07 Karakter

Wij spreken over karakter, maar wat is het? Hoe is het omschreven door Ellen White? Een definitie uit een woordenboek is niet voldoende. De vier onderstaande getuigenissen beschrijven een formele definitie van het woord karakter, zoals

gebruikt door Ellen White:

1. "....gedachten en gevoelens te zamen vormen het zedelijk karakter" (5T310.3)

2. "Op deze wijze vormen handelingen, die herhaald worden gewoontes, gewoontes vormen het karakter, en door het karakter wordt ons lot voor tijd en eeuwigheid beslist." (COL356.6; cf.FCE194.5 ; MLT269.8)

3. "De geest, het karakter van de mens keert tot God terug, om daar bewaard te worden." (6BC1085)

4. "Het verstand is de tuin; het karakter is de vrucht." (4T606.8)

Uit bovenstaande getuigenissen blijkt heel duidelijk dat het karakter het resultaat is van de werking van de geest en het verstand. Het karakter zetelt in de hersenen en wordt vastgelegd in de boeken des hemels; het is in feite een verslag van de gedachten, woorden, handelingen, motieven en gevoelens van het individu. (CG562 ; 7BC987 ; 5BC1085) "Een karakter, gevormd naar goddelijk voorbeeld, is de enige schat, die wij van deze wereld mee kunnen nemen naar de toekomende." (COL332.7 ; cf. 5T466.5) Wat gebeurt er bij de bekering met het karakter? Bij de bekering wordt het hart veranderd, maar het karakter niet. (COL97.3 ; 163.2 ; 1SM336.8) Nieuwe motieven worden werkzaam en de persoon begint een rechtvaardig karakter te ontwikkelen, de nieuwe mens in Christus Jezus. Karakter wordt gevormd, gemodelleerd en ontwikkeld. (COL100.1, 331; DA407.5 ; 4T438) Door daden wordt het karakter ontwikkeld. (MB149.9) Het ontwikkelen van een rechtvaardig karakter is altijd een door God gegeven opdracht geweest. (COL391.3; 5BC1085; SC62.2) Ik heb nergens een uitspraak in de Getuigenissen gevonden, waarin sprake is, dat God Adam schiep met een karakter. Adam moest een karakter ontwikkelen. (SC62.4) Christus ontwikkelde een volmaakt karakter (DA762.5 ; COL345.3) Christus kwam als de "grote karakterbouwer". (COL345.4) Bij het bestuderen van het onderwerp karakter, lezen wij van NATUURLIJKE, ERFELIJKE en AANGEKWEEKTE neigingen in het karakter. (TM416.8; FCE278.1) Als het karakter gevormd wordt door handelingen en gewoontes, gevoelens en karakter, hoe kunnen dan kinderen karaktertrekken erven van hun ouders? Wordt er een soort geestelijk patroon, gedachten-aantekening of een soort instinkt in de hersenen ingeplant, door middel van chromosomen, de dragers van erfelijke eigenschappen?



Het antwoord op zulke vragen wordt ons niet precies gegeven. De getuigenissen van Ellen White, die ik heb gevonden en het dichtst bij een verklaring komen, worden hieronder aangehaald. "Uw karaktertrekken zijn op uw kinderen overgegaan, die bovendien, dagelijks uw voorbeeld van blinde, onredelijke hartstocht, en van ongeduld en geprikkeld zijn, navolgen"

"In het menselijke hart leeft een natuurlijke zelfzucht en verdorvenheid, die alleen kan worden overwonnen door de meest strenge discipline en krachtige weerstand; en zelfs dan zal het jaren vergen van geduldig pogen en van ernstige weerstand" (4T495.6)

"Als zij zich voor de geboorte van haar kind laat leiden, door aan lusten en nukken toe te geven; als zij zelfzuchtig en veeleisend is, zullen deze neigingen zich weerspiegelen in de houding van het kind. Op die manier hebben veel kinderen als een erfenis reeds bij hun geboorte bijna onoverwinnelijke neigingen tot het kwade meegekregen." (AH256.3)

