You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies)

 

“Tot Mijn gedachtenis”       (72)

 

"De Here Jezus nam, in de nacht waarin Hij werd overgeleverd, een brood, sprak de dankzegging uit, brak het en zeide: Dit is Mijn lichaam voor u, doet dit tot Mijn gedachtenis. Evenzo ook de beker, nadat de maaltijd afgelopen was, en Hij zeide: Deze beker is het nieuwe verbond in Mijn bloed, doet dit, zo dikwijls gij die drinkt, tot Mijn gedachtenis. Want zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt." (Cor.11:23-26)

 

Christus stond op het tijdstip van overgang tussen twee bedelingen en de twee grote feesten, daaraan verbonden. Hij, het vlekkeloze Lam Gods, stond op het punt Zichzelf als een zondoffer te geven, en Hij zou op deze wijze een einde maken aan het stelsel van zinnebeelden en vormendienst dat vierduizend jaar lang op Zijn dood had gewezen. Terwijl Hij met Zijn discipelen het Pascha at, stelde Hij hiervoor in de plaats een dienst die een gedachtenis zou zijn aan Zijn grote offerande. Het nationale feest van de Joden zou voorgoed voorbij zijn. De dienst die Christus instelde, zou door Zijn volgelingen in alle landen en door alle eeuwen heen worden gehouden.

 

Het Pascha was ingesteld als een herinnering aan de verlossing van Israël uit de slavernij in Egypte. God had verordend dat jaar voor jaar, als de kinderen zouden vragen naar de betekenis van deze instelling, de geschie­denis zou worden verteld. Deze wonderbaarlijke verlossing moest vers in de gedachten van allen bewaard blijven. De instelling van het Avondmaal des Heren werd gegeven om de grote verlossing te gedenken die tot stand kwam als gevolg van de dood van Christus. Tot Hij voor de tweede maal zal komen in macht en heerlijkheid, moet deze inzetting worden gevierd. Het is het middel waardoor Zijn grote werk steeds in onze ge­dachten blijft.

 

Ten tijde van de verlossing uit Egypte aten de kinderen Israëls het paasmaal staande, de lendenen omgord en met de staf in de hand, gereed voor de reis. De wijze waarop ze deze inzetting vierden, was in overeen­stemming met hun omstandigheden; zij stonden immers op het punt het land Egypte uit te trekken, en ze moesten beginnen aan een pijnlijke en moeitevolle reis door de woestijn. Maar in de dagen van Christus waren de omstandigheden gewijzigd. Zij stonden nu niet op het punt een vreemd land uit te trekken, maar zij waren inwoners in hun eigen land. In over­eenstemming met de rust die hun was gegeven, namen de mensen toen in een liggende houding deel aan het paasmaal. Rondom de tafel werden ligbanken geplaatst en de gasten lagen daarop, leunende op de linkerarm en de rechterhand vrij voor gebruik bij het eten. In deze houding kon een gast zijn hoofd leggen aan de borst van diegene die naast hem aanlag op een hogere plaats. En de voeten, die aan de buitenzijde van de rustbank lagen, kon men wassen door langs de buitenkant van de kring te gaan.

 

Christus bevindt Zich nog aan de tafel waarop het paasmaal is bereid. De ongezuurde broden, die gebruikt waren voor het Pascha, liggen voor Hem. De wijn van het Pascha, die ongegist is, staat op tafel. Deze sym­bolen gebruikt Christus om Zijn eigen onbevlekte offer voor te stellen. Niets dat door gisting, het symbool van zonde en dood, is bedorven, zou een voorstelling kunnen geven van het "onberispelijk en vlekkeloos Lam." (1 Petr.1:19)

 

"En terwijl zij aten, nam Jezus een brood, sprak de zegen uit, brak het en gaf het aan Zijn discipelen en zeide: Neemt, eet, dit is Mijn lichaam. En Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het koninkrijk Mijns Vaders." (Matth.26:26-29)

 

Judas, de verrader, was aanwezig bij deze heilige dienst. Hij ontving van Jezus de symbolen van Zijn gebroken lichaam en van Zijn vergoten bloed. Hij hoorde de woorden: "Doet dit tot Mijn gedachtenis." (Luc.22:19) En terwijl hij daar zat in de tegenwoordigheid van het Lam van God, peinsde de verrader over zijn eigen duistere bedoelingen, en hij koesterde zijn weerspannige, wraakzuchtige gedachten.

