvallen waarmee die goede mensen steeds bezig waren, om op voorzichtige wijze niet meer te veranderen dan wat duidelijk noodzakelijk was, en dan alleen wat betreft die zaken, die duidelijk in strijd waren met de christelijke godsdienst; gezien de zondag de dag was, waarop de heidenen plechtig die planeet vereerden en ze deze dag zondag noemden, meenden de christenen ten dele als gevolg van zijn invloed op die dag, en ten dele ten opzichte van zijn goddelijk lichaam (zoals zij dat zagen), dat het gepast zou zijn dezelfde dag te vieren onder dezelfde naam, om het niet te doen voorkomen alsof zij onnodig kleingeestig waren en daardoor de bekering zouden verhinderen van de heidenen, en een groter vooroordeel zouden veroorzaken dan anders zou zijn ontstaan tegen het evangelie.” (9)



In de tijd van Justinus de Martelaar was de zondag een wekelijkse feestdag, die algemeen door de heidenen werd gevierd ter ere van hun god, de zon. Daarom zorgt Justinus ervoor om, bij het aanbieden van zijn “Apologie” aan de heidense keizer te Rome, hem drie maal te vertellen dat de christenen hun bijeenkomsten op deze dag van algemene viering hielden. (10) De zondag doet dus voor het eerst zijn intrede in de christelijke kerk als een instelling die, wat de tijd betreft, identiek liep met de wekelijkse feestdag van de heidenen, en Justinus, die als eerste dit feest noemt, was een heidens filosoof geweest. Zestig jaar later erkent Tertullianus dat de mensen, niet zonder schijn van waarheid, beweerden dat de zon de god der christenen was. Maar hij antwoordde dat, hoewel zij net als de heidenen naar het oosten toe aanbaden en de zondag wijdden aan blijdschap, dit om een heel andere reden was dan bij de zonne-aanbidding. (11) Bij een andere gelegenheid erkent hij, als hij zijn broeders verdedigt tegen de beschuldiging van zonaanbidding, dat deze daden - het bidden naar het oosten, en het vieren van de zondag als dag van blijdschap - aan de mensen de indruk gaven, dat de zon de god der christenen was. (12) Tertullianus getuigt dus van het feit dat de zondag een heidense feestdag was in de tijd, waarin ze ingevoerd werd in de christelijke kerk, en dat de christenen, als gevolg van het vieren van die dag, werden bespot als zonaanbidders. Het is opmerkelijk dat hij nooit heeft gezegd dat zij, voor de viering van die dag, een goddelijk gebod of een apos­tolisch voorbeeld hadden. Zijn voornaamste punt was, dat zij evenzeer recht hadden dit te doen als de heidenen. Honderdéénentwintig jaar na Tertullianus vaardigde Constantijn, terwijl hij nog een heiden was, zijn befaamde edict uit ten gunste van de heidense dag der zon, die hij als “eerbiedwaardig” betitelde. Deze heidense wet zorgde ervoor dat die dag overal in het romeinse rijk gevierd werd en, zowel in de kerk als in de staat, een stevig houvast kreeg. Daarom staat het vast, dat de zondag, ten tijde van haar intrede in de christelijke kerk, een oude wekelijkse feestdag was uit de heidenwereld.



Het feit, dat dit heidens feest gevierd werd op de dag waarop Christus opstond uit de dood, droeg ongetwijfeld krachtig bij aan de “vaderlandsliefde” en “gepastheid” om die dag te veranderen in de dag des Heren, of in de christelijke sabbat. Want zoals wij redelijkerwijze mogen veronderstellen, bewees Gods belijdend volk al vroeg, vrijwillig eerbied ten opzichte van verschillende dagen, die gedenkwaardig waren in de geschiedenis van de Verlosser. Mosheim, wiens getuigenis ten gunste van de zondag reeds is aangehaald, gebruikt de volgende bewoording met betrekking tot de dag der kruisiging:

“Waarschijnlijk is, dat de vrijdag, de dag waarop Christus werd gekruisigd, al vroeg door bijzondere eerbewijzen werd onderscheiden van de andere weekdagen.” (13) Over de tweede eeuw zegt hij:

“Velen vierden ook de vierde dag der week, waarop Christus werd verraden, alsmede de zesde dag, waarop hij werd gekruisigd.” (14) Dr. Peter Heylyn zegt van hen, die de zondag kozen:

“Omdat onze Heiland op die dag opstond uit het graf, kozen zij ook de vrijdag uit hoofde van het lijden van onze Heiland; en de woensdag als de dag waarop Hij werd verraden; terwijl de zaterdag of vroegere sabbat in de oosterse kerken bleef gehandhaafd.” (15) Over de betrekkelijke heiligheid van deze drie vrijwillige feestdagen zegt dezelfde schrijver:

“Als wij de prediking van het woord, het bedienen van de sacramenten of de openbare gebeden in aanmerking nemen, stond de zondag in de oosterse kerken niet boven de anderen dagen, met name boven de woensdag en de vrijdag, zij het dat de bijeenkomsten dan plechtiger waren en er meer mensen bijeenkwamen dan gewoonlijk, wat heel aannemelijk is.” (16) Behalve deze drie wekelijkse feesten waren er ook twee jaarlijkse feesten die als heilig werden gezien. Dat waren het Paasfeest en het Pinksterfeest. Het verdient bijzondere aandacht dat, hoewel de zondag niet eerder dan in de tijd van Justinus de Martelaar naar voren komt, in het jaar 140, het Paasfeest kan worden teruggeleid naar iemand, die beweerde het van de apostelen te hebben ontvangen (zie hfdst.13). Onder deze feesten, die eenvoudig werden gezien als vrijwillige gedenktekenen aan de Verlosser, genoot de zondag weinig voorrang, want dit blijkt duidelijk uit de woorden van Heylyn:

“U kunt nemen wie u wilt, de Kerkvaders of de latere schrijvers; toch zullen wij geen apostolisch mandaat vinden voor de dag des Heren. Zij hebben niet het stempel van de sabbat gedrukt op de eerste dag der week.” (17)

Domville verklaart het volgende, wat waard is te worden onthouden:

“Geen enkele kerkgeschiedschrijver uit de eerste drie eeuwen heeft de oorsprong van de zondagviering hetzij aan Christus, hetzij aan de apostelen toegeschreven.” (18)



“Vaderlandsliefde” en “gepastheid” verhieven echter op buiten­sporige wijze, binnen niet al te lange tijd, één van die vrijwillige feesten, die overeenkwam met de `fantastische feestdag der zon’ van de heidenwereld en maakten die dag tenslotte tot “de dag des Heren” in de christelijke kerk. Het eerste getuigenis ten gunste van de viering van de eerste dag, dat aanspraak kan maken op echtheid, is dat van Justinus de Martelaar, geschreven in het jaar 140. Vóór zijn bekering was hij een heidens filosoof. Tijd, plaats en gelegenheid van zijn eerste Apologie of Verdediging van de christenen, gericht aan de romeinse keizer, worden als volgt genoemd door een vooraanstaand Rooms-Katholiek gescheidschrijver. Hij zegt dat Justinus de Martelaar “in Rome was toen de vervolging, die onder de regering van Antonius Pius, de opvolger van Hadrianus was begonnen, losbrak, waar hij een uitnemende apologie samenstelde ten gunste van de christenen.” (19) Milner zegt van de werken, die aan Justinus de Martelaar worden toegeschreven:

“Net als het geval is met veel van de oude kerkvaders, wordt hij ons onder ongunstige omstandigheden voorgehouden. Werken, die echt van hem zijn, zijn verloren gegaan; andere zijn aan hem toegeschreven, terwijl ze slechts gedeeltelijk van hem zijn, en de rest op zijn minst een dubbelzinnig gezag heeft.” (20) Als de aan hem toegeschreven geschriften authentiek zijn, schuilt er weinig gepastheid in het gebruiken van zijn naam door de voorstanders van de eerste dag als sabbat. Hij onderwees de afschaffing van de inzetting van de sabbat, en uit zijn woorden is nergens op te maken dat het feest van de zondag, dat hij noemt, iets anders was dan een vrijwillige viering. Hij richt zich als volgt tot de keizer van Rome:

“En op de dag die zondag wordt genoemd, komen allen die in de stad of op het land wonen op dezelfde plaats bijeen, waar dan de geschriften van de apostelen en de profeten worden gelezen, naargelang de tijd dat toelaat; als de voorlezer klaar is, houdt de bisschop een predikatie, waarin hij de mensen onderricht en hen aanspoort tot het doen van zulke lieflijke geboden; aan het slot van deze toespraak staan wij samen op en bidden; en na het gebed, zoals ik al heb gezegd, wordt er brood, wijn en water aangeboden en evenals tevoren zendt de bisschop gebeden en dankzeggingen op, met alle vuur waartoe hij in staat is, en de mensen eindigen allen met de vreugdevolle uitroep “Amen”. Dan worden de gewijde zaken uitgedeeld aan allen die aanwezig zijn, en door de handen der diakenen gezonden aan hen die afwezig waren. Maar de welgestelden en zij die gewillig zijn, want iedereen is daartoe vrij, dragen bij naarmate zij als gepast beschouwen; en deze collecte wordt overhandigd aan de bisschop, die met deze gelden de weduwen en wezen helpt, alsmede hen die gebrek hebben door ziekte of door welke andere oorzaak dat ook mag zijn; aan hen die gevangen zijn, en aan vreemdelingen, die van verre komen; in één woord, hij is toezichthouder en uitdeler voor allen die behoeftig zijn. Op zondag komen wij samen, daar dit de eerste dag is waarop God zelf aan het werk is gegaan, om vanuit de duisternis de wereld te scheppen, en waarop Jezus Christus onze Zaligmaker uit het graf is verrezen; want op de dag voor de zaterdag werd Hij gekruisigd, en de dag daarop, de zondag, verscheen Hij aan zijn apostelen en discipelen, en onderwees hen datgene wat ik nu onder uw aandacht heb gebracht.” (21)

