You are home- www.agp-internet.com/react- ellenwhite.nl.nu - Themasite Ellen G. White

De eerste koning van Israël    (59)

 

Zie 1 Samuël 8-12

 

Israël werd bestuurd in naam en op gezag van God. Het werk van Mozes, van de zeventig oudsten en van de oversten en richters was alleen om nadruk te leggen op de wetten die God gegeven had; ze hadden niet de bevoegdheid wetten uit te vaardigen voor het volk. Dit was en zou zijn de voorwaarde voor het voortbestaan van Israël als natie.

Van tijd tot tijd zond God mannen die door Hem waren geïnspireerd om het volk te onderrichten en toe te zien op de naleving der wetten. De Here had voorzien dat Israël om een koning zou vragen, maar Hij stemde niet toe dat er een verandering zou plaatsvinden in de beginselen waarop de staat was gegrond. De koning zou de plaatsvervanger van de Allerhoogste zijn. God moest gezien worden als het Hoofd van het volk, en Zijn wet moest de grondwet vormen van het land.

 

Toen de Israëlieten zich vestigden in Kanaän, erkenden ze de beginselen der godsregering, en het volk was voorspoedig onder de leiding van Jozua. Maar de groei van de bevolking en de omgang met anderen volken bracht een verandering. Het volk nam veel van de gebruiken der heidense buren over, en gaf zo ten dele zijn bijzonder, heilig karakter prijs. Langzamerhand verloren ze hun eerbied voor God en beschouwden het niet langer een eer om Zijn uitverkoren volk te zijn.

Aangetrokken door de pracht van heidense vorsten, waren ze beu van hun eigen eenvoud. Afgunst en nijd ontsproot tussen de stammen onderling. Innerlijke verdeeldheid verzwakte hen; gedurig stonden ze bloot aan de invallen van heidense vijanden en het volk kwam ertoe te geloven dat ze, om hun plaats onder de volken te handhaven, verenigd moesten worden onder één krachtig centraal gezag. Toen ze de gehoorzaamheid aan Gods wet opgaven, wensten ze vrij te zijn van de heerschappij van hun goddelijke Heerser; daarom werd de vraag naar een koning algemeen in Israël.

 

Sedert de dagen van Jozua had niemand het volk met meer wijsheid en succes geleid dan Samuël. Door God aangesteld als richter, profeet en priester had hij onvermoeid gewerkt voor het welzijn van zijn volk, en het was voorspoedig geweest onder zijn verstandige leiding. Orde was hersteld, godsvrucht bevorderd en de geest van ontevredenheid gedurende enige tijd beteugeld.

 

Maar met het klimmen der jaren was de profeet gedwongen geworden het bestuur te delen met anderen, en hiertoe had hij zijn twee zonen aangewezen. Terwijl Samuël zijn ambt bleef uitoefenen te Rama, vestigden de beide jonge mannen zich te Berseba om het volk te richten in het zuidelijk deel van het land. Het gehele volk had toestemming gegeven dat Samuël zijn zonen had aangewezen als zijn helpers, maar ze toonden zich het vertrouwen dat in hen gesteld was onwaardig.

Door Mozes had de Here speciale richtlijnen gegeven, dat de oversten in Israël rechtvaardig zouden richten, weduwen en wezen eerlijk zouden behandelen, en onomkoopbaar moesten zijn. Maar de zonen van Samuël "waren op winstbejag uit, namen geschenken aan en bogen het recht". De zonen van de profeet hadden geen acht geslagen op de voorschriften die hij hen had trachten in te prenten. Ze hadden geen voorbeeld genomen aan het zuivere, onzelfzuchtige leven van hun vader. De waarschuwing die Eli had gekregen, had niet die invloed gehad op Samuël die noodzakelijk was geweest. Tot op zekere hoogte was hij te toegeeflijk geweest voor zijn zonen, en de resultaten kwamen aan het licht in hun karakter en leven.

 

De onrechtvaardigheid van deze richters veroorzaakte veel ontevredenheid, en zo had men een voorwendsel om aan te dringen op de verandering die zo lang in stilte was gewenst. "Alle oudsten van Israël kwamen bijeen; zij gingen naar Samuël in Rama en zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden en uw zonen wandelen niet in uw wegen; stel nu een koning over ons aan om ons te richten."