 

Bij de voetwassing had Christus een overtuigend bewijs gegeven, dat Hij het karakter van Judas kende. “Gij zijt niet allen rein” (Joh.13:11), zei Hij. Deze woorden overtuigden de valse discipel ervan, dat Christus zijn geheime bedoeling had doorzien. Nu sprak Christus nog duidelijker. Terwijl zij aan tafel zaten en Hij Zijn discipelen aanzag, zei Hij : "Ik spreek niet van u allen ; Ik weet, wie Ik heb uitgekozen ; maar het Schriftwoord moet vervuld worden: Hij die Mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij op­geheven." (Joh.13:18)

 

Zelfs nu verdachten de discipelen Judas nog niet. Maar zij zagen, dat

Christus zeer bezorgd was. Een voorgevoel van een verschrikkelijke ramp, waarvan ze de aard niet begrepen, overschaduwde hen als een wolk. Ter­wijl zij in stilte aten, zei Jezus: "Voorwaar, Ik zeg u, dat één van u Mij verraden zal." (Marc.14:18) Bij deze woorden beving verbazing en verwarring hen. Zij konden niet begrijpen, hoe iemand van hen hun goddelijke Leraar op verraderlijke wijze zou kunnen behandelen. Om welke reden zouden zij Hem kunnen verraden? En aan wie? In wiens hart zou een dergelijk plan kunnen opkomen? Toch zeker niet in het hart van een van de twaalf begunstigden, die boven alle anderen het voorrecht van Zijn onderwijs hadden genoten, die Zijn wonderbaarlijke liefde hadden gedeeld en voor wie Hij zoveel zorg getoond had door hen in nauwe gemeenschap met Zichzelf te brengen.

 

Toen ze de draagwijdte van Zijn woorden gingen begrijpen, en zich herinnerden hoe waar alles was wat Hij zei, overviel hen angst en gebrek aan zelfvertrouwen. Zij begonnen hun eigen hart te doorzoeken om te zien of daarin enige gedachte tegen de Meester werd gekoesterd. Zeer pijnlijk getroffen stelde de een na de ander de vraag: "Ik ben het toch niet, Here?" (Matth.26:23)  Maar Judas bleef zwijgen. Johannes vroeg ten slotte in diepe wanhoop: "Here, wie is het?" (Joh.13:15) En Jezus antwoordde hem: "Die zijn hand met Mij in de schotel heeft gedoopt, die zal Mij verraden. De Zoon des mensen gaat wel heen gelijk van Hem geschreven staat, doch wee die mens door wie de Zoon des mensen verraden wordt. Het ware voor die mens goed geweest, als hij niet geboren was." ((Marc.26:23,24)

De discipelen keken elkander onderzoekend aan, terwijl ze vroegen: "Ik ben het toch niet, Here?” (Marc.14:20) En nu trok het stilzwijgen van Judas aller ogen tot hem. Te midden van de verwarde vragen en uitroepen van verbazing had Judas het antwoord van Jezus op de vraag van Johannes niet gehoord. Maar om nu te ontkomen aan de onderzoekende blikken van de discipelen, vroeg hij evenals zij hadden gedaan: "Ik ben het toch niet, Rabbi?” (Matth.26:25)

 

Verbaasd en verward dat zijn bedoeling openbaar werd gemaakt, stond Judas haastig op om het vertrek te verlaten. "Jezus dan zeide tot hem: Wat gij doen wilt, doe het met spoed... Hij nam dan het stuk brood en vertrok terstond. En het was nacht." (Joh.13:27,30) Nacht was het voor de verrader, toen hij zich afkeerde van Christus in de buitenste duisternis.

