You are home- www.agp-internet.com/react- ellenwhite.nl.nu - Themasite Ellen G. White
Jeremia  (34)

 

Onder hen die hadden gehoopt op een blijvende geestelijke opleving als gevolg van de hervorming onder Josia, bevond zich Jeremia, door God tot het profetisch ambt geroepen in het dertiende jaar van Josia’s regering, toen hij zelf nog een jongeman was. Als lid van de Levitische priesterschap was Jeremia van kind af opgeleid voor de heiligdomsdienst. In die gelukkige jaren van voorbereiding besefte hij weinig dat hij van zijn geboorte af was overweldigd door een gevoel van zijn eigen onwaardigheid. “Ach Here, Here”! riep hij uit, “zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.” (Jer. 1: 5,6)

 

God zag in de jeugdige Jeremia iemand die trouw zou zijn aan het in hem gestelde vertrouwen, en die het recht zou verdedigen ondanks tegenwerking. Als kind was hij trouw bevonden; nu moest hij, als een goed strijder van het kruis, ontberingen verdragen. Zeg niet: “ik ben jong”, zei de Here tot de boodschapper die Hij verkoren had, want tot een ieder, tot wie Ik u zend, zult gij gaan, en alles wat Ik u gebied, zult gij spreken. Vrees niet voor hen, want Ik ben met u om u te bevrijden.”

“Gord uw lendenen, maak u op en spreek tot hen al wat Ik u gebieden zal; verschrik niet voor hen, opdat Ik u niet voor hen doe verschrikken. En Ik, zie Ik zelf stel u heden tot een versterkte stad, een ijzeren zuil en een koperen muur tegen het gehele land, tegen de koningen van Juda, zijn vorsten, zijn priesters en het volk des lands; al zullen zij tegen u strijden, zij zullen u niet overmogen, want Ik ben met u, luidt het woord des Heren, om u te bevrijden.” (Jeremia 1: 7, 8, 17-19)

 

Veertig jaar lang zou Jeremia voor het volk staan als een getuige voor waarheid en recht, In een ongeëvenaarde afval moest hij in leven en karakter de eredienst van de ene ware God openbaren. Tijdens de vreselijke belegeringen van Jeruzalem zou hij de spreekbuis van de Here zijn. Hij moest de ondergang van het huis van David voorzeggen, als ook de verwoesting van de prachtige tempel, die Salomo had gebouwd. En als hij gevangen gezet zou worden vanwege zijn onbevreesde uitspraken, moest hij toch nog onbevreesd zijn stem verheffen tegen de zonden van de vooraanstaanden. Veracht, gehaat, door mensen verworpen, zou hij ton slotte de letterlijke vervulling zien van zijn eigen profetieën van de naderende ondergang, en delen in de smart en jammer die zouden volgen op de verwoesting van de gedoemde stad.

 

Toch mocht Jeremia te midden van de algemene ondergang, waarin het volk zich met haast stortte, dikwijls verder zien dan de terneerdrukkende tonelen van het heden, naar de heerlijke verwachtingen van de toekomst, als Gods volk vrijgekocht zou worden uit het land van de vijand en weer geplant zou worden in Sion, Hij voorzag de tijd dat de Here zijn verbondsverhouding zou vernieuwen met zijn volk. “Hun ziel zal zijn als een besproeide hof, zij zullen nooit meer versmachten.” (Jer. 31: 12)

 

Over zijn roeping tot het profetisch ambt schreef Jeremia zelf: “De Here strekte zijn hand uit en roerde mijn mond aan, en de Here zeide tot mij: Zie, Ik leg mijn woorden in uw mond; merk op, Ik stel u heden over de volken en de koninkrijken om uit te rukken en af te breken, om te verdelgen en te verwoesten, om te bouwen en te planten.” (Jer. 1: 9,10)

 

Gode zij dank voor deze woorden:  “te bouwen en te planten”. Met deze woorden werd Jeremia verzekerd van Gods plan om te herstellen en te genezen. De boodschappen in de komende jaren zouden streng zijn.

Profetieën van spoedig naderende oordelen werden onbevreesd gepredikt. Uit de vlakten van Sinear zou onheil losbreken over alle inwoners van het land. “Ik zal mijn oordelen over hen uitspreken om al hun boosheid, dat zij Mij verlaten en voor andere goden offers ontstoken hebben,” had de Here gezegd. (Jer. 1: 14,16)  Toch deed de profeet deze boodschappen gepaard gaan met beloften van vergiffenis voor allen die zich zouden afwenden van hun boosheid.

