U bevindt zich hier: Nederlands

1. Trouwen of samenwonen

Een groot probleem, waar wij als gemeente op dit moment voor staan is het samenwonen. Is dat geoorloofd of niet? Hoe moeten wij als christen daar tegenover staan? Dit probleem heeft een aantal raakvlakken, ook op andere gebieden van het praktische gemeenteleven. Het probleem heeft een raakvlak in de kerkelijke organisatie vanuit een bijbels gezichtspunt. Ook is vereist dat er een bijbels inzicht komt over de taak van de overheid en waar de grens ligt in de taak van deze overheid. Als de grenzen van kerk en overheid in deze zaak duidelijk gemarkeerd zijn is het zinvol om het ‘huwelijk’ te belichten vanuit Gods Woord. Allereerst zullen we het probleem aansnijden dat betrekking heeft op de onduidelijkheid die er is over de grenzen en het doel van kerkelijke organisatie.

2. Kerkelijke organisatie


Toen Mozes in de woestijn aan het hoofd van het volk onder leiding van de Here op weg was van Egypte naar Kanaän kreeg hij bezoek van zijn schoonvader Jethro. Jethro, ziet dat Mozes van de vroege morgen tot de late avond in de weer is om alle geschillen van de mensen bij te leggen en recht te spreken. Jethro als oud man met een diepe en brede levenservaring komt tot Mozes en zegt: “Het is niet goed, wat gij doet. Gij raakt geheel uitgeput, gij zowel als dit volk dat met u is, want dit is te zwaar voor u, gij kunt het alleen niet doen.” Ex.18:17-18. Daarna doet Jethro het voorstel om het volk te verdelen in groepen van 10, 100, 1000 enz., “opdat over hen oversten aangesteld zouden worden”. Deze organisatie had ten doel: “Die (oversten) zullen te allen tijde onder het volk rechtspreken;... Dezen spraken te allen tijde recht onder het volk; de moeilijke zaken brachten zij tot Mozes, maar alle kleine zaken berechtten zij zelf”. Ex.18:21-27.

In Deut.1:9-18 wordt dit nog eens verhaald en ook hier weer de uitdrukkelijke bepaling dat deze organisatie alleen te maken had met de rechtsspraak. Mozes wijst hen er op dat een ieder zich te onderwerpen had aan deze juridische organisatie met de volgende woorden: “Gij zult in de rechtsspraak de persoon niet aanzien; gij zult de onaanzienlijke evenzeer horen als de aanzienlijke; gij zult voor niemand vrezen, want de rechtspraak is Godes.” Deut.1:7. Op een later tijdstip wordt de zorg en de last die Mozes droeg, mede gelegd op de schouders van de zeventig oudsten. Deze mannen werden voor dit werk op speciale wijze toegerust. Zij werden aan het begin van hun werk vervuld met de Geest van God en profeteerden. Num.11:16-30.

De hele organisatie van Israël had een juridisch karakter. Laat mij duidelijk maken wat ik bedoel. Onze huidige westerse democratieën hebben drie hoofdtakken in het staatsbestel. Een wetgevende macht, een uitvoerende macht, en een rechterlijke macht. In Israël was dat niet zo. Onze wetgevende macht en daartoe willen wij ons beperken, ligt niet bij het ‘kabinet’, maar bij de ‘Eerste Kamer’ en de ‘Tweede Kamer’. Vroeger, voor het parlementaire stelsel, was de koning de wetgevende macht. Wij zien in Daniël 3 en 6 dat het de koning was die wetten uitvaardigde. Welnu in Israël was er ‘geen’ wetgevende macht. De koningen hadden geen recht om een wet uit te vaardigen. De vrome koningen hebben dit ook nooit gedaan. En vóór het koningschap had Israël ook geen leiderschap in de wereldse betekenis van het woord. Hosea vertelt ons dat God zijn volk uit Egypte leidde door een profeet. Hosea 12:14. Als Jozua sterft is er voor hem geen opvolger. Het volk had geen leider. Het had alleen een juridisch bestel en God wees steeds zelf de, wat wij noemen, ‘opperrechter’ aan. Daarom heten de leiders in Israël ook richters en rechters.