 

Samuël was niet op de hoogte van dit misbruik onder het volk. Als hij geweten had hoe zijn zonen zich misdroegen, zou hij hen zonder meer hebben afgezet; maar dit was niet wat men wenste. Samuël zag in dat ontevredenheid en trots de voornaamste drijfveer van hun verzoek was, en dat hun vraag een vastbesloten doel inhield.

Tegen Samuël was nooit een klacht ingebracht. Allen waren zich bewust van zijn oprechtheid en van de wijsheid van zijn bestuur; maar de oude profeet zag het verzoek als een aanklacht tegen hem, en als een rechtstreekse poging hem af te zetten. Hij openbaarde echter niet zijn gevoelens; hij uitte geen verwijt, maar legde in gebed de zaak voor aan de Here en vroeg Hem om raad.

 

En de Here zei tot Samuël: "Luister naar het volk, in alles wat zij tot u zeggen, want niet ú hebben zij verworpen, maar Mij hebben zij verworpen, dat Ik geen koning over hen zou zijn. Juist zoals zij gedaan hebben van de dag af, toen Ik hen uit Egypte leidde, tot op de huidige dag, dat ze Mij hebben verlaten en andere goden gediend, zó doen zij nu ook tegen u." De profeet werd bestraft omdat hij zich gegriefd voelde over het gedrag van het volk tegen hem als persoon. Ze hadden niet hem beledigd, maar het gezag van God, die de heersers over zijn volk had aangesteld. Zij die de trouwe dienstknecht van God verachten en verwerpen, tonen minachting niet voor de mens, maar voor de Meester, die hem gezonden heeft. Gods woorden, Zijn vermaningen en raadgevingen worden terzijde gezet; zijn gezag wordt verworpen.

 

Israël had zijn grootste voorspoed gekend in de tijd toen ze Jehova erkend hadden als hun Koning - toen de wetten en het bestuur, door Hem gegeven, werden beschouwd als beter dan van de andere volken. Mozes had tot Israël gezegd betreffende Gods geboden: "Dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie." Deuteronomium 4.6

Maar doordat ze Gods wet hadden losgelaten, was Israël niet het volk geworden dat God van hen had willen maken, en nu schreven ze alle kwaden gevolgen van hun eigen zonden en dwaasheden toe aan het bestuur van God. Zo volkomen waren ze door de zonde verblind.

 

Door Zijn profeten had de Here voorzegd dat Israël door een koning bestuurd zou worden; dit wil echter niet zeggen dat deze bestuursvorm de beste voor hen was, of dat deze met Zijn wil in overeenstemming was. Hij liet toe dat het volk zijn eigen keus volgde, omdat ze weigerden zich te storen aan Zijn raad. Hosea zegt, dat God hun een koning gaf in Zijn toorn. Hosea 13:11

Als mensen hun eigen weg kiezen, zonder God om raad te vragen, of zelfs handelen in strijd met Zijn wil, die ze kennen, geeft Hij vaak gehoor aan hun wensen, opdat ze door de bittere ervaringen die ze meemaken, hun dwaasheid zouden beseffen en berouw zouden hebben over hun zonde.

 

Menselijke trots en wijsheid blijken vaak een gevaarlijke leidsman te zijn. De dingen die het hart zoekt, in strijd met Gods wil, zullen ten slotte blijken een vloek te zijn in plaats van een zegen. God wilde dat Zijn volk alleen op Hem zou zien als hun Wetgever en Bron van kracht. Als ze hun afhankelijkheid gevoelde van God, zouden ze steeds nabij Hem blijven. Ze zouden veredeld en verfijnd worden, geschikt voor de hoge roeping waartoe Hij hen als Zijn uitverkoren volk had bestemd.

Maar wanneer er iemand op de troon zou worden geplaatst, zou dit de gedachten van het volk afwenden van God. Ze zouden meer op menselijke kracht vertrouwen dan op Gods macht, en de fouten van hun koning zouden hen tot zonde verleiden, zodat het volk van God gescheiden zou zijn.

 

Samuël kreeg opdracht het verzoek van het volk toe te staan, maar hen te waarschuwen dat Gods ongenoegen op hen rustte, terwijl hij tevens moest vertellen wat de gevolgen van hun keus zouden zijn.

"En Samuël sprak al de woorden des Heren tot het volk, dat hem om een koning gevraagd had."

