09 De Sabbat van Nehemia tot Christus

Grote veranderingen bij het joodse volk wat betreft afgoderij en sabbatschenden na hun terugkeer uit Babel - Besluit van Antiochus Epifanes tegen de sabbat - Slachting van duizend sabbatvierders in de woestijn - Soortgelijke slachting in Jeruzalem - Besluit van joodse oudsten met betrekking tot weerstand bieden op sabbat - Overwinningen van Judas Makkabeüs - Hoe Pompejus Jeruzalem innam - Leer van de joodse geleerden betreffende de sabbat - Toestand van inzetting van de sabbat bij de eerste komst van de Heiland.



Er is een periode van bijna vijf eeuwen tussen de tijd van Nehemia en het begin van het dienstwerk van de Verlosser. In deze tijd vond een buitengewone verandering plaats bij het joodse volk. Voorheen waren ze in grote mate afgodendienaars geweest, terwijl ze op gruwelijke wijze de sabbat overtraden. Maar na hun terugkeer uit Babel waren ze nooit meer in die mate schuldig aan afgoderij, daar de straf van dit ballingschap met succes dit kwaad had genezen. (1) Op gelijke wijze veranderden zij hun gedrag met betrekking tot de sabbat; en in deze periode belaadden zij de sabbatsinzetting met zware en uiterst strenge geboden. Een kort overzicht van deze periode moet volstaan. Onder de regering van Antiochus Epifanes, koning van Syrië in 170 v. Chr. werden ze zwaar verdrukt. “Daarna vaardigde de koning voor heel zijn rijk het bevel uit dat allen één volk moesten worden, en dat ieder zijn eigen gebruiken moest opgeven. Alle volken voegden zich naar het woord van de koning. Zelfs onder de Israëlieten waren er vele die gaarne de godsdienst van de koning aannamen, aan de afgoden offerden en de sabbat niet meer hielden.” (2) Het merendeel der Israëlieten bleef trouw aan God en als gevolg daarvan moesten zij vluchten om hun leven te redden. De geschiedschrijver vervolgt:

“In die tijd waren velen die rechtvaardig en naar de wet wilden leven, uitgeweken naar de woestijn en daar hadden zij zich gevestigd met hun zonen, hun vrouwen en hun vee; de toestand was hun ondraaglijk geworden. Toen aan de koninklijke beambten en het garnizoen dat in Jeruzalem in de Davidsstad lag, gemeld werd dat lieden die zich van het bevel van de koning niets hadden aangetrokken naar de schuilplaatsen in de woestijn waren uitgeweken, trokken zij met een groot leger op hen af. Zij slaagden erin hun schuilplaatsen te bereiken en sloegen hun kamp tegenover hen op. Op de sabbat ging het leger van de koning tot de aanval over, al roepend: “Nu is het genoeg! Kom te voorschijn en doe wat de koning beveelt, dan zullen jullie in leven blijven.” Maar de Joden antwoordden: “Wij komen niet tevoorschijn: wij zijn niet van plan om op bevel van de koning de sabbat te schenden.” Onmiddellijk ging men tot de aanval over. Maar de Joden verweerden zich niet, slingerden geen stenen naar hen en sloten de toegang tot hun schuilplaats zelfs niet af. Zij riepen: “Wij willen alleen met een rein geweten de dood ingaan; hemel en aarde zijn onze getuigen dat jullie ons wederrechtelijk doden.” Het leger van de koning viel hen op de sabbat aan en ongeveer duizend personen, mannen, vrouwen en kinderen vonden met hun vee de dood.” (3)



In Jeruzalem zelf vond ook een dergelijke slachting plaats. Koning Antiochus zond Appollonius met een leger van tweeëntwintig duizend man; “Bij zijn aankomst speelde Appollonius de vredelievende. Hij wachtte tot de heilige sabbatdag, waarop de Joden rust hielden, en riep toen zijn manschappen op voor een gewapend appèl. De Joden die de stad uitgekomen waren om dit schouwspel te zien, liet hij neerslaan, daarna drong hij met wapens in de hand de stad binnen en doodde een grote massa mensen.” (4) Gezien deze verschrikkelijke slachting vaardigde Mattatias, een eerwaardig en groot man, de vader van Judas Makkabeüs, met zijn vrienden een besluit uit:

“Als men ons op de sabbat aanvalt, zullen wij ons weren om niet te sterven zoals onze broeders, die in hun eigen schuilplaatsen zijn omgekomen.” (5)

Toch stierven sommigen de dood van een martelaar omdat zij de sabbat hielden, zoals het citaat aangeeft:

“Anderen waren in dichtbij de stad gelegen grotten samengekomen om in het geheim de sabbat te vieren. Ze werden aan Filippus verraden en deze liet ze levend verbranden; uit eerbied voor de heiligheid van de sabbat durfden ze zich niet te verdedigen.” (6)



Nadien ondernam Judas de Makkabeeër grote veldtochten ter verdediging van de Israëlieten om weerstand te bieden aan de enorme druk van de Syrische regering. Over één van deze gevechten wordt gezegd:

“Hij gaf als wapenkreet: “Met Gods hulp!” Zelf nam hij de leiding van de eerste afdeling en bond de strijd met Nikanor aan. Omdat de Almachtige hun bondgenoot was, sloegen ze van de vijand meer dan negenduizend man neer, verwondden en verminkten het merendeel van Nikanors soldaten en joegen zijn leger op de vlucht. Het geld van de lui, die gekomen waren om hen op te kopen, maakten ze buit. Ze achtervolgden de vijand geruime tijd, maar het gevorderde uur dwong hen terug te keren, want het was de vooravond van de sabbat; daarom konden ze de vervolging niet langer voortzetten. Nadat ze de wapens en de bezittingen van de vijand hadden buitgemaakt, gingen ze de sabbat vieren. Uitbundig prezen en loofden ze de Heer, die hen die dag had gered en daarmee opnieuw was begonnen met hun Zijn barmhartigheid te tonen. Na de sabbat gaven ze een deel van de buit aan degenen die hadden geleden door de vervolgingen, en aan de weduwen en wezen; de rest verdeelden ze onder elkaar en onder hun kinderen.” (7) Sedertdien verdedigden de Joden zich, als ze op de sabbat door hun vijanden werden aangevallen waarbij ze veel slachtoffers maakten. (8) Omstreeks 63 v. Chr. werd Jeruzalem belegerd en ingenomen door Pompejus, de generaal der Romeinen. Om dit te kunnen doen, moest een enorme diepte worden dichtgemaakt en werd tegenover de stad een hoogte opgericht waarop de aanvalswerktuigen konden worden geplaatst. Josephus beschrijft dit als volgt:

“Wanneer het niet van de dagen onzer voorvaderen af onze gewoonte geweest was om op de zevende dag te rusten, zou deze hoogte nooit gemaakt zijn vanwege de weerstand die de Joden zouden hebben geboden; want ofschoon onze wet ons toestaat om ons te verdedigen tegen hen, die met ons beginnen te strijden en die ons aanvallen, staat die ons niet toe ons met onze vijanden te bemoeien terwijl ze iets anders doen. Dat begrepen de Romeinen en op de dagen die wij sabbatten noemen, wierpen zij niets naar de Joden, en gingen met hen ook geen gevechten aan, maar zij verhoogden hun aarden wallen en brachten hun werktuigen zover naar voren, dat zij ons de volgende dag konden vernietigen.” (9)



Hieruit blijkt dat Pompejus zich er wel voor wachtte om de Joden op elke sabbat tijdens het beleg aan te vallen, maar die dag benutte om de laagte te vullen en de wal op te richten, zodat hij hen de dag na de sabbat, dus op de zondag, kon aanvallen. Josephus verhaalt verder dat de priesters volstrekt niet werden gehinderd in hun heilige bediening door de stenen, geworpen door de werktuigen van Pompejus, zelfs al vond er nu en dan een betreurenswaardig ongeluk plaats; toen de stad werd ingenomen, en de vijand hen overviel en de keel afsneed van hen die in de tempel waren, liepen de priesters niet weg en lieten ook niet na de vereiste offeranden te brengen.

