Het Zondoffer

Het Zondoffer

Bij geen enkele schaduwdienst werd de individuele gelovige in zó nauw contact gebracht met de dienst van het heiligdom als bij het zondoffer. Geen enkel onderdeel van de godsdienst brengt de individuele gelovige zo dicht in contact met de Heer, als wanneer hij neerknielt aan de voeten van de Heiland, en zijn zonden belijdt. Dan besef je, hoe krachtig deze belofte is: “Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven en ons te reinigen van alle ongerechtigheid” (I Johannes 1:9). Op dat moment raakt de berouwvolle zondaar de zoom aan van het gewaad van de Meester. En hij ontvangt in zijn ziel Zijn genezende kracht.

Zonde is overtreding van Gods wet. Degene, die iets gedaan had, wat “tegen één van de geboden” van de Heer inging, had gezondigd. Om vrij van zonde te kunnen zijn, moest hij een offer brengen. Doordat hij zag, dat het onschuldige slachtoffer stierf voor zijn zonden, kreeg hij meer begrip voor hoe het onschuldige Lam van God Zijn leven kon offeren voor de zonde van de wereld. De zondaar was soms een priester, die dat heilige ambt vervulde, waarin de verkeerde dingen die hij deed, anderen konden doen struikelen. In dat geval moest hij een stier, een kostbaar dier, als zondoffer brengen. Maar wanneer het ging om iemand uit het gewone volk, dan kon deze een jong geitje of een lam brengen. De waarde van het dier wat geofferd moest worden, hing af van de situatie van de overtreder.

Het zondoffer werd in de voorhof van het heiligdom gebracht, bij de deur van de tent van ontmoeting (Leviticus 4:1–35). De zondaar beleed, met zijn handen op de kop van het lam, al zijn zonden. En daarna doodde hij het met eigen handen (Leviticus 4:29; Numeri 5:7). Soms werd het bloed door de dienstdoende priester in de eerste afdeling van het heiligdom gebracht. Hij doopte zijn vinger in het bloed en sprenkelde dat voor het aangezicht van de Heer. De horens van het gouden altaar, het reukofferaltaar, werden ook met het bloed aangeraakt. Dan kwam de priester naar buiten in de voorhof en goot al het bloed uit aan de voet van het brandofferaltaar (Leviticus 4:7, 18, 25, 30). De lichamen van de dieren, waarvan het bloed in het heiligdom was gebracht, werden buiten de legerplaats verbrand (Leviticus 6:30). “Daarom heeft ook Jezus, om door Zijn eigen bloed het volk te heiligen, buiten de poort geleden” (Hebreeën 13:12).

Doordat de zondaar zijn zonden op de kop van het lam beleed, droeg hij deze zonden zinnebeeldig en als schaduw over op het lam. Vervolgens werd het leven van het lam genomen, in plaats van het leven van zondaar. Dit was een beeld van de dood van het Lam van God, die voor de zonden van de wereld Zijn leven zou offeren. Het bloed van het dier bezat niet de kracht om de zonde weg te nemen (Hebreeën 10:4). Maar door dit bloed te vergieten toonde de berouwvolle zondaar zijn geloof in het goddelijk offer van de Zoon van God. Elk zondoffer moest zonder enig gebrek zijn, als beeld van het volmaakte offer van de Heiland (I Petrus 1:19).

Bij sommige offers werd het bloed niet binnen het heiligdom gebracht. Maar bij elk zondoffer werd al het bloed in de voorhof aan de voet van het brandofferaltaar uitgegoten. Als het bloed niet in de eerste afdeling van het heiligdom werd gebracht, werd een deel van het vlees van het zondoffer door de priester op een heilige plaats gegeten (Leviticus 10:18).

De priester nam het vlees van het zondoffer in zich op. Daardoor werd het deel van zijn eigen lichaam. In zijn werk in het heiligdom vormde de priester een treffend beeld van Christus “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het kruishout” (I Petrus 2:24). En daarna is Hij met datzelfde lichaam het heiligdom in de hemel binnen gegaan, om ter wille van ons in Gods aanwezigheid te verschijnen.