Getrouw hield hij hen voor welke lasten op hen zouden drukken, en hij liet de tegenstelling zien tussen zulk een druk en hun huidige betrekkelijk vrije en voorspoedige toestand. Hun koning zou de pracht en luxe van andere vorsten willen navolgen, en om dit te kunnen, zouden zware eisen aan mensen en bezittingen worden gesteld. De beste van hun jonge mannen zou hij opeisen voor zijn dienst. Ze zouden wagenvoerders, ruiters en lopers voor hem worden. Ze zouden deel uitmaken van zijn leger, en zijn landerijen moeten bewerken, zijn oogsten moeten binnenhalen, en het wapentuig moeten vervaardigen voor zijn dienst.

De dochters van Israël zouden genomen worden om dienst te doen voor de huishouding van de koning. Om zijn koninklijke staat op te houden zou hij beslag leggen op hun beste landerijen, die de Here zelf aan het volk geschonken had. De meest waardevolle dienstknechten en het beste van hun vee zou hij nemen om hem te dienen. Daarnaast zou de koning een tiende opeisen van al hun inkomsten, de vrucht van hun werk, of de opbrengst van de bodem. "Gij zult hem tot slaven zijn", besloot de profeet zijn toespraak. "Te dien dage zult gij jammeren over uw koning die gij u gekozen hebt, maar de Here zal u te dien dage niet antwoorden." Hoe veeleisend de lasten van het koningschap ook zouden zijn, wanneer dit eenmaal een feit zou zijn, konden ze het niet zonder meer afschudden.

 

Maar het volk antwoordde: "Neen, toch moet er een koning over ons zijn; dan zullen ook wij zijn als alle andere volken; onze koning zal ons richten, vóór ons uitrukken en onze oorlogen voeren."

 

"Als alle andere volken." De Israëlieten begrepen niet dat ze door te verschillen met andere volken een speciaal voorrecht en een bijzondere zegen genoten. God had de Israëlieten van alle andere volken gescheiden om hen tot Zijn bijzonder eigendom te maken. Maar zij stelden deze eer niet op prijs, en verlangden vurig het voorbeeld van de heidenen na te volgen.

Dit verlangen om zich te voegen naar wereldse gebruiken en gewoonten bestaat nog onder hen die belijden tot Gods volk te behoren.

Als ze de Here loslaten, streven ze naar het gewin en de eer der wereld. Christenen zijn er steeds op uit om de gebruiken na te volgen van hen die de god dezer wereld aanbidden. Velen stellen dat ze, door zich te verenigen met mensen uit de wereld en door hun gebruiken over te nemen, meer invloed kunnen hebben over ongelovigen. Maar allen die deze weg volgen, scheiden zich af van de Bron van hun kracht. Door hun vriendschap met de wereld worden ze vijanden van God. Ter wille van aardse onderscheidingen geven ze de onvoorstelbare eer prijs waartoe God hen geroepen heeft, en verkondigden niet langer de deugden van Hem die hen uit het duister geroepen heeft tot Zijn wonderbaar licht.

 

Diep bedroefd luisterde Samuël naar de woorden van het volk; maar de Here zei tot hem: "Luister naar hen en stel een koning over hen aan." De profeet had zijn plicht gedaan. Trouw had hij het volk gewaarschuwd, en ze hadden de waarschuwing verworpen. Bezwaard liet hij hen gaan, terwijl hij zich gereed maakte voor de grote ommekeer in het bestuur.

Samuëls leven van zuiverheid en onzelfzuchtige dienst was een blijvende aanklacht tegen de zelfzuchtige priesters en oudsten en tegen de trotse, vleselijk gezinde vergadering van Israël. Hoewel hij niet praalde en geen vertoon maakte, droeg zijn werk het stempel van de hemel. Hij werd geeerd door de Verlosser der wereld, onder wiens leiding hij het Hebreeuwse volk bestuurde. Maar het volk had genoeg van zijn vroomheid en toewijding; het verachtte zijn nederig gezag en verwierp hem om een koning te hebben die hen zou besturen.

 

In het karakter van Samuël vinden we een weerkaatsing van Christus. De zuiverheid van het leven van de Heiland wekte de toorn van satan op. Dat leven was het Licht der wereld, en openbaarde de verborgen zonden in de harten der mensen. Christus' heiligheid wekte de felle haat van oneerlijke belijders van de godsdienst.

