15 Een befaamde leugen onderzocht

Werden de martelaren ten tijde van Plinius en later beproefd met de vraag of ze al dan niet de zondag hadden gehouden? - Argumenten in bevestigende zin aangehaald door Edwards - Oorsprong ervan - Geen gegevens om een dergelijk argument te steunen vóór de vierde eeuw - Een enkel voorbeeld bij het begin van die eeuw is alles wat kan worden aangehaald als steun voor die uitspraak - Zondag in dat geval niet eens genoemd - Getuigenis van Mosheim met betrekking tot het werk waarin deze uitspraak is te vinden.



Bepaalde godgeleerden hebben een speciale poging ondernomen om aan te tonen dat “de bepaalde dag” uit de brief van Plinius de eerste dag der week is. Hiertoe hebben zij er een legendarisch verhaal aan toegevoegd dat de meer betrouwbare geschiedschrijvers in de kerk niet eens de moeite waard vonden om te vermelden. De argumentering luidt als volgt:

Wanneer in de tijd van Plinius en later, dat wil zeggen aan het einde der eerste eeuw en later, christenen voor hun vervolgers werden geleid om ondervraagd te worden, werd hun de vraag gesteld of zij de dag des Heren hadden gehouden, welke benaming werd gebruikt om de eerste dag der week aan te duiden. Hieruit zouden dan twee feiten vast komen te staan:

1. Als Plinius zegt dat de christenen die door hem werden ondervraagd, gewoon waren om op een bepaalde dag samen te komen, was dat zonder twijfel de eerste dag der week;

2. De viering van de eerste dag der week was dan de toets, aan de hand waarvan de christenen werden herkend door hun heidense vervolgers;

3. De “dag des Heren” was de naam waarmee de eerste dag van de week in de tijd van Plinius, enkele jaren na de dood van Johannes, bekend stond. Om deze punten te bewijzen, doet dr. Edwards de volgende uitspraak:

“Vandaar het feit, dat hun vervolgers, om er achter te komen of bepaalde mensen christenen waren, gewoon waren te vragen: Dominicum servasti? (hebt u de dag des Heren gehouden)? Als dat het geval was, dan waren deze mensen christenen. Dit was hun kenteken als christen, hetgeen hen onderscheidde van de Joden en de heidenen. Als ze bevestigend antwoordden en niet wilden herroepen, moesten ze ter dood gebracht worden. En hoe luidde hun antwoord, als zij standvas­tig bleven? “Christianus sum; intermittere non possum (ik ben christen, ik kan niet anders).” Het is een kenteken van mijn godsdienst, en iemand die zich voor christen uitgeeft, moet de dag des Heren houden, omdat dit de wil van zijn Heer is; als hij deze dag zou prijsgeven, zou hij een afvallige van zijn godsdienst worden.” (1)

Mr. Gurney, een voorstander van de eerste dag, gebruikt hetzelfde argument met hetzelfde doel. (2) Het belang dat men hecht aan deze uitspraak, en de onderscheiding, daaraan bewezen door voorstanders van de heiligheid van de eerste dag, is een reden om de juistheid ervan te onderzoeken. Dr. Edwards geeft geen gezaghebbende bron aan voor zijn uitspraak; maar mr. Gurney leidt zijn uitspraak terug in de geschiedenis tot dr. Andrews, bisschop van Winchester, die beweert deze te hebben ontleend aan Acta Martyrum, een oude verzameling met de daden der martelaren. In het begin van de zeventiende eeuw bracht bisschop Andrews deze uitspraak voor het eerst naar voren, tijdens zijn toespraak in het hof van Star Chamber, tegen Thraske, die voor dit bevooroordeelde tribunaal ervan werd beschuldigd de ketterse mening te verkondigen dat christenen verplicht waren om de zevende dag te vieren als de sabbat des Heren. Het verhaal werd dus voor het eerst gelanceerd met als doel een sabbatvierder in verwarring te brengen, die voor zijn vijanden terechtstond omdat hij die dag onderhield. Sir. W. Domville, een bekwaam schrijver en tegenstander van de sabbat, vermeldt deze geschiedenis als volgt:

