„Charismatisch erfgoed dringt als dwaling
in”
COGG belegt conferentie over Geestesgaven
Van een medewerker
PUTTEN - „In een
charismatisch denkpatroon verspelen wij de reformatorische rijkdom van het
sola gratia, sola fide, sola Scriptura en solo Christo.”
Op de jaarlijkse conferentie van het Contact
Orgaan Gereformeerde Gezindte (COGG) gaf prof. dr. J. W. Maris donderdag
een negatief antwoord op de vraag of vanuit een gereformeerde
spiritualiteit ja kan worden gezegd tegen een grotere openheid naar een
charismatische geloofspraxis. „Een dwaling is bezig de kerken van
gereformeerd belijden binnen te dringen.”
Prof. Maris, hoogleraar dogmatiek aan de
Theologische Universiteit in Apeldoorn, realiseert zich dat hij scherpe
taal gebruikt. De ernst van wat er zijns inziens gaande is en het gebrek
aan serieuze reacties van degenen die pleiten voor charismatische
integratie in het gereformeerde denken en leven, dringen hem ertoe. „Het
lijkt alsof na de charismatische opschudding van het bed van de kerk in de
jaren zestig -eerst onder protestanten, later ook in de Rooms-Katholieke
Kerk- er nu een charismatische intocht in de orthodox-gereformeerde kerken
wordt ingezet.”
In de ontmoeting tussen gereformeerd en
charismatisch is het ijkpunt van de hoogste orde volgens prof. Maris de
relatie tussen God en mens. „In onze spiritualiteit is alles óf gericht op
de relatie met God óf op de ervaring van het mens-zijn in diepere en hogere
dimensies. De charismatische spiritualiteit kenmerkt zich vaak door de
drang te laten uitkomen dat jij er mag zijn en dat jij belangrijk bent, is
gericht op de vervulling van onze eigen mogelijkheden. Er is een
spiritualiteit die vol is met ervaringen, maar die niet te herleiden is tot
de relatie met God.”
Prof. Maris werkte de Bijbelse normen uit
die karakteristiek zijn voor het geestelijk leven. De grondwoorden daarvan
zijn geloof en genade. „In het Bijbelse denken gaat het om het kennen van
de Heere en Zijn betrouwbaarheid, niet om een geestelijke kwaliteit van
leven die een reeks ervaringen van overvloed, van wonderen, van een hogere
bestaanswijze binnen bereik brengt. Deze grondlijnen geven de hoogste
perspectieven van de ervaring van Gods gemeente. Het relatiekarakter van de
spiritualiteit mag niet uit het oog worden verloren.”
Welke plek de gaven van de Geest dan hebben
in een Bijbelse spiritualiteit? Prof. Maris vindt dat in de pleidooien
vanuit CV.Koers en de CHE vooral de ervaringsmatige kant wordt gezocht,
terwijl het moet gaan om de opbouw van de gemeente. „De centrale plaats die
Christus voor de gelovige heeft, moet het onmogelijk maken dat iemand op
zijn eigen gaven gefixeerd kan raken. Paulus was niet onder de indruk van
getuigenissen van bijzondere ervaringen. We moeten ons houden aan ons hoofd
Christus.”
De hoogleraar betreurt het dat er een blinde
vlek is voor het stellen van vragen bij de charismatische ervaringen. Hij
meent dat er op het gebied van genezingen alle reden is te denken aan
occulte ’wonderen’, terwijl gebedsministry wortelt in het werk van de
psychotherapeut C. G. Jung. „Het gaat om de vraag of een verschijnsel uit
God is of uit de duisternis. Wij moeten principieel vragen naar de bron van
de ervaringen.”
De gereformeerd vrijgemaakte hoogleraar dr.
B. Kamphuis, die een coreferaat hield, stelde dat onder meer Maris’
publicaties de bewering weerleggen dat er vanuit de gereformeerde theologie
nog steeds geen antwoord is gegeven op de charismatische theologie. „Men
bedoelt dat het niet het gewenste antwoord is…”
In kanttekeningen bij een referaat van de
baptistendocent dr. H. Bakker protesteerde hij tegen de term
”streeptheologie”, volgens hem een naar etiket dat de discussie meteen
eindigt. Hij erkende wel dat in de gereformeerde dogmatieken meestal te
weinig plaats is voor de Geest. „Maar als bijvoorbeeld Calvijn aarzelt over
het voorkomen van bijzondere Geestesgaven in de tijd na het Nieuwe
Testament, hangt dat samen met de reformatorische notie van het verschil
tussen heilsgeschiedenis en kerkgeschiedenis, waarvan de eerste beslissend
en eenmalig was. De discussie moet worden gevoerd over de uitleg van de
Bijbelteksten over de bijzondere gaven.”
De hervormde emeritus predikant ds. C. Blenk
wees erop dat in de gereformeerde theologische traditie veel aandacht is
geweest voor de Persoon en het werk van de Heilige Geest, zij het niet voor
de bijzondere gaven. „Profetie en genezing hebben echter in de praktijk van
het leven wel degelijk een plaats ingenomen, al werd er geen ophef over
gemaakt.”
Tijdens de discussie lichtte prof. Maris
zijn inzet nader toe. Hij wil niet zeggen dat tongentaal altijd met de
duivel te maken heeft. „Men moet doorvragen naar de bron. Wat heeft
tongentaal met jou gedaan? Strekte het tot verheerlijking van God, of was
je er blij mee dat je het had? En wat betekent het eigenlijk? In tal van
gevallen bleek het godslasterlijke taal te zijn.”
In het Nieuwe Testament heeft tongentaal
volgens prof. Maris de legitimatiefunctie dat dezelfde Geest aan Israël, de
Samaritanen en de heidenen was gegeven. „De Geest ging grenzen over. Dat
geldt waarschijnlijk ook van 1 Korinthe 14, een gedeelte waar op de
achtergrond het conflict met de joodse synagoge staat. Het is goed te
verdedigen dat met ongelovigen daar ongelovige Joden worden bedoeld. Heeft
tongentaal ook vandaag deze legitimatiefunctie?”
Komen in de benadering van prof. Maris de
gaven niet „in de onderste lade” te liggen, vroeg iemand. De hoogleraar
meent dat dit in het algemeen niet geldt. „In een levende gemeente
functioneren de gaven van de Geest. Maar bedenk wel dat er meer worden
genoemd dan tongentaal en genezing: onder andere leidinggeven, onderwijzen,
dienen en profetie.”
Bron: Reformatorisch
Dagblad