Christus kwam niet met de rijkdom en eer der wereld beladen, en toch toonden de werken die Hij verrichtte dat Hij grotere macht bezat dan een aards vorst. De joden zagen uit naar de Messias om het juk van de verdrukker af te werpen, terwijl ze vasthielden aan de zonden die dat juk op hun schouders hadden gebracht.

Als Christus hun zonden had bemanteld en hun godsvrucht had geprezen, zouden ze Hem als hun koning hebben aanvaard; maar ze wilden niet luisteren naar Zijn woorden, die hun zonden bestraften. De beminnelijkheid van een karakter waarin weldadigheid, zuiverheid en heiligheid overheersten, en waarin geen haat was, behalve voor de zonde, verachtten zij. Zo is het altijd geweest. Het licht des hemels brengt veroordeling voor allen die weigeren het te volgen. Als huichelaars zich bestraft voelen door het voorbeeld van hen die de zonde haten, zullen ze werktuigen worden van satan, en de getrouwen benauwen en vervolgen. "Allen, die in Christus Jezus godsvruchtig willen leven, zullen vervolgd worden." 2 Timothéüs.3:12

 

Hoewel profeten het koningschap in Israël hadden voorzegd, had God Zich het recht voorbehouden zelf hun koning te kiezen. De Hebreeën hadden tenminste zoveel eerbied voor Gods gezag dat ze de beslissing hiervoor geheel aan Hem overlieten. De keus viel op Saul, een zoon van Kis, uit de stam van Benjamin.

De persoonlijke hoedanigheden van de toekomstige vorst bevredigden de trots van het hart dat naar een koning had gevraagd. "Onder de Israëlieten was er niemand schoner dan hij." Hij had een edel en waardig voorkomen, was in de kracht van zijn leven, had een goede en grote gestalte en het voorkomen van een geboren heerser. Toch, met al deze uiterlijke aantrekkelijkheid, miste Saul de eigenschappen die ware wijsheid vormen. In zijn jeugd had hij niet geleerd zijn opvliegende hartstocht te beheersen; nooit had hij de vernieuwende kracht van Gods genade ervaren.

 

Saul was de zoon van een machtig en welgesteld vorst; evenwel hielp hij, naar de gewoonte van die tijd, zijn vader bij diens werk als landbouwer. Enkele van de dieren van zijn vader waren verdwaald op het gebergte, en met een knecht ging Saul op zoek naar de dieren. Drie dagen lang zochten ze tevergeefs, en toen ze in de omgeving kwamen van Rama, de woonplaats van Samuël, stelde de knecht voor om aan de profeet te vragen waar de vermiste dieren waren. "Ik heb nog het vierde deel van een zilveren sikkel bij mij," zei hij, "ik zou dit de man Gods kunnen geven, dan zal hij ons over onze tocht inlichten." Dit was gebruikelijk in die dagen. Als iemand een meerdere opzocht, bracht hij een klein geschenk mee, als blijk van zijn achting.

 

Toen ze de stad naderden, kwamen ze enkele meisjes tegen die uitgingen om water te putten, en ze vroegen hen waar de ziener woonde. Ze kregen te horen dat er een godsdienstplechtigheid zou plaatsvinden waarbij de profeet aanwezig zou zijn, en dat dit offer zou plaatsvinden op de 'hoogte', waarna een feestmaal gehouden zou worden. Onder het bestuur van Samuël was er veel veranderd. Toen God hem riep, stond de heiligdomsdienst niet erg in aanzien. "De mensen gingen het offer des Heren gering achten." 1 Samuël 2:17

 

Nu echter werd in heel het land Gods eredienst gehandhaafd, en stelde het volk belang in de godsdienstoefeningen. Omdat er in de tabernakel geen dienst werd gedaan, werden de offerande tijdelijk op andere plaatsen gebracht. De steden van de priesters en de Levieten, waar het volk onderricht moest worden, waren hiervoor aangewezen.

De hoogste punten in deze steden werden gewoonlijk als offerplaats gebruikt, en daarom hoogten genoemd. Bij de stadspoort ontmoette Saul de profeet. God had aan Samuël geopenbaard dat nu Israëls toekomstige koning voor hem zou verschijnen. Toen ze tegenover elkaar stonden, zei de Here tot Samuël: "Dit is de man, over wie Ik u gesproken heb; deze zal over Mijn volk heersen."

