Juda

Juda

Een naam of stamboom, los van het karakter, heeft in de verslagen in de hemel geen waarde. Ruben faalde in het vormen van een karakter, dat een eerstgeborene waardig is. Dat is degene, die zowel het tijdelijke als het geestelijke eerstgeboorterecht werkelijk toekomt. Daarom werden zijn zegeningen van hem afgenomen, en aan anderen gegeven, die een karakter hadden gevormd, dat deze eer wel waardig was.

Jozef was een vooraanstaand zakelijk leider geworden. Hij kreeg een dubbele portie van de erfenis van zijn vader: het tijdelijke eerstgeboorterecht. Maar er was meer voor nodig dan het vermogen om met grote rijkdom te kunnen omgaan, om het geestelijk eerstgeboorterecht waardig te worden verklaard; en om zo de verwekker van de Messias te kunnen worden.

In het Bijbels verslag staat over Juda, de vierde zoon, te lezen: “wel was Juda de sterkste onder zijn broeders en een uit hem werd tot vorst” (I Kronieken 5:2). Jakob sprak op zijn sterfbed de profetische woorden: “De scepter zal van Juda niet wijken en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en de volken zullen hem gehoorzamen” (Genesis 49:10).

Hoe kwam het, dat Juda de sterkste onder zijn broers was, en zo het geestelijk eerstgeboorterecht erfde? Dit onderwerp moet iedereen zorgvuldig bestuderen, die ernaar verlangt, deel te hebben aan het grote geestelijke eerstgeboorterecht. Door dit eerstgeboorterecht kunnen wij vandaag erfgenaam worden van de eeuwige erfenis. We lezen nergens, dat Juda ooit door wapengeweld zijn broers overwonnen heeft. Maar wanneer wij de levens van de twaalf zonen van Jakob zorgvuldig bestuderen, zullen we ontdekken, dat Juda een leider was. Toen hij aanbood om borg te staan voor Benjamin, stemde Jakob toe, Benjamin naar Egypte te laten gaan. En dat terwijl het aanbod van Ruben was afgeslagen (Genesis 43:8–13; 42:37–38).


Toen Jakob en zijn familie in Egypte aankwamen, zond Jakob Juda vooruit “naar Jozef, zodat deze voor hem aanwijzingen zou kunnen geven omtrent de weg naar Gosen” (Genesis 46:28).

Toen de zonen van Jakob in grote verwarring waren, omdat de heerser over Egypte Benjamin als gijzelaar opeiste, was het Juda die hun zaak zo oprecht voor Jozef bepleitte, dat Jozef zijn vermomming afwierp, en zich aan zijn broers bekend maakte (Genesis 44:14–45:3)

Juda hield integer aan zijn principes vast. Daardoor had hij het vertrouwen van zijn vader en zijn broers gewonnen. Het hele verhaal is in één keer verteld in de zegen, die door zijn bejaarde vader vlak voor zijn dood over Juda wordt uitgesproken: “Juda, u bent het, u zullen uw broers loven; uw hand zal rusten op de nek van uw vijanden; voor u zullen de zonen van uw vader zich neerbuigen” (Genesis 49:8).

Zijn broers bogen zich voor Jozef neer, maar de omstandigheden waren anders. Jozefs rijkdom en positie, verworven in een ander land, deden hem de voornaamste zijn. Maar Juda won het respect van zijn broers in het alledaagse contact binnen het gezinsleven. Dit vertrouwen is niet in een ogenblik gegroeid. Maar zijn strikte integriteit won dag na dag hun respect. Totdat zij hem loofden en zich voor hem neerbogen, uit eigen vrije wil, niet gedwongen door de omstandigheden. Een leven vol strijd en overwinning over de egoïstische neigingen van zijn eigen hart is samengevat in de woorden: “Juda, u bent het, u zullen uw broers loven.”

