Manasse

Manasse

De zegen van een stervende aartsvader betekende in oude tijden veel. Toen Jozef hoorde, dat zijn vader ziek was, nam hij zijn twee zonen, Manasse en Efraïm, en bracht Jakob een bezoek.

De oude aartsvader herhaalde tegenover Jozef de belofte van het land Kanaän. Deze belofte was aan Abraham gegeven, en vernieuwd tegenover Izaäk en Jakob. Daarna zei hij: “Uw twee zonen … zijn van mij, Efraïm en Manasse zullen van mij zijn, net als Ruben en Simeon” Toen Jakob de jongens zag, zei hij: “Breng hen toch dichter bij mij, zodat ik hen kan zegenen” (Genesis 48:1–9).

Jozef plaatste de eerstgeborene aan de rechterhand van Jakob, en de jongste aan zijn linkerhand. Maar de bejaarde aartsvader legde zijn rechterhand op het hoofd van de jongste, en zijn linkerhand op het hoofd van de oudste, terwijl hij hen zegende. Toen Jozef dat zag, probeerde hij Jakobs rechterhand op het hoofd van Manasse, de oudste, te leggen. Hij zei: “Zo niet, mijn vader, want deze is de eerstgeborene” Maar zijn vader weigerde, en zei: “Ik weet het mijn zoon, ik weet het. … ook hij zal machtig worden, maar toch zal zijn jongere broer machtiger worden dan hij” (Genesis 48:15–20).

Net als zijn oudoom Ezau kreeg Manasse, hoewel hij de eerstgeborene was, bij de zegen de tweede plaats. Maar de omstandigheden waren anders. Manasse verspeelde zijn voorrechten in de familiezegen niet. Hoewel hij niet zulke krijgshaftige neigingen had als Efraïm, die deze laatste in staat stelde om het koninkrijk Israël op te bouwen, zal de naam Manasse toch die van Efraïm overleven.

Een onderdeel van de zegen van de aartsvader leek meer toebedeeld aan Manasse dan aan zijn meer welvarender broer. “De Engel, die mij verlost heeft van al het kwaad, zegene deze jongens” (Genesis 48:16).

De zegen van de Heer werd door Manasse en zijn nakomelingen op prijs gesteld. Zij leefden op afstand van het centrum van het land en van de tempel. Hoewel zij onderdeel van het noordrijk waren geworden, waren zij toch geïnteresseerd voor alle hervormingen, die de goede koningen van Juda doorvoerden. Toen koning Asa de afgoden neerhaalde en de aanbidding van de Heer opnieuw invoerde, was het gevolg: “velen uit Israel gingen tot hem over, toen zij zagen, dat de HERE, zijn God, met hem was” (II Kronieken 15:8–9).

Toen Hizkia het grote Pesachfeest hield, verootmoedigden vertegenwoordigers uit Manasse zich in hun hart. Ze kwamen en namen deel aan het Pesachfeest (II Kronieken 30:1, 10, 11, 18). Zij deden ook mee aan het afbreken van de beelden op hun eigen grondgebied (II Kronieken 31:1).

De hervorming in de tijd van Josia drong ook door tot in het land van Manasse (II Kronieken 34:1–6). Zij verloren hun belangstelling voor de tempel in Jeruzalem niet. Ze gaven middelen om de tempel te herstellen, nadat deze verontreinigd was tijdens de regering van Manasse en Amon (II Kronieken 34:9). Men veronderstelt, dat Psalm 80 geschreven is door een geïnspireerde schrijver uit het huis van Jozef, tijdens één van deze hervormingen.

Nadat zij zich in Kanaän gevestigd hadden, is er weinig van de stam Manasse schriftelijk overgeleverd. Maar het is verheugend, dat hoe weinig en verspreid de berichten over deze stam ook zijn, zij allen duiden op het verlangen van velen om de Heer te dienen.
De zegen van de Engel rustte op Manasse. Efraïm en Manasse waren de namen van de twee erfdelen die in aardse bezittingen aan Jozef werden gegeven. Daarom zullen twee afdelingen van de honderdvierenveertigduizend in het koninkrijk van God Manasse (Grieks:Manases). en Jozef heten (Openbaring 7:6, 8). De naam Manasse wordt dus vereeuwigd, terwijl die van Efraïm in de vergetelheid verzinkt.