Op de vraag van Saul: "Wijs mij toch, waar het huis van de ziener is", antwoordde Samuël: "Ik ben de ziener." Nadat hij hem gezegd had dat de verdwaalde dieren gevonden waren, drong hij bij hem erop aan te blijven bij het feest, en voegde eraan toe: "Maar aan wie behoort al wat Israël begerenswaardig acht?

Behoort het niet aan u en aan uw gehele familie?"

Het hart van Saul werd getroffen door deze woorden van de profeet. Hij moest wel iets begrijpen van deze woorden, want de vraag naar een koning was een nationale aangelegenheid geworden. Toch antwoordde hij met bescheiden geringschatting van zichzelf: "Ben ik niet een Benjaminiet, uit één van de kleinste stammen van Israël? En is mijn geslacht niet het geringste van alle geslachten van de stam Benjamin? Waarom spreekt gij dan zó tot mij?"

 

Samuël bracht de vreemdeling naar de vergaderplaats, waar de voornaamste mannen van de stad bijeen waren. Op aanwijzing van de profeet kreeg Saul de ereplaats, en het beste van de maaltijd werd aan hem voorgezet. Toen de dienst voorbij was, nam Samuël zijn gast mee naar huis, en sprak op het dak geruime tijd met hem, terwijl hij hem de grote beginselen, waarop het bestuur van Israël was gegrondvest, uiteenzette en hem op deze wijze trachtte voor te bereiden op zijn hoge roeping.

 

Toen Saul de volgende morgen vroeg afscheid nam, ging de profeet met hem mee. Buiten de stad gekomen, gaf hij bevel dat de knecht moest doorlopen. Hij bleef met Saul staan, om hem een boodschap van God te geven. "Toen nam Samuël de oliekruik, goot haar uit over zijn hoofd, kuste hem en zeide: Heeft de Here u niet tot vorst over Zijn erfdeel gezalfd?" Als bewijs dat dit op Gods bevel was gebeurd, voorzegde hij wat op de weg naar huis zou plaatsvinden, en Saul kreeg de verzekering dat Gods Geest hem geschikt zou maken voor de taak die voor hem lag. "De Geest des Heren zal u aangrijpen", zei de profeet; "gij zult... tot een ander mens worden. Wanneer deze tekenen aan u geschieden, doe dan wat uw hand vindt, want God is met u."

 

Bij het verdergaan van Saul gebeurde alles wat de profeet had gezegd. Nabij de grens van Benjamin kreeg hij te horen dat de verdwaalde dieren terecht waren. In de vlakte van Tabor ontmoette hij drie mannen die onderweg waren om God in Bethel te aanbidden. Eén van hen droeg drie bokjes om te offeren, een ander drie broden, en de derde een kruik wijn voor het offerfeest. Ze begroetten Saul op de gewone wijze en gaven hem tevens twee van de drie broden.

In Gibea, waar hij woonde, kwam een groep profeten terug van de 'hoogte', onder het lofzingen van God op de muziek van fluit en harp, citer en tamboerijn. Toen Saul hen naderde, kwam de Geest des Heren ook over hem en voegde hij zich bij hen, terwijl hij instemde met hun lofzang en profeteerde. Zó ernstig en welsprekend sprak hij, en dusdanig ging hij op in dit alles dat degenen die hem kenden, verbaasd uitriepen: "Wat is toch de zoon van Kis overkomen? Is Saul ook onder profeten?"

 

Terwijl Saul deelnam aan de dienst der profeten, bewerkte de Heilige Geest een grote verandering in hem. Het licht van Gods reinheid en heiligheid verlichtte het duister van zijn hart. Hij zag zichzelf zoals hij werkelijk was. Hij zag de schoonheid van Gods heiligheid. Nu werd hij opgeroepen te strijden tegen de zonde en tegen satan, en gevoelde hij dat zijn kracht in deze strijd geheel van God moest komen. Het verlossingsplan, dat tot nu toe vaag en onduidelijk was geweest, werd hem duidelijk gemaakt. De Here schonk hem moed en wijsheid voor zijn hoge positie. Hij toonde hem de Bron van kracht en genade, en verlichtte zijn verstand wat betreft Gods aanspraken op hem, alsook zijn eigen plicht.