De priester at alleen van het vlees van het zondoffer, als het bloed niet binnen het heiligdom werd gebracht. Het gebod op dit punt was erg duidelijk: “Men mag geen zondoffer eten, waarvan een deel van het bloed in de tent van ontmoeting gebracht wordt om in het heiligdom verzoening te doen. Het moet in het vuur verbrand worden” (Leviticus 6:30). Als je dit gebod overtrad, negeerde je wat het beeld betekende. De priester ging het heiligdom binnen om het bloed van het zondoffer voor de Heer te brengen. Daarmee was hij een overtuigend symbool van Christus, die met Zijn eigen bloed het heiligdom in de hemel is binnengegaan, “en heeft daardoor een eeuwige verlossing tot stand gebracht” (Hebreeën 9:11–12). Door het bloed en het vlees werden de beleden zonden van de zondaar zinnebeeldig op het heiligdom overgebracht. Ze werden aan het oog onttrokken. Want geen enkel menselijk oog, behalve die van de dienstdoende priesters, kon een blik binnen het heiligdom werpen.

De schaduwdienst was prachtig. Maar hoeveel mooier is de werkelijkheid! Wanneer de zondaar zijn zonden op Christus legt, worden deze zonden verborgen door “het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” Ze worden bedekt door het bloed van Christus (Romeinen 4:7–8). Ze worden allemaal in de boeken in de hemel opgetekend (Jeremia 2:22). Maar het bloed van de Heiland bedekt ze. En als degene die gezondigd heeft trouw blijft aan God, zullen ze nooit onthuld worden. Ze zullen uiteindelijk in het vuur van de jongste dag vernietigd worden. Het meest wonderlijke is, dat God Zelf zegt, dat Hij ze achter Zijn rug zal werpen (Jesaja 38:17). Hij zal ze niet meer gedenken (Jesaja 43:25). Waarom zou iemand de last van de zonde blijven dragen, als we zo’n genadevolle Heiland hebben, die erop wacht ze van ons weg te nemen?

Bij elk zondoffer waren twee dingen van de kant van de zondaar essentieel. Ten eerste moest hij beseffen, dat hij zondig tegenover God stond. Hij moest voldoende waarde hechten aan het ontvangen vergeving, zodat hij een offer bracht om die te verkrijgen. Op de tweede plaats moest hij in geloof over dit offer heen kijken, zodat hij de Zoon van God zag, door Wie hij vergeving moest ontvangen. “Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneemt” (Hebreeën 10:4). Alleen het bloed van Christus kan zonden verzoenen.

Nadat het bloed voor de Heer was gebracht, had de zondaar nog een belangrijke taak te vervullen. Met eigen handen moest hij al het vet verwijderen van de verschillende organen van het dier, dat als zondoffer geofferd werd (Leviticus 7:30–31). Hij moest dit aan de priester geven, die het op het koperen brandofferaltaar verbrandde. Op het eerste gezicht lijkt dit een vreemd ritueel. Maar als we ons realiseren, dat het vet de zonde vertegenwoordigt, begrijpen we dat het een zinvolle handeling is (Psalm 37:20 King James; Jesaja 43:23–24).

Het is heel duidelijk, dat David voor terugval bewaard werd, doordat hij deze dienst in het heiligdom gezien had. Hij had de voorspoed van de goddelozen gezien, en hij was zó jaloers op hen, dat “zijn voeten bijna waren uitgegleden.” Maar toen hij het heiligdom binnenging, begreep hij, welk einde de goddelozen zou treffen (Psalm 73:2–17). We kunnen ons voorstellen, hoe hij keek naar een zondaar, die het vet verwijderde. De priester legde het op het grote altaar, en er bleef niets dan as van over. Hierin zag hij, dat as het uiteindelijke einde is van ieder, die geen afstand doet van zijn zonden (Maleachi 4:1–3). Want als de zonde deel van henzelf uitmaakte – en de zonde werd verbrand – dan zouden zij samen met hun zonden verbrand worden. De enige reden, waarom God ooit een zondaar zal vernietigen, is dat de zondaar de zonde deel laat blijven van zijn karakter, en er geen afstand van wil doen.