 

Tot aan het ogenblik waarop Judas deze stap deed, was de mogelijkheid tot berouw niet uitgesloten. Maar toen hij de tegenwoordigheid van zijn Here en van zijn medediscipelen verliet, was de uiteindelijke beslissing gevallen. Hij was de grens gepasseerd.

 

De lankmoedigheid waarmede Jezus deze verzochte ziel tegemoet trad, was wonderbaarlijk. Niets dat gedaan kon worden om Judas te redden, was achterwege gelaten. Hoewel hij tot tweemaal toe was overeengekomen zijn Here te verraden, gaf Jezus hem nog steeds de gelegenheid om tot berouw te komen. Door de geheime bedoeling in het hart van de verrader te kennen te geven, gaf Christus het laatste, overtuigende bewijs van Zijn goddelijkheid. Dit was voor de valse discipel de laatste oproep tot be­rouw.
Geen enkel beroep, dat het goddelijk-menselijke hart van Christus kon doen, was onbeproefd gelaten. De golven der genade, die terugge­
worpen waren door koppige trots, keerden terug in een sterker getij van verzachtende liefde. Maar hoewel verbaasd en ongerust over de ontdekking van zijn schuld, werd Judas' besluit des te vaster. Na het Heilig Avond­maal ging hij heen om het verraders werk te voltooien.

 

Met het uitspreken van een wee over Judas had Christus ook een barm­hartige bedoeling voor de discipelen. Op deze wijze gaf Hij hun het over­tuigend bewijs van Zijn Messiasschap. "Ik zeg het u, eer het geschiedt", zei Hij, "opdat gij, wanneer het geschiedt, gelooft, dat IK BEN." (Joh.13:19)

Indien Jezus gezwegen had, schijnbaar onwetend van datgene wat over Hem zou komen, dan hadden de discipelen kunnen denken, dat hun Meester geen goddelijke vooruitziende blik had, en verrast en verraden was en zo overgeleverd aan de moordzuchtige bende.
Een jaar tevoren had Jezus Zijn
discipelen verteld, dat Hij er twaalf had uitgekozen, en dat één van hen een duivel was. Nu zouden Zijn woorden tot Judas, die aantoonden, dat diens verraad volledig bekend was aan zijn Meester, het geloof van de ware volgelingen van Christus tijdens Zijn vernedering versterken. En wanneer Judas aan zijn verschrikkelijk einde gekomen zou zijn, dan zouden zij zich het wee herinneren dat Jezus over de verrader had uitgesproken.

 

En de Heiland had nog een ander doel. Hij had Zijn dienstbetoon niet onthouden aan hem van wie Hij wist, dat hij een verrader was. De disci­pelen begrepen Zijn woorden niet, toen Hij bij de voetwassing zei: "Gij zijt niet allen rein" (Joh.13:11), en ook nog niet, toen Hij aan de maaltijd zei: "Hij die Mijn brood eet, heeft zijn hiel tegen Mij opgeheven." (Joh.13:16)

Maar nader­hand, toen de betekenis duidelijk was, konden zij het geduld en de ge­nade van God tegenover de meest ernstige dwaling, overpeinzen.

 

Hoewel Jezus Judas vanaf het begin kende, waste Hij zijn voeten. En de verrader ontving het voorrecht om samen met Christus deel te hebben aan het Heilig Avondmaal. Een lankmoedige Heiland stelde alles in het werk wat de zondaar ertoe zou kunnen brengen Hem aan te nemen, be­rouw te hebben en gereinigd te worden van de smet der zonde. Dit voor­beeld geldt voor ons. Wanneer wij menen dat iemand dwaalt en in zonde leeft, mogen wij ons niet van hem afscheiden. Wij mogen ons niet zorge­loos van hem afkeren en hem zodoende ten prooi doen vallen aan de verleiding, of hem naar het strijdperk van Satan drijven. Dit is niet Christus' manier van handelen.
Omdat de discipelen dwaalden en fouten
maakten, waste Hij hun de voeten, en op één na werden alle twaalf zo tot berouw gebracht.