“Zoals wij hebben gezien, verwijst de bisschop naar de Acta van de martelaren als rechtvaardiging voor zijn bewering aangaande de vraag: Dominicum servasti? Maar hij citeert geen enkel voorval, waarbij die vraag werd gesteld. Het is daarom aan ons voorbehouden om zelf deze voorvallen zo mogelijk op te zoeken, als ze tenminste te vinden zijn. De meest volledige verzameling van de nog bestaande gedenkschriften en legenden met betrekking tot het leven en lijden der christelijke martelaren, is die van Ruinart, getiteld: “Acta primorum Martycim sincera et selecta.” Ik heb dat werk zorgvuldig onderzocht, en verklaar beslist dat onder de vragen, waarvan wordt beweerd dat ze aan de martelaren tijdens en voor de tijd van Plinius, en gedurende bijna tweehonderd jaar nadien werden gesteld, de vraag “Dominicum servasti?” geen enkele maal voorkomt, zelfs geen soortgelijke vraag.” (3)



Dit toont onmiddellijk aan dat vanuit deze hoek niet bewezen kan worden, enerzijds dat de “bepaalde dag” van Plinius de eerste dag der week was, anderzijds dat de martelaren uit de jonge kerk werden getoetst door het stellen van de vraag of zij die dag al dan niet hadden gevierd. Ook wordt aangetoond dat de uitspraak vals is, dat de martelaren ten tijde van Plinius de zondag de “dag des Heren” noemden en die dag als zodanig hebben gevierd. Nadat Domville alle vragen heeft aangehaald, die aan de martelaren tijdens en voor de tijd van Plinius werden gesteld, en aldus heeft bewezen dat vragen zoals deze nooit aan hen werden voorgelegd, zegt hij:

“Dit toont voldoende aan dat “Dominicum servasti?” geen vraag was uit de tijd van Plinius, zoals mr. Gurney ons wil doen geloven. Ik heb echter nog andere bewijzen die de oneerlijke benadering door mr. Gurney van dit onderwerp aantonen, maar ik stel deze voor dit moment uit om verder te kunnen gaan met de vraag: Op welk gezag steunde bisschop Andrews wat betreft de vraag Dominicum servasti? Was dit de gewone vraag die de heidense vervolgers stelden? Ik ga voorbij aan de tijd, gelegen tussen Plinius en de vierde eeuw, waarin veel martelaars dienen, omdat die tijd niets aangeeft wat betreft deze vraag, en kom dan meteen bij het verslag van een marteldood, dat ongetwijfeld de bron was waaruit bisschop Andrews zijn vraag “Dominicum servasti (viert u de dag des Heren)?” heeft gehaald. Dit was in het jaar 304. (4) De beschuldigden waren Saturninus en zijn vier zonen, met enkele andere personen. Zij werden naar Carthago gebracht, en voorgeleid voor proconsul Amulinus. In het verslag van hun ondervraging door hem komen de zinnen “Celebrare Dominicum” en “Agere Dominicum” dikwijls voor, maar in geen enkel geval wordt het werkwoord “servare” gebruikt in verband met Dominicum. Ik noem dit, vooral om aan te tonen dat wanneer bisschop Andrews naar het verslag van dit martelaarschap verwijst, wat zonder twijfel het geval is, de vraag volgens hem luidde: Dominicum servasti?; in dit geval is het duidelijk dat hij de schrijver niet bij de hand had en door op zijn geheugen te vertrouwen, deze vraag aldus zelf heeft verzonnen.” (5) Domville citeert uitvoerig het gesprek tussen de proconsul en de martelaren, dat in veel opzichten gelijk loopt met de citaten van Gurney en Edwards, als zij Andrews citeren. Hij voegt eraan toe:

“Het verslag van het martelaarschap van Saturninus blijkt het enige getuigenis te zijn, dat, naar het schijnt, de bewering van bisschop Andrews steunt, als hij zegt dat de vraag: “Viert u de dag des Heren?” gewoonlijk aan de martelaren werd gesteld; en wat indien ik kan aantonen dat zelfs dit verhaal geen bewijs levert voor die bewering? Toch is niets gemakkelijker dan het leveren van dit bewijs; want bisschop Andrews heeft, per abuis, het woord “Dominicum” vertaald door “de dag des Heren”. Dit was echter niet zijn betekenis. Het was een heidens woord dat bij sommige kerkelijke schrijvers in en kort na de vierde eeuw in zwang was, waarmee soms een kerk, en andere keren het Avondmaal werd bedoeld, maar NOOIT de dag des Heren. (6) Op dit punt zijn mijn gezaghebbende bronnen:

1. Ruinart, die bij het woord Dominicum, in het verslag van de marteldood van Saturninus een aantekening heeft, waarin hij zegt dat het een woord is dat “de maaltijd des Heren” aanduidt (7) (‘Dominicum vero desinat sacra mysteria’) en hij citeert Tertullianus en Cyprianus om zijn uitspraak te ondersteunen.