Het was een indrukwekkend beeld: de priester die wacht tot de zondaar het vet van het offer heeft verwijderd, hij staat klaar om het over te nemen, zodra het hem wordt gegeven. Zo wacht ook Christus, onze grote Hogepriester op iedere zondaar, totdat deze zijn zonden belijdt en ze aan Hem geeft. Dan kan Hij op Zijn beurt de zondaar bekleden met Zijn eigen mantel van de gerechtigheid (Jesaja 61:10). En Hij laat de zonden verteren in het vuur van de jongste dag. Paulus verwijst in Hebreeën 4:10 heel duidelijk naar dit onderdeel van de dienst in het heiligdom.

Het verbranden van het vet was een “aangename geur voor de HEERE” (Leviticus 4:31). Er zijn maar weinig dingen die zó stinken als vet wat verbrand wordt. Toch is dit aangenaam voor de Heer, want het is een beeld van de zonde die verteerd wordt, maar ook van de zondaar die wordt gered. God heeft geen behagen in de dood van de goddelozen (Ezechiël 33:11). Maar Hij verheugt zich over de zonde die vernietigd wordt, wanneer deze is gescheiden van de zondaar. Wanneer de verlosten vanuit de bescherming van het Nieuwe Jeruzalem zien, dat het vuur van de jongste dag alle zonden verteert, die zij hebben begaan, dan zal het ook voor hen een aangename geur zijn (Openbaring 20:8–9).

Iemand die te arm was om een lam als zondoffer te kunnen brengen, mocht twee duiven brengen. En als hij zó arm was, dat hij geen twee duiven bezat, dan kon hij twee wilde tortelduiven vangen, en die als zondoffer offeren. Maar als hij te zwak was om die wilde duiven te vangen, dan bood de Heer de mogelijkheid, dat hij een klein beetje fijn meel bracht. De priester offerde de gebroken graankorrels als beeld van het gebroken lichaam van de Heiland. Hierover werd gezegd: “Zijn zonde zal hem vergeven worden.” Net zo goed als de zonden van degene, die in staat was een stier te brengen. De handvol meel die verbrand werd, kwam overeen met het verbranden van het vet: het is een beeld van de uiteindelijke verwoesting van de zonde. Wat overbleef, werd door de priester opgegeten. Dat drukte uit, dat Christus de zonden gedragen heeft (Leviticus 5:7–13).
Bij elk zondoffer, waarbij dieren of vogels werden geofferd, werd het bloed allemaal uitgegoten aan de voet van het brandofferaltaar, in de voorhof van het heiligdom. We herinneren ons, hoe nauwkeurig de Heer geboden had, dat alles in en rond de legerplaats hygiënisch schoon gehouden moest worden (Deuteronomium 23:14). Dan kunnen we in één oogopslag zien, dat het veel werk gekost moet hebben, om de binnenplaats schoon te houden. De Heer zou niet bepaald hebben, dat al het bloed op de grond aan de voet van het altaar moest worden uitgegoten, als daarachter geen heel belangrijke les schuilging.
De eerste zonde die ooit op aarde begaan is, tastte de aarde ook aan, net als de zondaar. De Heer zei tot Adam, dat de aardbodem omwille van hem vervloekt was (Genesis 3:17). Toen de eerste moord gepleegd was, zei de Heer tot Kaïn: “U bent vervloekt van de aardbodem af.” Hij zei ook, dat de aarde vanaf dat moment niet altijd haar volle opbrengst meer zou geven. Er zouden mislukte oogsten zijn en onvruchtbaarheid.

