You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies)

 

"Christus en de wet" (14)


Bijbelstudie nr. 14

 

Om vanavond het achtste hoofdstuk van de Romeinenbrief te kunnen beëindigen, is het nodig dat wij elk vers slechts kort behandelen. Toch geloof ik dat het goed is nog een ogenblik bij de gedachten uit onze vorige studie stil te staan. «Wij weten nu dat God alle dingen doet medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die volgens zijn voorne­men geroepen zijn. Want Hij die tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren be­stemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons, opdat Hij de eerstgeborene zou zijn onder vele broederen; en die Hij tevoren bestemd heeft, dezen heeft Hij ook geroepen; en die Hij geroepen heeft, dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd, en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook verheerlijkt.» Rom. 8:30.

 

Het zal u opvallen dat de werkwoorden in deze teksten allen in de verleden tijd staan. De zegeningen en beloften hier samengevat zijn voortdurend geldig voor hen, die door God geroepen zijn. Wie zijn geroepen? «Want voor. u is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here onze God, er toe roepen zal». Hand. 2:39. Hij roept «wie wil». «Wie wil, neme het water des levens om niet.» Openb. 22:17.

 

Wat is nu de bedoeling Gods met het roepen van de gehele wereld, «een ieder die wil kome». «Om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten in Hem». Efez. 1:10.

 

Als Paulus over hetzelfde onderwerp spreekt in 2 Tim. 1:9 zegt hij: «die ons behouden heeft en geroepen met een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en de genade, die ons in Christus Jezus ge­geven is vóór eeuwige tijden.» Dus naar Gods voornemen der genade moeten wij allen bijeenvergaderd worden in CHRIS­TUS. Indien wij dat inzien, wat is dan onze plicht? «Beijvert u daarom des te meer broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen». 2 Petr. 1:10.

Hoe kunnen wij nu onze roeping en verkiezing bevestigen (veilig stellen)? Een ieder is geroepen, maar het voornemen Gods ligt in Christus; «want uit Hem en door Hem en tot Hem zijn alle dingen; Hem zij de heerlijkheid tot in eeuwigheid! Amen». Rom. 11:36.

 

Wij worden allen geroepen, en allen kun­nen wij onze roeping en verkiezing bevestigen door Christus te aanvaarden en in Hem te blijven; dan zijn wij geroepen naar het voornemen Gods, omdat wij in Christus zijn. Geef alles wat het eigen ik betreft op, en alles wat er mee te maken heeft; dan kunt u Christus bezitten en bent u naar Gods voornemen geroepen. Indien wij zeggen: «Hier ben ik Heer, neemt Gij mij aan», dan zijn wij in Chris­tus; maar het gezegde «hier ben ik, neem mij aan» moet een zeggen zijn met de daad en in waarheid. Het zijn niet alleen maar de woorden, wij moeten ons bewust zijn wat ze betekenen. Dan zijn wij in Hem en bestemd om veranderd te worden naar het beeld van zijn Zoon.

 

«Alle dingen werken mede ten goede voor hen, die God liefhebben». Wanneer? NU! Hoe kan dat? «Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren be­stemd tot gelijkvormigheid aan het beeld zijns Zoons.» «Ziet welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden». 1 Joh. 3:1.

Wan­neer wij dag aan dag tot de Heer zeggen: «Hier is mijn hart, Heer, het is nog steeds mijn verlangen, ik wil dat het van U is», dan zal Hij ons met de koorden van goddelijke liefde aan de hoornen van het altaar binden. Dan zijn wij uitverkorenen met Christus. Wat Hij bezit, bezitten wij. Hij geeft ons het eeuwige leven en heeft zelfs gezegd: «Niemand zal ze uit mijn hand roven». Joh. 10:28.

God had een voornemen. Kan dat ver­anderd worden? Neen, het staat vast. Zij die geroepen zijn, zijn in Christus ge­rechtvaardigd, en daardoor bezitten zij de rechtvaardigmaking. Maar zij die ge­rechtvaardigd zijn, zijn ook verheerlijkt. Kunnen wij dat geloven?