 

De zalving van Saul tot koning was niet aan het volk bekendgemaakt. Gods keus zou in het openbaar bekendgemaakt worden door het werpen van het lot. Hiervoor riep Saul het volk bijeen te Mispa. Er werd gebeden om Gods leiding, toen volgde de plechtigheid van het werpen van het lot. Zwijgend wachtte de vergadering op de uitslag. De stam, het geslacht, en daarna het huishouden werden aangewezen, en eindelijk werd Saul, de zoon van Kis genoemd als de man die door God was gekozen.

Saul was echter niet in de vergadering aanwezig. De last van de grote verantwoordelijkheid die hij zou moeten dragen, drukte hem, en hij had zich ongemerkt verwijderd. Hij werd teruggebracht naar de vergadering, die trots en voldaan zag dat hij een vorstelijk voorkomen bezat, "dat hij een hoofd boven al het volk uitstak". Zelfs Samuël, die hem aan het volk voorstelde, riep uit: "Ziet gij wel, wie de Here verkoren heeft? Want er is niemand als hij onder het gehele volk."

 

Als antwoord klonk de luide juichkreet van het volk: "De koning leve!" Toen zette Samuël voor het volk "het recht van het koningschap" uiteen, en noemde de beginselen waarop dit was gegrond en waardoor het zich moest laten leiden. De koning mocht geen dictator zijn, maar was ondergeschikt aan de wil van de Allerhoogste. Deze toespraak werd in een boek geschreven, waarin tevens de koninklijke onschendbaarheid en de rechten en voorrechten van het volk waren neergelegd. Hoewel het volk de waarschuwing van Samuël had verworpen, trachtte de trouwe profeet zoveel mogelijk hun vrijheid te beschermen.

 

Hoewel het merendeel van het volk bereid was geweest Saul als koning te erkennen, was er ook een aantal dat zich ertegen verzette. Dat een koning werd gekozen uit Benjamin, de kleinste stam in Israël, met voorbijgaan van Juda en Efraïm, de grootste en machtigste stammen, was iets dat ze niet konden slikken. Ze weigerden hun trouw te betuigen aan Saul en brachten hem niet de gebruikelijke geschenken. Zij die het luidst hadden geroepen om een koning, weigerden nu de man die God gekozen had, dankbaar te aanvaarden. Iedere stam had wel iemand die ze graag als koning zouden zien, en verschillende leiders onder het volk begeerden deze eer voor zichzelf. Nijd en afgunst vulde het hart van velen. Hun plannen als gevolg van trots en eerzucht waren uitgelopen op teleurstelling en ontevredenheid.

 

Onder deze omstandigheden oordeelde Saul het niet juist de koninklijke waardigheid op zich te nemen. Hij liet het bestuur als voorheen over aan Samuël en keerde terug naar Gibea. Op eervolle wijze werd hij vergezeld door een gezelschap dat besloten had achter hem te staan, omdat ze Gods hand hadden gezien in zijn aanstelling. Maar hij deed geen poging om met geweld zijn aanspraak op de troon te verdedigen. Thuis in het gebergte van Benjamin hield hij zich rustig bezig met zijn werk als landbouwer, terwijl hij het aan God overliet zijn gezag te vestigen.

 

Kort na de aanstelling van Saul deden de Ammonieten onder aanvoering van hun koning Nachas een inval in het grondgebied van de stammen ten oosten van de Jordaan, en bedreigden de stad Jabes in Gilead. De inwoners trachtten vrede te sluiten door aan te bieden schatting te zullen betalen aan de Ammonieten. De wrede koning wilde dit aanbod echter alleen aanvaarden als hij iedere man het rechteroog mocht uitsteken als blijvend bewijs van zijn macht.

 

Het volk in de belegerde stad vroeg om een uitstel van zeven dagen. De Ammonieten stemden hierin toe, met de gedachte dat op deze wijze de eer van hun overwinning des te groter zou zijn. Direct werden boden uit Jabes gezonden om hulp te vragen aan de stammen ten westen van de Jordaan. Dit bericht kwam ook in Gibea, en bracht algemene ontzetting. Saul hoorde bij zijn terugkeer van het land het nieuws van de ramp. Hij zei:

"Wat heeft het volk, dat het weent?" Toen hij het onterende nieuws hoorde, ontwaakten zijn sluimerende krachten. "Toen... greep de Geest Gods hem aan... hij... nam een span runderen, hieuw ze in stukken en zond deze met de boden door het gehele gebied van Israël, zeggende: Wie niet uittrekt achter Saul en achter Samuël - met diens runderen zal evenzo gehandeld worden."