 

Als een verstandig bouwmeester trachtte Jeremia reeds aan het begin van zijn levenswerk de mannen van Juda aan te moedigen de grondslagen van hun geestelijk leven goed en solide te leggen, door zich werkelijk te bekeren. Lange tijd hadden zij gebouwd met materialen, door de apostel Paulus vergeleken met hout, stro, en stoppelen, en door Jeremia met droes. “Verworpen Zilver noemt men hen”, had hij gezegd van het onboetvaardig volk, want de Here heeft hen verworpen.” (Jer. 6: 30)

 

Nu werden ze aangespoord om verstandig te gaan bouwen voor de eeuwigheid, door de afval van afgoderij en ongeloof weg te doen, en het zuivere goud, het verfijnde zilver, de kostbare stenen – geloof, gehoorzaamheid en goede werken — als funderingsmaterialen te gebruiken, welke alleen aanvaardbaar waren in Gods oog.

 

Door Jeremia sprak God tot zijn volk: “Keer weder, Afkerigheid, Israël ….. Ik zal u niet donker aanzien, want Ik ben genadig, luidt het woord des Heren, Ik zal niet altoos blijven toornen. Alleen, erken uw ongerechtigheid, dat gij van de Here, uw God, zijt afgevallen…... Keert weder, afkerige kinderen, luidt hot woord des Heren, want Ik ben heer over u ….. Keert weder, afkerige kinderen, Ik zal uw afdwalingen genezen.” (Jer. 3: 12-14,19,22)

 

En behalve deze wonderbare smeekbeden hield de Here zijn dwalend volk de woorden voor, waarmee ze tot Hem konden terugkeren. Ze moesten zeggen: “Zie, hier zijn wij, wij komen tot U, want Gij zijt de Here, onze God. Voorzeker, bedrog brachten de heuvelen, het gedruis op de bergen; voorzeker, in de Here, onze God, is Israëls heil!  Wij willen ons nederlegggen in onze schande, en onze smaad moet ons dekken, want wij hebben tegen de Here, onze God, gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd af tot deze dag toe, en wij hebben niet gehoord naar de stem van de Here onze God.” (Jer. 3: 22-25)

 

De hervorming onder Josia had het land gereinigd van de afgodische heiligdommen, maar de harten van de massa waren niet veranderd. Het zaad der waarheid dat opgekomen was en een overvloedige oogst had beloofd, was door doornen verstikt. Nog zulk een afdwaling zou noodlottig zijn: en de Here trachtte het volk te brengen tot een besef van hun gevaarlijke toestand. Alleen als ze trouw zouden blijken aan de Here, konden ze hopen op Gods gunst en op voorspoed.

 

Jeremia vestigde hun aandacht herhaaldelijk op de raadgevingen in het boek Deuteronomium. Meer dan andere profeten legde hij de nadruk op de leer van de Mozaïsche wet, en toonde aan hoe deze de rijkste geestelijke zegeningen zou kunnen brengen aan het volk en aan ieder mens. “Vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg is, opdat gij die gaat en rust vindt voor uw ziel”  (Jer. 6: 16), pleitte hij.

 

Bij een zekere gelegenheid nam de profeet, op Gods bevel, plaats bij een van de voornaamste poorten van de stad, en drong daar aan op het belang van het heiligen van de sabbat. De inwoners van Jeruzalem liepen gevaar de heiligheid van de sabbat uit het oog te verliezen, en ze werden ernstig gewaarschuwd tegen het doen van dagelijkse bezigheden op die dag. Een zegen werd beloofd op voorwaarde van gehoorzaamheid. “Indien gij echter wel naar Mij hoort”, had de Here gezegd, “en op de sabbatdag geen last door de poorten van deze stad binnenbrengt, maar de sabbatdag heiligt, door daarop generlei werk te doen, dan zullen door de poorten van deze stad koningen en vorsten, die op de troon van David zitten, binnenkomen, rijdende op wagens en op paarden, zij en hun vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, en zal deze stad blijven bestaan voor immer.” (Jer. 17: 24,25)

 

Deze belofte van voorspoed als beloning van trouw ging gepaard met een profetie van de verschrikkelijke oordelen waardoor de stad getroffen zou worden als de inwoners ontrouw zouden zijn aan God en diens wet. Als ze geen acht zouden slaan op de vermaningen om de Here God hunner vaderen te gehoorzamen en zijn