Voorschriften en Rituelen voor Levieten

Voorschriften en Rituelen voor Levieten

Een christen kan zonder Christus niet leven (Johannes 15:4–5). Elk detail van zijn leven wordt door de grote Meester geleid. De oude rituelen en voorschriften voor Levieten maken dit erg duidelijk.

Het dagelijks leven van een Israëliet staat tot in de details onder Gods leiding. Zijn voedsel, zijn kleding, planten en bouwen, kopen en verkopen: het wordt allemaal beheerst door de wetten van Mozes. Voor de slordige lezer lijken deze plichten misschien niets meer dan een verzameling betekenisloze vormen en rituelen. Maar voor iemand die de Schrift bestudeert – die let op de voetstappen van zijn Meester – is elk Levitisch voorschrift een spiegel, waardoor hij kostbare lichtstralen van de Zon van de gerechtigheid kan opvangen.

Wij lezen: “U mag geen kleding van twee soorten stof, zowel van wol als van linnen, aantrekken” (Deuteronomium 22:11). De vraag wordt vaak gesteld: Waarom is deze regel gegeven? Eén van de eerste dingen, die God voor Adam en Eva deed, nadat zij gezondigd hadden, was: kleren maken (Genesis 3:21).

Kleren zijn een beeld van de gerechtigheid van Christus. Daarmee bekleedt Hij iedereen, van wie de zonden zijn vergeven (Jesaja 61:10). Voordat de mens zondigde, droeg hij een gewaad van licht en heerlijkheid. En het is Gods bedoeling, dat onze kleren ons herinneren aan de hemelse gewaden, waarmee Hij uiteindelijk de verlosten zal kleden (Openbaring 3:5; 19:8).

God zegt: “Ik ben de eerste en Ik ben de laatste en buiten Mij is er geen God” “Ik ben de HERE, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch mijn lof aan de gesneden beelden” (Jesaja 44:6; 42:8 NBG).

Wij kunnen niet een deel van ons leven bekleden met het “bezoedeld kleed” (Jesaja 64:6 NBG). van onze eigen gerechtigheid, en de rest met het zuivere, smetteloze gewaad van de gerechtigheid van Christus. Wij kunnen niet thuis en in ons gemeenteleven God dienen, en de mammon in ons dagelijks werk. Iemand die daarmee doorgaat, zal het koninkrijk van de hemel nooit binnengaan. “U kunt niet God dienen en de mammon” (Lukas 16:13).

De Heiland leerde ons een les: dat we de vuile vodden van onze eigen gerechtigheid niet aaneen kunnen naaien met de gerechtigheid van Christus. “Niemand zet een lap van een nieuw bovenkleed op een oud bovenkleed; anders zal de nieuwe lap het oude bovenkleed doen scheuren, en de lap van de nieuwe zal niet passen bij de oude” (Lukas 5:36).
Een Israëliet, die gewetensvol weigerde om linnen en wol in zijn dagelijkse kleren te vermengen, zou ook voor zonde terugschrikken. Want hij begreep de les, die God hem wilde leren. Zijn hele kleding, die slechts uit één soort stof bestond, herinnerde hem constant aan het volmaakte gewaad van de gerechtigheid van Christus, die de trouwe gelovigen zouden ontvangen.

Wanneer een Israëliet ’s morgens op het punt stond om zijn dagtaak te beginnen, werd hij door nog een gebod ingeperkt: “U mag niet ploegen met een rund en een ezel tegelijk” (Deuteronomium 22:10). Een rund is een rein dier; een ezel is onrein (Leviticus 11:3–4). Het zijn allebei nuttige dieren, maar ze mochten toch niet samen onder één juk gelegd worden.

De Heiland bad niet, dat wij uit de wereld weggenomen zouden worden, maar dat wij voor het boze in de wereld bewaard zouden blijven (Johannes 17:15). Wij mogen de wereld gebruiken, net zoals de Israëlieten gebruik mogen maken van een onreine ezel. Toch mogen we geen span vormen met ook maar iets kwaads van de wereld.

“Vorm geen ongelijk span met ongelovigen, want wat heeft gerechtigheid gemeenschappelijk met wetteloosheid, en welke gemeenschap is er tussen licht en duisternis? En welke overeenstemming is er tussen Christus en Belial? Of wat deelt een gelovige met een ongelovige?” (II Korinthe 6:14–17).