 

Het voorbeeld van Christus verbiedt mensen uit te sluiten van het Heilig Avondmaal. Het is waar, dat openlijke zonde de schuldige uitsluit. Dit leert de Heilige Geest duidelijk. (1 Cor.5:11) Maar daarbuiten mag niemand oordelen. God heeft niet aan de mensen de beslissing overgelaten, wie bij deze gelegenheden aanwezig zullen zijn. Immers, wie kan het hart door­gronden? Wie kan het kaf van het koren onderscheiden? "Een ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker. (1 Cor.11:28,27,29) Immers, "wie dus op onwaardige wijze het brood eet of de beker des Heren drinkt, zal zich bezondigen aan het lichaam en bloed des Heren". "Want wie eet en drinkt, eet en drinkt tot zijn eigen oordeel, als hij het lichaam niet onderscheidt.” (1 Cor.11:27-29)

 

Wanneer gelovigen samenkomen om de inzettingen te vieren, zijn daar boodschappers aanwezig die niet door menselijke ogen worden ge­zien. Er kan zich een Judas in het gezelschap bevinden, en indien dit het geval is, zijn daar ook boodschappers van de vorst der duisternis, want zij vergezellen allen die weigeren zich te laten leiden door de Heilige Geest. Er zijn ook hemelse engelen aanwezig. Deze onzichtbare bezoekers zijn aanwezig bij iedere bijeenkomst van dien aard. Er kunnen in het gezelschap mensen komen die in hun hart niet de waarheid en de heilig­heid dienen, maar die toch deel willen hebben aan de dienst. Men mag hun dat niet verbieden. Er zijn getuigen aanwezig die ook aanwezig waren toen Jezus de voeten van de discipelen en van Judas waste. Hogere dan mensenogen sloegen dat schouwspel gade.

 

Christus is daar door de Heilige Geest aanwezig om Zijn zegel te druk­ken op datgene wat Hijzelf heeft ingesteld. Hij is daar om het hart te overtuigen en te verzachten. Geen blik, geen gedachte aan berouw ont­gaat Zijn aandacht. Hij wacht op de berouwvolle zondaar die met een gebroken hart tot Hem komt. Alles is gereed om die ziel aan te nemen. Hij Die de voeten van Judas heeft gewassen, verlangt ernaar van ieder hart de vlek der zonde af te wassen.

 

Niemand moest zichzelf van het Avondmaal uitsluiten, omdat er wel­licht mensen aanwezig kunnen zijn die onwaardig zijn. Er wordt een beroep gedaan op iedere discipel om openlijk deel te nemen, en op deze wijze te getuigen dat hij Christus aanneemt als een persoonlijke Heiland. Juist bij deze door Hemzelf gegeven inzettingen ontmoet Christus Zijn volk, en be­zielt hen door Zijn tegenwoordigheid. Harten en handen die onwaardig

 

zijn, kunnen zelfs de instelling bedienen, nochtans is Christus aanwezig om Zijn kinderen te dienen. Allen die komen met een geloof dat op Hem is gebouwd, zullen rijkelijk worden gezegend. Allen die deze gelegen­heden van goddelijk voorrecht verwaarlozen, zullen een verlies lijden. Van hen kan naar waarheid worden gezegd : "Gij zij t niet allen rein.” (Joh.13:11)

 

Door met Zijn discipelen te delen in het brood en de wijn, verbond Christus Zichzelf op plechtige wijze aan hen als hun Verlosser. Hij ver­trouwde hun het nieuwe verbond toe, waardoor allen die Hem aannemen, kinderen Gods worden en mede-erfgenamen met Christus. Door dit ver­bond was iedere zegening die de hemel kon schenken voor dit leven en het toekomende, de hunne. Dit verbond zou worden bekrachtigd door het bloed van Christus. En de bediening van deze inzetting moest aan de dis­cipelen het oneindig grote offer tonen dat gebracht was voor ieder van hen persoonlijk als een deel van het grote geheel van de gevallen mens­heid.