Het is belangrijk op te merken, dat Juda overwon in dezelfde omstandigheden waarin Ruben faalde. Het waren geen openbare zonden, die verhinderden, dat Ruben de voorrechten van de eerstgeborene kreeg. Hij was zelf ontrouw in het leven van het gezin (I Kronieken 5:1). Hij had geen ontzag voor de eer van zijn eigen familie. Zijn vader en zijn broers konden hem in de privésfeer niet vertrouwen. In hetzelfde gezin, omringd door dezelfde verzoekingen en omstandigheden “was Juda de sterkste onder zijn broers, en één uit hem werd tot vorst” (I Kronieken 5:2).

Twaalfduizend van de honderdvierenveertigduizend zullen de heilige stad onder de naam Juda binnengaan (Openbaring 7:5). Het zullen mensen zijn, die in tijden van verwarring door hun broers erkend zijn als leiders, waarop je kon vertrouwen.

“Juda is een leeuwenwelp; met prooi bent u groot geworden, mijn zoon. Hij kromt zich, hij legt zich neer als een leeuw, als een oude leeuw, wie zal hem doen opstaan?” (Genesis 49:9). Met deze woorden benadrukt Jakob, dat het net zo makkelijk is een leeuw te verslaan, als iemand met het karakter van Juda te overwinnen. Het is net zo veilig om een oude leeuw op te doen schrikken, als te strijden met iemand, van wie de integriteit zo vast in God rustte.

Het karakter van Juda is er één dat wij mogen begeren: die kracht, die onze christelijke integriteit niet prijs zal geven. Maar we weten dan zeker, dat de Heer met ons is, wanneer we door de satan en zijn hele legermacht worden aangevallen (Mattheüs 7:24–25).
Juda wordt vaker genoemd in de Schrift dan alle andere twaalf aartsvaders, met uitzondering van Jozef. Twee van de vijf zonen van Juda stierven kinderloos. Maar uit de drie resterende zonen kwam de sterkste stam van heel Israël.

Het getal van de kinderen van Juda bij de Sinaï was 74.600. Zij hadden blijkbaar een zeer gering aandeel, of helemaal niet, in de afval van Sittim, waar het getal van Simeon enorm werd teruggebracht. Want de stam Juda telde 76.500 man, toen zij Sittim verlieten om het beloofde land binnen te trekken.

De stam Juda nam onder de andere stammen een positie in, die hun verwekker binnen het huis van zijn vader had ingenomen. Zij waren belast met de zorg voor de priesters. De negen steden, die het priestergeslacht van Aäron in bezit namen, lagen allemaal op het grondgebied van Juda en Simeon (Jozua 21:9–16). De rest van de 48 steden, die door de Levieten in bezit werden genomen, lagen verstrooid over de andere stammen.

Juda was een onafhankelijke stam. Na de dood van Saul wilde hij niet op anderen wachten om David als koning te erkennen. Maar zij kroonden hem tot koning over Juda. David regeerde zeven-en-een-half jaar over hen, voordat hij tot koning over heel Israël werd gekroond (II Samuel 2:4, 11).

Na de dood van Salomo bleven Juda en Benjamin trouw aan het zaad van David, en vormden het koninkrijk Juda. Dit koninkrijk bleef nog zo’n 142 jaar zelfstandig, nadat het koninkrijk Israël door Assyrië in ballingschap was gevoerd (II Koningen 17:6; II Kronieken 36:17–20)

Zedekia, koning van Juda, kreeg de laatste kans om te voorkomen, dat de heilige stad in handen van de heidenen zou vallen (Jeremia 38:17–20). Maar hij faalde. En Juda, de koninklijke stam, werd in ballingschap naar Babel gevoerd.