Als Bileam over Israël profeteert doet hij dat met de volgende woorden: “Zie een volk dat alleen woont en onder de natiën zich niet rekent”. Num.23:9. Israël was geen volk in de hedendaagse politieke betekenis van het woord, het was een kerk. Stefanus spreekt in zijn rede voor de Joodse Raad over: “De vergadering in de woestijn”. Hand.7:38. Het griekse woord dat hier gebruikt wordt is hetzelfde woord dat elders vertaald wordt met ‘gemeente’. Het wordt 114 keer gebruikt in het Nieuwe Testament en wordt voor het merendeel vertaald met ‘gemeente’. Christus is er het hoofd van (Ef.5:23), en deze gemeente is op Hem gebouwd. Matt.16:18.
Waarom nu daarover uitgeweid? Dat heeft een praktische oorzaak. Als het waar is dat in Israël alleen de rechterlijke macht georganiseerd was en Israël geen wetgevende macht had, dan konden ook in Israël geen wetten uitgevaardigd worden, alleen maar bekrachtigd en gehandhaafd.

Ellen White geeft daarop het volgende commentaar:
«Israël werd bestuurd in naam en op gezag van God. Het werk van Mozes, van de zeventig oudsten van de oversten en richters was alleen om nadruk te leggen op de wetten die God gegeven had, ze hadden niet de bevoegdheid wetten uit te vaardigen voor het volk. Dit was en zou de voorwaarde zijn voor het voortbestaan van Israël als natie.» PP 552.

Welnu dat is precies het werk van een rechter. Stel je voor dat de wetgevende en de rechterlijke macht besloten lagen in dezelfde personen. Dat zou betekenen dat de rechter elk ogenblik de wetten zou kunnen aanpassen aan een willekeurige situatie. Het volk zou overgeleverd zijn aan de willekeur van de rechter. De Middeleeuwen leveren voldoende illustratiemateriaal om te bewijzen dat dit leidt tot tirannie en despotisme. Maar in het Nieuwe Testament is het precies als in het Oude Testament. Jezus zegt: “...leert hen onderhouden al wat Ik u bevolen heb”. Matt.28:19.

Ellen White geeft het volgende commentaar:
«De discipelen moesten onderwijzen wat Christus onderwezen had. Hier wordt niet alleen datgene bedoeld wat Christus persoonlijk had gesproken, maar ook datgene wat door alle profeten en leraars van het Oude Testament was gezegd. De leer van mensen is buitengesloten. Er is geen plaats voor overlevering, voor menselijke theorieën en gevolgtrekkingen, of voor kerkelijke wetgeving. Wetten die door het kerkelijk gezag zijn ingesteld, zijn niet in de opdracht betrokken. Geen daarvan mocht door Christus dienstknechten geleerd worden... Geen ding dat niet door Hem wordt onderschreven zal in Zijn koninkrijk worden erkend.» De Wens der Eeuwen 724-725, oud; 687-688, nieuw.

Wat E.G. White zegt over het oude volk en de wetgeving, zegt zij over de Nieuwtestamentische gemeente. Er is op dit punt geen wijziging ontstaan. Meer nog, het uitgeven van nieuwe wetgeving is volgens de profeten van het Oude en het Nieuwe Testament het werk van de Anti-Christ. (zie Dan.7:25 en 2 Thess.2:4).

Wat betekent nu deze juridische macht in verbinding met ons huwelijksprobleem. Laat mij dat eens illustreren. Voor een tijd terug deed een rechter uitspraak omtrent een geval van computer-inbraak. Het probleem voor de rechter was echter dat de wet het woord ‘computer-inbraak’ niet kent. Er moest dus gezocht worden naar een categorie waaronder de computer-inbraak strafbaar kon worden. De rechter bracht het onder bij ‘valsheid in geschrifte’ aldus het A.N.P