Deze passage levert, als ze echt is, de vroegste verwijzing naar de viering van de zondag als een godsdienstige feestdag in de christelijke kerk. Wij moeten bedenken dat deze woorden in Rome zijn geschreven en rechtstreeks aan de keizer zijn gericht. Daaruit blijkt dus wat het gebruik was van de gemeente in die stad en die omgeving, maar stelt niet vast hoe algemeen dit gebruik was. Hierin ligt een krachtig incidenteel bewijs dat de afval in Rome voortgang had gemaakt, gezien de instelling van de maaltijd des Heren ten dele was veranderd in een menselijke inzetting, omdat water nu even essentieel was voor de maaltijd des Heren als de wijn of het brood. En wat nog gevaarlijker was - als verdraaiing van de inzetting van Christus - de gewijde zaken werden naar de afwezigen gezonden, - een stap die al spoedig leidde naar het feit, dat zij voorwerpen werden van bijgelovige verering en tenslotte aanbidding. Justinus zegt de keizer dat Christus het aldus had verordineerd; maar een dergelijke uitspraak is een ernstige afdwaling van de waarheid uit het Nieuwe Testament. Deze uitspraak, als reden voor de zondagviering, verdient bijzondere aandacht. Hij zegt de keizer, dat zij bijeenkwamen op de dag, die zondag werd genoemd. Het was alsof hij tegen hem zei: Wij vieren de dag waarop onze medeburgers hun aanbidding richten tot de zon. Beide, zowel “vaderlandsliefde” als “gepastheid” kwamen hier naar voren in de woorden van Justinus, die gericht werden tot een vervolgende keizer ten gunste van de christenen. Maar alsof hij er zich van bewust was dat de viering van een heidense feestdag als dag van christelijke aanbidding niet in overeenstemming was met hun geloof als aanbidders van de Allerhoogste, zocht Justinus naar redenen om deze viering te verdedigen. Hij wees geen goddelijk gebod of apostolisch voorbeeld aan voor dit feest; want zijn verwijzing naar hetgeen Christus aan zijn discipelen onderwees, was, zoals blijkt uit de samenhang, naar het algehele stelsel van de christelijke godsdienst en niet naar de viering van de zondag. Als beweerd wordt dat Justinus, wat betreft de zondagviering, uit de overlevering zou hebben geleerd, die niet in het Nieuwe Testament te vinden is, en dat de zondag tenslotte toch een door God aangewezen feestdag zou kunnen zijn, is het voldoende om te antwoorden dat:

1. dit feit alleen maar laat zien dat de traditie spreekt ten gunste van de zondagviering;

2. dat Justinus de Martelaar een onbetrouwbare gids is, omdat zijn getuigenis met betrekking tot de maaltijd des Heren verschilt van die van het Nieuwe Testament;

3. en dat het Amerikaans Tractaat Genootschap in een werk, uitgegeven tegen het Pausdom, het volgende zegt met betrekking tot de zaak die voor ons ligt:

“Justinus de Martelaar schijnt inderdaad bijzonder ongeschikt om aanspraak te maken op gezag. Het is algemeen bekend dat hij veronderstelde, dat een zuil, opgericht op het eiland in de Tiber ter ere van Semo Sanchus, een oude Sabijnse godheid, werd geplaatst door het Romeinse volk als monument ten gunste van de bedrieger Simon Magus. Als een moderne schrijver een dergelijke grove fout had gemaakt bij het vermelden van een historisch feit, zou deze zaak onmiddellijk bekend geraakt zijn en zou zijn getuigenis van die tijd af als verdacht worden beschouwd. Dezelfde maatstaf zou moeten worden toegepast bij Justinus de Martelaar, die zo ongehoord dwaalt in een verwijzing, nader toegelicht door de geschiedschrijver Livius.” (22)



Justinus voert de volgende redenen aan als steun voor de viering van de zondag: “Gezien de eerste dag, de dag is waarop God aan het werk is gegaan, om vanuit de duisternis de wereld te scheppen, en waarop Jezus Christus onze Zaligmaker uit het graf is verrezen.” Bisschop Jeremy Taylor antwoordt heel terecht hierop:

“De eerste hiervan gelijkt meer op een excuus dan op een juiste redenering; want als iets van de schepping een reden voor de sabbat zou zijn geweest, dan behoorde dat het einde, en niet het begin te zijn; het moest de rust, en niet het begin van het werk zijn; het moest datgene zijn wat God had bepaald, niet dat wat de mens nam als een latere rechtvaardiging.” (23)

Daarom dient opgemerkt te worden, dat het eerste spoor van de zondag als een christelijke feestdag in de kerk van Rome is te vinden. Kort nadien, en van die tijd af zullen wij ontdekken dat de `bisschop’ van die kerk alles in het werk heeft gesteld om de sabbat des Heren opzij te schuiven en in plaats daarvan de zondag als feestdag in te stellen. Het is ook juist, vast te stellen, dat Justinus een verklaarde tegenstander was van de oude sabbat. In zijn “Dialogue with Trypho the Jew” richt hij zich tot hem als volgt:

“Deze nieuwe wet leert u een blijvende sabbat te vieren; en wanneer u één enkele dag in ledigheid hebt doorgebracht, meent u dat u aan uw godsdienstplichten hebt voldaan... Als iemand zich aan overspel heeft bezondigd, moet hij zich bekeren, en dan heeft hij de ware en welaangename sabbat voor God gevierd... Want wij behoorden in feite die besnijdenis waar te nemen, die naar het vlees is, alzo ook de sabbat en alle andere feesten, indien wij niet hadden geweten waarom deze zijn opgelegd, en wel als gevolg van uw ongerechtigheden... Vanwege uw zonden en de zonden van uw vaderen heeft God u geboden de sabbat te vieren... U ziet dat de hemel niet ledig gaat en dat daar evenmin de sabbat wordt gevierd. Blijf doorgaan zoals u geboren bent. Want als er voor Abraham geen behoefte was aan de besnijdenis, noch aan de sabbatten, feestdagen en offeranden voor Mozes, is er op gelijke wijze daaraan nu geen behoefte, daar Jezus Christus, de Zoon van God, door de vastbesloten raad van God, geboren uit een maagd uit het zaad van Abraham, zonder zonde was.” (24)

Een dergelijke redenatie van Justinus behoeft geen antwoord. Het toont echter wel de oneerlijkheid aan van dr. Edwards, die Justinus de Martelaar citeert als getuige voor de verandering van de sabbat; (25) aangezien Justinus stelde dat God de sabbat had ingesteld als gevolg van de goddeloosheid van de Joden, en dat Hij deze volledig heeft afgeschaft als gevolg van de eerste komst van Christus, terwijl de zondag van de heidenen klaarblijkelijk door de kerk werd ge­adopteerd uit `gepastheid’ en wellicht ook uit `vaderlandsliefde’. Als het getuigenis van Justinus echt is, heeft het in een bepaald opzicht bijzondere waarde. Het toont aan dat in het jaar 140 de eerste dag der week nog niet als een geheiligde dag werd gezien; want Justinus noemt de dag verschillende keren, drie maal als “de dag die zondag wordt genoemd”, en twee maal als “de achtste dag”; ook met andere benamingen, maar nooit als een geheiligde dag. (26) Het volgende belangrijke getuigenis ten gunste van de heiligheid van de eerste dag wordt als volgt door dr. Edwards naar voren gebracht:

“Vandaar dat Ireneus, bisschop van Lyon, en een discipel van Polycarpus, die een metgezel van de apostelen was geweest, in het jaar 167 zei dat de dag des Heren de christelijke sabbat was. Zijn woorden luiden: `Op de dag des Heren houdt ieder van ons als christen de sabbat, terwijl hij nadenkt over de wet en zich verblijdt over de werken Gods’.” (27) Dit getuigenis wordt ten zeerste gewaardeerd door voorstanders van de eerste dag, en wordt vaak heel duidelijk naar voren gebracht in hun geschriften. Sir Wm. Domville, wiens uitvoerige verhandeling over de sabbat verschillende keren is aangehaald, stelt het volgende belangrijke feit vast met betrekking tot dit citaat:

“Ik heb zorgvuldig alle bestaande werken van Ireneus onderzocht, en kan met absolute zekerheid stellen dat een dergelijke uitspraak, of iets van dien aard, daarin niet is te vinden. De uitgave die ik heb geraadpleegd was die van Massuet (Parijs, 1710); maar om mezelf nog beter te overtuigen, heb ik de uitgaven van Erasmus (Parijs, 1563) en Grabe (Oxford, 1702) nageslagen, en in geen van beide vind ik de onderhavige uitspraak.” (28) Het is een opmerkelijk feit dat zij, die deze woorden als die van Ireneus aanhalen, als zij al een bronvermelding aangeven, hun lezers verwijzen naar Dwight’s Theology, in plaats van hen te verwijzen naar dat deel in de werken van Ireneus waar ze te vinden zijn. Dr. Dwight verrijkte als eerste de theologische wereld met deze waardeloze aanhaling. Vanwaar heeft Dwight dit getuigenis dan wel, dat zo dikwijls wordt aangehaald als zijnde van Ireneus? Hierover zegt Domville:

“Hij had de tegenslag dat hij op drieëntwintigjarige leeftijd een oogziekte kreeg, door welke ramp (zegt zijn biograaf) hem de mogelijkheid tot lezen en studeren werd ontzegd... De kennis die hij opdeed uit boeken na bovengenoemde periode (waarmee de schijver zijn leeftijd van 23 jaar moet hebben bedoeld) was vrijwel uitsluitend uit tweede hand, dus met behulp van anderen.” (29)



Domville brengt nog een feit naar voren, dat met absolute zekerheid de oorsprong van dit citaat bewijst:

“Maar ofschoon niet te vinden in de geschriften van Ireneus, zijn er in de geschriften, aan een andere kerkvader toegeschreven, en wel in de ingeschoven brief van Ignatius aan de Magnesiërs, en daarin een ingeschoven passage, uitdrukkingen te vinden die zoveel lijken op de aanhaling van dr. Dwight, dat ze geen twijfel meer laten over de bron waaraan hij ze heeft ontleend.” (30) Dusdanig is de aard van dit befaamde getuigenis van Ireneus, die het kreeg van Polycarpus, die het op zijn beurt had van de apostelen! De wereld kreeg het van iemand, wiens gezicht beschadigd was; die als gevolg van deze kwaal een ingeschoven passage kreeg te horen van een brief, die ten onrechte aan Ignatius is toegeschreven, en die aan de wereld werd voorgehouden als het ware getuigenis van Ireneus. Wij kunnen liefdevol aannemen dat het verlies van zijn gezicht dr. Dwight bracht tot de ernstige vergissing die hij heeft gemaakt; maar met de uitgave van dit onecht getuigenis, dat recht­streeks van de apostelen scheen te komen, heeft hij talloos velen ongeschikt gemaakt om het vierde gebod op de juiste wijze te lezen, die hijzelf, door het verlies van zijn gezicht, Ireneus niet zelf kon lezen. Dit geval illustreert op bewonderenswaardige wijze welk een godsdienstige gids de traditie is; het is alsof de blinde de blinde leidt, zodat beiden in de gracht vallen. Dit is nog niet alles wat in het geval van Ireneus gezegd moet worden. In zijn geschriften wordt de zondag NERGENS de dag des Heren genoemd! Ook is heel opmerkelijk, dat er geen enkele zin bestaat, door hem geschreven, waarin de eerste dag der week wordt genoemd! (31) Toch blijkt niettemin uit verschillende beweringen in oude geschriften, dat hij die dag heeft genoemd, hoewel geen enkele zin van hemzelf daarover bestaat. Hij stelde de sabbat voor als een zinnebeeldige inzetting, die heenwees naar de zevende duizend jaren als de grote rustdag voor de kerk; (32) hij zei dat Abraham “geen sabbatten in acht nam;” (33) en toch noemt hij als de oorsprong van de sabbat de heiliging van de zevende dag. (34) Maar hij benadrukt de blijvende duur en het gezag van de tien geboden, door te verklaren dat ze identiek zijn met de wet der natuur, van den beginne ingeplant in de mens, dat ze altijd bij ons zullen blijven, en dat zij, die zich er niet aan houden, geen zaligheid hebben. (35)



Het is een opmerkelijk feit, dat het eerst vermelde geval, waarbij de bisschop van Rome trachtte de christelijke kerk te beheersen, gebeurde door middel van EEN EDICT TEN GUNSTE VAN DE ZONDAG. Het was in alle kerken gebruikelijk geweest het Paasfeest te vieren, echter met dit verschil: terwijl de oosterse kerken het vierden op de veertiende dag der maand, onverschillig welke weekdag dat ook was, hielden de westerse kerken het op zondag, volgend op die dag, of liever gezegd, op de zondag na de goede Vrijdag. Victor, bisschop van Rome, nam het op zich om in het jaar 196, (36) de gebruiken van Rome op te leggen aan alle kerken; dat wil zeggen, hen te dwingen om het Paasfeest op zondag te vieren. “Deze vrijpostige poging”, zegt Bower, “kunnen wij de eerste poging van pauselijke aanmatiging noemen.” (37) Dowling noemt het “het oudste geval van pauselijke aanmatiging.” (38) De kerken van Klein Azië deelden Victor mee dat zij niet konden instemmen met zijn bevelend gebod. Bower zegt:

“Bij het ontvangen van deze brief vaardigde Victor, die zijn machteloze en onbeteugelde hartstocht de vrije teugel gaf, bittere smaadredenen uit jegens alle kerken in Azië, waarbij hij hen uitgesloten verklaarde van zijn gemeenschap, en brieven van excommunicering deed toekomen aan hun bisschoppen; gelijktijdig schreef hij brieven aan de andere bisschopen, met de bedoeling dat de kerken in Azië zouden worden afgesneden van de gemeenschap met de kerk in haar geheel, en spoorde ertoe aan bij andere bisschoppen zijn voorbeeld te volgen in het zich onthouden van omgang met hun weerspannige broeders in Azië.” (39) De geschiedschrijver deelt ons mee dat “geen van hen zijn voorbeeld of advies opvolgde; niemand schonk ook maar de minste aandacht aan zijn brieven, of toonde zich in het minst geneigd hem te steunen in een dergelijke overhaaste en liefdeloze poging.” Verder zegt hij:

“Omdat Victor aldus in zijn poging werd gedwarsboomd, zorgden zijn opvolgers ervoor om die twistvraag niet te doen herleven; zodat de kerken in Azië rustig doorgingen met hun oude gewoonte tot op het Concilie van Nicea, dat, om te voldoen aan de wens van Constantijn de Grote, bevel gaf, dat de plechtigheid van Pasen overal op dezelfde dag, naar de gewoonte van Rome, gevierd moest worden.” (40) In deze strijd werd de overwinning voor de zondag niet eerder behaald dan, zoals Heylyn getuigt:

“Tot het grote Concilie van Nicea (A.D. 325), dat werd geruggesteund door het gezag van zulk een groot keizer (Constantijn), het beter regelde dan voorheen; zodat slechts enkele verspreide sekten, die nu en dan opdoemden, het waagden de resolutie van die befaamde synode te weerstaan.” (41)