 

Dan kunnen wij beschikken over één wonderlijke hoeveelheid kracht. Bezitten wij de heerlijkheid van Christus? Ja, «de heerlijkheid, die Gij Mij gegeven hebt, heb Ik hun gegeven, opdat zij één zijn, gelijk Wij één zijn». Joh. 17:22.

 

Let wel, dit alles staat in de verleden tijd. De heerlijkheid, die God aan Christus gegeven heeft, is nu de onze. Het is waar dat deze heerlijkheid heden nog niet openbaar is en de wereld ons niet kent, omdat zij Christus niet kent. Maar zij is de onze, en zal openbaar worden, ja zij openbaart zich nu reeds in de vorm van genade. Zij is ons innerlijk bezit, want Paulus zegt: «opdat Hij u geve, naar den rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in den inwendigen mens.» Efez. 3:16. Om de­zelfde reden zegt Jeremia: «Verwerp niet om uws naams wil, onteer niet uw heerlijken troon». Jer. 14:21. «De Here geeft genade en ere; het goede onthoudt Hij niet aan hen, die onberispelijk wande­len». Ps. 84:12.

 

Petrus zegt, dat indien wij in Hem gelo­ven, wij ons mogen verheugen met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreug­de.» 1 Petr. 1:8.

 

Deze heerlijkheid is geheel van ons, wij bezitten ze nu. Wanneer wij deze genade hebben aangenomen overeenkomstig de rijkdom zijner heerlijkheid en zijn voor­nemen in ons is verwezenlijkt, dan zullen we weldra op datzelfde niveau, van gena­de overstappen in de heerlijkheid. «Wat zullen wij dan van deze dingen zeggen? Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?» vers 31. Lees deze tekst, aanvaard hem, leer hem van buiten, en herinner u eveneens: «en zij hebben hem overwonnen door het bloed van het Lam en door het woord van hun getuigenis». Openb. 12:11.

 

Bedenk dat Christus ons het voorbeeld gaf de satan te overwinnen door het woord van het getuigenis; telkens als de verzoeking kwam zei Hij: «Er staat geschreven». Als dus donkere wolken ko­men en duisternis u omringt, zegt dan:

 

"Als God voor ons is, wie zal tegen ons zijn!». En God IS voor ons, duidelijk aan­getoond door het feit, dat Hij Christus gaf om voor ons te sterven, en Hem weer opwekte om onze rechtvaardiging. Rom. 4:25.

 

God doet alles naar de raad van zijn wil, deze gedachte geeft vrede en rust. Hij doet alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben, die naar zijn voornemen geroepen zijn. Dan doet het er niet toe, wat ons tegemoet treedt, want hetgeen tegen ons gericht is, is gericht tegen het voornemen Gods; Gods voornemen staat echter zo vast en on­wankelbaar als het bestaan van de Almachtige zelve.

 

Wie is tegen ons? Satan is tegen ons. Dat maakt echter geen verschil. Satan heeft zijn krachten met Christus genieten, en het is bewezen, dat hij niets vermocht. Christus zegt: «Mij Is gegeven alle macht In hemel en op aarde.». Indien dus alle macht in hemel en op aarde aan Christus gegeven is, en dat is een feit, wat blijft er dan nog over voor satan? In een strijd met Christus heeft Satan geen macht; als Christus dus voor ons is, kan er niets tegen ons zijn.

 

Sommigen van ons hebben in het verle­den over de kracht van satan gesproken; maar hij bezit geen kracht; voor hem is niets over gebleven. Formeel gesproken is satan tegen ons. Wie Is hij? «De overste van de macht der lucht». Efez. 2:2. Hij ver­oorzaakt epidemieën en ziekten, hij legt ons moeilijkheden in de weg of zet tegen ons op.  Maar dezelfde dingen die hij tegen ons gebruikt, neemt God en keert ze tot ons welzijn. Zo zijn alle dingen ons ten goede. Dikwijls zingen wij:

Zij vrede mijn deel is of smart mij verleert en storm­wind en nacht mij verschrik;

Gij hebt mij, mijn Heiland te roepen geleerd, 't Is mij goed wat mijn God mij

beschikt.