Deze aanhalingen uit de joodse geschiedenis volstaan om de buitengewone verandering aan te geven, die plaats vond bij dat volk wat betreft de sabbat, na de ballingschap in Babel. Een kort overzicht van de leer der joodse geleerden wat betreft de sabbat in de tijd toen onze Heer met zijn dienstwerk begon, besluit dit hoofdstuk. “Zij somden ongeveer veertig primaire werken op, die volgens hen op de sabbat niet gedaan mochten worden. Bij elk daarvan waren tal van minder belangrijke werken, die volgens hen ook verboden waren... Tot de primaire werken die verboden waren, behoorden ploegen, zaaien, oogsten, wannen, zuiveren, malen, enz. Tot het malen werd ook gerekend het breken of verdelen van dingen, die voordien een geheel vormden... Nog één van hun tradities was, dat, gezien het dorsen op sabbat verboden was, ook het kneuzen van dingen, wat als een vorm van dorsen werd gezien, verboden was. Het was vanzelfsprekend een schenden van de sabbat om op jong gras te lopen, omdat dit daardoor zou kneuzen of gedorst zou worden. Zo mocht iemand op de sabbat niet jagen, dus ook geen vlieg vangen, want dat was een vorm van jagen. Omdat iemand op sabbat geen lasten mocht dragen, mocht hij geen water brengen naar een dier, dat dorst had, want dat vormde een last; wel mocht hij water gieten in een bak, en het dier erheen brengen... Als echter een schaap in een put zou vallen, zouden ze het er dadelijk uithalen, en het naar een veilige plaats dragen... Ze zeiden dat iemand zieken mocht helpen met de bedoeling hun pijn te verlichten, maar niet met de bedoeling hun kwaal te genezen. Hij mocht een verband op een ontstoken oog aanbrengen of het oog zalven met ogenzalf om de pijn te verlichten, maar niet met de bedoeling het oog te genezen.” (10)



Dusdanig was de opmerkelijke verandering in het gedrag van het joodse volk met betrekking tot de sabbat, en dit was de leer van hun geleerden met betrekking tot die dag. De uiterst barmhartige inzetting van God voor de mens was een bron van zorg geworden; dat wat God had ingesteld als een verlustiging en een bron van verfrissing was een slavenjuk geworden; de sabbat, die in het paradijs voor de mens was gemaakt, was nu een uiterst zware en drukkende instelling. Het was tijd, dat God tussenbeide zou komen. Vervolgens verschijnt de Here van de sabbat op het toneel.

Voetnoten

Verwijzingen:

(1) Sprekend over de babylonische ballingschap zegt dr. Clarke in zijn aantekening bij Ez.23:48: “Van die tijd af tot nu toe zijn de Joden nooit teruggevallen in afgoderij.”

(2) 1 Mak.1:41-43.

(3) 1 Mak.2:29-38; Josephus’ Ant.b.12.ch.6.

(4) 2 Mak.5:25,26.

(5) 1 Mak.2:41.

(6) 2 Mak.6:11.

(7) 2 Mak.8:23-28.

(8) 1 Mak.9:43-49; Josephus’ Antiquities, b.13, ch.1; 2 Mac.15.

(9) Ant. of the Jews, b.14,ch.4. Wij vestigen hier de aandacht op één van die geschiedkundige bedriegerijen waarmee men wil aantonen dat de zondag de sabbat is. Dr. Justin Edwards zegt hierover het volgende: “Pompejus, de Romeinse generaal, die dit wist, toen hij Jeruzalem belegerde, viel hen niet aan op de sabbat, maar besteedde die dag met het vervaardigen van zijn werktuigen, en bereidde zich voor om hen op maandag aan te vallen op een manier waarop zij aan hem geen weerstand konden bieden, en nam zo de stad in”; (Sabbath Manual,p.216) daarmee zeggend dat de dag na de sabbat de maandag was, en natuurlijk was zondag de sabbat! Toch wist dr. Edwards heel goed dat in de dagen van Pompejus, 63 jaar voor Christus, de zaterdag de enige wekelijkse sabbat was, en dat zondag en niet maandag de dag van de aanval was.

(10) Sabbath Manual of the American Tract Society,p.214,215.