You are home- www.agp-internet.com/react- ellenwhite.nl.nu - Themasite Ellen G. White

Een naderende ondergang  (35)

 

Tijdens de eerste jaren van Jojakims regering klonken onophoudelijk waarschuwingen van een naderende ondergang. Het woord des Heren, gesproken door de profeten, stond op het punt in vervulling te gaan. De Assyrische macht in het noorden, die lang oppermachtig was geweest, zou de volken niet langer beheersen. Het zuidelijk gelegen Egypte, waarop de koning van Juda vergeefs zijn vertrouwen stelde, zou spoedig een beslissende nederlaag lijden. Geheel onverwacht verrees in het Oosten een nieuwe wereldmacht, het rijk van Babel, en in korte tijd werden alle andere volken erdoor overschaduwd.

 

Binnen enkele jaren zou de koning van Babel gebruikt worden als een werktuig van Gods toorn over het onboetvaardige Juda. Telkens weer zou Jeruzalem belegerd en ingenomen worden door de overwinnende legers van Nebukadnessar. De ene groep na de andere – eerst slechts weinigen, maar later duizenden en tienduizenden – zouden gevankelijk weggevoerd worden naar het land Sinear, om daar als ballingen te vertoeven.

 

Jojakim, Jojachin, Zedekia, - al deze joodse koningen zouden achtereenvolgens schatplichtig worden aan de vorst van Babel en zouden op hun beurt in opstand komen. Steeds zwaarder straffen zouden worden opgelegd aan het opstandige volk, tot ten slotte het gehele land een woestheid zou worden, Jeruzalem verwoest en met vuur verbrand, de tempel die Salomo had gebouwd, vernietigd, en het rijk van Juda zou vallen, om nooit weer de vroegere plaats onder de volken op aarde in te nemen.

 

Deze veranderlijke tijden, zo vol gevaar voor het volk van Israël, werden gekenmerkt door de vele boodschappen van de hemel bij monde van Jeremia. Zo gaf de Here aan de kinderen van Juda ruimschoots gelegenheid zich los te maken van de banden met Egypte, waardoor ze verstrikt dreigden te worden, en de strijd met de vorsten van Babel te vermijden. Toen het dreigende gevaar naderbij kwam, onderwees hij het volk door een aantal gelijkenissen, die hij opvoerde, in de hoop dat ze zich bewust zouden worden van hun verplichting tegenover God, en hen tevens te bemoedigen vriendschappelijke betrekkingen met het bestuur van Babel te onderhouden.

 

Om de belangrijkheid van onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Gods eisen duidelijk te maken, bracht Jeremia enkele Rekabieten in een van de vertrekken van de tempel, waar hij hun wijn voorzette en hen uitnodigde te drinken. Zoals te verwachten was, weigerden ze absoluut. “Wij drinken geen wijn”, verklaarden ze beslist; want onze vader Jonadab, de zoon van Rekab, heeft ons geboden: Nimmer zult gij of uw kinderen wijn drinken.”

“Toen kwam het woord des Heren tot Jeremia: Zo zegt de Here der heerscharen, de God van Israël: Ga, en zeg tot de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem: Wilt gij hieruit geen lering trekken om aan mijn woorden gehoor te geven? luidt het woord des Heren. Het gebod dat Jonadab, de zoon van Rekab, aan zijn zonen heeft opgelegd, om geen wijn te drinken, wordt gehouden; want tot op de huidige dag hebben zij geen wijn gedronken, omdat zij gehoor gegeven hebben aan het gebod van hun vader.” (Jeremia 35: 6,12-14)

 

Op deze wijze trachtte God de gehoorzaamheid van de Rekabieten duidelijk tegenover de ongehoorzaamheid en opstand van zijn volk te stellen. De Rekabieten hadden het gebod van hun vader gehoorzaamd, en weigerden nu tot overtreding verleid te worden. Maar de mannen van Juda hadden niet geluisterd naar de woorden van de Here, en zouden bijgevolg lijden onder zijn zwaarste oordelen.