De scepter werd nooit volledig van Juda weggenomen, totdat Silo kwam. Herodes, de laatste koning die over de Joden regeerde, stierf een paar jaar na de geboorte van Christus. In zijn eerste testament benoemde Herodes Antipas als zijn opvolger. Maar zijn laatste testament noemde Archelaüs als degene, die in zijn plaats zou moeten regeren. Het volk was bereid, Archelaüs te accepteren, maar kwam later in opstand. Archelaüs en Antipas gingen beiden naar Rome om hun aanspraken op de troon aan de keizer voor te leggen. De keizer erkende beiden niet. Hij zond Archelaüs als etnarch terug naar Juda, met de belofte, dat hij de kroon zou krijgen, als hij zich die waardig had betoond (Mattheüs 2:19–22). Maar hij heeft die nooit ontvangen. En dus was “het land verlaten … namelijk het land van de twee koningen,” zoals Jesaja geprofeteerd had (Jesaja 7:14–16).
De stam Juda heeft in de heilsgeschiedenis een hele Melkweg met namen als sterren. Geen enkele stam heeft de wereld zoveel machtige Godsmannen geschonken. Aan het hoofd van de lijst staat Hij, van wie de Naam met geen ander te vergelijken is: Jezus van Nazareth, de leeuw uit de stam Juda.

Het grote geloof van Kaleb en zijn onverschrokken moed hebben mensen uit alle eeuwen geïnspireerd. Zijn geloof was al op jonge leeftijd sterk. Toen anderen alleen maar de reusachtige moeilijkheden zagen op de weg naar het land, zei hij: “Wij zullen het zeker overmeesteren” (Numeri 13:30). Op zijn vijfentachtigste verdreef hij in Gods kracht de vijanden uit de vesting Hebron ( (Jozua 14:6 – 15; 15:13 – 15).

David is boven alle aardse koningen geëerd. Hij werd gekozen als afschaduwing van Christus. Het geïnspireerde woord noemt onze Heiland “Zoon van David” (Mattheüs 21:9). Juda bracht nog een aantal andere koningen voort, die God trouw bleven, ook al werden ze omringd door alle verleidingen van het leven aan een koninklijk hof.

In de ballingschap leek het een tijdlang, of het Israël van God bijna van de aardbodem was weggevaagd. Toen wilden vier jonge Judese mannen, die trouw waren aan het leeuwachtige karakter van hun stam, liever hun leven riskeren dan zich te verontreinigen met koninklijke lekkernijen van de tafel van de koning van Babel (Spreuken 23:1–3; Daniël 1:8).

Een paar jaar later stonden drie van hen onbevreesd voor de koning van Babel en zeiden: “Het zij u bekend, koning, dat wij uw goden niet zullen vereren en het gouden beeld dat u hebt opgericht, niet zullen aanbidden” (Daniël 3:18). Als vervulling van de belofte, die meer dan honderd jaar daarvoor gedaan was (Jesaja 43:2), wandelde de Heer met deze drie zonen van Juda door de vurige oven. Zij kwamen ongedeerd naar buiten (Daniël 3:24–27). Ook Daniël zelf bleef trouw aan de integriteit van zijn stam. Hij kwam liever oog in oog te staan met hongerige leeuwen, dan dat zijn band met God ook maar even verbroken zou worden (Daniël 6:7–10; 16–22).

Samenvatting

I Kronieken 5:2;
Genesis 49:10:
Juda was de verwekker van Christus

Drie van de vijf:
De stam Juda bestond uit de nakomelingen van de drie jongste zonen van Juda.

Numeri 26:19–22:
Toen Israël het beloofde land binnentrok, telde deze stam 76.500 strijdbare mannen.

Jesaja 7:14–16
De scepter week niet van Juda, totdat Silo kwam.

Bekende personen:

Numeri 13:6:
Kaleb, de zoon van Jefunne

Richteren 3:9–11:
Otniël, een neef van Kaleb, richtte Israël veertig jaar lang.

Richteren 12:8–10:




Juda bracht veel koningen voort. Vooraanstaande koningen waren: David, Salomo, Josafat, Hizkia en Josia.

Openbaring 5:5:
De bekendste Persoon van allemaal is Jezus,
de Leeuw uit de stam Juda.