05 De Gemeente: ęgeteld, geteld, gewogen en...

De Gemeente: «geteld, geteld, gewogen en...»
Er zijn mannen onder ons in verantwoordelijke posities die van oordeel zijn dat de opinies van een paar zogenaamde verwaande filosofen meer vertrouwd kunnen worden dan de waarheid van de Bijbel, of de getuigenissen van de Heilige Geest.
Zulk een geloof als dat van Paulus, Petrus of Johannes wordt ouderwets en onverdraaglijk geacht in de tegenwoor­dig tijd. Het wordt absurd, mystiek en onwaardig verklaard voor een intelligent verstand.

God heeft mij getoond dat deze mannen Hazaëls zijn, die zich als een gesel zullen bewijzen voor ons volk. (vergelijk 2 Kon.8:12). Zij zijn wijs boven hetgeen geschreven staat. Dit ongeloof in de zuivere waarheden van Gods woord, omdat het menselijk oordeel de verborgenheden van Zijn werk niet kan bevatten, wordt gevonden in ieder district, in alle rangen van de maatschappij. Het wordt geleerd in de meeste van onze scholen en komt binnen bij de lessen van de kinderkamer.
Duizenden die belijden Christenen te zijn geven gehoor aan leugengeesten. Overal zal de geest der duisternis u tegen­komen in het kleed van de godsdienst.

Als alles, wat goddelijk leven scheen te zijn, dit ook in werkelijkheid was, als allen die belijden de waarheid voor te stellen de waarheid predikten en niet ertegen, en indien zij mannen Gods waren, geleid door Zijn Geest, dan konden wij iets verheugends zien temidden der overheersende zedelijke duisternis.
Maar de geest van de antichrist heerst in zulk een uitgebreidheid als nooit tevoren. Terecht kunnen wij uitroepen: “Help toch, Here, want er zijn geen vromen meer; ja, de getrouwen zijn schaars onder de mensenkinderen.” Ps. 12:2.

Ik weet dat velen veel te gunstig denken over de tegenwoordige tijd. Deze liefhebbers van het gemak zullen overspoeld worden in het algemeen verderf. Toch wanhopen wij niet. Wij zijn geneigd om te denken dat waar geen getrouwe predikanten zijn ook geen trouwe christenen kunnen zijn, maar dat is niet het geval. God heeft beloofd, dat waar de herders niet trouw zijn. Hij zelf de kudde onder Zijn hoede zal nemen (Ezechiël 34).
God heeft Zijn kudde nooit geheel afhankelijk gemaakt van menselijke instrumenten. Maar de dagen van de reiniging van de kerk naderen snel.
God wil een rein en waarachtig volk hebben. In de machtige schudding die spoedig zal plaats vinden, zullen wij beter in staat zijn om de krachten van Israël te meten.
De tekenen openbaren dat de tijd nabij is dat de Here zal openbaren dat de wan in Zijn hand is en dat Hij Zijn dorsvloer geheel doorzuiveren zal.

De dagen naderen snel dat er grote verslagenheid en verwar­ring zullen zijn. Satan, bekleed als een engel, zal indien het mogelijk ware, de uitverkorenen misleiden. Er zullen vele goden en vele heren zijn. Alle wind van leer zal waaien. Zij die «de valselijk zo genoemde wetenschap» de hoogste eer bewe­zen hebben zullen dan niet de leiders zijn.
Zij, die hebben vertrouwd op intellect, genie, of talent zullen dan niet aan het hoofd van de gelederen staan. Zij hebben geen gelijke tred gehouden met het licht. Aan hen die zichzelf ontrouw tonen zal dan de kudde niet toevertrouwd worden. Met het laatste plechtige werk zullen weinig grote mannen verbonden zijn.
De Here heeft getrouwe dienstknechten, die in de schudding, de toetsingstijd aan het licht zullen komen. Er zijn kostbare mensen die nu verborgen zijn, maar die hun knieën voor Baal niet gebogen hebben. Zij hadden niet het licht dat in een geconcentreerde bundel op u viel. Maar het kan zijn dat onder een ruw en onaanlokkelijk uiterlijk de zuivere helderheid van een waarlijk christelijk karakter geopenbaard zal worden.
Overdag kijken wij naar de hemel, maar wij zien de sterren niet. Zij zijn er, vast aan het hemelgewelf, maar het oog kan ze niet onderscheiden. In de nacht zien wij hun echte luister.