 

Ik heb tot u gesproken, vroeg en laat”, had de Here gezegd, “maar gij hebt Mij geen gehoor gegeven, Ik zond al mijn knechten, de profeten, tot u, vroeg en laat, met de boodschap: Bekeert u toch, een ieder van zijn boze weg, betert uw daden en loopt geen andere goden achterna om die te dienen, dan zult gij blijven in het land dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd en Mij geen gehoor gegeven. Ja, de zonen van Jonadab, de zoon van Rekab, hebben het gebod dat hun vader hun opgelegd had, gehouden, maar dit volk heeft Mij geen gehoor gegeven. Daarom zegt de Here, de God der heerscharen, de God van Israël, aldus:

Zie, Ik breng over Juda en alle inwoners van Jeruzalem al de rampspoed waarmede Ik hen gedreigd heb, omdat Ik tot hen gesproken heb, zonder dat zij gehoor gaven, en Ik tot hen geroepen heb, zonder dat zij antwoordden.” (Jer. 35: 14-17)

 

Als het hart van de mens verzacht en onderworpen is door de dringende invloed van de Heilige Geest, zal hij acht slaan op raadgevingen; maar als hij zich afwendt van raadgevingen tot het hart wordt verhard, laat de Here toe dat andere invloeden zich doen gelden. Als aan de waarheid weerstand wordt geboden, wordt bedrog aanvaard, waardoor een strik wordt gespannen die leidt tot verderf.

 

God had Juda gesmeekt Hem niet tot toorn te verwekken, maar ze hadden

geen gehoor gegeven. Ten slotte werd het vonnis over hen uitgesproken. Ze zouden weggevoerd worden naar Babel. De Chaldeën zouden als een werktuig gebruikt worden, waardoor God zijn ongezeglijk volk zou straffen. Het lijden van de inwoners van Juda zou in overeenstemming zijn met het licht dat ze hadden ontvangen, en met de waarschuwingen die ze hadden veracht en verworpen. God had lang gewacht met zijn oordelen; nu zou Hij hun zijn misnoegen tonen, als een laatste poging hen tegen te houden op hun boze weg.

 

Over het huis van Rekab werd een blijvende zegen uitgesproken. De profeet had gezegd: “Omdat gij aan het gebod van uw vader Jonadab gehoor gegeven hebt en al zijn geboden gehouden en naar alles wat hij u gebood, gedaan hebt, daarom zegt de Here der heerscharen, de God van Israël, aldus: Nimmer zal het Jonadab, de zoon van Rekab, ontbreken aan een man, die voor mijn aangezicht staat al de dagen.” (Jer. 35: 18,19)  Op deze wijze onderwees God zijn volk dat trouw en gehoorzaamheid op Juda zouden terugvallen in zegeningen, zoals de Rekabieten gezegend werden omdat ze aan het ge— bod van hun vader gehoor gegeven hadden.

 

Deze les geldt ook voor ons. Als de eisen van een goed en verstandig vader, die de beste en meest succesvolle middelen gebruikte om zijn nakomelingen te beschermen tegen het kwaad van onmatigheid, de moeite waard waren om nauwgezet gehoorzaamd te worden, moet Gods gezag voorzeker nog meer geëerbiedigd worden, omdat Hij heiliger is dan de mens. Onze Schepper en Gebieder, die oneindig is en machtig en verschrikkelijk in zijn oordelen, tracht op alle mogelijke manieren de mens ertoe te brengen zijn zonden te zien en zich daarvan te bekeren. Bij monde van zijn dienstknechten waarschuwt Hij voor het gevaar van ongehoorzaamheid; Hij doet een waarschuwing horen en bestraft op getrouwe wijze de zonde.

 

Zijn volk kent slechts voorspoed door zijn barmhartigheid, door de waakzame zorg van uitverkoren werktuigen. Hij kan geen volk zegenen en beschermen dat zijn raad verwerpt en zijn vermaningen veracht. Een tijd lang kan Hij zijn vergeldende oordelen weerhouden, maar Hij zal zijn hand niet altijd terughouden om te straffen.

 

De kinderen van Juda werden gerekend tot hen, waarvan God had gezegd:

,,Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk.” (Ex. 19: 6) Nooit heeft Jeremia gedurende zijn dienstwerk de noodzakelijke belangrijkheid van een geheiligd hart in de verschillende levensverhoudingen uit het oog verloren, met name in de dienst van de Allerhoogste God.