De mate van matigheid of onmatigheid bij ouders, wordt in het kind weerspiegeld in lichamelijke kracht, geestelijke moed en morele kracht. Deze zijn een deel van de erfenis die het ontvangt. Waarschijnlijk begint het kind reeds voor de geboorte, de geneigdheid van de moeder te voelen, al is het nog zo subtiel, en wordt dit op de blanke 'gevoelige plaat' in de menselijke geest vastgelegd. (PP561.5; cf.CDF217.5; AH 436.5) Twee zweedse onderzoekers, Dr. Wedenberg en Dr.Westin van het Karolinska Instituut hebben aangetoond dat een onge¬boren baby, reeds twaalf weken vóór de geboorte, geluiden kan waarnemen. (Medical World News 4-10-70 pp.28-29) En hoewel de geestelijke vermogens van de ongeboren baby nog erg beperkt zijn, is er een zekere mate van response en herinnering. Maar afgezien van de natuurlijke karaktertrekken die het kind geërfd kan hebben, ontvangt het kind de grootste erfenis van zijn karakterneigingen, zowel goede als kwade, door de dagelijkse omgang en het voorbeeld van zijn ouders. De kinderen van goddeloze ouders 'erven' door imitatie het zondige leven van hun ouders. (3SG291) Aan de andere kant wordt ons beloofd, dat kinderen ook gewoontes van gerechtigheid erven, door het voorbeeld van hun Godvrezende ouders "Kleine kinderen zijn voor de moeder een spiegel, waarin zij haar eigen gewoontes en gedrag weerspiegeld kan zien. (AH267.7) Enkele jaren geleden hebben wij als gezin een jaar in het zuiden van Michigan doorgebracht. Op een heldere wintermorgen, het was na een sneeuwstorm, gingen mijn vierjarige zoon en ik een wandeling maken in de sneeuw. We waren nog maar net onderweg toen een kleine jongensstem achter mij zei,"Kijk eens papa, ik loop precies in uw voetstappen". Ik werd er stil van toen ik mij de diepere betekenis van die woorden realiseerde. Op dat moment beklemde mij de verantwoordelijkheid van het ouderschap. Ik antwoordde: Goed zo, dan zal ik kleinere stappen nemen; maar volg mij niet als ik verkeerd ga. Waarop de kleine antwoordde: "Maar hoe weet ik dat u verkeerd gaat?" Hebt u wel eens opgemerkt hoe snel een kind leert schelden? Als ik zelf een prikkelbaar, gemakkelijk scheldend mens ben, duurt het maar heel kort of het kind scheldt terug. Wordt het kind daarvoor terechtgewezen, begint het te schelden tegen zijn speelgoed of poppen. Zou het niet mogelijk zijn, dat de 'vreselijke tieners' het resultaat zijn van het voorbeeld van die 'vreselijke ouders' gedurende hun jeugd? Hoe belangrijk is het dat de karaktertrekken, waarvan de moeder verlangt, dat die zich in haar kinderen zullen openbaren en ontwikkelen, zich eerst bij haar zelf ontwikkelen! (AH267.7)



Niet alle karaktertrekken in een kind komen voort uit de invloed van ouders of anderen waar het mee omgaat. De duivel is nog steeds actief. Al spoedig beginnen kinderen uit zichzelf geheel eigen neigingen aan te kweken. Ouders hebben het voorrecht en de plicht de Here in gebed te vragen dat Hij hun kinderen mocht beschermen door een muur van engelen. (CPT110, 118.9) Een edel, veelzijdig karakter wordt niet geërfd (PP223.4; COL 331.3) ; maar met behulp van de kracht van onze Zaligmaker, door de dienst van de Heilige Geest en de engelen, kan ieder een rechtvaardig karakter ontwikkelen. (5T579.3; GC469.7) God heeft ons de talenten gegeven, wij moeten het karakter vormen. (4T606.7; COL331.4) Om een christelijk karakter te vervolmaken moeten bidden en wer¬ken samengaan. (4T 459.8) Het karakter van Christus in ons, wordt door zijn inwonende gerechtigheid, van moment tot moment, dag aan dag ontwikkeld, door Gods wil te doen, uit de zelfopofferende liefde en door de kracht die Hij ons schenkt. (AA483.2; DA312.5; 1SM366.8) De kracht om het karakter te ontwikkelen wordt ons verleend, als wij onze wil aan Christus onderwerpen en vragen dat deze kracht voor God werkt. (MH514.4; DA667) Zodra de ziel besluit om overeenkomstig de wil van God te handelen, deelt God de kracht mee. (TM518.1) Hier op aarde zal de tijd nooit komen, dat wij kunnen zeggen dat wij de karaktervorming volkomen bereikt hebben. (7BC947) Nu gedurende onze genadetijd verlangt onze Zaligmaker dat wij onze karaktertuin 'wieden'. (4T337.8) Nu moeten wij het kleed van Christus' gerechtigheid dragen. (ED249.5; 5T472.5) Nu is het de tijd om ons karakterkleed te wassen en te strijken. (5BC1131) Wij moeten het kleed van ons karakter wassen in het bloed van het Lam. (5T215-6:4T387.2) God heeft het aan ons overgelaten de tekortkomingen in ons karakter te herstellen, en de zieletempel te reinigen. (5T214.7) "Het werk om te overwinnen is een groot werk. Laten wij er ons met energie en volharding op toeleggen. Tenzij wij dat doen, zal ons vuile karakterkleed niet weggenomen worden. Wij moeten nooit verwachten, dat dit met geweld van ons zal worden afgerukt.." (EGW in RH10-12-61; PK588.5)