Dat vertelt ons iets over de juridische aanpak van het begrip “samenwonen”. Er moet gezocht worden naar een begrip dat in de wet voorkomt. Wij nemen dus ons kerkelijk wetboek, dat is de Bijbel, en zoeken naar het woord samenwonen. Al spoedig ontdekken wij dat dit woord er niet in voorkomt. Nu gaan wij zoeken naar een categorie waar wij het onder kunnen brengen. In Jesaja lezen wij: “Want de Here, is onze Rechter, de Here is onze Wetgever, de Here is onze Koning, Hij zal ons verlossen.” Jes.33:22. Maar Jezus die onze Koning, Rechter en Wetgever is heeft een aantal zaken naar beneden gedelegeerd en dat was de instelling van de kerkelijke tucht. Hij deed dat in het Oude en het Nieuwe Testament op dezelfde rigoureuze wijze. Achan, Anannias en Saphira zijn sprekende voorbeelden. Paulus verwijt de gemeente in Corinthe dat zij geen ernst maken met de kerkelijke tucht. 1 Cor.5. Het gevolg was natuurlijk dat men naar de wereldlijke rechter liep. (zie 1 Cor.6.). Paulus maakt echter duidelijk dat diegene die zijn broeder, een medegelovige, voor de wereldlijke rechter sleept een onrechtvaardige is (vers 1-8) en in vers 9 maakt hij ons duidelijk dat zo iemand het koninkrijk Gods niet beërven zal, want hij zegt: “Of weet gij niet dat onrechtvaardigen het koninkrijk Gods niet beërven zullen”?
De opeenvolging van onderwerpen hier heeft ook profetische betekenis, want zo verliep de kerkgeschiedenis. Eerst werd de kerkelijke tucht afgeschaft en kwam de wereld de kerk binnenwandelen en daarna ging de kerkelijke overheid naar de burgerlijke overheid om ‘de ketters’ (dat waren de gelovigen die niet mee wilden doen met de meerderheid), voor de rechter te slepen. Zo ontstond het pausdom. En dat ging in de Middeleeuwen zo ver dat als iemand zich vrij wilde spreken van ketterij dan hoefde hij alleen maar aan te geven dat hij overspel gepleegd had of gestolen had en dan zei de priester: “Laat hem maar gaan, want dan doen die ketters niet”. Let wel, dat doen die ketters “niet”!

3. De burgerlijke overheid

De overheid staat ‘in dienst van God’, u ten goede, zegt de apostel. Rom.13:4. En overheidspersonen zijn “dienaren Gods”. Rom.13:6. Dat zijn nogal wat uitspraken! Maar laten wij eerst eens even stilstaan bij de uitdrukkingen ‘in dienst van God’ en ‘dienaren Gods’. Die woorden betekenen precies wat zij zeggen. De overheid als zodanig, als instituut dus, is een ‘instelling Gods’. Rom.13:2. Wij hebben dus hier drie trefwoorden die ons vertellen dat God een deel van Zijn gezag gedelegeerd heeft naar:

1) Een ‘instelling Gods’, ‘een instituut’ en dat is de overheid.
2) Dat wordt dan nog eens herhaald met de volgende woorden:
‘De overheid staat in dienst van God.’
3) Overheidspersonen, die ‘dienaren Gods’ genoemd worden.

Al deze woorden hebben te maken met delegeren. De overheid heeft een bepaalde taak en die taak wordt in de rest van deze perikoop duidelijk omschreven:

1) Ten eerste is zij ‘toornende wreekster’ voor hem die kwaad bedrijft. D.w.z. dat de overheid een rechterlijke macht bezit.

2) De tweede opmerking heeft betrekking op het financieren van het overheidsapparaat; “daarom brengt gij toch ook belastingen op”. D.w.z. God heeft niet beloofd dat Hij het overheidsapparaat op wondere wijze van aardse middelen zou voorzien, maar dat de onderdanen daarvoor hebben te zorgen. Het is een zelfonderhoudend instituut.