 

Duidelijk voorzag hij de val van het rijk en de verstrooiing van de inwoners van Juda onder de volken; maar met het geloofsoog zag hij verder, naar de tijd van wederoprichting. In zijn oren klonk Gods belofte: “Ik zal de rest van mijn schapen verzamelen uit alle landen waarheen Ik ze heb verdreven, en Ik zal ze doen wederkeren naar hun weiden . . .   Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men Hem zal noemen: DE HERE ONZE GERECHTIGHEID.” (Jer. 23: 3-6)

 

Zo werden voorzeggingen van een naderend oordeel gemengd met beloften van een laatste en heerlijke verlossing. Wie zou verkiezen vrede te maken met God, en een heilig leven zou leiden te midden van de overheersende afval, zou kracht ontvangen voor iedere beproeving, en in staat zijn met grote kracht van Hem te getuigen. En in de toekomst zou de verlossing die voor hen bewerkstelligd werd, de bevrijding van de Israëlieten uit Egypte in roem verre overtreffen. De dagen zouden komen, zei de Here door zijn profeet, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de Here leeft, die de Israëlieten uit het land Egypte heeft doen optrekken, maar veeleer: Zo waar de Here leeft, die het nageslacht van het huis Israëls heeft doen optrekken en die het heeft doen komen uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; en zij zullen op hun eigen grond wonen.” (Jer. 23: 7,8)

 

Deze heerlijke voorzeggingen uitte Jeremia gedurende de laatste jaren van de geschiedenis van het rijk van Juda, toen de Babyloniërs een wereldrijk werden en hun overwinnende legers zelfs tot voor de muren van Sion brachten.

 

Als aantrekkelijke muziek klonken deze beloften van verlossing in de oren van hen die vasthielden aan het aanbidden van Jehova. In de gezinnen van voornamen en eenvoudigen, waar de raadgevingen van een God, die vasthoudt aan het verbond, nog steeds geëerbiedigd werden, werden de woorden van de profeet telkens weer herhaald. Zelfs de kinderen werden er diep door bewogen, en op hun jonge en ontvankelijke geest werd een blijvende indruk gemaakt.

 

Het nauwgezet waarnemen van de geboden van de Heilige Schrift bracht in de dagen van Jeremia’s dienstwerk Daniël en zijn metgezellen de kans om de ware God te verheffen voor de volkeren op aarde, Het onderricht dat deze Hebreeuwse kinderen in het ouderlijk huis hadden gekregen, maakte hen sterk in het geloof, en trouw in het dienen van de levende God, de Schepper van hemel en aarde. Toen in de beginjaren van Jojakim Nebukadnessar Jeruzalem voor de eerste maal belegerde en innam, en Daniël en zijn metgezellen, samen met anderen, uitgekozen om aan het hof in Babel te dienen, wegvoerde, werd het geloof van de Hebreeuwse gevangenen uitermate op de proef gesteld. Maar zij, die hadden geleerd hun vertrouwen te stellen in Gods beloften, vonden deze voldoende voor elke ervaring die ze tijdens hun verblijf in het land der vreemdelingschap moesten ervaren. De Schriften bleken voor hen een gids en een houvast.

 

Als vertolker van de betekenis der oordelen die reeds op Juda vielen, kwam Jeremia nobel op voor Gods gerechtigheid en zijn barmhartige bedoelingen, zelfs onder de zwaarste straffen. De profeet was onvermoeid bezig. Omdat hij verlangde alle klassen te bereiken, breidde hij zijn invloedssfeer uit tot buiten Jeruzalem naar de omliggende gebieden, door herhaalde bezoeken aan verschillende delen van het koninkrijk.

 

Als hij voor zijn volk getuigde, wees Jeremia steeds naar de leerstellingen van het boek der wet, dat zo hoog geëerd en verheven was tijdens de regering van Josia. Hij legde opnieuw de nadruk op de betekenis van het handhaven van een verbondsverhouding met de barmhartige en medelijdende God, die de tien geboden van de hoogten van Sinai had gesproken. Jeremia’s waarschuwende en pleitende woorden drongen tot alle delen van het koninkrijk door, en allen hadden gelegenheid Gods wil aangaande het volk te leren kennen.