Het karakter zal niet bij de tweede komst van onze Here worden veranderd (AH319.5; 4T429.6) De 'Louteraar' (Mal.3) heeft besloten het gehele werk van 'verandering' en 'herstelling' van het karakter te doen gedurende de genadetijd. (2T355.3; TM236 GC425.4) Sommigen hoor ik zeggen dat wij niet met zondigen zullen ophouden, totdat Christus ons vernederd lichaam verandert bij Zijn komst in heerlijkheid. Sommigen leren dat er voorzieningen zijn tot vergiffenis van zonden nadat de genadetijd beëindigd is. Als ik zoiets hoor, moet ik aan het volgende getuigenis denken: 'Sommigen van deze mensen zullen de volmaaktheid van het christelijk karakter nooit bereiken, omdat zij de waarde en de noodzaak van zulk een karakter niet inzien." (2T519.9) Wanneer ik om mij heen kijk en ook mijzelf onderzoek, zou ik moeten instemmen; als ik in de geschiedenis terugblik, zie ik slechts het voorbeeld van één mens, die zonder zonde leefde, terwijl de erfelijke gevolgen van de zonde in zijn lichamelijke natuur aanwezig waren. Ik weet alleen dat het mogelijk is, omdat God zegt dat het zal gebeuren. (CH634.1; T355.5; GC623.1) Het is door het geloof, dat ik mij vastklem aan de belofte van volmaakte gehoorzaamheid. Als de Here in ons Zijn vreugde heeft, dan zullen wij slagen. "Het is niet het werk van een ogenblik, maar van een geheel leven. Door dagelijks te groeien in het goddelijke leven, zal hij de volkomen maat van een volmaakt man in Christus niet bereiken, vóórdat zijn genadetijd eindigt." (4T367.1) Toen Jezus hier op aarde was, bezat Hij geen geërfde zonde, noch ontwikkelde Hij een zonde- aantekening in Zijn geest. Op Hem rustte geen hang tot zonde (5BC1128-9), toch moest Hij de neiging weerstaan, Zijn eigen kracht te gebruiken als Hij verzocht werd (7BC930) ; opdat Hij verzocht kon worden zoals wij en kon overwinnen zoals wij overwinnen moeten. (BC1082.3; Hebr.4:15) Het karakter van Christus was volmaakt en vrij van zonde. (DA71, 762.4; 5BC1128.9) Door het uitdelgen van de zonde brengt Hij in Zijn volgelingen, die op aarde gedurende de tijd der benauwdheid zullen leven, dezelfde karaktertoestand te weeg.(GC623.3, 425.4; COL69.2) Als resultaat van hun voorgaande ervaringen met Gods kracht tot overwinning, en door het volkomen vervuld zijn met de Heilige Geest, zullen hun karak¬ters tot in alle eeuwigheid smetteloos blijven. (5T579.2)



Ons wordt verteld dat God Zijn deel heeft gedaan in het treffen van voorzieningen tot herstel van de mens. (5T619.5) De 'Geest en de Bruid' zeggen 'kom'. Openbaring 22:17. Het verzoenende bloed van Christus staat ter beschikking, evenals geestelijke en zedelijke kracht; en toch zijn wij als volk onverschillig of slapen. (5T457.2) "Mij werd getoond dat Gods volk op een of andere verandering wachtte, die plaats zal vinden - een dwingende macht - die van hen bezit neemt. Maar zij zullen teleurgesteld worden, want zij vergissen zich. Zij moeten zelf iets doen; zij moeten zelf aan het werk gaan" (1T261.3) Er is nog een andere macht, en een ander licht op het strijdtoneel en tenzij zij voor God kiezen, zal satan de leiding overnemen (EW56.2) , U kunt de King James Bijbel onderzoeken van voor tot achter, maar U zult niet het woord 'karakter' tegenkomen. God heeft in Zijn Woord andere woorden, gelijkenissen en symbolen gebruikt om ons te leren wat karakter is. In Openbaring 3 is het witte kleed, dat door de hemelse koopman wordt aangeboden, een voorstelling van het verleende karakter. (4T88.8) De olie van de wijze maagden symboliseert niet alleen het dienstwerk van de Heilige Geest, maar ook de vrucht van dit dienstwerk, een rechtvaardig karakter. (COL407.1; CG173.3; TM2341) Het bruiloftskleed in Matth. 22.11 is een type van de verleende gerechtigheid, die op het hemels weefgetouw, in de persoon is geweven. (COL311.2; 4BC1179; DA762.5) In sommige gevallen hebben de vertalers andere woorden gebruikt, zoals ziel, geest of gezindheid, in plaats van karakter. De gelijkenissen en verhalen van Jezus hadden meestal te maken met karaktervorming. (COL23.4, 269.8) Openbaring 14:1-4 is een be¬schrijving van de aard en het wezen van het karakter dat Gods volk bezitten zal in het laatste der dagen. (7BC978)