Nu komt de moeilijkheid. Tot nu toe hebben wij dus ontdekt dat er op deze wereld twee juridische systemen zijn. Beide zijn door God ingesteld, beide staan zij in dienst van God. Het ene juridische systeem noemen wij de ‘kerk’ ofwel de ‘gemeente’, en het andere de ‘overheid’: Kerk en Staat. Zij hebben beide een van God gedelegeerd gezag ontvangen. Nu is het dus zaak om uit te vinden waar de grenzen liggen. De Bijbel heeft de grenzen duidelijk en nauwkeurig aangegeven. Als wij verder lezen in Rom.13 dan lezen wij in vers 9: “Want de geboden: gij zult niet echtbreken, gij zult niet doodslaan, gij zult niet stelen, gij zult niet begeren en WELK ander gebod er ook zij, worden samengevat in dit woord: gij zult uw naaste liefhebben als uzelf.” Is dit waar, worden alle geboden samengevat in het gebod ‘heb uw naaste lief als uzelf’? Is dat niet in strijd met de woorden van Jezus: “Gij zult de Here uw God liefhebben... Dit is het grote en het eerste gebod.” Matt.22:37. Paulus spreekt in Rom.13 echter niet over het dienen van God noch over de liefde tot God, maar over de grenzen van de van God uit gedelegeerde macht a an de overheid en die beperkt zich tot de daadwerkelijke overtreding van de tweede tafel van de wet der Tien Geboden.

Het eerste wat hij noemt bij de opsomming van de bevoegdheid van de overheid om de juridische macht van de overheid in werking te laten treden is, het met “de daad” overtreden van het zevende gebod. En dat is nu precies het onderwerp waar wij het over hebben. Paulus plaats het huwelijk onder de overheid. Dat heeft echter belangrijke consequenties. Als de overheid vaststellen en ingrijpen moet bij het breken van de echt, dan stelt de overheid ook vast, wat het begin van het huwelijk is en wat het huwelijk is. Welnu, in Nederland is het zo dat samenwonen geen huwelijk is en dat een huwelijk begint op het stadhuis. Zo bepaalt de overheid en zo zegt Paulus daaraan moet je je onderwerpen.

Dit werpt ook licht op een uitspraak van Jezus: “Wat God samengevoegd heeft scheide de mens niet”. Matt.19:6. Als God bepaalde taken gedelegeerd heeft naar de overheid, naar ‘de instelling Gods’ en de overheid hier functioneert ‘in dienst van God’ en de ambtenaar van de burgerlijke stand als overheidspersoon ‘een dienaar Gods’ is, dan is datgene wat deze man doet, ‘in dienst van God’ een gedelegeerde daad en het is God zelf die daar de handeling verricht.

De vraag hoe twee mensen door God samengevoegd worden is daarmee dus voor eens en voor altijd beantwoord. Dat doet Hij op het gemeentehuis, d.m.v. de ambtenaar van de burgerlijke stand. Het trouwboekje is dus geen boterbriefje, maar een van God uitgegeven document. Maar voor alle dingen is het een document, dat voor de wet geldt. In het zevende hoofdstuk van de Romeinenbrief zegt de apostel nl. dat het huwelijk een instelling is waardoor twee mensen met elkaar verbonden zijn door ‘de wet’. Helaas hoor je te vaak dat het huwelijk een instelling is waardoor twee mensen met elkaar verbonden zijn door het hebben van geslachtgemeenschap. Maar de onkunde die daaruit spreekt strekt zich uit naar andere gebieden. Laat ik de apostel eens citeren. “Of weet gij niet broeders, - ik spreek immers tot wie de wet kennen - dat de wet heerschappij voert over de mens, zolang hij leeft! Want de gehuwde vrouw is door de wet aan haar man gebonden, zolang deze leeft; wanneer echter de man sterft, is zij ontslagen van de wet, die haar aan die man bond. Zo zal zij dan, indien zij bij het leven van haar man een ander tot man neemt, echtbreekster heten; wanneer echter de man sterft, is zij vrij van de wet, zodat zij geen echtbreekster is, indien zij zich aan een andere man geeft. Bijgevolg, mijn broeders, zijt ook gij dood voor de wet door het lichaam van Christus om het eigendom te worden van een ander, van Hem die uit de doden opgewekt is, opdat wij Gode vrucht zouden dragen.” Rom.7:1-4.