2. De uitgevers van de Benedictijnse editie van de werken van Augustinus. Zij stellen vast dat het woord “Dominicum”, twee betekenissen heeft: nl. van een kerk en van de maaltijd des Heren. Voor het eerste gegeven citeren zij, naast andere gezaghebbende bronnen, “een canon van het Concilie van Neo Cesarea”. Voor het tweede citeren zij Cyprianus, en ook verwijzen zij naar Augustinus’ verslag van zijn onderhoud met de Donatisten, waarin melding wordt gemaakt van het verhaal van de marteldood van Saturninus. (8)

3. Gesner, die in zijn Latin Thesaurus, uitgegeven in 1749, beide betekenissen geeft aan het woord “Dominicum”. Voor de betekenis van de maaltijd des Heren citeert hij Cyprianus; voor die van een kerk citeert hij Cyprianus en ook Hillary.” (9)

Domville noemt verdere feiten van belang met betrekking tot dit punt en bewijst dan zijn respect voor mr. Gurney als volgt:

“Aldus blijkt dat de verwijzing van bisschop Andrews naar de “Acts of the Martyrs” absoluut tekort schiet om zijn uitspraak over de vraag, die men aan de martelaren zou hebben gesteld, te bekrachtigen, en tevens schijnt dat er krachtige en voor de hand liggende redenen bestonden om niet onvoorwaardelijk te vertrouwen op deze uitspraak. Maar wat moeten wij dan wel denken van de houding van mr. Gurney ten opzichte van de waarheid, als wij ontdekken dat hij er geen heil in ziet om aan zijn lezers te vertellen dat de “bepaalde dag”, in de brief van Plinius genoemd als de dag waarop de christenen hun godsdienstoefeningen hielden, “duidelijk de eerste dag der week” was, zoals wordt bewezen door de vraag, die de Romeinse vervolgers gewoon waren te stellen aan de martelaren: “Dominicum servasti (Hebt u de dag des Heren gevierd)?” Mr. Gurney is voor deze onbewezen bewering niet te verontschuldigen. Temeer daar hij er het woord “duidelijk” aan toevoegt om er de nadruk op te leggen.” (10)



De rechtvaardigheid van Domville’s woorden kan niet in twijfel worden getrokken, als hij deze geliefde uitspraak ten gunste van de eerste dag, kenmerkt als:

“Eén van die gewaagde verdraaiingen van de feiten, die zo dikwijls voorkomen in theologische geschriften en die, op grond van de zelfverzekerde toon die de schrijvers bij zulke gelegenheden gebruiken, gewoonlijk zonder meer worden geloofd en bijgevolg als juist worden aanvaard.” (11) Het onderzoek waaraan deze uitspraak werd onderworpen, laat zien:

1. Dat geen enkele vraag als “Hebt gij de dag des Heren gevierd?” te boek staat, zoals de martelaren ten tijde van Plinius in de mond wordt gelegd;

2. Dat een dergelijke vraag aan geen enkele martelaar werd gesteld vóór het begin van de vierde eeuw;

3. Dat alles waarop men aanspraak kan maken in dit opzicht, is, dat in één enkel geval van martelaarschap een soortgelijke vraag werd gesteld;

4. Dat in dit ene geval, dat op zijn best het onderhavige geval schijnt te ondersteunen, een correcte vertaling van het oorspronkelijk Latijn laat zien dat de vraag in geen enkel opzicht te maken had met de viering van de zondag! Dit alles op grond van de veronderstelling dat de Acta Martyrum, waarin dit verhaal is te vinden, een authentiek werk is. Laat Mosheim met betrekking tot de betrouwbaarheid van dit werk getuigen:

“Wat betreft de berichten die onder de naam Acta Martyrum tot ons zijn gekomen, hun gezag is zeer zeker voor het merendeel van twijfelachtige aard; ja, wij zouden de waarheid wellicht dichter benaderen als wij moesten zeggen dat men er in het geheel geen waarde aan kan hechten.” (12) Dusdanig is het gezag van het werk waaruit dit verhaal genomen werd. Het is niet vreemd dat geschiedschrijvers, die voorstanders zijn van de eerste dag, de vermelding ervan overlaten aan theologen. Dit zijn de feiten betreffende deze buitengewone leugen. Ze leggen zo volkomen dit befaamde argument voor de zondag bloot, dat het de verachting van alle eerlijke mensen oproept. Maar dit argument is te waardevol om zonder meer te worden prijsgegeven, en daarbij is het even waarheidsgetrouw als bepaalde andere argumenten ten gunste van de zondag. Het gaat niet op om dit argument prijs te geven omdat het oneerlijk is, want andere argumenten van dezelfde aard moeten daarmee dan ook worden weggedaan. Na de publicatie van het nauwgezette werk van Domville heeft de Schot James Cilfillan een uitvoerig werk geschreven met als titel “De Sabbat”, dat ruim verbreid werd in Europa en Amerika en dat door het Amerikaans Tractaatgenootschap en door zondagvierende kerken in het algemeen als standaardwerk wordt beschouwd. Gilfillan heeft Domville gelezen, zoals blijkt uit zijn uitspraken op blz.10,142,143 en 616 van zijn werk. Hij was dus op de hoogte van het openbaar maken van de leugen betreffende “Dominicum servasti” door Domville. Maar hoewel hij hiervan op de hoogte was, gaat hij er niet op in. Hij herhaalt integendeel het verhaal met evenveel zekerheid, alsof het nooit als een leugen zou zijn aangetoond geweest. Maar omdat Domville de zaak had aangetoond vanuit de Acta Martycum, moest Gilfillan terugvallen op een andere bron, en zo schrijft hij het toe aan kardinaal Baronius. Hier volgen zijn woorden:

“Van de dagen der apostelen af en gedurende vele jaren daarna hadden de volgelingen van Christus geen feller en onverzoenlijker vijanden dan dat volk (de Joden), dat hen in hun synagogen vervloekte, boden naar alle landen zond om hun Meester en hen te belasteren, en dat waar het maar kon, ophitste tot de marteldood van mannen als Polycarpus, wien de wereld niet waardig was. Eén van de oorzaken van deze dodelijke vijandschap was de verandering van de sabbatdag. Hoewel de Romeinen op dit punt geen bezwaren hadden, straften zij de christenen om de getrouwe viering van hun rustdag, waarbij één van de testvragen, aan de martelaren gesteld, luidde: “Dominicum servasti (Hebt u de dag des Heren gevierd)?” Baron. An. Eccl. AD. 303 Num.35, enz.” (13)



Nadat Gilfillan deze uitspraak had vermeld, met als gezaghebbende bron de geschiedschrijver Baronius, hebben meer voorstanders van de eerste dag opnieuw moed gekregen, en dit verhaal na hem herhaald. Nu zitten zij goed, naar zij menen. Wat doet het ertoe als de Acta Martyrum hen in de steek heeft gelaten? Domville had zich moeten wenden tot Baronius, die naar hun mening de juiste informatiebron in deze zaak is. Als hij dat had gedaan, zeggen zij, zou hij zijn lezers niet misleid hebben. Maar laten wij eens zien welk kwaad Domville in deze zaak heeft aangericht. Alles draait rond die twee dingen uit de Acta Martyrum: (14)

1. Dat, voor het begin van de vierde eeuw, ruim 200 jaar na de tijd van Plinius, geen vraag als “Dominicum servasti” aan een martelaar werd gesteld.