 

Maar de dienst van het Avondmaal moet geen tijd van droefheid zijn. Dit was niet de bedoeling. Wanneer de discipelen des Heren rond Zijn eettafel

bijeenkomen, moeten zij niet denken aan hun tekortkomingen en daarover treuren. Zij moeten niet stilstaan bij de godsdienstige ervaring die zij in het verleden hebben gemaakt, hetzij die ervaring nu verheffend of neerdrukkend is geweest. Zij moeten niet terugdenken aan de verschil­len tussen hen en hun broeders. De voorbereidingsdienst heeft dit alles omvat. Het zelfonderzoek, de belijdenis van zonden, het bijleggen van geschillen, dit alles heeft plaatsgevonden. Nu komen zij om Christus te ontmoeten. Zij moeten niet in de schaduw van het kruis staan, maar in het reddende licht daarvan. Zij moeten hun ziel openstellen voor de heldere stralen van de Zon der Gerechtigheid. Met harten gereinigd door het dierbare bloed van Christus, in het volledige besef van Zijn tegenwoordig­heid, hoewel Hij niet wordt gezien, zullen ze Zijn woorden horen: "Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u ; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u. (Joh.14:27)

 

Onze Here zegt: Wanneer u overtuigd is van uw zonden, bedenk dan, dat Ik voor u gestorven ben. Wanneer u verdrukt en vervolgd wordt en om Mijnentwille en ter wille van het evangelie moet lijden, denk dan aan Mijn liefde, die zó groot is, dat Ik voor u Mijn leven gaf. Wanneer uw plichten streng en hard lijken, en uw lasten te zwaar om te dragen, bedenk dan, dat Ik om uwentwille het kruis heb gedragen en de schande niet heb geacht. Wanneer uw hart terugdeinst voor het toetsende gericht, bedenk dan, dat uw Verlosser leeft om voor u te pleiten.

 

De dienst van het Avondmaal wijst op de tweede komst van Christus.

Die was bestemd om deze hoop in de gedachten van de discipelen levendig te houden. Steeds wanneer zij bijeenkwamen om Zijn dood te gedenken, brachten zij zich weer in herinnering: "Hij nam een beker, sprak de dankzegging uit en gaf hun die en zeide: Drinkt allen daaruit. Want dit is het bloed van Mijn verbond, dat voor velen vergoten wordt tot ver­geving van zonden. Doch Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet meer van deze vrucht van de wijnstok drinken, tot op die dag, dat Ik haar met u nieuw zal drinken in het koninkrijk Mijns Vaders.” (Matth.26:27-29)

Toen zij wer­den vervolgd, vonden zij troost in de hoop op de wederkomst van hun Here. Onuitsprekelijk dierbaar was voor hen de gedachte: "Zo dikwijls gij dit brood eet en de beker drinkt, verkondigt gij de dood des Heren, totdat Hij komt.” (1 Cor.11:26)

 

Dit zijn de dingen die wij nooit moeten vergeten. De liefde van Jezus, met haar alles overheersende macht, moet levendig in onze herinnering worden gehouden. Christus heeft deze dienst ingesteld, opdat deze tot ons hart zou spreken over de liefde Gods, die om onzentwille tot uit­drukking werd gebracht. Er kan geen eenheid bestaan tussen onze zielen en God dan alleen door Christus. De eenheid en liefde tussen broeders moeten worden gesmeed en vereeuwigd door de liefde van Jezus. En niets minder dan de dood van Christus kon Zijn liefde tot een verzoening voor ons maken. Alleen door Zijn dood kunnen wij met vreugde uitzien naar Zijn tweede komst. Zijn offer is het middelpunt van onze hoop. Daarop moeten wij ons geloof bouwen.

 

De inzettingen die wijzen op de vernedering en het lijden van onze Here, worden te veel als een formaliteit beschouwd. Zij werden met een bepaalde bedoeling gegeven. Onze zintuigen moeten worden aangespoord om het geheimenis der godzaligheid aan te grijpen. Het is het voorrecht van allen veel meer te begrijpen van het verzoenend lijden van Christus dan we doen. "Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft", zó is de Zoon des mensen verhoogd, "opdat een ieder die gelooft, in Hem eeuwig leven hebbe.” (Joh.3:14,15)  ij moeten zien op het kruis van Golgotha, waaraan onze stervende Heiland hangt. Onze eeuwige belangen eisen, dat wij geloof in Christus tonen.