Driehonderd dertig duizend man verzamelden zich op de vlakte Bezek, onder aanvoering van Saul. Onmiddellijk werden boden gestuurd naar de belegerde stad, met de belofte dat ze de volgende dag hulp konden verwachten, juist op de dag dat ze zich aan de Ammonieten moesten onderwerpen. Door gedurende de nacht snel voort te trekken, staken Saul en zijn leger de Jordaan over en kwamen in de morgenwake te Jabes aan. Evenals Gideon verdeelde hij zijn leger in drie gedeelten en overviel het leger der Ammonieten, die in dat vroege uur geen gevaar verwachtten en zich volkomen veilig voelden. In de paniek die het gevolg was, werden ze met grote verliezen geslagen. "Wie overbleven werden verstrooid, zodat er onder hen geen twee bij elkander bleven."

 

De beslistheid en dapperheid van Saul, en de bekwame leiding die hij toonde in het aanvoeren van zulk een grote menigte, waren eigenschappen die het volk van Israël verwachtte van een vorst, zodat ze konden wedijveren met andere volken. Nu begroetten ze hem als hun koning, terwijl ze de eer van de overwinning toeschreven aan menselijke kracht en vergaten dat ze zonder Gods bijzondere zegeningen niets hadden kunnen bereiken. In hun opgewondenheid stelden sommigen voor om allen die eerst geweigerd hadden het gezag van Saul te erkennen, ter dood te brengen. Maar de koning kwam tussenbeide met de woorden: "Op deze dag zal niemand ter dood gebracht worden, want de Here heeft heden verlossing aan Israël geschonken." Hier liet Saul zien welk een verandering in zijn karakter had plaatsgevonden. In plaats van zich te laten eren, gaf hij God de eer. In plaats van zich te wreken, openbaarde hij een geest van vergevensgezindheid en medeleven. Dit zijn onmiskenbare bewijzen dat Gods genade in het hart aanwezig is.

 

Samuël stelde nu voor, dat in Gilgal een nationale bijeenkomst gehouden zou worden om het koningschap in het openbaar aan Saul te bevestigen. Dit gebeurde; "en zij slachtten daar vredeoffers voor het aangezicht des Heren, en Saul en alle mannen van Israël verheugden zich zeer."

 

Gilgal was de plaats waar Israël zich het eerst had gelegerd bij hun komst in het beloofde land. Hier had Jozua op Gods bevel de zuil van twaalf stenen opgericht als aandenken aan de wonderbare doortocht door de Jordaan. Hier was de besnijdenis opnieuw ingesteld. Hier hadden ze het eerste Pascha gevierd na de zonde te Kades en na hun woestijnreis. Hier was het manna voor het laatst gevallen. Hier had de Vorst van de heer des Heren Zich geopenbaard als Leidsman van het leger van Israël. Van deze plaats waren ze naar Jericho getrokken om die stad te veroveren. Hier was Achan gestraft voor zijn zonde, en hier was ook het verbond gesloten met de Gibeonieten, om welke reden Israël gestraft was, daar men God niet om raad had gevraagd. Op deze vlakte, waaraan zoveel herinneringen verbonden waren, stonden Samuël en Saul; en toen het welkomsgejuich voor de koning had opgehouden, sprak de bejaarde profeet zijn afscheidswoorden als bestuurder van het volk.

 

"Zie," zie hij, "ik heb naar u geluisterd in al wat gij tot mij gezegd hebt, en heb een koning over u aangesteld. Nu dan, zie, de koning gaat u voor; ik echter ben oud en grijs geworden.…. van mijn jeugd af tot op deze dag ben ik u voorgegaan. Hier ben ik. Getuigt tegen mij in tegenwoordigheid des Heren en in tegenwoordigheid van Zijn gezalfde: Wiens rund heb ik genomen? Wiens ezel heb ik genomen? Wie heb ik verdrukt? Wie heb ik verongelijkt? Uit wiens hand heb ik een geschenk aangenomen en heb daarom mijn ogen toegedaan? Dan zal ik het u teruggeven."