 

Dikwijls zingen wij echter dingen, die wij helemaal niet geloven. Nu zou ik niet willen dat iemand van u deze liederen minder zingt, maar dat u ze meer gelooft. Het is dikwijls zo, dat als we de muziek zouden weglaten en de tekst in duidelijke taal voor ons zagen, er niemand in de hele vergadering ze zou geloven of dur­ven uitspreken. Laten we ze geloven, niet omdat ze in een lied staan, maar omdat het bijbelwaarheid is.

 

Wij zijn net zo als het volk dat in Ezechiël wordt voorgesteld, waarvan de profeet zegt: «Gij nu mensenkind, uw volksge­noten spreken onderling over u bij de muren en aan de deuren der huizen; de een zegt tot den ander, ieder zegt tot zijn naaste: »Komt toch mee en hoor welk woord er van den Here is uitgegaan.» Het is alsof zij zeggen: Laten we naar de vergadering gaan en naar de preek luisteren.

"En zij komen bij u als in een volksoploop, zetten zich voor u neer als mijn volk en horen uw woorden, maar doen er niet naar woorden van liefde zijn in hun mond, maar hun hart gaat uit naar hun woekerwlnst. Zie, gij zijt voor hen als een liefdeslied, schoon van klank, pas­send bij snarenspel. Zij horen uw woor­den, maar doen er geenszins naar.» Ezech. 33:30-32.

 

Ik ben van mening dat vele van deze waarheden niet meer zijn dan een mooi lied voor veel mensen. Zij horen ze en zijn er in geïnteresseerd, maar gaan er verder aan voorbij, zonder ze te geloven of er­naar te doen. Maar de Heer heeft ze ons gegeven om er in te geloven en er naar te handelen, dan zullen ze ons tot kracht zijn. Alleen zo werken alle dingen mede ten goede voor hen die God liefhebben. Wij kennen niet altijd het waarom en hoe; maar GOD zegt het en dan erkennen we dat het zo is.

Er zijn vele dingen waarvan wij niet verklaren kunnen waarom wij ze geloven, zelfs voor onze zintuigen schij­nen ze niet mogelijk te zijn, maar het feit, dat God beloofd heeft, dat als wij geloven, het ook zal geschieden, maakt dat het werkelijk gebeurt als wij ze aannemen en erin geloven. Wij zullen dit nooit ervaren, tenzij wij geloven; maar als we geloven zullen we ook zeker weten dat het zo is. Als God dus voor ons is, wie kan dan tegen ons zijn!

 

Denk eens aan Elisa, de eenzame pro­feet Gods. Hij was in Samaria en rondom waren bergen. Een heel leger van gewa­pende mannen was gekomen om hem gevangen te nemen. Slechts zijn dienst­knecht was bij hem, en die was bang. Op dat moment dacht hij er niet aan, nog minder zei hij het, dat de koning van Israël nu een leger ruiters moest zenden en een afdeling voetvolk om hem te beschermen. De jonge man kwam tot hem en vroeg: "Meester, wat moeten wij begin­nen?». Elisa bad: «Here, open toch zijn ogen, opdat hij zie. En de Here opende de Ogen van den knecht en hij zag en zie, de berg was vol vurige paarden en wagens rondom Elisa». 2 Kon. 6:17.

Berg en dal waren vol wagens en paarden; één alleen ervan was al sterker dan het hele leger van de vijand, In onze omstandigheden is het even waar als in de dagen van Elisa, dat: «zij die bij ons zijn, méér zijn, dan die bij hen zijn», en het enige wat nodig voor ons is, is dat onze ogen geopend worden, opdat wij mogen zien, dat het zo is. Wat opent ons de ogen? Het Woord!, het is een lamp voor onze voet en een licht op ons pad, en als we slechts geloven, zullen we zien en erkennen, dat zij die bij ons zijn, méér zijn dan die tegen ons zijn.