Gideon, de grootste richter, was van de stam Manasse. Het schijnt, dat hij de enige grote krijger is geweest in het westelijk deel van de stam. De mensen in het oostelijk deel waren krijgszuchtiger.

Toen David naar de Filistijnen vluchtte om tegen Saul te vechten, sloten krijgers uit Manasse zich bij David aan. Maar toen de vorsten van de Filistijnen David niet toestonden om met hen mee te gaan in de veldslag, trokken zeven sterke krijgers “aanvoerders van de duizenden van Manasse” naar David in Ziklag. Ze hielpen David tegen de bende rovers, die Davids familie gevangen had genomen. “Want zij waren allen dappere helden” (I Kronieken 12:19–22).

Na de dood van Saul, werden achttienduizend van de halve stam Manasse “met name aangewezen … om David koning te maken” In Hebron (I Kronieken 12:31).

De vijf dochters van Zelafead uit de stam Manasse, zijn de eerste vrouwen, die in de Bijbel genoemd worden als erfgenamen, die op eigen naam en met eigen recht erfden (Numeri 27:1 –8).

Stel, dat Ruben zijn eerstgeboorterecht nooit door zijn zonden zou hebben verloren. Of stel, dat Dan niet een karakter had ontwikkeld, dat zó dicht bij dat van de satan lag, dat zijn naam uit de lijst van twaalf stammen is weggelaten. In dat geval zou de naam van Manasse misschien nooit aan één van de afdelingen van de honderdvierenveertigduizend gegeven zijn. Ieder kind van God kan uit al deze gebeurtenissen lessen trekken.

Wanneer God zegt: “Zie, Ik kom spoedig. Houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon zal wegnemen” (Openbaring 3:11), dan doen we er goed aan, deze vermaning ter harte te nemen. Als we dat niet doen, komen we er misschien te laat achter, dat wij de wereld ons van onze liefde voor de Meester hebben laten beroven. Dan is ons beoordelingsvermogen zó door zonde en ongeloof verduisterd, dat we net als Ruben schromelijk tekort schieten in het werk, dat de volgens de bedoeling van de Heer hadden moeten doen. Jozef werd gescheiden van de mensen met hetzelfde geloof als hij, en had niet de mogelijkheden die wij gehad hebben. Wanneer wij onze taak niet uitvoeren, zal iemand als Jozef, door eenvoudig geloof en vertrouwen in God, het werk doen waarin wij tekort geschoten zijn. En dan krijgt zo iemand de beloning die wij anders gekregen zouden hebben.

Het levenspad is in de loop der tijden bezaaid geraakt met de wrakken van karakters. Het waren mensen, die vroeger trouw en gelovig behoorden tot het Israël van God (Romeinen 2:28–29). Ze stonden “in Jeruzalem ten leven opgeschreven” (Jesaja 4:3). Maar ze lieten toe, dat de satan hun hart vervulde met na-ijver, jaloezie en kritiek. Zo hebben ze net als Dan hun greep op hemelse dingen verloren, en worden niet meer tot het Israël van God gerekend. “Houd vast wat u hebt, opdat niemand uw kroon zal wegnemen.”

Samenvatting

I Kronieken 7:14:
De enige zoon van Manasse die genoemd wordt, is Machir. Zijn moeder was een bijvrouw. Uit hem kwam de stam Manasse voort.

Numeri 26:34:
Toen Israël Kanaän binnentrok, telde Manasse 52.700 man.

Richteren 6–8:
Gideon, de grootste richter, was uit de stam Manasse.


Numeri 27:1–8:De eerste vrouwen, die grondeigendom op hun eigen naam hadden, kwamen uit de stam Manasse.