Constantijn, door wiens machtige invloed het concilie van Nicea werd beïnvloed, met de bedoeling deze kwestie ten gunste van de bisschop van Rome te beslissen, met name het vastleggen van het Paasfeest op zondag, gebruikte de volgende krachtige redenering voor het besluit: “Laten wij daarom niets gemeen hebben met het uiterst vijandige gespuis der Joden.” (42) Deze zin verdient onze aandacht. De vastbeslotenheid om niets gemeen te hebben met de Joden had veel te maken met het onderdrukken van de sabbat in de christelijke kerk. Zij die de sabbat des Heren verwierpen en in plaats daarvan de meer populaire en geschiktere zondag van de heidenen verkozen, waren zozeer doordrongen van de gedachte, dat zij niets gemeen moesten hebben met de Joden, dat zij zelfs niet nadachten of het wel gepast was om een feestdag te hebben met de heidenen. Dit feest was niet wekelijks, maar jaarlijks; maar de verplaatsing ervan van de veertiende van de eerste maand naar de zondag, die volgde op de Goede Vrijdag was de eerste poging tot wetgeving ter ere van de zondag als een christelijke feestdag; en, zoals Heylyn het typisch onder woorden brengt: “Het was voor de dag des Heren geen kleinigheid om de overwinning te behalen.” (43) Een korte tijd na het concilie van Nicea werden op grond van de wetten van Theodosius, zware straffen opgelegd aan hen, die het Paasfeest anders dan op zondag vierden. (44) De Britten in Wales waren lange tijd in staat weerstand te bieden aan dit geliefde project van de Roomse kerk, en tot in de zesde eeuw boden zij hardnekkig weerstand aan de keizerlijke mandaten van de bisschoppen van Rome.” (45) Vier jaren na het begin van bovengenoemde strijd brengen ons bij het getuigenis van Tertullianus, de oudste van de latijnse kerkvaders die omstreeks het jaar 200 heeft geschreven. Dr. Clarke zegt ons dat de kerkvaders “nu het één, dan weer het ander zeiden.” Tertullianus is hiervan een goed voorbeeld. Hij plaatst de oorsprong van de sabbat bij de schepping, maar zegt elders dat de aartsvaders die dag niet hebben gevierd. Hij zegt dat Jozua de sabbat overtrad bij Jericho, en elders laat hij zien dat hij die dag niet heeft gebroken. Hij zegt dat Christus de sabbat overtrad, en bewijst op een andere plaats dat Hij dat niet heeft gedaan. Hij stelt de achtste dag voor als eervoller dan de zevende dag, en stelt ergens anders precies het tegenovergestelde. Hij zegt dat de wet is afgeschaft, en leert op andere plaatsen de eeuwigheid en het gezag der wet. Hij zegt dat Christus de sabbat heeft afgeschaft, en beweert later, dat `Christus de sabbat helemaal niet heeft herroepen’, maar een `extra heiligheid heeft toegevoegd aan de sabbat zelf, die van het begin af door de zegen van de Vader werd geheiligd.’ Hij vervolgt door te zeggen dat Christus deze dag op goddelijke wijze heeft beveiligd, - een handelwijze die zijn tegenstander voor enkele andere dagen zou willen bestemmen, om de sabbat van de Schepper niet te hoeven te eren.



Deze uitspraak is heel opmerkelijk. De Heiland verschafte extra beveiliging voor de sabbat van de Schepper. Maar “zijn tegenstander” zou deze willen gebruiken voor enkele andere dagen. Nu is in de eerste plaats duidelijk, dat Tertullianus niet geloofde dat Christus een andere dag had geheiligd om de plaats van de sabbat in te nemen; ten tweede, dat hij geloofde dat de wijding van een andere dag het werk was van Gods tegenstander! Toen hij deze woorden schreef, geloofde hij beslist niet in het feit, dat Christus de zondag had geheiligd. Maar Tertullianus en zijn broeders beseften dat zij als feestdag de dag vierden, waarop de zon werd aanbeden, en bijgevolg bespotte men hen als aanbidders van de zon. Tertullianus loochent die beschuldiging, hoewel hij erkent dat er een schijn van waarheid in lag. Hij zegt:

“Weer anderen, voorzeker met meer informatie en waarschijnlijkheid, geloven dat de zon onze God is. Wij zullen misschien als Perzen gezien worden, ofschoon wij de lichtbron van de dag, geschilderd op een stuk linnen, in telkens een andere vorm, niet aanbidden. Deze gedachte is zonder twijfel ontstaan omdat wij gewend zijn ons bij het gebed naar het Oosten te richten. Ook velen van u bewegen, onder het voorwendsel de hemellichamen te aanbidden, hun lippen in de richting van de zonsopgang. Op gelijke wijze hebben wij, bij het wijden van de zondag aan verblijding, wel verre van de zon te aanbidden, enige gelijkenis met diegenen onder u, die de dag van Saturnus wijden aan gemak en luxe, hoewel ook zij heel ver afwijken van joodse gebruiken, waarvan zij niets weten.” (46)