 

De profeet maakte duidelijk, dat onze hemelse Vader zijn oordelen laat komen, “zodat de volken erkennen, dat zij stervelingen zijn”….. Indien gij u tegen Mij verzet en naar Mij niet wilt luisteren, had de Here zijn volk gewaarschuwd, . . . zal Ik u onder de volken verstrooien en Ik zal achter u het zwaard trekken, en uw land zal een woestenij zijn en uw steden een puinhoop.” (Psalm 9: 21, Lev. 26: 21,33)

 

In de dagen dat boodschappen van een naderende ondergang koning en volk bereikten, bracht de heerser, Jojakim, die een verstandig geestelijk leider had moeten zijn, en die had moeten voorgaan in het belijden van zonde, in hervorming en in goede werken, zijn tijd door met zelfzuchtig genot. Ik zal mij een groots huis bouwen”, stelde hij voor; ruime opperzalen” (Jer. 22: 14), en dit huis, gedekt met cederhout, bestreken met menie, werd gebouwd met geld en arbeid, verkregen door bedrog en verdrukking.

 

De toorn van de profeet werd gewekt, en hij werd ertoe gebracht een oordeel uit te spreken over de trouweloze vorst. Wee hem die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, zijn opperzalen met onrecht”, sprak hij: “die zijn naaste voor niets laat werken, hem zijn loon niet geeft . . . .  Zijt gij een koning, als gij wedijvert in cederhout?

Uw vader, heeft hij niet gegeten en gedronken en recht en gerechtigheid gedaan? Toen ging het hem wèl. Hij deed de ellendige en arme recht wedervaren; toen ging het hem wèl. Is dèt niet Mij erkennen? luidt het woord des Heren. Maar gij hebt enkel oog en hart voor uw onrechtmatig gewin en voor het vergieten van onschuldig bloed, voor het begaan van onderdrukking en geweld”.

 

Daarom zegt de Here aldus van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: Men zal niet om hem klagen: ach mijn broeder, of: ach zuster; men zal niet om hem klagen: ach heer, of: ach zijne majesteit’ Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden: wegslepen en nederwerpen buiten de poorten van Jeruzalem.” (Jer. 22: 13-19),

 

Enkele jaren later zou Jojakim door dit verschrikkelijk oordeel getroffen worden; maar eerst stelde de Here in zijn barmhartigheid het onboetvaardig volk op de hoogte van zijn vastgesteld doel. In het vierde jaar van Jojakims regering sprak Jeremia tot heel het volk van Juda en tot alle inwoners van Jeruzalem, en maakte duidelijk dat hij een aantal jaren, van het dertiende jaar van Josia  . . . . tot op deze dag, drieëntwintig jaren lang” (Jer. 25: 2,3) had getuigd van Gods wens om te redden, maar dat zijn boodschappen waren veracht. En nu luidde het woord van de Here tot hen:

 

“Daarom, zo zegt de Here der heerscharen: Omdat gij naar mijn woorden niet gehoord hebt, zie, Ik laat alle geslachten van het Noorden komen, luidt het woord des Heren, en Nebukadnessar, de koning van Babel, mijn dienaar, en breng hen tegen dit land en zijn inwoners, ja, tegen al deze volken rondom, en Ik sla hen met de ban, en maak hen tot een voorwerp van ontzetting, tot een aanfluiting en tot een eeuwige smaad, en Ik doe uit hun midden verdwijnen de stem der vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid, het geluid van de handmolen en het licht der lamp; dan zal dat gehele land tot een oord van puinhopen, tot een woestenij worden. Deze volken nu zullen de koning van Babel dienstbaar zijn zeventig jaren” (Jer. 25: 8-11)

 

Hoewel het vonnis van de ondergang duidelijk was bekendgemaakt, kon de ontzagwekkende betekenis ervan nauwelijks begrepen worden door de scharen die het hoorden. Om een diepere indruk te maken, trachtte de Here de betekenis van deze woorden te verduidelijken. Hij gaf Jeremia bevel het lot van het volk te vergelijken met het drinken van een beker vol met de wijn van Gods toorn. Jeruzalem, de steden van Juda en zijn koningen zouden als eersten hieruit drinken. Anderen zouden deel hebben aan dezelfde beker, - “Farao, de koning van Egypte, met zijn dienaren, zijn vorsten en zijn gehele volk”, en tal van andere volken op aarde, -tot Gods doel bereikt zou zijn. (zie Jeremia 25)

 

Om de aard van de snel naderende oordelen nog verder te illustreren, moest de profeet met enigen van de oudsten van het volk en met de oudsten van de priesters naar het dal Ben–Hinnom  gaan, en daar moest hij, nadat hij een overzicht had gegeven van de afval van Juda, een pottenbakkerskruik in stukken slaan, en namens Jehova zeggen, wiens dienstknecht hij was: Zo zal Ik dit volk en deze stad aan stukken breken, gelijk men pottenbakkersgerei aan stukken breekt, dat niet weder heel gemaakt kan worden.”