Hij, die met ons is, is de levende God van Israël, die macht bezit om duisternis in licht te veranderen, en zwakheid in kracht; en al het boze, dat op ons af komt, verandert Hij in zegen en hulp op onze levensweg.

 

«Hoe zal Hij, die zelfs zijn eigen Zoon niet gespaard, maar voor ons allen heeft over­gegeven, ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Waarom wil Hij ons met Christus alle dingen schenken? Om­dat in Hem (Christus) alle dingen zijn. Lees Efez. 1:23 «die zijn lichaam is, ver­vuld met Hem, die alles in allen volmaakt.»

 

Hij, die Christus aangedaan heeft, is «met alle kracht bekrachtigd» Coll. 1:11. Waar­om? Omdat God Christus gesteld heeft, «boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en allen naam, die ge­noemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al, wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt". Efez. 1:21 -23.

Alles is dus in Christus. In Hem zijn alle schatten der wijsheid en der kennis verborgen. God heeft Hem alle macht gegeven in hemel en op aarde. Kunt u niet inzien, dat nu dit zo is, de conclusie voor de hand ligt, dat toen God ons Christus schonk en Hem vrijelijk voor ons heeft overgegeven, Hij ons in Hem alle dingen schenkt.

 

«Gezegend zij de God en Vader van onzen Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijken zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus». Efez. 1:3. «Genade en vrede worde u vermenigvuldigd door de kennis van God en van Jezus onzen Here. Zijn goddelijke kracht immers heeft ons met alles, wat tot leven en godsvrucht strekt, begiftigd door de kennis van Hem, die ons geroepen heeft door zijn heerlijkheid en macht; door deze zijn wij met kostbare en zeer grote beloften begiftigd, opdat gij daar­door deel zoudt hebben aan de goddelijke natuur, ontkomen aan het verderf, dat door de begeerte in de wereld heerst.» 2 Petr. 1:2-4.

 

Christus bezit alle macht en Hij heeft ons begiftigd met alles wat tot leven en tot godsvrucht strekt. Let wel, hier wordt verleden tijd gebruikt. Het is gebeurd voor ons. Waarom bezitten wij het dan niet? Daar is maar één oorzaak voor -omdat wij het niet aannemen. Wij hebben reeds zo lang getreurd en gezegd dat wij ze nodig hebben; welnu, we hebben de gelegenheid ze te bezitten, want ze zijn ons aangeboden, en er is geen enkele reden, dat wij ze ons niet zouden toeëigenen.

Gestel dat ik bij u kwam en zei dat ik erge honger had en graag iets zou willen eten. Goed, zegt u, ga aan tafel zitten, dan zullen wij wat voor u klaar maken. Even later plaatst u dan het beste wat u in huis hebt op tafel en zegt tot mij, tast toe, laat het je smaken. Ik zeg echter «O, ik heb zo'n erge honger, ik moet nodig wat eten.» Dat is goed, zegt u, neem en eet. Maar ik zeg opnieuw: "Ik heb toch zo'n honger, ik moet nodig wat eten, want ik heb in dagen geen eten gehad.» Wel, zegt u, eet dan toch. «Ja maar», blijf ik zeuren, «ik heb toch zo'n honger». U zou zeggen, dat ik niet goed bij mijn hoofd was als ik zo zou handelen, door niet van het voedsel te eten, dat zo rijkelijk voor mij was klaar gemaakt.

 

Gisteravond zei iemand tot mij: «Als de Heer zo handelt met de zegeningen die tot leven en tot godsvrucht strekken, zijn wij beslist dwazen, als wij ze niet aanne­men; maar ik geloof niet dat het voor­beeld dat u ter verduidelijking koos, eer­lijk is, omdat wij de dingen, die de Heer ons aanbiedt, niet kunnen zien, maar voedsel wel.»