Dit verbod geldt voor huwelijksrelaties en alle zakelijke relaties. Ongelovige zakenlui gebruiken vaak methodes binnen hun bedrijf, die christenen niet kunnen gebruiken, zonder hun christelijke integriteit te schenden.

Een christen moet het juk van Christus dragen, en zich niet mengen in zaken, waarin Christus hem niet kan helpen bij het dragen van de last aan zorgen en problemen, die daaraan verbonden is. De Heiland zegt tot ons allemaal: “Neem Mijn juk op u, en leer van Mij, dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel” (Mattheüs 11:29).

Alle voorschriften van het Oude Testament worden verlicht door de heerlijkheid van de Zoon van God. Dit is vooral waar voor het gebod: “U mag uw wijngaard niet met twee soorten zaad inzaaien; anders wordt al het zaad dat u gezaaid hebt, en de opbrengst van de wijngaard ontheiligd” (Deuteronomium 22:9).

Tuinders weten, hoe waardevol dit verbod is. Als je tarwe en haver samen zaait verniel je de haver en beschadig je de tarwe. Maar deze regel had méér op het oog, dan alleen de tijdelijke voorspoed van de Israëlieten. Dit gebod leerde hen, dat als zij trouw aan God wilden blijven, zij niet met slecht gezelschap moesten omgaan. “Dwaal niet: slechte gesprekken (NBG: slechte omgang). bederven goede zeden” (I Korinthe 15:33).

In de ‘Revised Version’ (Herziene Versie) van het Nieuwe Testament staat: “Slecht gezelschap bederft goede zeden” De ‘Twentieth Century New Testament’ (Het Nieuwe Testament voor de Twintigste Eeuw) drukt het nog sterker uit. Ze laat zien, dat de smet van slecht gezelschap méér aantast dan alleen onze uiterlijke manieren. Daar staat: “Laat u niet misleiden; Een goed karakter wordt door slecht gezelschap geschaad.”

Het Syrische Nieuwe Testament werpt extra licht op wat bedoeld wordt met de term “slechte omgang” of “slechte gesprekken.” Hier staat: “Laat u niet misleiden. Slechte verhalen bederven iemand met een goede geestelijke instelling.” Het maakt niet uit, hoe die verhalen tot ons komen. We horen ze doorvertellen. Of we lezen ze in populaire verhalen, of in de krant. De waarheid blijft hetzelfde: iemand met een goede geestelijke instelling wordt erdoor bedorven.

Voor tarwe, dat ons tot dagelijks brood dient, geldt: het wordt beschadigd wanneer het op de akker met ander zaad vermengd wordt. Zo kunnen ook de meest geestelijk ingestelde mensen op een dwaalspoor geleid worden, doordat zij met slechte mensen omgaan. Want: “hun woord zal uitzaaien als kanker” (II Timotheüs 2:17). “Is het niet met betrekking tot deze dingen dat Salomo, de koning van Israël, gezondigd heeft? Terwijl er onder veel heidenvolken geen koning was zoals hij, en hij zijn God lief was en God hem tot koning gesteld had over heel Israël? Ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen” (Nehemia 13:23–26).

‘Door aanschouwen worden wij veranderd.’ Dat is een wet voor ons wezen. Wanneer we met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de HEERE aanschouwen, worden wij naar Zijn beeld veranderd (II Korinthe 3:18). Als we onze gedachten bezighouden met slechte dingen, worden we slecht. Wij moeten net als David bidden: “Wend mijn ogen af, zodat zij niet zien wat geen waarde heeft. Maak mij levend door Uw wegen” (Psalm 119:37).

Iemand die een huis ging bouwen, kreeg het gebod: “Wanneer u een nieuw huis bouwt, moet u op uw dak een afscherming maken. U mag geen bloedschuld op uw huis leggen, wanneer iemand er vanaf valt” (Deuteronomium 22:8). De huizen in Palestina hebben over het algemeen een plat dak. Daarop wandelen mensen om van de frisse lucht te genieten. Ook zitten ze er te praten; ze slapen er, enz.. De noodzaak voor een afscherming is overduidelijk.

Maar er schuilt ook een diepe geestelijke les in dit gebod. Iedereen bouwt aan zijn of haar eigen karakter. Paulus zegt: u bent “het bouwwerk van God.” En elk bouwwerk zal door God getest worden (I Korinthe 3:9–17).