2. Dat die vraag toen zelfs niet te maken had met de dag des Heren, maar met de maaltijd des Heren. Nu is het een opmerkelijk feit, dat Gilfillan in feite de waarheid van de eerste van deze uitspraken heeft toegegeven, want de eerste vermelding ervan, die hij bij Baronius kon vinden, was in het jaar 303, zoals zijn verwijzing duidelijk aangeeft. Dit is slechts een verschil van één jaar met de datum, toegeschreven aan Ruinarts “Acta Martyrum” en heeft betrekking op hetzelfde geval dat Domville uit dat werk heeft aangehaald! De eerste en belangrijkste uitspraak van Domville is dus door Gilfillan zelf gerechtvaardigd, hoewel hij niet de eerlijkheid bezat dit in evenzovele woorden toe te geven. Het tweede punt van Domville is, dat “Dominicum”, als dit woord als een zelfstandig naamwoord wordt gebruikt zoals in het onderhavige geval, doelt op een kerk of op de maaltijd des Heren, maar nooit op de dag des Heren. Hij stelt dit feit onweerlegbaar vast. Gilfillan was van dit alles op de hoogte. Hij kon Domville niet tegenspreken, maar was toch ook niet bereid om de leugen, die Domville aan het licht had gebracht, prijs te geven. Dus wendt hij zich af van de Acta Martyrum, waarin de samensteller het woord omschrijft, precies zoals Domville dat zegt, en noemt de grote roomse kroniekschrijver, kardinaal Baronius. Nu zullen wij de waarheid horen van een vooraanstaande autoriteit, zeggen onze zondagvierende vrienden. Gilfillan heeft in Baronius een rechtstreekse uitspraak gevonden, waarin de martelaren getoetst werden door de vraag “Hebt u de dag des Heren gevierd?” Geen probleem dus, wat betreft de Acta Martyrum, waaruit bisschop Andrews dit verhaal heeft genomen. Die bron heeft ons inderdaad in de steek gelaten, maar in plaats daarvan hebben wij nu het getuigenis van Baronius, dat veel zwaarder weegt. Het is waar, dat hij deze vraag niet eerder dan in de vierde eeuw laat stellen, waarmee de kracht wordt ontnomen aan de bewering, dat de bepaalde dag van Plinius de zondag was; maar het is heel belangrijk, dat wij het getuigenis van Baronius hebben, waarin wordt gezegd dat bepaalde martelaren in de vierde eeuw ter dood werden gebracht omdat zij de zondag vierden als de dag des Heren. Maar deze opluchting is een ijdele droom. Ik moet een ernstig feit in duidelijke taal aan het licht brengen: Gilfillan heeft opzettelijk het getuigenis van Baronius vervalst! Die geschiedschrijver vermeldt uitvoerig de marteldood van Saturninus en zijn metgezellen in Noord-Afrika in het jaar 303. Het is hetzelfde verhaal dat Domville heeft aangehaald uit de Acta Martyrum, en Baronius geeft herhaaldelijk te kennen dat hij zelf dit verhaal daaruit heeft overgenomen. Hij geeft de verschillende vragen van de proconsul weer, als ook de verschillende antwoorden die elk van de martelaren heeft gegeven. Ik neem van Baronius de belangrijkste hiervan over. Zij werden gevangen genomen terwijl zij de maaltijd des Heren vierden zoals gebruikelijk was. (15) De volgende beschuldiging werd als reden voor hun aanhouding aangevoerd: Zij hadden de “Collectam Dominicum” gevierd in strijd met het bevel van de keizer. (16) De proconsul vroeg aan de eerste, of hij de “Collectam” had gevierd, en deze antwoordde dat hij een christen was, en dat hij dit had gedaan. (17) Een ander zegt: “Ik ben niet alleen bij de “Collecta” geweest, maar ik heb de “Dominicum” met de broeders gevierd, omdat ik een christen ben.” (18) Weer een ander zegt: “Wij hebben de “Dominicum” gevierd, omdat de “Dominicum” niet verontachtzaamd mag worden.” (19) Nog iemand anders zei dat de “Collecta” werd gehouden bij hem thuis. (20) Toen de proconsul nog eens één van hen, die reeds was ondervraagd, de vraag stelde, kreeg hij als antwoord: “De Dominicum mag niet nagelaten worden; dit gebied de wet.” (21) Toen aan iemand werd gevraagd of de “Collecta” in zijn huis werd gehouden, antwoordde hij: “Wij hebben in mijn huis de “Dominicum” gevierd.” Hij voegde eraan toe: “Zonder de Dominicum kunnen wij niet leven.” (22) Aan iemand anders zei de proconsul dat hij niet wilde weten of hij een christen was, maar of hij had deelgenomen aan de “Collecta”. Het antwoord luidde: “Alsof iemand een christen zou kunnen zijn zonder de “Dominicum”, of alsof de “Dominicum” gevierd zou kunnen worden zonder de christenen.” (23)