 

Ook ik geloof dat het niet een juist voor­beeld is, echter in omgekeerde zin. Hebt u niet dikwijls gedacht iets te zien, dat er in het geheel niet was? Worden we niet dikwijls door onze ogen misleid? Soms denkt u iets te zien, dat er niet is, en dan weer zag u dingen, die naderhand als u ze van dichtbij en nauwkeuriger bekeek, er in werkelijkheid niet zo uitzagen als het voorheen scheen. Het woord van God echter misleidt nooit. Daarom geven de dingen die God in zijn Woord belooft, mij meer zekerheid, dan wanneer ik ze zou zien. «Daarom is het alles uit geloof, op­dat het zou zijn naar genade, en dus de belofte zou gelden vooral het nageslacht, niet alleen voor wie uit de wet, maar ook voor wie uit het geloof van Abraham zijn, die de vader van ons allen is.» Rom. 4:16.

«Want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig». 2 Cor. 4:18, Wij moeten onze logica in dit opzicht een klein beetje herzien. Wij denken, dat wat wij kunnen zien, vast en zeker is. Daarom als we ons een huis aanschaffen of een stuk land of een ander eigendom, denken we dat we iets bezitten, omdat we het kunnen zien. De waarheid is echter dat we ons vertrouwen alleen maar kunnen stellen op dingen, die wij niet zien.

Wij kunnen de aarde zien en de hemel, maar deze zullen voorbij gaan. «Maar het woord des Heren blijft in der eeuwigheid. Dit nu is het woord, dat u als evangelie verkon­digd is». 1 Petr. 1:25. Met de Psalmist kunnen wij zeggen: «God is ons een toevlucht en een sterkte, ten zeerste bevonden een hulp in benauwd­heden. Daarom zullen wij niet vrezen, al verplaatste zich de aarde, al wankelden de bergen in het hart van de zee.» Ps. 46:2-3.

Kunnen wij dat van ons zelf zeg­gen? Broeders, de tijd nadert dat de aarde zal waggelen als een dronkeman en geschud worden als een nachthut, en de bergen zullen huppelen en in de oce­aan verplaatst worden. Dat staat te ge­beuren. Jes. 24:20.

 

Toch zal er in die tijd een volk zijn dat zich volkomen gerust zal voelen en vol ver­trouwen; maar het zullen geen mannen en vrouwen zijn, die niet geleerd hebben te zeggen, dat «alle dingen medewerken ten goede voor hen, die God liefhebben en die volgens zijn voornemen geroe­penen zijn». De mens, die nu aan God twijfelt, zal ook dan aan Hem twijfelen. «Wie in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, vernacht in de schaduw des Almachiigen». Ps. 91:1.

 

Hij die zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar voor ons allen heeft overgegeven, hoe zal Hij ons met Hem ook niet alle dingen schenken? Deze belofte sluit ALLES in zich.

 

«Daarom, niemand beroeme zich op men­sen; alles is immers het uwe: hetzij Paulus, Apollos of Cefas, hetzij wereld, leven of dood, hetzij heden of toekomst, het is alles het uwe; doch gij zijt van Christus, en Christus is van God». 1 Cor. 3:21-23. Dit ligt niet in de toekomst. Alle dingen zijn NU, in deze tijd, het uwe. Alles be­hoort ons en daarom kunnen wij met de Psalmist zeggen: «De meetsnoeren vie­len mij in lieflijke dreven, ja, mijn erfdeel bekoort mij». Ps.16:6.

 

Ja, wij bezitten alles, wij zijn koningskin­deren, kinderen van de Allerhoogste. Wat maakt het voor verschil als de mensen ons niet erkennen. God erkent ons en Hij kent ons. En daarom als de mensen ons met beschuldigingen en vervolgingen overladen, dan is het enige wat wij kun­nen doen: medelijden met hen hebben en voor hen werken, want zij kennen de rijkdom van de erfenis niet. «Wie zal uitverkorenen Gods beschuldigen? God is het, die rechtvaardigt». Rom. 8:33.

 

Er is er één, die het zeker doen zal. Wij kennen zijn naam, Satan! Hier volgt een getuige­nis dat op hem betrekking heeft: «En ik hoorde een luide stem in den hemel zeggen: Nu is verschenen het heil en dé kracht en het koningschap van onze God en de macht van zijn gezalfde; want de aanklager van onze broeders, die hen dag en nacht aanklaagde voor onze God is nedergeworpen.» Openb. 12:10.