Tertullianus beroept zich niet op een goddelijk gebod of apostolisch voorbeeld voor dit gebruik. Hij geeft in feite geen verklaring voor het gebruik, al laat hij wel doorschemeren er één te hebben. Maar in een ander werk wordt hij genoodzaakt zich te verdedigen tegen deze zelfde beschuldiging van zonne-aanbidding, op grond van de zondagviering. In zijn tweede antwoord op deze beschuldiging verdedigt hij zich duidelijker; hier vinden wij zijn beste reden:

“Anderen, die meer goede manieren tonen, wat wij moeten erkennen, veronderstellen dat de zon de god der christenen is, omdat het een welbekend feit is dat wij ons, bij het bidden, richten naar het oosten, of omdat wij van de zondag een feestdag maken. En wat dan nog? Doet u minder? Bewegen niet velen van u, bij aanbidden van hemellichamen, hun lippen in de richting van de zonsopgang? In elk geval hebt u de zon zelfs een plaats in uw kalender van de week gegeven, en u hebt haar dag (zondag) verkozen boven de daaraan voorafgaande dag, als de meeste geschikte dag der week, om u hetzij te onthouden van u volledig te baden, of het uit te stellen tot de avond, of om rust te nemen en feest te vieren. Door een toevlucht te nemen tot deze gebruiken, wijkt u bewust af van uw eigen godsdienstvormen naar die van vreemden.” (47)

Tertullianus richt zich in zijn verhandeling tot de volkeren die nog steeds de afgoden dienen. Bij sommige van deze volken was de zondag een oude feestdag. Bij andere was zij van meer recente datum. Sommigen van deze heidenen beschuldigden de christenen ervan dat zij zonne-aanbidder waren. En let nu eens op het antwoord. Hij zegt niet: “Ons christenen is geboden om de eerste dag van de week te vieren ter ere van de opstanding van Christus.” Zijn antwoord is zonder twijfel het beste dat hij geven kon. Het is een terugkaatsen van de bal en hij beweert ten eerste dat de christenen niet méér doen dan hun beschuldigers de heidenen. Ten tweede beweert hij dat de christenen evenveel recht hebben om een feestdag te maken als de heidenen. In dit hoofdstuk hebben wij de oorsprong van de viering van de eerste dag onderzocht. Wij hebben ontdekt dat de zondag vanaf oude tijden een heidense feestdag was ter ere van de zon. Verder dat in de eerste eeuwen van de christelijke bedeling deze dag algemeen gevierd werd in de heidenwereld. Wij hebben gezien dat vaderlandsliefde en opportunisme en een tedere zorg voor de bekoring van de heidenwereld, de leiders van de kerk ertoe geleid hebben om als godsdienstige feestdag de dag aan te nemen die de heidenen vierden en de naam niet te veranderen maar de naam te blijven behouden die de heidenen haar gegeven hadden. Wij hebben ontdekt dat de eerste keer dat er in de annalen van de christelijke kerk sprake is van de werkelijke viering van de zondag dit in de kerk van Rome was, in het jaar A.D. 140. De eerste grote poging ten behoeve van de zondag was in A.D. 196 en valt samen met de eerste poging tot een grijpen naar de macht door de paus. De eerste keer dat de eerste dag van de week een heilige titel ontvangt en de eerste keer dat er sprake is van het niet werken op deze dag, wordt gevonden in de geschriften van Tertullianus aan het einde van de tweede eeuw.



De lezer heeft nu een inzicht in de oorsprong van de zondag als godsdienstige feestdag. De stappen die geleid hebben tot de machtspositie van de zondag in de christelijke kerk zullen wij in het verdere verloop duidelijk maken. Aan het einde van dit hoofdstuk willen wij nog één belangrijk punt duidelijk maken. De eerste grote poging om de Sabbat in oneer te brengen was door van de Sabbat een vastendag te maken en van de zondag een vreugdevolle feestdag te maken. Terwijl de oosterse kerken bleven vasthouden aan de Sabbat, maakte een deel van de westerse kerken de Sabbat tot een vastendag, inclusief de kerk van Rome. Toen een deel van de westerse kerk weigerde om toe te geven aan deze instelling begon er een lange strijd. De gevolgen van deze strijd worden als volgt door Heylyn weergegeven:

“In deze verschillen stonden zij lange tijd tezamen, tot de Roomse kerk tenslotte overwon en het vasten op zaterdag algemeen werd in de westerse wereld. Ik zeg in de westerse wereld en daar alleen. De oosterse kerk was niet van zins haar oude gewoonte op te geven, zo zelfs dat op het zesde concilie van Konstantinopel zij de kerk van Rome waarschuwde dat zij haar onder censuur zou plaatsen als zij doorgingen met vasten!” (48) Wim James vertelt ons in een preek, die hij hield in de universiteit van Oxford, waar dit vasten zijn oorsprong had: “De westerse kerk begon aan het begin van de derde eeuw te vasten op Sabbat.” (49) Dat wil dus zeggen dat deze strijd begon aan het begin van de derde eeuw, dus direct na het jaar 200.