Verder zei hij tegen de proconsul: “Wij hebben de “Collecta” op uiterst heilige wijze gevierd; wij zijn altijd samengekomen in de “Dominicum” om het woord des Heren te lezen.” (24) Iemand anders zei: “Ik ben geweest in (letterlijk “heb gemaakt”) de “Collecta” met mijn broeders, ik heb de “Dominicum” gevierd.” (25) Na hem verkondigde een ander dat de “Dominicum” de hoop en zekerheid van de christen was; en toen hij net als de anderen werd gemarteld, riep hij uit: “Ik heb de “Dominicum” met een toegewijd hart gevierd, en samen met mijn broeders heb ik de “Collecta” gehouden omdat ik een christen ben.” (26) Toen de proconsul nog eens aan één van hen vroeg of hij de “Dominicum” had gevierd, luidde het antwoord, dat hij dat had gedaan, omdat Christus zijn Zaligmaker was. (27)



Ik heb aldus een samenvatting gegeven van dit befaamde verhoor en heb aan de lezer de verwijzingen, daarin naar de “Dominicum” gedaan, voorgehouden. Opgemerkt dient te worden dat “Collecta” wordt gebruikt als een andere benaming voor “Dominicum”. Gebruikt Baronius nu één van deze woorden om daarmee de dag des Heren aan te duiden? Hij heeft deze woorden niet minder dan zeven maal omschreven in rechtstreeks verband met dit voorval. Laten wij deze zeven definities eens nagaan: Als Baronius de eerste vraag, aan deze martelaren gesteld, weergeeft, omschrijft hij deze met de volgende woorden: “Met de woorden “Collectam, Collectionem en Dominicum” doelt de schrijver altijd op het Misoffer.” (28) Nadat hij de woorden vermeldt van de martelaar, die zei dat de wet de viering van de “Dominicum” gebiedt, omschrijft Baronius deze uitspraak als volgt: “Klaarblijkelijk de christelijke wet betreffende de “Dominicum”, die ongetwijfeld gaat over de viering van het offer.” (29) Baronius verwijst met de roomse woorden “offer” en “mis” naar de viering van de maaltijd des Heren door deze martelaren. Aan het slot van het onderzoek definieert hij opnieuw de viering van de “Dominicum”. Hij zegt: “Uit het bovenstaande wordt aangetoond, dat de christenen zelfs in tijden van zware vervolging werden gedreven om de “Dominicum” te vieren. Zoals wij elders op vele plaatsen hebben gezegd, was dit klaarblijkelijk een onbloedig offer, door God bepaald.” (30) Even later definieert hij “Dominicum” opnieuw als hij zegt: “Ofschoon het een feit is dat deze uitdrukking bij tijden gebruikt werd voor de `tempel’ van God, is toch, sedert alle kerken op aarde zich in deze zaak hebben verenigd, duidelijk getoond dat met betrekking tot de viering van de `Dominicum’, alleen het misoffer kan worden bedoeld.” (31) Let wel op deze laatste uitspraak. Hij zegt: Hoewel het woord is gebruikt om de tempel des Heren aan te duiden, kan het in wat hier is vermeld ‘alleen’ duiden op het misoffer. Deze verklaring is onmiskenbaar. Maar Baronius is nog niet uitgesproken. In de index van Tome 3 verklaart hij deze woorden nog eens met een recht­streekse verwijzing naar dit martelaarschap. Onder “Collecta” luidt de verklaring: “De `Collecta’, de `Dominicum’, de mis, zijn hetzelfde (A.D.) 303, XXXIX.” (32) Onder `Missa’: “De mis is hetzelfde als de `Collecta’ of `Dominicum’ (A.D.) 303, XXXIX.” (33) Onder `Dominicum’: “De viering van de `Dominicum’ is hetzelfde als de viering van de Mis. (A.D.) 303, XXXIX; XLIX; Li.” (34)