 

De profeet deed wat hem gezegd was. Toen keerde hij terug naar de stad, stond in de voorhof van de tempel, en sprak ten aanhoren van geheel het volk: Zo zegt de Here der heerscharen, de God van Israël: Zie, Ik breng over deze stad en al haar steden al de rampspoed die Ik tegen haar heb uitgesproken, omdat zij hun nek hebben verhard om niet naar mijn woorden te horen.” (zie Jeremia 19)

 

De woorden van de profeet wekten de toorn van de gezaghebbers, in plaats van te leiden tot belijdenis en bekering, en bijgevolg werd Jeremia van zijn vrijheid beroofd. De profeet bleef echter doorgaan met het brengen van de boodschappen van de hemel tot hen die bij hem stonden, al was hij gevangen en in het blok gezet. Vervolging kon zijn stem niet tot zwijgen brengen. Het woord der waarheid was in zijn hart als brandend vuur, opgesloten in zijn gebeente; “weI matte ik mij af om het in te houden”, sprak hij, maar ik kon het niet.” (Jer. 20: 9)

 

In deze tijd gaf God Jeremia bevel de boodschappen die hij wilde brengen aan degenen naar wier zaligheid hij verlangde, op te schrijven. “Neem een boekrol”, gebood de Here aan zijn knecht, en schrijf daarop al de woorden die Ik tot u over Israël, Juda en alle volken gesproken heb, sedert de da dat Ik tot u gesproken heb, sedert de tijd van Josia tot op heden. Misschien zal het huis van Juda luisteren naar al de rampspoed die Ik hun denk aan te doen, opdat zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en Ik hun ongerechtigheid en zonde vergeve.” (Jer. 36: 2,3)

 

Gehoorzaam aan dit bevel riep Jeremia de hulp in van een trouwe vriend, Baruch, de schrijver, en dicteerde “al de woorden, die de Here tot hem gesproken had.” (Jer. 36: 4) Deze woorden werden nauwgezet geschreven op een rol perkament, en vormden een ernstige bestraffing van zonde, een waarschuwing voor de onvermijdelijke gevolgen van blijvende afval, en een dringend beroep om alle kwaad de rug toe te keren.

 

Toen het geschrift voltooid was, zond Jeremia, die nog steeds gevangen zat, Baruch met de boekrol naar de scharen die in de tempel bijeen waren ter gelegenheid van een nationale vastendag in het vijfde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, koning van Juda, in de negende maand. “Misschien zal zich hun smeekgebed uitstorten voor het aangezicht des Heren”, sprak de profeet, en zullen zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg; want groot is de toorn en de gramschap, waarmede de Here dit volk gedreigd heeft.” (Jer. 36: 9,7)

Baruch gehoorzaamde, en de rol werd voorgelezen ten aanhoren van heel het volk van Juda. Later werd de schrijver bij de vorsten geroepen om deze woorden aan hen voor te lezen. Ze luisterden met grote belangstelling, en beloofden aan de koning mee te delen wat zij gehoord hadden, maar gaven de schrijver de raad zich te verbergen, want ze waren bang dat de koning het getuigenis zou verwerpen, en zou trachten hen te doden, die de boodschap hadden klaargemaakt en gebracht.

 

Toen koning Jojakim van de vorsten hoorde wat Baruch had gelezen, gaf hij dadelijk bevel dat de boekrol bij hem moest worden gebracht en aan hem worden voorgelezen. Een van de hovelingen, Jehudi, nam de rol en begon de woorden van vermaning en waarschuwing voor te lezen. Het was winter, en de koning en zijn hof, de vorsten van Juda, zaten om een open vuur. Er was nog maar een klein gedeelte gelezen, toen de koning, in plaats van te beven over het gevaar wat hem en zijn volk boven het hoofd hing, de boekrol nam en deze in een aanval van razernij met een schrijversmes in stukken sneed en in het vuur wierp in het bekken, tot de gehele rol verteerd was.