De apostel zit hier midden in een bewijsvoering die hij begonnen is in het derde hoofdstuk en nu voegt hij een nieuw argument toe aan zijn bewijsvoering en dat argument heeft betrekking op de wet. Hij zegt: “Jullie weten toch dat de wet heerschappij voert over de mens zolang hij leeft?!” En dan gaat hij in gedachten de tien geboden langs en bij het zevende gebod zegt hij: “Kijk hier heb ik het. Een man en een vrouw zijn door de wet in het huwelijk aan elkaar gebonden. Er zijn een heleboel mensen die dat niet geloven”, zegt de apostel, “maar let op”, zegt hij, “daar komen ze achter als ze scheiden, want dan zegt de wet: Nee dat gaat niet.” Het zevende gebod geldt zolang beide partijen leven. En het is daarom in zijn bewijsvoering zo’n excellent argument omdat alle andere geboden betrekking hebben op één persoon, maar het huwelijk op twee personen. “Want”, zegt de apostel, “Sterft er nu één en de ander blijft leven, dan is de partij die overblijft toch vrij, en is het alsof de overgebleven partij nooit getrouwd is geweest.” Dit argument wordt dan toegepast op het verlossingsplan en de apostel zegt: “Op die manier wordt de mens verlost van de zonde. Christus werd één met ons en toen Hij één was met ons, stierf Hij. En omdat één voor allen gestorven is ‘zijn zij allen gestorven’.” 2 Cor.5:15. Aha, zo zit dat dus in elkaar. Als je dan op die manier gestorven bent, en daar had Paulus het in het zesde hoofdstuk net over gehad, dan ben je vrij om opnieuw te trouwen, in dit geval met Hem die uit de doden opgewekt is. Maar let wel zegt Paulus, in het eerste huwelijk was het de wet die de twee echtelieden aan elkaar verbond, het tweede is niet anders. “Want”, zegt hij, “dit huwelijk is er om Gode vrucht te dragen, d.w.z. dát te doen wat de wet vraagt.” In heel de Bijbel wordt het verlossingsplan
vergeleken met het huwelijk en daarom is het juist zo belangrijk om te weten wat het huwelijk is. Want in het verlossingsplan is het net als in het huwelijk, al wil je van elkaar af, al zijn liefde en trouw verdwenen toch zit je aan elkaar vast. En het verdere van Romeinen 7 vertelt op onnavolgbare wijze hoe de mensen van de zonde af willen, maar niet kunnen omdat zij ‘door de wet’, ja door de wet der tien geboden, aan de zonde gekluisterd zitten. Hoelang? Tot de dood van Jezus aangenomen wordt als de verzoening van je eigen persoonlijke zonden. Rom.7:4. Daarom roept hij in vers 25 uit: “Gode zij dank door Jezus Christus onze Here.”

Wanneer het huwelijk als ‘een door de wet verbonden zijn’ losgelaten wordt, dan vervalt daarmee dit argument van Paulus en de hoop op het eeuwige leven. Er is dus geen sprake van willekeur als de Bijbel zegt dat hoereerders het koninkrijk Gods niet zullen beërven. Zij doen dat, niet omdat zij overtreders van de wet zijn, maar omdat zij geen kennis en begrip hebben van het verlossingsplan en niet dát geloof kunnen beoefenen dat de ziel behoudt. Want het geloof dat de ziel behoudt werkt zo: Als je de dood van Christus aanneemt voor jezelf dan is het of je nooit gezondigd hebt, precies zoals één van de beide echtelieden sterft dan is de overgebleven partij zo vrij alsof die nooit getrouwd geweest is. En dat, om Gode vrucht te dragen.

Om nog even terug te komen op Rom.13 en de ambtelijke, juridische grenzen van de overheid, dan is het duidelijk dat in grove lijnen iedereen het een vanzelfsprekende zaak vindt, dat de overheid diefstal, meineed en moord straft, maar het tiende gebod dan? Wat doet de overheid aan het ‘begeren’ met ‘de daad’. Welnu daar doet de overheid van alles tegen. Om de consument te beschermen plaatst zij de middenstand in een positie waar men elkaar beconcurreert en is er een wetgeving tegen monopolies. En dat is juist. De overheid is voortdurend bezig de grijpgrage handen van de handel uit de buidel van de consument te houden.