Het is onmogelijk de bedoeling van Baronius mis te verstaan. Hij zegt dat met `Dominicum’ de mis wordt bedoeld! De viering van de maaltijd des Heren door deze martelaren verschilde ongetwijfeld veel van de pompeuze ceremonie waaronder de kerk van Rome nu de Mis viert. Maar het was het sacrament van de maaltijd des Heren, op grond waarvan zij werden getoetst en terwille waarvan zij op wrede wijze werden gedood. Het woord `Dominicum’ betekent `de heilige mysteriën’, zoals Ruinart ze omschrijft; Baronius bevestigt zeven maal deze definitie, hoewel hij erkent dat het woord soms werd gebruikt om `tempel Gods’ aan te duiden; onomwonden zegt hij in dit verslag dat het `geen andere betekenis’ kan hebben dan die dienst, die de roomsen het misoffer noemen. Gilfillan heeft dit alles gelezen, en toch waagt hij het om Baronius te citeren alsof deze zei dat deze martelaren door de vraag “Hebt u de dag des Heren gevierd?” werden getoetst. Hij moest wel weten dat hij een rechtstreekse leugen schreef, maar hij meende dat de eer van God en het bevorderen van de zaak der waarheid dit van hem eisten. Voordat Gilfillan zijn werk schreef, had Domville de aandacht gevestigd op het feit dat de zin `Dominicum servasti’ niet voorkwam in de Acta Martyrum, omdat telkens een heel ander werkwoord wordt gebruikt. Maar dit is de populaire vorm van deze vraag, en ze moet niet worden opgegeven. Zo zegt Gilfillan dus dat Baronius die gebruikt in zijn verslagen van de martelarenschappen in het jaar 303. Wij hebben echter de verschillende vormen van de vragen, geciteerd door Baronius, aangehaald, en hebben ontdekt dat ze precies hetzelfde zijn als die in de Acta Martyrum. `Dominicum servasti?’ komt niet voor bij die geschiedschrijver, en als Gilfillan zegt dat dit wel het geval is, maakt hij zich schuldig aan een leugen. Dit is echter niet zo erg. Maar als Gilfillan zegt dat Baronius spreekt over de `Dag des Heren’ onder de naam van `Dominicum’, staat hij veroordeeld voor een niet te verontschuldigen leugen in zaken van het grootste belang.

Voetnoten

Verwijzingen:

(1) Sabbath Manual, p.120.

(2) Zie zijn History, Authority and Use of the Sabbath, ch.4, p.87,88.

(3) Examination of the Six Texts, p.258-261.

(4) De datum in Baronius valt in het jaar 303.

(5) Examination of the six texts, p.263-265.

(6) Aant. door Domville. “Dominicum is niet, zoals op het eerste gezicht kan worden gedacht, een adjectief, waarvan ‘diem’ (dag) de substantief zou zijn. Het woord is een substantief, zoals blijkt uit de zin: `Quia non potest intermitti Dominicum’, in het verslag over Saturninus. Het Latijnse adjectief `Dominicum’ wordt, als het moet doelen op de dag des Heren, volgens mij nooit gebruikt zonder het substantief `dies’ (dag). In alle berichten in Ruinarts `Acta Martyrum’ vind ik maar twee gevallen waarin de dag des Heren wordt genoemd, en in beide gevallen wordt het substantief `dies’ (dag) gebruikt.”

(7) Dit getuigenis is doorslaggevend. Het is de vertaling van de samensteller van de `Acta Martyrum’ zelf, en wordt gegeven met directe verwijzing naar het voorval onder discussie. Een onafhankelijke bevestiging van Domville’s gezaghebbende bronnen is te vinden in Lucius’ Eccl. Hist. cent.4, ch.6: “Fit mentio aliquoties locorum istorum in quibus convenerint Christiani, in historia persecutionis sub Diocletiano et Maximino. Et apparet, ante Constantinum etiam, locos eos fuisse mediocriter exstructos atque exornatos: quos seu Templa appellarunt seu Dominica; ut apud Eusibium (li.9, c.10) en Ruffinum (li.1, c.3).” Zeker is dat `Dominicum’ hier wordt gebruikt om een plaats van goddelijke eredienst aan te duiden. Dr. Twisse zegt in zijn “Morality of the Fourth Commandment”, p.122: “De vroege kerkvaders noemen in het Latijn en het Grieks de tempels met de namen `dominica’ en `kouiaka’.”

(8) Domville citeert Augustine’s Works, vol.5, p. 116,117. Antwerpen, ed.1700.

(9) Examination of the six texts, p.267,268.

(10) Id.270,271.

(11) Id.272, 273.

(12) Hist. Comm. cent.1, sec.32.

(13) The Sabbath, James Gilfillan, p.7.