Satan is de aanklager van de broeders; hij heeft dit dag en nacht gedaan, en doet dit nog steeds; al het mogelijke legt hij de uitver­korenen Gods ten laste. Maar hij is ter­neer geworpen, en is de zaligheid en de kracht en het koninkrijk Gods en de macht van zijn Gezalfde gekomen. Christus be­zit alle macht. Welk een zegen is dat.

 

Nu zegt misschien een arme, ontmoe­digde en moedeloze ziel: «Ik geloof dat alles, en ik heb mijn zonden beleden; ik geloof dat God getrouw en rechtvaardig is om mijn zonden te vergeven en mij te reinigen van alle ongerechtigheid, maar deze zonden blijven steeds bij mij opko­men.» Bent u er zich van bewust dat het satan is, die ze u steeds weer voor ogen houdt? Dat is een belangrijk punt, want als u daar zeker van bent en ze komen bij u op, dan behoorde u een van de geluk­kigste schepselen der wereld te zijn.

 

Waarom brengt satan u deze dingen weer onder ogen? Omdat hij de aanklager der broeders is, en hij is een valse aanklager, hij is de vader der leugen; en als daarom satan u uw zonden voor ogen brengt en u aanklaagt, dan weet u dat ze vergeven zijn, want satan zou ze u nooit onder ogen gebracht hebben, als ze niet vergeven waren. Hij zou de waarheid niet kunnen vertellen, ook al zou hij het proberen; als uw zonden niet vergeven waren, zou hij ze u niet onder ogen brengen, nooit ter wereld, omdat hij bevreesd is dat u ze zou belijden en ze vergeven zouden worden. Iemand anders twijfelt door te denken: «Ik ben mij niet zeker; als het satan niet is, moet het God zijn». NEE! «God is het die rechtvaardigt».

Indien Hij rechtvaardigt, kan Hij niet tegelijkertijd veroordelen. Wie heeft buiten God het recht tot oorde­len? Niemand. God alleen is rechter. Dan is er niemand die het recht heeft tot veroordelen, behalve God. Hij toont ons onze zonden en wij belijden ze Hem en geven ons aan Hem over, en Hij recht­vaardigt ons; in Hem is geen verandering of schaduw van omkeer. Indien Hij ons rechtvaardigt, wie is er dan nog in het hele universum, die kan veroordelen? Wie zal het zeker doen? Satan! Maar wat hebben wij met hem te maken. Zouden we toch slechts meer geloof hechten aan Gods waarheid en minder aan de leugens van satan, het zou beter voor ons zijn.

 

«Wie zal veroordelen? Christus Jezus is de gestorvene, wat meer is, de opgewekte, die ter rechterhand Gods is, die ook voor ons pleit.» Rom. 8:34. Wie zal ons veroordelen, als God het is die recht­vaardigt, en Christus voor ons stierf en weer opstond als borg voor onze recht­vaardiging. Christus stierf en verrees, en zit NU aan de rechterhand van God als onze Middelaar.  Ziet" u wel, dat er geen enkele reden of uitvlucht voor de christen overblijft tot ontmoediging.

 

Er is een tijd wanneer God ons de zonden voor ogen stelt, maar dat is wanneer ze nog niet beleden zijn. Dat is de enige keer. Het is evenwel de Trooster die ons van zonden overtuigt; en tegelijk troost Hij ons, juist als Hij ons ons kwaad in herinnering brengt. Als dus God mij mijn zonden onder ogen brengt, kan ik Hem danken voor de troost die Hij schenkt, en als satan ze mij opnieuw voor ogen houdt, kan ik God opnieuw loven, want ze zijn beleden en vergeven, daar satan ze mij niet onder ogen zou brengen als ze nog niet vergeven waren. In Christus treffen zich genade en waarheid. Dezelfde hand, die de wet handhaaft, schenkt ook gena­de.