 

Eenstemmig antwoordde het volk: "Gij hebt ons niet verdrukt en gij hebt ons niet verongelijkt en gij hebt uit niemands hand iets aangenomen." Samuël zocht niet zijn gedrag te rechtvaardigen. Kort hiervoor had hij de beginselen naar voren gebracht waardoor koning en volk zich moesten laten leiden, en aan zijn woorden wilde hij het gewicht van zijn eigen voorbeeld toevoegen. Vanaf zijn kinderjaren was hij verbonden geweest met het werk van God, en heel zijn lange leven had hem slechts één doel voor ogen gestaan - Gods eer en de voorspoed van Israël.

 

Eer Israël kon hopen op voorspoed, moesten ze ertoe gebracht worden zich tot God te bekeren. Als gevolg van hun zonde hadden ze hun geloof in God en het besef van Zijn macht en wijsheid om het volk te besturen, verloren - ze twijfelden aan Zijn macht om Zijn zaak te verdedigen. Eer ze ware vrede zouden vinden, moesten ze de zonde zien en belijden waaraan ze schuldig waren. Ze hadden gezegd dat ze een koning wilde hebben opdat hij hen zou richten, voor hen zou uitgaan en hun oorlogen voeren. Samuël ging terug naar het verleden, van de dag af dat God hen uit Egypte had geleid. Jehova, de Koning der koningen, was voor hen uitgegaan en had hun oorlogen gevoerd. Vaak waren ze door hun zonden in de macht van hun vijanden gevallen, maar wanneer ze zich afwenden van hun boze wegen, verwekte God een bevrijder.

"De Here zond Jerubbaäl, Barak, Jefta en Samuël, en redde u uit de macht der vijanden die u omringden, zodat gij veilig woonde." Toch hadden ze gezegd, toen ze in gevaar verkeerden: "Een koning zal over ons regeren", maar de profeet zei: "De Here, uw God, is uw Koning."

 

"Blijft nu nog staan", ging Samuël door, "en ziet dit geweldige dat de Here voor uw ogen doen zal. Is het nu niet de tijd van de tarweoogst? Ik zal tot de Here roepen, dat Hij donderslagen en regen geve. Weet dan en ziet, dat het kwaad groot is, dat gij in de ogen des Heren gedaan hebt door voor u een koning te vragen. Toen riep Samuël tot de Here, en de Here gaf op die dag donderslagen en regen." In de dagen van de tarweoogst, in mei en juni, viel in het Oosten geen regen. De lucht was onbewolkt, en het was zacht weer. Opeens brak er zulk een geweldige storm los, dat de harten van allen met vrees vervuld werden. Ootmoedig erkende het volk nu zijn zonde - de zonde waaraan ze schuldig waren: "Bidt voor uw knechten tot de Here, uw God, opdat wij niet sterven, want aan al onzen zonden hebben wij nog kwaad toegevoegd door voor ons een koning te vragen."

 

Samuël liet het volk niet ontmoedigd achter, want dit zou alle streven naar een beter leven hebben verhinderd. Satan wilde dat ze God zouden zien als streng en niet bereid te vergeven, en daardoor zouden ze blootstaan aan allerlei verleidingen. God is barmhartig en vergevingsgezind, en altijd bereid Zijn gunst te tonen aan Zijn volk als ze naar Zijn stem willen luisteren. "Vreest niet," zei Samuël, "wel hebt gij al dit kwaad bedreven, maar wijkt niet langer van de Here af, dient de Here met uw ganse hart. Gij zult niet afwijken achter de ijdelheden, die baten noch redden kunnen; slechts ijdelheid zijn zij. Want de Here zal Zijn volk niet verstoten."

 

Samuël zei niets van de beledigingen die men hem had aangedaan; hij uitte geen verwijten voor de ondank, waarmee Israël zijn levenslange toewijding had beloond; maar hij verzekerde hen dat hij steeds belang in hen zou blijven stellen: "Het zij verre van mij, dat ik tegen de Here zou zondigen door op te houden voor u te bidden; ik zal u de goede en rechte weg leren. Vrees slechts de Here en dient Hem trouw met uw ganse hart, want ziet, welke grote dingen Hij onder u gedaan heeft. Maar indien gij toch kwaad doet, zult gij zowel als uw koning weggevaagd worden."
("Patriarchen en Profeten” E.G.White)