De tijd is niet ver af dat de toets zal komen tot iedere ziel. Het merkteken van het beest zal ons opgedrongen worden. Zij die stap voor stap toegegeven hebben aan de eisen van de wereld en gelijkvormig zijn geworden aan de gewoonten van de wereld zullen het niet moeilijk vinden zich eerder te onder­werpen aan de machten die er zijn, dan aan bespotting, belediging, dreigende gevangenschap en dood. De strijd gaat over de geboden van God en de geboden van de mensen. In deze tijd zal het goud gescheiden worden van het schuim in de gemeente.

Ware godsvrucht zal duidelijk onderscheiden zijn van schijn en klatergoud. Menige ster die wij bewonderd hebben om haar helderheid zal dan uitgaan in de duisternis. Het kaf zal gelijk een wolk weggevoerd worden door de wind, zelfs van plaatsen waar wij alleen vloeren van rijke tarwe zien.

Allen, die de versierselen van het heiligdom dragen, maar niet bekleed zijn met de gerechtigheid van Christus, zullen ver­schijnen in de schande van hun eigen naaktheid. Als bomen zonder vrucht als hinderpalen tegen de grond geworpen worden, als een groot aantal valse broeders onderscheiden worden van de ware, dan zullen de verborgenen aan het licht komen en zich met hosanna's scharen onder de banier van Christus. Zij die verlegen en niet zeker van zichzelf geweest zijn zullen zichzelf openlijk voor Christus en Zijn waarheid verklaren. De meest zwakke en aarzelende in de gemeente zal zijn als David - gewillig tot doen en wagen. Hoe dieper de nacht voor Gods volk, hoe helderder de sterren. Satan zal de getrouwen erg kwellen; maar in de naam van Jezus zullen zij meer dan overwinnaars zijn. Dan zal de gemeente van Christus verschijnen “schoon als de blanke maan, stralend als de gloeiende zon, geducht als krijgsscharen.” (Hooglied 6:10)
De zaden der waarheid die door de inspanningen van de zending zijn uitgestrooid zullen dan openspringen en bloeien en vruchtdragen. Zielen, die moeilijkheden verduren willen zullen de waarheid aanvaarden en zullen God loven dat zij mogen lijden voor Jezus. “In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goede moed; Ik heb de wereld overwon­nen.” (Joh. 16:33)
Wanneer de voortstormende gesel doortrekt over de aarde (Jes. 28:15), als de wan de vloeren van Jehova zuivert, zal God een hulp voor Zijn volk zijn. De trofeeën van Satan mogen hoog verheven zijn, maar het geloof van de reinen en heiligen zal onversaagd zijn.

Elia nam Elisa vanachter de ploeg en wierp hem de mantel der toewijding om. De roeping tot dit grote en plechtige werk was aangeboden aan mannen van geleerdheid en positie; waren zij klein in eigen ogen geweest en hadden zij de Here volkomen vertrouwd, dan zou Hij hen geëerd hebben om Zijn standaard met triomf ter overwinning te dragen. Maar zij scheidden zich van God af, gaven toe aan de invloed van de wereld, en de Here verwierp hen.

Velen hebben de wetenschap verheven en de God der weten­schap uit het oog verloren. Dat was met de kerk in haar zuiverste dagen niet het geval.
God zal een werk in onze dagen doen dat slechts weinigen verwachten. Hij zal diegenen opwekken en verheffen onder ons die eerder door de vereniging met Zijn geest onderwezen zijn dan door een uiterlijke training in wetenschappelijke instituten. Deze vaardigheden moeten niet verworpen of veroordeeld worden; zij zijn door God ingesteld, maar zij kunnen alleen de uiterlijke kwaliteiten toerusten. God zal openbaar maken dat Hij niet afhankelijk is van geleerde, verwaande stervelingen.