In 1 Tim.1:8-10 worden een aantal overtredingen ‘met de daad’ van de tien geboden met name genoemd en daar blijkt duidelijk welke onder de staat en welke onder de kerk vallen. Vanaf het vijfde gebod ‘vadermoorders’ wordt alles door de overheid gestraft. Daar heeft niemand moeite mee. En toen in Amerika Roger Williams, de grote voorvechter voor de godsdienstvrijheid, het beginsel van de godsdienstvrijheid eens en voor altijd vaststelde, beweerde hij, dat de taak van de overheid beperkt was tot de tweede tafel van de wet. Wat een zegen zou het voor de wereld geweest zijn door de eeuwen heen als zij zich daaraan gehouden had, maar ook nu. Bijna alle politieke problemen die uitgelopen zijn op een bloedbad in de laatste jaren hadden hier hun oorsprong. De Bijbel, hoe verafschuwd door velen ook, is een licht op het pad van de wereld. Maar velen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht. Jezus zegt in Spreuken: “Die Mij haten hebben de dood lief.” Spr.8:36.

4. Het huwelijk in de Bijbel


Kent de Bijbel het huwelijk en hoe kwam dat dan tot stand? Was er in de Bijbel werkelijk sprake van een huwelijk? Ja, dat was zo en dat was reeds van af het begin zo. Het komt ons als een Paradijsgeschenk tegemoet. Daar was het eerste huwelijk, de vrouw genomen uit de man. Uit het Paradijs verdreven is de eerste man-vrouw relatie die met name genoemd wordt die van Kaïn. Kaïn bekend ‘zijn’ vrouw, dat was dus zijn zuster waar hij mee trouwde. Met Lamech zien wij de veelwijverij binnenkomen en dat neemt zulke onheilspellende vormen aan dat één van de hoofdoorzaken die genoemd worden voor de zondvloed het huwelijk tussen de zonen (kinderen) Gods was en de dochters der mensen. Het heilige geslacht, de kerkleden, trouwde wereldlingen. Bij Jacob zien wij dan de vermelding van de eerste bruiloft. Dat was natuurlijk niet de eerste, want het was al uitgegroeid tot een feest van zeven dagen. In Ruth en het Hooglied hebben wij dan nog eens twee prachtige Bijbelboeken die het huwelijk beschrijven als een symbool en als een lied van verlossing. Midden in de tien geboden komen wij dan het huwelijk tegen en het neemt daar dezelfde ereplaats in als in het Paradijs. In de zeventig wetten die op de tien geboden volgen en die de tien geboden uitleggen voor het leven van alle dag komen wij de volgende situaties tegen. Een gehuwde slaaf, die vrijkomt, mag zijn vrouw meenemen. Verder een aantal andere situaties in het geval van slavernij. In Lev.18 wordt het huwelijk tussen bloedverwanten verboden. In Deut.22 wordt ons verteld dat de gemeenschap plaats vindt nadat gehuwd is. Er wordt dus duidelijk afstand geschapen tussen huwelijk en gemeenschap. Er worden een aantal situaties aan gewijd. En daar wordt gemeenschap voor het huwelijk genoemd ‘ontucht in het huis van haar vader’. Wordt dat gedaan en wordt men betrapt dan moet het een levenslange relatie worden, m.a.w. uitlopen op een huwelijk. Deut.22:28,29.

In het boek Ruth blijkt overduidelijk dat de vromen in Israël, je zou kunnen zeggen de getrouwen in Israël, geen gemeenschap hadden voor het huwelijk. Een duidelijk bewijs in het Nieuwe Testament ligt in het geval van Jozef en Maria. Maria en Jozef waren ondertrouwd en hadden in deze situatie geen gemeenschap, later als blijkt dat Maria zwanger is dan wil Jozef zich, omdat hij zich bedrogen voelt, stilzwijgend terugtrekken. Jozef was toch wel een echte heer. Maar de Engel des Heren houdt hem tegen, verklaart de situatie en redt daardoor de verhouding.

Jezus zegt dat de huwelijksrelatie blijvend is (Matt.19:1-12; Matt.5:31,32) en dat er behalve de dood maar één grond voor echtscheiding en hertrouw is en dat is de ontucht door de andere partij. De onschuldige partij mag hertrouwen, alle andere situaties leiden naar overspel, volgens de Wetgever. En omdat wij geen wetgevers zijn, maar rechters, geldt voor de kerk van Jezus Christus dat de woorden die buiten huwelijk en bruiloft omgaan, alleen maar zijn, ontucht, overspel, echtbreuk en hoererij. En voegt onze Wetgever er aan toe, hoereerders en overspelers zullen het Koninkrijk der hemelen niet binnengaan.