Het is mogelijk om zo’n karakter op te bouwen, dat de toets van het oordeel kan doorstaan. Dan kun je in deze wereld staan als een lichtbaken in de morele duisternis van de zonde, en anderen veilig de haven van de rust binnenloodsen. Aan de andere kant kunnen we ook een huis zijn zonder afscherming op het dak. Dan veroorzaken we misschien de val van veel mensen. We moeten bij de vorming van ons karakter rechte sporen maken voor onze voeten. “opdat wat kreupel is, niet wordt ontwricht, maar veeleer genezen” (Hebreeën 12:13).

Er wordt gezegd, dat het zelfs bij de starre vormen van een marmeren standbeeld mogelijk is, ze van gezichtsuitdrukking te laten veranderen. Je kunt ze zelfs laten glimlachen, wanneer vaardige handen er een helder licht voor houden. Dat geldt ook voor een gewoon gebod als: “U mag een dorsende os niet muilbanden” (Deuteronomium 25:4 NBG). Als we dit gebod bezien in het licht van het Nieuwe Testament, bevat het geestelijke lessen voor de christelijke gemeente.

Paulus schrijft over het ondersteunen van de medewerkers voor Christus: “In de wet van Mozes staat geschreven: U mag een dorsende os niet muilbanden. Bekommert God Zich alleen maar om de ossen? Of zegt Hij dit vooral om ons? Immers, ter wille van ons is dit geschreven” (I Korinthe 9:9–10).

Dan legt hij verder uit, dat als wij geestelijke hulp van de medewerkers voor Christus ontvangen, wij op onze beurt verplicht zijn, hun van onze ‘vleselijke’ of tijdelijke bezittingen te geven. Wij mogen niet profiteren van de geestelijke hulp van christelijke werkers, zonder hen financiële hulp te geven voor het werk. Dat geldt voor ons net zo goed als voor de vroegere Israëlieten, die een os niet mochten muilbanden, die geduldig het graan dorste.

Paulus toont aan het einde van zijn betoog aan: Het zelfde tienden systeem van vroeger, dat God gegeven heeft om Zijn werk te ondersteunen, geldt nog steeds ook voor de christelijke gemeente. “Weet u niet dat zij die de heilige dienst verrichten, van het heilige eten? En dat zij die steeds bij het altaar verkeren, meedelen in de offers van het altaar? Zo heeft de Heere ook met het oog op hen die het Evangelie verkondigen, opgedragen dat zij van het Evangelie leven” (I Korinthe 9:13–14).

“U zult een dorsende os niet muilbanden” bevat een les voor de medewerker voor Christus, maar ook voor de mensen voor wie hij werkt. De muilband wordt de
“dorsende” os niet omgedaan. Maar als hij er zomaar bij staat en het graan niet dorst, dan mag je hem een muilband omdoen. Dit gebod is ver strekkend. Het vraagt van een werker voor Gods zaak trouwe dienst. Tegelijk legt dit op anderen de verplichting, de evangeliewerkers trouw te ondersteunen.

Deze woorden van Tyndale zijn heel toepasselijk voor deze tekst: “Gelijkenissen hebben meer deugd en kracht in zich dan alleen maar woorden. Ze laten het begrijpen van de mens dieper doordringen tot in de kern en het merg van het geestelijk inzicht in de zaak, dan wat voor woorden ook aan verbeelding kunnen oproepen.”

Tijdens de woestijnreis van veertig jaar, maakte de kinderen van Israël verschillende ervaringen mee. Net als de mensheid van vandaag waren zij niet dankbaar voor de beschermende zorg van God. Ze zagen niet in, dat God hen voor de giftige reptielen had beschermd, die hun reis door de woestijn onveilig maakten. God haalde Zijn beschermende zorg weg. Hij liet gifslangen onder het volk komen: “die beten het volk, en er stierf veel volk uit Israël” (Numeri 21:5–6).

Het volk beleed, dat het gezondigd had, en tegen God had gesproken. Ze smeekten Mozes, of hij voor hen wilde bidden. God zei tegen Mozes, dat hij een koperen slang moest maken, en die aan een paal moest hangen. Iedereen die daarnaar zou kijken, zou in leven blijven.

In veel harten leefde de hoop op. Ze richtten het hoofd van hun geliefden op en richtten hun ogen naar de slang. Zodra de blik van de mensen die gebeten waren op de slang rustte, keerden leven en gezondheid in hen terug.