(14) Om de kracht van Domville’s uitspraak teniet te doen, waarin hij het verhaal, oor­spronkelijk door bisschop Andrews verteld als afkomstig uit de `Acta Martycum’, aan het licht brengt, wordt gezegd dat Domville Ruinarts “Acta Martycum” heeft gebruikt, en dat Ruinart pas 31 jaar na de dood van Bisschop Andrew is geboren, zodat Domville niet hetzelfde boek heeft gebruikt als de bisschop, en dus niet kon vinden wat deze heeft gevonden. Zij die dit aanvoeren, verraden hun onwetendheid of openbaren hun oneerlijkheid. De Acta Martyrum is een collectie van de gedenkschriften der martelaren, door hun vrienden van tijd tot tijd geschreven. Ruinart heeft geen nieuw werk geschreven, maar eenvoudig `de meest gewaardeerde collectie’ van deze gedenkschriften, ooit verschenen, uitgegeven. (zie McClintock en Strong’s Cyclopedia, vol.1, p.56,57) Domville gebruikte de uitgave van Ruinart, omdat dit naar zijn mening de meest volledige verzameling van bestaande gedenkschriften en legenden was met betrekking tot de levens en het lijden der christelijke martelaren. Daarom was zijn gebruik zeer terecht.

(15) Ibiqeu celebrantes ex more Dominica Sacramenta. Baronius, Tome 3, p.348, A.D. 303., No.36. Lucae, A.D. 1738.

(16) Qui contra edictum Imperatorum, et ­Caesarum Collectam Dominicam celebrassent. Baronius, Tome 3, p.348, A.D. 303, No.39.

(17) Utrum Collectam fecisset. Qui cum se Christianum, et in Collecta fuisse profiteretur. Id.

(18) Nam et in collecta fui, et Dominicum cum fratribus celebravi, quia Christiana sum. Id. No.43, p.344. Dit zei een martelares.

(19) Dominicum celebravimus. Proconsul ait: Quare? respondit: Quia non potest intermitti Dominicum. Id. No.46, p.350.

(20) In cujus dome Collecta facta fuit. Id. No.47, p.350.

(21) Intermitti Dominicum non potest, ait. Lex sic jubet. Id.

(22) In Tua, inquit proconsul, domo Collectae factae sunt, contra praecepta Imperatorum? Cui Emeritus sancto Spiritu inundatus: In domo mea, inquit, egimus Dominicum... Qioniam sine Dominico esse non possumus. Id. No 49, p.350,351.

(23) Non quaero an Christianus sis sed an Collectam feceris... Quasi Christianus sine Dominico esse possit. Id, No. 51. p.351.

(24) Collectam, inquit, religiosissime celebravimus; ad scripturas Dominicas Legendas in Dominicum convernimus semper. Id.

(25) Cum fratribus feci Collectam, Dominicum celebravi. Id. No.52. p.351.

(26) Post quem junior Felix, spem salutemque Christianorum Dominicum esse proclamans... Ego, inquit, devota menta celebravi Dominicum; collectam cum fratribus feci, quia Christianus sum. Id. No.53.

(27) Utrum egeris Dominicum. Cui respondit Saturninus: Egi Dominicum, quia Salvator est Christus, Id. p.352.

(28) Per Collectam namqeu, et Collectionem, et Dominicum, intellegit semper auctor sacrificium Missae. Baronius, Tome 3, A.D. 303, No.39, p.348.

(29) Scilicet lex Christiand de Dominico, nempe sacrificio celebrando. Id. No.47, 350.

(30) De celebratione Dominici; Quod autem superius in recitatis actis sit demonstratum, flagrantis persecutionies etiam tempore solicitos fuisse Christianos celebrare Dominicum, nempe (ut alias pluribus declararimus) ipsum sacrosanctum sacrificum incruentum. Id. no.83, p.385.

(31) Quod etsi sciamus eamdem vocem pro Dei templo interdum accipi solitam; tamen quod ecclesiae omnes solo aequatae fuissent; ex aliis superius recitatis de celebratione Dominici, nonisi sacrafisium missae posse intelligo, satis est declaratum. Id. No.84, p.359.

(32) Collecta, Dominicum, Missa, idem, 303, XXXIX, p.677.

(33) Missa idem quod Collecta, sive Dominicum, 303, XXXIX, p.702.

(34) Dominicum celebrare idem qoud Missas agere, 303, XXXIX; XLIX; LI, p.684.