 

Onze Here heeft gezegd: "Tenzij gij het vlees van de Zoon des mensen eet en Zijn bloed drinkt, hebt gij geen leven in uzelf... Want Mijn vlees is ware spijs en Mijn bloed is ware drank.” (Joh.6:53,55)

Dit geldt voor onze vlese­lijke natuur. Zelfs dit aardse leven danken wij aan de dood van Christus. Het brood dat wij eten, is gekocht door Zijn gebroken lichaam. Het water dat wij drinken, werd betaald met Zijn vergoten bloed. Nooit eet iemand, heilige of zondaar, zijn dagelijks voedsel, of hij wordt gevoed door het lichaam en bloed van Christus. Het kruis van Golgotha heeft op ieder brood zijn stempel gedrukt. Het wordt weerspiegeld in iedere waterbron. Dit alles heeft Christus, door het instellen der symbolen van Zijn grote offer, onderwezen. Het licht dat uitstraalt van de avondmaalsdienst in de opperzaal, maakt de voorzieningen voor ons dagelijks leven heilig. De gezinsdis wordt de tafel des Heren, en iedere maaltijd een heilige han­deling.

 

En hoeveel te meer zijn de woorden van Christus waar, wat betreft onze geestelijke natuur. Hij verklaart: "Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven." (Joh.6:54)

Door het leven aan te nemen dat voor ons aan het kruis van Golgotha werd uitgestort, kunnen wij een geheiligd leven leiden. En dit leven hebben wij aangenomen door Zijn Woord aan te nemen, door die dingen te doen die Hij heeft geboden. Op deze wijze worden wij één met Hem. "Wie Mijn vlees eet", zegt Hij, "en Mijn bloed drinkt, blijft in Mij en Ik in hem. Gelijk de levende Vader Mij ge­zonden heeft en Ik leef door de Vader, zo zal ook hij die Mij eet, leven door Mij." (Joh.6:54,56,57)

Deze tekst is in het bijzonder van toepassing op het Heilig Avondmaal. Wanneer het geloof het grote offer van de Here overpeinst, wordt de ziel gelijkgemaakt aan het geestelijk leven van Christus. Die ziel zal door ieder Avondmaal geestelijke kracht ontvangen. De dienst vormt een levende band waardoor de gelovige met Christus wordt verbonden, en op deze wijze ook met de Vader. Op een bijzondere wijze vormt het Avondmaal een verbinding tussen afhankelijke menselijke wezens en God.

 

Wanneer we het brood en de wijn ontvangen, die een symbool zijn van Christus' verbroken lichaam en vergoten bloed, wonen wij in ge­dachten het Avondmaal in de opperzaal bij. Het schijnt ons toe, dat wij gaan door de hof, gewijd door de zielestrijd van Hem Die de zonden heeft gedragen. Wij zijn getuige van de strijd waardoor onze verzoening met God tot stand kwam. Wij zien Christus als gekruisigde midden onder ons.

 

Als wij opzien naar de gekruisigde Verlosser, begrijpen wij veel beter de belangrijkheid en de betekenis van het offer dat door de Majes­teit des hemels werd gebracht. Het verlossingsplan wordt voor onze ogen verheerlijkt, en de gedachte aan Golgotha wekt in ons hart levende en heilige gevoelens. Lof voor God en het Lam zal in ons hart en op onze lippen zijn; want trots en zelfverheerlijking kunnen niet wonen in de ziel die de herinnering aan de tonelen van Golgotha levendig houdt.

 

Wie de onvergelijkelijke liefde van de Heiland aanschouwt, zal wor­den veredeld in zijn gedachten, zijn hart zal worden gereinigd en zijn karakter zal worden veranderd.
Hij zal zijn als een licht in de wereld,
om deze wonderbaarlijke liefde in zekere mate te weerkaatsen. Hoe meer wij nadenken over het kruis van Christus, des te meer zullen wij de woor­den van de apostel tot de onze maken, wanneer hij zegt: "Maar ik moge ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus, door Wie de wereld mij gekruisigd is en ik der wereld." (Gal.6:14)

 

<1>