Het medicijn was zó eenvoudig: men hoefde alleen maar te kijken. Sommige mensen spotten ermee. Maar doordat ze weigerden te kijken, weigerden ze het leven.
De inleiding op de prachtige woorden van Johannes 3:16 zijn: “En zoals Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft” (Johannes 3:14–15).
Net zoals de slang aan de paal gehangen werd, zó werd Jezus verhoogd aan het kruis.
Net zoals de Israëlieten naar de koperen slang moesten kijken, zó moeten zondaars naar Christus kijken om behouden te worden.

Net zoals God geen enkel ander medicijn aanbood als het kijken van de gewonde Israëliet, zó biedt Hij ook geen andere manier aan om zalig te worden dan het geloof in het bloed van Zijn Zoon.

Net zoals degene die naar de koperen slang keek, genezen werd en leefde, zó zal degene die gelooft in de Heer Jezus Christus, niet verloren gaan, maar eeuwig leven hebben.
De fatale gevolgen van de zonde kunnen op geen enkele andere manier worden tenietgedaan, dan op de manier die God aanbiedt. De oude slang, dat is de duivel, verwondt met zijn dodelijke beet mannen en vrouwen aan alle kanten. Maar Christus heeft Zijn bloed aan het kruis van Golgotha vergoten. Iedereen die naar Christus kijkt, in het geloof dat Zijn bloed reinigt van alle zonden, zal vrij zijn van het gif van deze slangenbeet (I Johannes 1:7, 9).

“U mag niet een rund of een stuk kleinvee met zijn jong op dezelfde dag slachten” (Leviticus 22:28). Andrew A. Bonar levert commentaar bij dit verbod: “Sommige mensen zeggen, dat dit eenvoudigweg bedoeld was om wreedheid tegen te gaan. Zonder twijfel had het verbod ook die werking. Maar er ligt een symbolische betekenis in verborgen, en die is heel kostbaar. De Vader moest Zijn Zoon overgeven. En de Zoon moest als het ware uit de zorg van de Vader worden losgescheurd, door de handen van goddeloze mensen. Hoe kon dit symbool worden doorgegeven, als de ooi en het lam beiden werden geofferd? Dit onderdeel van de waarheid mag nooit worden verduisterd: “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft” Het geblaat van het tedere lam, dat zijn ouders in de oren klonk, wanneer het naar de slachtbank werd geleid, vervulde de lucht met droefheid. Maar het was ook een beeld van het geblaat van het “Lam, dat naar de slachtbank” werd geleid, en zo klaaglijk riep: “Eli! Eli! Lama sabachtani!” … In elk huis van Israël zien we zo een schilderij hangen van die grote waarheid: God heeft zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen overgegeven.

Schaduw
Deuteronomium 22:11: “U mag geen kleding van twee soorten stof, zowel van wol als van linnen, aantrekken.”
Werkelijkheid
Jesaja 64:6; 61:10: Wij mogen het bezoedelde kleed van onze gerechtigheid niet vermengen met de gewaden van Christus’ gerechtigheid.

Schaduw
Deuteronomium 22:10: “U mag niet ploegen met een rund en een ezel tegelijk.”II Werkelijkheid
Korinthe 6:14–17: “Vorm geen ongelijk span met ongelovigen”

Schaduw
Deuteronomium 22:9: “U mag uw wijngaard niet met twee soorten zaad inzaaien; anders wordt al het zaad dat u gezaaid hebt, en de opbrengst van de wijngaard ontheiligd.”
Werkelijkheid
I Korinthe 15:33: Twentieth Century Translation: “Een goed karakter wordt door slecht gezelschap geschaad.” Syrische Vertaling: “Slechte verhalen bederven iemand met een goede geestelijke instelling.”

Schaduw
Deuteronomium 22:8: “Wanneer u een nieuw huis bouwt, moet u op uw dak een afscherming maken. U mag geen bloedschuld op uw huis leggen, wanneer iemand er vanaf valt.”
Werkelijkheid
Hebreeën 12:13: “Maak rechte sporen voor uw voeten, opdat wat kreupel is, niet wordt ontwricht, maar veeleer genezen.”

Schaduw
Deuteronomium 25:4: “U mag een dorsende os niet muilbanden.”
Werkelijkheid
I Korinthe 9:11; I Timotheüs 5:18: “Als wij voor u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel, als wij van u het stoffelijke zullen oogsten?”

Schaduw
Numeri 21:8–9: Mozes verhoogde de slang in de woestijn, en iedereen die daarnaar keek, bleef in leven.
Werkelijkheid
Johannes 3:14 – 15: “Zo moet de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat ieder die in Hem gelooft niet verloren gaat, maar eeuwig leven heeft.”