De vloek van de zonde rust steeds zwaarder op de aarde (Jesaja 24:5–6). Er is maar één ding in het hele heelal van God, wat deze vloek kan verwijderen. “Voor het land kan geen verzoening gedaan worden over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft” (Numeri 35:33). Het moet menselijk bloed zijn, van hetzelfde geslacht als van het bloed dat vergoten is. Om die reden werd Christus mens. Hij werd onze Oudere Broer (Hebreeën 2:11). Zó kon Hij de vloek van de zonde van de aarde én van de zondaren wegdoen. Door Zijn dood op Golgotha kocht Christus de aarde. Daarmee verloste Hij haar, samen met haar bewoners (Efeze 1:14).

Omdat de zonden van de mensheid de aarde verontreinigen, werd bij elk zondoffer, nadat het offer voor de zondaar gebracht was, de rest van het bloed op de grond uitgegoten, aan de voet van het koperen brandofferaltaar in de voorhof. Het was een beeld van het kostbare bloed van Christus, dat elke zondevlek van deze aarde zou verwijderen; en haar opnieuw zou bekleden met de schoonheid van de Hof van Eden (Openbaring 21:1).

Schaduw
Leviticus 4:3, 23, 28: Het dier moest zonder gebrek zijn.
Werkelijkheid
I Petrus 1:19: Christus was “een smetteloos en onbevlekt lam.”

Schaduw
Leviticus 4:4, 14:Het offer moest voor de Heer gebracht worden aan de ingang van het heiligdom.
Werkelijkheid
Hebreeën 4:15-16: “Laten wij dan met vrijmoedigheid toegaan tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden op het juiste tijdstip.”

Schaduw
Leviticus 4:4; Numeri 5:7: De zondaar legde zijn hand op de kop van het offer. Zo erkende hij zijn zonden.
Werkelijkheid
I Johannes 1:9: “Als wij onze zonden belijden: Hij is getrouw en rechtvaardig om ons de zonden te vergeven.”

Schaduw
Leviticus 4:29: De zondaar doodde het dier voor het zondoffer. Hij nam met zijn eigen handen het leven van het lam.
Werkelijkheid
Jesaja 53:10: Christus werd tot offer voor de zonde gemaakt. Misdadigers bleven aan het kruis vaak dagen lang in leven. De verschrikkelijke last van de zonde doodde Christus snel. De last was zo zwaar, dat Hij letterlijk bezweek.

Schaduw
Leviticus 4:5–7, 17–18: Bij sommige offers werd het bloed binnen het heiligdom gebracht en voor het aangezicht van de Heer gesprenkeld.
Werkelijkheid
Hebreeën 9:12: “door Zijn eigen bloed” is Christus “binnengegaan in het heiligdom en heeft daardoor een eeuwige verlossing tot stand gebracht.”

Schaduw
Leviticus 10:16–18: Als het bloed niet in het heiligdom werd gebracht, at de priester op een heilige plaats een deel van het vlees. Zinnebeeldig droeg de priester in zich “de ongerechtigheid van de gemeenschap … om daarover verzoening te doen voor het aangezicht van de HEERE.”
Werkelijkheid
I Petrus 2:24: Dit was een beeld van de Ene “Die Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen heeft op het kruishout, opdat wij, voor de zonden dood, voor de gerechtigheid zouden leven. Door Zijn striemen bent u genezen.”

Schaduw
Leviticus 4:31; 7:30: De zondaar moest met eigen handen al het vet van het zondoffer verwijderen. Het vet vertegenwoordigt de zonde (Psalm 37:20 King James).
Werkelijkheid
Jesaja 1:16: Wij moeten niet alleen onze zonden uit het verleden belijden. Maar we moeten ons hart onderzoeken en slechte gewoontes afleren. “Houd op met kwaad doen.”

Schaduw
Leviticus 4:31: Het vet wordt in de voorhof van het heiligdom helemaal tot as verbrand.
Werkelijkheid
Maleachi 4:1–3: Alle zonden en zondaars zullen op aarde tot as verbrand worden.

Schaduw
Leviticus 4:7, 18, 25, 30: Het bloed van elk zondoffer werd op de grond uitgegoten, aan de voet van het koperen brandofferaltaar in de voorhof.
Werkelijkheid
Efeze 1:14: Christus kocht door Zijn dood aan het kruis de aarde, samen met haar bewoners vrij.