Onder
hen
die
hadden
gehoopt
op
een
blijvende
geestelijke
opleving
als
gevolg
van
de
hervorming
onder
Josia,
bevond
zich
Jeremia,
door
God
tot
het
profetisch
ambt
geroepen
in
het
dertiende
jaar
van
Josia’s
regering,
toen
hij
zelf
nog
een
jongeman
was.
Als
lid
van
de
Levitische
priesterschap
was
Jeremia
van
kind
af
opgeleid
voor
de
heiligdomsdienst.
In
die
gelukkige
jaren
van
voorbereiding
besefte
hij
weinig
dat
hij
van
zijn
geboorte
af
was
overweldigd
door
een
gevoel
van
zijn
eigen
onwaardigheid.
“Ach
Here,
Here”!
riep
hij
uit,
“zie,
ik
kan
niet
spreken,
want
ik
ben
jong.”
(Jer.
1:
5,6)
God
zag
in
de
jeugdige
Jeremia
iemand
die
trouw
zou
zijn
aan
het
in
hem
gestelde
vertrouwen,
en
die
het
recht
zou
verdedigen
ondanks
tegenwerking.
Als
kind
was
hij
trouw
bevonden;
nu
moest
hij,
als
een
goed
strijder
van
het
kruis,
ontberingen
verdragen.
Zeg
niet:
“ik
ben
jong”,
zei
de
Here
tot
de
boodschapper
die
Hij
verkoren
had,
want
tot
een
ieder,
tot
wie
Ik u
zend,
zult
gij
gaan,
en
alles
wat
Ik u
gebied,
zult
gij
spreken.
Vrees
niet
voor
hen,
want
Ik
ben
met
u om
u te
bevrijden.”
“Gord
uw
lendenen,
maak
u op
en
spreek
tot
hen
al
wat
Ik u
gebieden
zal;
verschrik
niet
voor
hen,
opdat
Ik u
niet
voor
hen
doe
verschrikken.
En
Ik,
zie
Ik
zelf
stel
u
heden
tot
een
versterkte
stad,
een
ijzeren
zuil
en
een
koperen
muur
tegen
het
gehele
land,
tegen
de
koningen
van
Juda,
zijn
vorsten,
zijn
priesters
en
het
volk
des
lands;
al
zullen
zij
tegen
u
strijden,
zij
zullen
u
niet
overmogen,
want
Ik
ben
met
u,
luidt
het
woord
des
Heren,
om u
te
bevrijden.”
(Jeremia
1:
7,
8,
17-19)
Veertig
jaar
lang
zou
Jeremia
voor
het
volk
staan
als
een
getuige
voor
waarheid
en
recht,
In
een
ongeëvenaarde
afval
moest
hij
in
leven
en
karakter
de
eredienst
van
de
ene
ware
God
openbaren.
Tijdens
de
vreselijke
belegeringen
van
Jeruzalem
zou
hij
de
spreekbuis
van
de
Here
zijn.
Hij
moest
de
ondergang
van
het
huis
van
David
voorzeggen,
als
ook
de
verwoesting
van
de
prachtige
tempel,
die
Salomo
had
gebouwd.
En
als
hij
gevangen
gezet
zou
worden
vanwege
zijn
onbevreesde
uitspraken,
moest
hij
toch
nog
onbevreesd
zijn
stem
verheffen
tegen
de
zonden
van
de
vooraanstaanden.
Veracht,
gehaat,
door
mensen
verworpen,
zou
hij
ton
slotte
de
letterlijke
vervulling
zien
van
zijn
eigen
profetieën
van
de
naderende
ondergang,
en
delen
in
de
smart
en
jammer
die
zouden
volgen
op
de
verwoesting
van
de
gedoemde
stad.
Toch
mocht
Jeremia
te
midden
van
de
algemene
ondergang,
waarin
het
volk
zich
met
haast
stortte,
dikwijls
verder
zien
dan
de
terneerdrukkende
tonelen
van
het
heden,
naar
de
heerlijke
verwachtingen
van
de
toekomst,
als
Gods
volk
vrijgekocht
zou
worden
uit
het
land
van
de
vijand
en
weer
geplant
zou
worden
in
Sion,
Hij
voorzag
de
tijd
dat
de
Here
zijn
verbondsverhouding
zou
vernieuwen
met
zijn
volk.