Neander vertelt ons het volgende over de motieven van de Roomse kerk:

“In de westerse kerken, in het bijzonder in de kerk te Rome waar de heersende tendens, oppositie was tegen het Judaïsme, produceerde deze oppositie de gewoonte om de zaterdag te vieren als een vastendag.” (50)

Judaïsme is hier in de ogen van Neander, het vieren van de Sabbat. Dr. Charles Hase uit Duitsland geeft het doel van dit vasten weer in de volgende woorden:

“De Roomse kerk beschouwde de zaterdag als een vastendag in directe tegenstelling tot hen die de zaterdag beschouwde als de Sabbat. De zondag bleef de vreugdevolle feestdag waarop alle vasten en wereldse zaken zoveel mogelijk vermeden werden. Maar het oorspronkelijke gebod van de tien geboden met betrekking tot de Sabbat werd niet toegepast op de zondag.” (51)

Lord King zegt daarover het volgende:

“Sommige westerse kerken, om niet als Judaïsten beschouwd te worden, vasten op de zaterdag zoals Victorinus Petavionensis schrijft: Het is gebruikelijk om op de zevende dag te vasten. Wij vasten daarom, opdat wij niet de schijn opwekken dat wij met de Joden de Sabbat vieren.” (52)

Zo werd de Sabbat van de Here tot een vastendag gemaakt, om haar in de ogen van de mensen verwerpelijk te maken. Dit was de eerste grote poging van de kerk van Rome ter onderdrukking van de oude Sabbat van de Bijbel.

Voetnoten

Verwijzingen:

(1) Vol. 18 p. 409.

(2) Verstegan’s Antiquities, p. 10, London, 1628.

(3) Antiqities, p. 68.

(4) Jewish Antiquities, book 3, chap. 1. Zie ook Mc. Clintock and Strong’s Cyclopedia, 4, 472, art., Idolatry: Dr. A. Clarke and Dr. Gill on Job 31:26; Webster onder het woord Sabianism, en Worcester onder Sabian.

(5) Id., book 3, ch. 3.

(6) Vol. 18, p.409.

(7) Pp. 61,62.

(8) 2 Kon. 23:5; Jer. 43:23, margin.

(9) Dialogues on the Lord’s day, pp. 22,23.

(10) Apology, chap. 67; Testimony of the Fathers, pp. 34, 35.

(11) Apology, sec. 16; Testimony of the Fathers, pp. 64,65.

(12) Ad nationes, book 1, chap. 13; Testimony of the Fathers, p. 70.

(13) Eccl. Hist., cent. 1. part 2, chap. 4, note to sec. 4.

(14) Eccl. cent. 2, part 2, chap. 1, sec. 12.

(15) History of the Sabbath, part 2, chap. 1, sec. 12.

(16) Id., part 2, chap. 3, sec. 4.

(17) History of the Sabbath, part 2, chap. 1, sec. 10.

(18) Examination of the Six Texts, Supplement, pp. 6,7.

(19) Du Pin’s Exxl. Hist., vol. 1, p. 50.

(20) Hist. Church, cent. 2, chap. 3.

(21) Justin Martyr’s Fist Apology, vertaald door Wm. Reeves, p. 127, sees. 87-89.

(22) The Spirit of Popery, pp. 44,45.

(23) Ductor Dubitantium, part 1, book 2, chap. 2, rule 6, sec. 45.

(24) Brown’s Translation, pp. 43, 44, 52, 59, 63, 64.

(25) Sabbath Manual, p. 121.

(26) Dialogue with Trypho, p. 65.

(27) Sabbath Manual, p. 114.

(28) Examination of the Six Texts, pp. 131, 132.

(29) Id., p. 128.

(30) Id., p. 130.

(31) Zie het gehele citaat in `the Testimony of the Fathers’, pp. 44-52.

(32) Against Heresies, book 4, chap. 16, secs. 1,2; book 5, chap. 28, sec. 3.

(33) Id., book 4, chap. 16, secs. 1,2.

(34) Id., book 5, chap. 33, sec. 2.

(35) Against Heresies, book 4, chap. 15. sec. 1; chap. 13, sec. 4.

(36) Bower’s History of the Popes, vol. 1, pp. 18, 19; Rose’s Neander, pp. 188-190; Dowling’s History of Romanism, book 1, chap. 2, sec. 9.

(37) History of the Popes, vol. 1, p. 18.

(38) History of Romanism, heading of page 32.

(39) History of the Popes, vol. 1, p. 18.

(40) Id., pp. 18,19; Gieseler’s Eccl. Hist. vol. 1, p. 57.

(41) History of the Sabbath, part 2, chap. 2, secs. 4,5.

(42) Boyle’s Historical View of the Counsil of Nicea, p. 52, ed. 1842.

(43) Hist. Sabb., part 2, chap. 2, sec. 5.

(44) Decline and Fall of the Roman Empire, chap. 27.

(45) Id., chap. 38.

(46) Tertullian’s Apology, sec. 16.

(47) Tertullian’s Ad Nationes, book 1, chap. 13.

(48) History of the Sabbath, part 2, chap. 2, sec. 3.

(49) Sermons on the Sacraments and Sabbath, p. 166.

(50) Neander, p. 186.

(51) Ancient Church History, part 1, div. 2, A.D. 100-312, sec. 69.

(52) Enquiry into the Constitution of the Primitive Church, part 2, chap. 7, sec. 11; see also Schaff’s `History of the Christian