5. Het huwelijk in het Oude Testament, beoordeeld



Dat er tussen het Oude en het Nieuwe Testament een verschil van benadering is ten aanzien van het huwelijk staat buiten kijf. Dat het Oude Testament ook de echtscheiding niet goedkeurt is duidelijk. In Maleachi 2:13-16 wordt heel duidelijk gesproken. God haat de echtscheiding. Ook de Spreuken dringen aan op een goede huwelijksrelatie. De wet der Tien Geboden verbiedt de echtscheiding en alle andere vormen van ontrouw. Jezus zegt: “Mozes heeft met het oog op de hardheid uwer harten toegestaan uw vrouw weg te zenden, maar van den beginne is het zo niet geweest.” Matt.19:18. Ook de veelwijverij kwam veelvuldig voor. Iedereen wist dat het fout was want dat blijkt duidelijk uit de afscheidswoorden die Laban tot Jacob richtte. Gen.31:50. Hij noemt het ‘vernederend’ voor een vrouw en dat is natuurlijk juist. Toch gebeurde het. Er was in Israël een soort ‘legale’ hoererij, een veelwijverij, die door de burgerlijke voorschriften in de wetten van Mozes was toegestaan, door de wet van God verboden en die te maken had met “de hardheid uwer harten”. Matt.19:8,9. In het Oude Testament kon iemand profeet zijn b.v. David, Hand.2:29,30, die in het Nieuwe Testament nog geen diaken had kunnen worden. Want die moesten zijn “mannen van één vrouw”. 1 Tim.3:12.

Is deze ‘legale’ hoererij nu ongemerkt uit de gemeente verdwenen of op grond van een uitspraak in de gemeente? Allereerst zijn daar natuurlijk de woorden van Jezus. Jezus keurde het vierkant af. En de woorden van Jezus vormden de basis voor een uitspraak op de eerste kerkvergadering die ons in het kort wordt medegedeeld in het vijftiende hoofdstuk van Handelingen. Daar, op de kerkvergadering, besluiten de apostelen in overleg met de Heilige Geest, “u geen verdere last op te leggen dan dit noodzakelijke: onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij”. Handelingen 15:20,28,29.

Deze voorschriften hebben ook vandaag geldigheid. De hoererij die hier genoemd wordt had natuurlijk geen betrekking op het prostitutiestelsel dat overal aangetroffen werd, want dát was ‘so wie so’ taboe. De speciale vorm van hoererij die hier genoemd wordt is die hoererij die onder Israël gelegaliseerd was en omdat toen alleen het Oude Testament in omloop was, had dit heel gemakkelijk over kunnen springen naar de gemeenten onder de heidenen. Jacobus, de leider van de gemeente in Jeruzalem, die dagelijks met deze zaken te maken had, daar in het Jodendom, deed een voorstel en het werd unaniem aangenomen met deze woorden: “het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht.” vers 28.

Stel je voor dat de Nederlandse overheid in de wetgeving het huwelijk gelijk gaat stellen met samenwonen, wat is er dan gebeurd? Dan is samenwonen op dat moment ‘huwelijk’ geworden en daarom zal dat nooit gebeuren. De voorstanders van het traditionele huwelijk willen dat onder geen enkele voorwaarde en ook de tegenstanders niet, want zeggen de tegenstanders, dan kun je net zo goed gaan trouwen en dat willen wij niet.

Wat de tegenstanders wel willen is dat de overheid samenwonen gaat erkennen en toch onderscheidt van het huwelijk, maar op die manier blijft het bijbels gezien een buitenechtelijke relatie. En dat woord komt in ons wetboek de Bijbel, niet voor en zijn wij dus gedwongen om te zoeken naar een synoniem.

Nu staan wij weer voor hetzelfde probleem als in de tijd van Jacobus. Er is een vorm van legale hoererij in opkomst, in de burgermaatschappij. De regering heeft andere samenlevingsvormen gelegaliseerd zonder daar aan de gelijkstelling met het huwelijk te verbinden. Het zou juist zijn, als wij als Zevendedags Adventisen ons solidair verklaren met de uitspraak van het apostelconvent en verklaren: “Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht” om ons te onthouden van deze ‘legale’ vorm van hoererij.