De koning en zijn vorsten ,verschrokken niet en scheurden hun klederen niet.” Enkele vorsten hadden echter bij de koning erop aangedrongen de rol niet te verbranden, maar hij luisterde niet naar hen. Toen het geschrift was verteerd, ontstak de toorn van de koning tegen Jeremia en Baruch, en hij gaf bevel dat zij gevangen genomen moesten worden; “maar de Here hield hen verborgen.” (Jer. 36: 23-26)

 

Door de aandacht van hen die in de tempel aanbaden, zowel als van vorsten en koning, te vestigen op de geschreven raadgevingen in de geïnspireerde boekrol, trachtte God goedgunstig de mannen van Juda te waarschuwen voor hun eigen bestwil. “Misschien”, zei Hij, zal het huis van Juda luisteren naar al de rampspoed die Ik hun denk aan te doen, opdat zij zich bekeren, een ieder van zijn boze weg, en Ik hun ongerechtigheden en zonden vergeve.” (Jer. 36: 3)

 

God beklaagt de mensen die verward zijn in de blindheid van hun zonden; Hij tracht het verduisterd verstand te verlichten door het zenden van vermaningen en bedreigingen, die bedoeld zijn om de meest verhevenen ertoe te brengen hun onwetendheid te beseffen en hun fouten in te zien. Hij tracht de zelfvoldanen te helpen ontevreden te worden over hun ijdel streven en hen ertoe te brengen naar geestelijke zegeningen te zoeken door een nauw contact met de hemel.

 

Het is niet Gods plan om boodschappers te zenden die de zondaars behagen en vleien; Hij brengt geen boodschappen van vrede om de ongeheiligden te sussen in hun vleselijke voldaanheid. In plaats hiervan legt Hij zware lasten op het geweten van de zondaar, en doordringt zijn ziel met de scherpe pijlen van overtuiging. Dienende engelen houden hem de vreeswekkende oordelen van God voor ogen, om het besef aan hulp te verdiepen en hem te brengen tot de bange roep:  “Wat moet ik doen om behouden te worden?” (Hand. 16: 30)

Maar de hand die tot in het stof vernedert, die de zonde bestraft, en trots en eerzucht tot schande maakt, is ook de hand die de berouwvolle, geslagen zondaar opheft.

 

Met het diepste medelijden vraagt Hij die toegelaten heeft dat de straf komt: “Wat wilt gij, dat Ik u doen zal?”

 

Als de mens heeft gezondigd tegen een heilig en barmhartig God, kan hij niet beter doen dan zich van harte bekeren en zijn schuld belijden onder tranen en zielsverdriet. Dit eist God van hem; Hij is niet tevreden met minder dan een gebroken hart en een verbrijzelde geest. Maar koning Jojakim en zijn vorsten weigerden in hun hoogmoed en trots in te gaan op Gods uitnodiging. Ze wilden geen acht slaan op de waarschuwing om zich te bekeren.

Het genadig aanbod, dat hun gedaan werd ten tijde van het verbranden van de heilige boekrol, was hun laatste kans. God had gezegd dat Hij een vreselijke vergelding op hun hoofd zou doen komen, als ze in die tijd zouden weigeren naar zijn stem te horen. Zij weigerden, en Hij sprak zijn eindoordeel uit over Juda; en vooral zou de man die zich vol trots tegen de Almachtige had verheven, door zijn toorn worden getroffen.

 

“Daarom, zo zegt de Here aangaande Jojakim, de koning van Juda: Hij zal niemand hebben, die op de troon van David is gezeten en zijn lijk zal neergeworpen liggen in de hitte overdag en in de koude des nachts; Ik zal aan hem, zijn nakomelingen en zijn dienaren hun ongerechtigheid bezoeken, en Ik zal over hen en de inwoners van Jeruzalem en de mannen van Juda al de rampspoed brengen, waarvan Ik tot hen gesproken heb, zonder dat zij gehoor hebben gegeven.” (Jer. 36: 30,31)

 

Met het verbranden van de boekrol was de zaak nog niet afgelopen. De geschreven woorden waren gemakkelijker weggedaan dan de bestraffing en waarschuwing die ze hadden bevat, en het snel naderend oordeel dat God over het opstandige Israël had uitgesproken. Maar zelfs de boekrol werd herschreven. “Neem weer een andere rol”, had de Here zijn dienstknecht bevolen, “en schrijf daarop al de vorige woorden die op de eerste rol stonden, welke Jojakim, de koning van Juda, verbrand heeft.” (Jer. 36: 28)  Het verslag der voorzeggingen aangaande Juda en Jeruzalem was tot as verteerd; maar de woorden leefden nog in het hart van Jeremia als een brandend vuur”, en de profeet kon opnieuw bekendmaken wat door de toom van de mens tevergeefs was vernietigd.