“Hun
ziel
zal
zijn
als
een
besproeide
hof,
zij
zullen
nooit
meer
versmachten.”
(Jer.
31:
12)
Over
zijn
roeping
tot
het
profetisch
ambt
schreef
Jeremia
zelf:
“De
Here
strekte
zijn
hand
uit
en
roerde
mijn
mond
aan,
en
de
Here
zeide
tot
mij:
Zie,
Ik
leg
mijn
woorden
in
uw
mond;
merk
op,
Ik
stel
u
heden
over
de
volken
en
de
koninkrijken
om
uit
te
rukken
en
af
te
breken,
om
te
verdelgen
en
te
verwoesten,
om
te
bouwen
en
te
planten.”
(Jer.
1:
9,10)
Gode
zij
dank
voor
deze
woorden:
“te
bouwen
en
te
planten”.
Met
deze
woorden
werd
Jeremia
verzekerd
van
Gods
plan
om
te
herstellen
en
te
genezen.
De
boodschappen
in
de
komende
jaren
zouden
streng
zijn.
Profetieën
van
spoedig
naderende
oordelen
werden
onbevreesd
gepredikt.
Uit
de
vlakten
van
Sinear
zou
onheil
losbreken
over
alle
inwoners
van
het
land.
“Ik
zal
mijn
oordelen
over
hen
uitspreken
om
al
hun
boosheid,
dat
zij
Mij
verlaten
en
voor
andere
goden
offers
ontstoken
hebben,”
had
de
Here
gezegd.
(Jer.
1:
14,16)
Toch
deed
de
profeet
deze
boodschappen
gepaard
gaan
met
beloften
van
vergiffenis
voor
allen
die
zich
zouden
afwenden
van
hun
boosheid.
Als
een
verstandig
bouwmeester
trachtte
Jeremia
reeds
aan
het
begin
van
zijn
levenswerk
de
mannen
van
Juda
aan
te
moedigen
de
grondslagen
van
hun
geestelijk
leven
goed
en
solide
te
leggen,
door
zich
werkelijk
te
bekeren.
Lange
tijd
hadden
zij
gebouwd
met
materialen,
door
de
apostel
Paulus
vergeleken
met
hout,
stro,
en
stoppelen,
en
door
Jeremia
met
droes.
“Verworpen
Zilver
noemt
men
hen”,
had
hij
gezegd
van
het
onboetvaardig
volk,
want
de
Here
heeft
hen
verworpen.”
(Jer.
6:
30)
Nu
werden
ze
aangespoord
om
verstandig
te
gaan
bouwen
voor
de
eeuwigheid,
door
de
afval
van
afgoderij
en
ongeloof
weg
te
doen,
en
het
zuivere
goud,
het
verfijnde
zilver,
de
kostbare
stenen
–
geloof,
gehoorzaamheid
en
goede
werken
—
als
funderingsmaterialen
te
gebruiken,
welke
alleen
aanvaardbaar
waren
in
Gods
oog.
Door
Jeremia
sprak
God
tot
zijn
volk:
“Keer
weder,
Afkerigheid,
Israël
…..
Ik
zal
u
niet
donker
aanzien,
want
Ik
ben
genadig,
luidt
het
woord
des
Heren,
Ik
zal
niet
altoos
blijven
toornen.
Alleen,
erken
uw
ongerechtigheid,
dat
gij
van
de
Here,
uw
God,
zijt
afgevallen…...
Keert
weder,
afkerige
kinderen,
luidt
hot
woord
des
Heren,
want
Ik
ben
heer
over
u
…..
Keert
weder,
afkerige
kinderen,
Ik
zal
uw
afdwalingen
genezen.”
(Jer.
3:
12-14,19,22)
En
behalve
deze
wonderbare
smeekbeden
hield
de
Here
zijn
dwalend
volk
de
woorden
voor,
waarmee
ze
tot
Hem
konden
terugkeren.