Er zijn weinig werkelijk toegewijde mensen onder ons, weinigen die het gevecht met het eigen-ik gestreden en overwonnen hebben. Echte bekering is een besliste verande­ring van gevoelens en motieven; het is in feite afscheid nemen van wereldse connecties, een wegvluchten uit het geestelijke atmosfeer, een zich onttrekken aan de heersende invloed van hun gedachten, opinies en invloeden. De scheiding veroor­zaakt pijn en bitterheid bij beide partijen. Het is die verdeeldheid waarvan Christus verklaarde dat Hij ze kwam brengen. Maar de bekeerde zal een voortdurend ver­langen gevoelen dat zijn vrienden alles voor Christus zullen verzaken, wetende dat, indien zij dat niet doen, er een beslissende en eeuwige scheiding zal zijn.
De ware Christen kan, terwijl hij bij ongelovige vrienden is, niet lichtvaardig en beuzelachtig zijn. De waarde van de zielen waarvoor Christus stierf is te groot.

Hij “die niet alles verzaakt wat hij bezit” zegt Jezus, “kan mijn discipel niet zijn.”
Alles wat de genegenheden van Christus afleidt moet opgegeven worden. De mammon is de afgod van velen. Haar gouden ketenen binden hem aan Satan. Door een andere klasse worden reputatie en wereldse eer aanbeden. Het leven van zelfzuchtig gemak en het vrij zijn van verantwoor­delijkheid is de afgod van anderen. Dit zijn de valstrikken van Satan opgesteld voor de voeten van de argelozen. Maar deze slaafse banden moeten verbroken worden; het vlees met zijn hartstochten en begeerten moet gekruisigd worden. Wij kun­nen niet half aan de wereld en half aan de Here toebehoren. Wij zijn niet Gods volk tenzij wij het helemaal zijn. Elke last, elke zonde waartoe men gemakkelijk vervalt, moet wegge­daan worden. Gods wachters zullen niet roepen “Vrede, vrede” als God van geen vrede gesproken heeft. De stem van de getrouwe wachters zal gehoord worden: “Gaat uit vandaar; raakt het onreine niet aan, gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die vaten des Heren draagt.” (Jes.52:11).
De gemeente kan zich niet vergelijken met de wereld, noch met de opinies van mensen, noch met wat zij eens was. Haar geloof en haar positie in de wereld zoals ze nu zijn moeten vergeleken worden met wat zij geweest zouden zijn als zij altijd voorwaarts en opwaarts gegaan was. De gemeente zal gewogen worden in de weegschaal van het heiligdom. Als haar morele karakter en geestelijke staat niet overeenstemt met de zegeningen en weldaden die God haar verleend heeft, ZAL ZIJ TE LICHT BEVONDEN WORDEN. (5 Testimonies 79-83)

Vers 5-9. Tegenwoordigheid van Ongeziene Gast Gevoeld.-- Een Wachter, die niet herkend werd, maar wiens tegenwoordigheid een veroordelende macht inhield, zag toe op het toneel van profanering. Spoedig deed de ongeziene en niet genode Gast zijn aanwezigheid gevoelen. Op het moment waarop de godslasterlijke zwelgpartij haar hoogtepunt had bereikt, verscheen een bloedeloze hand die woorden van ondergang op de muur van de feestzaal schreef. "MENE, MENE, TEKEL, UFARSIN," werd in vlammende letters geschreven.
Weinig waren de letters die de hand op de muur tegenover de koning schreef, maar ze lieten zien dat de macht van God aanwezig was.Belsazar was bevreesd. Zijn geweten werd wakker. De vrees en verdenking die de zondaar altijd volgen, grepen hem aan. Als God de mensen bang maakt, kunnen zij de intensiteit van hun verschrikking niet verbergen. Alarm besloop de groten van het rijk. Hun lasterlijke oneerbiedigheid ten opzichte van heilige din­gen was in een ogenblik verdwenen. Een dolle schrik nam al hun zelfbeheersing weg....
Tevergeefs trachtte de koning de vlammende letters te lezen. Hij werd geconfronteerd met een macht, die te sterk voor hem was. Hij kon het geschrift niet lezen (YI 19 mei, 1898). (BC 275 - E.G.White)