Bedenk dit broeders, dat toen de wet op Sinai verkondigd werd onder donder en bliksem, deze zich bevond in de hand van een middelaar, ja, van onze Heer Jezus Christus. Dezelfde hand, die het recht handhaaft, en die van zonden overtuigt, schenkt ook de vergeving. Dank zij God, die ons altijd de overwinning geeft in Christus. «Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of be­nauwdheid, of vervolging, of honger of naaktheid of gevaar, of het zwaard?

Ge­lijk geschreven staat: Om Uwentwil wor­den wij den ganzen dag gedood, wij zijn gerekend als slachtschapen. Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad.» Rom. 8:35.

De gedachte van «veel meer» die in het vijfde hoofdstuk zo naar voren komt, wordt in deze verzen opnieuw teruggevonden. Dikwijls horen wij de uitdrukking: «Als ik maar binnen de poorten des hemels kom, dan zal ik tevreden zijn». Ik ben zo dank­baar, dat wij ons binnengaan daar niet behoeven te rechtvaardigen, alsof wij ons willen verontschuldigen voor onze aanwezigheid, nadat wij binnengekomen zijn. Waarom niet?

Omdat Hij beloofd heeft dat ons «rijkelijk de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onzen Here en Heiland, Jezus Christus zal worden ver­leend» 2 Petr. 1:11.

 

Maar wij moeten toch met vijanden strij­den, zegt iemand. Spreek daar niet over, noch over uw moeilijkheden en verzoe­kingen, maar spreek over de kracht van Christus. Alle macht is Hem gegeven. Indien wij dus worstelen, moeten wij bedenken dat het niet een onbesliste strijd is, maar dat het een strijd des geloofs is en dat kracht ons verleend wordt, waar­door wij meer dan overwinnaars kunnen zijn, door Hem die ons heeft liefgehad en zich voor ons heeft overgegeven. Waar de zonde meerder wordt, wordt de gena­de méér dan overvloedig.

Wie zijn over­winnaars? Dat zijn diegenen, die de over­winning behaald hebben. Want wij heb­ben niet te worstelen tegen vlees en bloed, maar tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.» Efez. 6:12. Wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, daarom tellen vlees en bloed niet mee in deze strijd. Hoe moeten wij dan de vijand tegemoet treden? «Strijd den goe­den strijd des geloofs, grijp het eeuwige leven». 1 Tim. 6:12.

 

Hier komt de vraag over leven opnieuw naar voren. «Grijp het eeuwige leven». De enige kracht, die het boze kan weer­staan, is de kracht van een oneindig leven: en hij die de Zoon heeft, heeft dat leven. Wij moeten de goede strijd des
geloofsstrijden. Wat is geloof? In iemand vertrouwen stellen. Als ik strijd met mijn vuisten, dan strijd IK. Indien ik de strijd des geloofs strijd, dan strijd iemand an­ders voor mij, en profiteer ik van het resultaat.    

 

Wij zijn meer dan overwinnaars door Hem, die ons heeft liefgehad. Dank God die ons de overwinning geeft door Jezus Christus onze Heer.

 

Hoe moet ik mij dat voorstellen? Wel, Christus heeft gestreden, nietwaar? Zeker, hier op aarde is Hij in directe strijd met satan geweest. Hij overwon satan'en zijn heerscharen; Hij heeft alle macht en heerschappij terneer geworpen, want Hij is gesteld boven «alle overheid en kracht en heerschappij.» Efez. 1:21.

Bedenk, dat juist, zijn de dingen waar wij mee te worstelen hebben. Hoe groot was zijn overwinning daarover? Hij heeft de over­heden en machten ontwapend en open­lijk tentoongesteld en zo over hen geze­gevierd» Col. 2:15.

 

Dus Christus heeft de vijanden, waar wij mee te worstelen heb­ben, overwonnen en heeft hen ontwa­pend. Hij heeft de overwinning over hen behaald. Wat is het resultaat? Datgene, wat er altijd op volgt wanneer een strijd gevoerd is, en de ene partij de andere volledig overwonnen heeft, - vrede -. Chris­tus heeft de vrede moeten veroveren, want satan wilde niet opgeven.