 

Jeremia nam een andere boekrol en gaf deze aan Baruch, ,,en deze schreef daarop uit de mond van Jeremia al de woorden uit het boek dat Jojakim, de koning van Juda, in het vuur verbrand had; en nog vele dergelijke woorden werden daaraan toegevoegd.” (Jer. 36: 32)

 

Menselijke toorn had getracht het werk van God en van de profeet teniet te doen; maar juist de middelen waarmee Jojakim had getracht de invloed van Gods dienstknecht te beperken, schonken verdere gelegenheden om Gods eisen duidelijk te maken.

 

Dezelfde geest die bestraffing tegenstaat en waardoor Jeremia werd vervolgd en gevangen gezet, bestaat nog. Velen weigeren acht te slaan op herhaalde waarschuwingen, terwijl ze liever luisteren naar valse leraars die hun ijdelheid strelen en hun boosheid over het hoofd zien.

In de tijd van benauwdheid zullen zulke mensen geen veilige toevlucht of de hulp van de hemel kennen. Gods uitverkoren dienstknechten moeten moedig en geduldig de beproevingen en het lijden onder ogen zien, dat hun deel zal zijn door smaad, veronachtzaming en een onjuiste voorstelling. Ze moeten getrouw doorgaan met het werk dat God hen heeft opgedragen, en altijd eraan denken dat de profeten van ouds en de Heiland der wereld en zijn apostelen ook smaad en vervolging hebben ondergaan ter wille van het Woord.

 

Het was Gods bedoeling dat Jojakim acht zou slaan op de raadgevingen van Jeremia, en zo de gunst van Nebudkadnessar zou winnen, waardoor hij zich veel verdriet zou besparen. De jeugdige koning had trouw gezworen aan de vorst van Babel; en als hij zijn woord gestand had gedaan, zou hij de eerbied der heidenen hebben afgedwongen, waardoor kostbare mogelijkheden waren geschapen voor de bekering van zielen.

 

De koning van Juda minachtte echter de ongewone voorrechten die hij kreeg en volgde opzettelijk zijn eigen weg. Hij schond zijn erewoord jegens de vorst van Babel, en kwam in opstand. Hierdoor kwamen hij en zijn rijk in de grootste moeilijkheden. Tegen hem werden “benden der Chaldeeën” gezonden, “en die van Aram, Moab en de Ammonieten” (2 Kon. 24: 2),  en hij kon niet verhinderen dat het land door deze plunderaars werd afgelopen. Binnen enkele jaren eindigde zijn rampzalige regering smadelijk, door de hemel verworpen, onbemind door zijn volk, en veracht door de vorsten van Babel, wier vertrouwen hij geschonden had, — dit alles als gevolg van zijn noodlottige vergissing zich af te wenden van Gods plannen, zoals deze bekendgemaakt waren door zijn uitverkoren boodschapper.

 

Jojakin (ook bekend als Konjahu en Jechonja) de zoon van Jojakim, bezette de troon slechts drie maanden en tien dagen, waarna hij zich overgaf aan de legers der Chaldeeën, die wegens de opstand van de vorst van Juda opnieuw de gedoemde stad belegerden.

Bij deze gelegenheid voerde Nebukadnessar Jojakin in ballingschap naar Babel; ook de koningin – moeder, de vrouwen des konings, zijn hovelingen en de machtigen des lands”, in totaal enige duizenden, samen met “de handwerkslieden en de smeden.” Ook nam de koning van Babel al de schatten van het huis des Heren en die van het koninklijk paleis.” (2 Kon. 24: 15,16,13)

 

Het rijk van Juda, van zijn macht beroofd, beide in mensen en in schatten, zou echter nog als een zelfstandige staat blijven bestaan. Aan het hoofd plaatste Nebukadnessar Mattanja, een jongere zoon van Josia, wiens naam hij veranderde in Sedekia.
("Profeten en Koningen" - E.G. White)