Ze
moesten
zeggen:
“Zie,
hier
zijn
wij,
wij
komen
tot
U,
want
Gij
zijt
de
Here,
onze
God.
Voorzeker,
bedrog
brachten
de
heuvelen,
het
gedruis
op
de
bergen;
voorzeker,
in
de
Here,
onze
God,
is
Israëls
heil!
Wij
willen
ons
nederlegggen
in
onze
schande,
en
onze
smaad
moet
ons
dekken,
want
wij
hebben
tegen
de
Here,
onze
God,
gezondigd,
wij
en
onze
vaderen,
van
onze
jeugd
af
tot
deze
dag
toe,
en
wij
hebben
niet
gehoord
naar
de
stem
van
de
Here
onze
God.”
(Jer.
3:
22-25)
De
hervorming
onder
Josia
had
het
land
gereinigd
van
de
afgodische
heiligdommen,
maar
de
harten
van
de
massa
waren
niet
veranderd.
Het
zaad
der
waarheid
dat
opgekomen
was
en
een
overvloedige
oogst
had
beloofd,
was
door
doornen
verstikt.
Nog
zulk
een
afdwaling
zou
noodlottig
zijn:
en
de
Here
trachtte
het
volk
te
brengen
tot
een
besef
van
hun
gevaarlijke
toestand.
Alleen
als
ze
trouw
zouden
blijken
aan
de
Here,
konden
ze
hopen
op
Gods
gunst
en
op
voorspoed.
Jeremia
vestigde
hun
aandacht
herhaaldelijk
op
de
raadgevingen
in
het
boek
Deuteronomium.
Meer
dan
andere
profeten
legde
hij
de
nadruk
op
de
leer
van
de
Mozaïsche
wet,
en
toonde
aan
hoe
deze
de
rijkste
geestelijke
zegeningen
zou
kunnen
brengen
aan
het
volk
en
aan
ieder
mens.
“Vraagt
naar
de
oude
paden,
waar
toch
de
goede
weg
is,
opdat
gij
die
gaat
en
rust
vindt
voor
uw
ziel”
(Jer.
6:
16),
pleitte
hij.
Bij
een
zekere
gelegenheid
nam
de
profeet,
op
Gods
bevel,
plaats
bij
een
van
de
voornaamste
poorten
van
de
stad,
en
drong
daar
aan
op
het
belang
van
het
heiligen
van
de
sabbat.
De
inwoners
van
Jeruzalem
liepen
gevaar
de
heiligheid
van
de
sabbat
uit
het
oog
te
verliezen,
en
ze
werden
ernstig
gewaarschuwd
tegen
het
doen
van
dagelijkse
bezigheden
op
die
dag.
Een
zegen
werd
beloofd
op
voorwaarde
van
gehoorzaamheid.
“Indien
gij
echter
wel
naar
Mij
hoort”,
had
de
Here
gezegd,
“en
op
de
sabbatdag
geen
last
door
de
poorten
van
deze
stad
binnenbrengt,
maar
de
sabbatdag
heiligt,
door
daarop
generlei
werk
te
doen,
dan
zullen
door
de
poorten
van
deze
stad
koningen
en
vorsten,
die
op
de
troon
van
David
zitten,
binnenkomen,
rijdende
op
wagens
en
op
paarden,
zij
en
hun
vorsten,
de
mannen
van
Juda
en
de
inwoners
van
Jeruzalem,
en
zal
deze
stad
blijven
bestaan
voor
immer.”
(Jer.
17:
24,25)
Deze
belofte
van
voorspoed
als
beloning
van
trouw
ging
gepaard
met
een
profetie
van
de
verschrikkelijke
oordelen
waardoor
de
stad
getroffen
zou
worden
als
de
inwoners
ontrouw
zouden
zijn
aan
God
en
diens
wet.
Als
ze
geen
acht
zouden
slaan
op
de
vermaningen
om
de
Here
God
hunner
vaderen
te
gehoorzamen
en
zijn