 

«Hij is onze vrede». Efez. 2:14. «Vrede laat ik u, mijn vrede geef ik u; niet gelijk de wereld dien geeft, geef ik hem u. Uw hart worde niet ontroerd of versaagd.» Joh. 14:27.

Als Christus ons dus de vrede gegeven heeft, en vrede op de overwin­ning volgt, moet de overwinning dus reeds behaald zijn. En als we Christus bezitten, is de overwinning reeds de onze. Wij doen een beroep op het eeuwige leven in Christus door op Zijn woord te bouwen, en Zijn woord is geest en leven. Joh. 6:63. Zo nemen we Christus in ons hart op en bezitten wij Hem en is de overwinning die Hij veroverde, de onze.

 

De grote moeilijkheid met ons is dat wij soms bang zijn dat Christus in ons de overwinning behaalt. Waarom?

Wij hebben de een of andere lievelingszonde, die wij niet willen opgeven; wel zijn we bereid, denken we, al het andere op te geven, behalve dat éne, en daarom zijn we bang dat als Christus de overwinning zal behalen, wij ook die ene zonde zullen moeten opgeven. Denk daar eens goed over na. Wij roepen de hulp van Christus in om de vijand te weerstaan, en als Hij dan komt, vindt Hij ons aan de zijde van de vijand. Maar als we al die dingen willen opgeven, zal Christus ons iets oneindig veel beters geven. Als we op grond van Gods Woord voor onszelf beseffen dat alles wat God ons kan geven, in Christus verborgen ligt, dat Hij de volheid is van Hem, die alles in allen vervult, dan zullen wij ons realiseren dat de nietige dingen van deze aarde het niet waard zijn te bezitten vergeleken niet datgene dat ons gegeven zal worden.

In 1 Joh. 4:2-4 worden wij verwezen naar de boze geesten, waartegen wij te strij­den te hebben, en wordt de kinderen Gods de volgende verzekering gegeven: «Gij zijt uit God, kinderkens, en gij HEBT hen overwonnen; want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is.» Met Elisa weten wij dat zij die vóór ons zijn, meer zijn dan die tegen ons zijn. «En dit is de overwinning, die de wereld overwon­nen heeft: ons geloof». 1 Joh. 5:4.

 

Geloven wij dat Christus alles overwon­nen heeft, en dat als wij Hem bezitten, wij alles bezitten, en dat geen macht der duisternis ons enig kwaad kan doen? Als dat zo is, dan zijn wij met Christus gekrui­sigd. Ons eigen leven is geheel opge­gaan in Christus, en toch leven wij. Dat moet dan een ander leven zijn dan wij nu leven; en dat leven is het leven van Christus. Dat is het leven waarin wij ons beroemen. Christus is ons leven, Hij heeft de overwinning behaald en daarom is zij de onze. «Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen stand houden tegen de verleidingen des duivels.» Efez. 6:11.

 

Wat wil zeggen, de gehele wapenrusting aan doen? Volledig opgaan in Christus, dat is hetgeen wij daaronder verstaan. Hij is de waarheid, de Heer onze gerechtig­heid. Jer. 23:6. Geschoeid met de vrede, want Hij is onze vrede. Het is alles Chris­tus. Neem dan het zwaard in uw hand, dat is het Woord van God, Christus het eeu­wige Woord.

 

«Gij hebt de volheid verkregen in Hem» «Gij zijt in Hem volmaakt» Col. 2:10. Als u de hele wapenrusting hebt aangedaan, bent u volmaakt in Hem. «Maar doet den Heer Jezus Christus aan» Rom. 13:14. Hij is de wapenrusting. Zo zijn wij dan in al deze dingen meer dan overwinnaars door Hem die ons heeft liefgehad, en Zijn leven voor ons heeft gegeven. «Want ik ben verzekerd dat noch dood noch leven, noch engelen noch machten, noch he­den noch toekomst, noch krachten, noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Here.»
(E.J. Waggoner)