|
Kardinaal
Kort
Kardinaal is de titel van de hoogste kerkelijke waardigheidsbekleders na de
paus. De kardinalen helpen en adviseren de paus bij het bestuur van de kerk en
kiezen na zijn overlijden in het conclaaf een opvolger.
Prinsen van de kerk
Kardinaal is de titel van de hoogste kerkelijke waardigheidsbekleders na de
Paus. De kardinalen helpen en adviseren de paus bij het bestuur van de Kerk,
onder meer door functies in de Romeinse Curie te bekleden. Zij worden vaak de
Prinsen van de Kerk genoemd. Het kardinalaat is een eretitel, geen wijding.
Spilfunctie
Het woord kardinaal is verwant aan het Latijnse cardo, ofwel ‘spil’, en aan
cardinalis, dat ‘voornaamste’ betekent. Kardinalen hebben een spilfunctie, het
zijn de belangrijkste leden van de Clerus. In de vroege middeleeuwen droeg
iedere geestelijke die promotie had gemaakt in de kerkelijke hiërarchie - dus
een voornamere positie bekleedde dan die waarvoor hij oorspronkelijk was gewijd
- de naam cardinalis.
College van kardinalen
Cardo is de algemene term voor een kerk met een (regionale) spilfunctie, een
zogenaamde ‘hoofdkerk’. De naam cardinalis bleef op de duur gereserveerd voor de
voornaamste priesters van de 28 hoofdkerken in Rome, de zogenoemde Titelkerken.
Zij werden al spoedig betrokken bij het centrale bestuur van de Kerk. Dat gold
ook voor de diakens die aan het hoofd stonden van de armenzorg van Rome en voor
de bisschoppen van de zeven naburige bisdommen van Rome, de zogenoemde
suburbicaire bisdommen. Uit deze drie groepen van de Romeinse clerus – priesters
van hoofdkerken, de voornaamste diakens en de suburbicaire bisschoppen - heeft
zich het college van kardinalen ontwikkeld. Dat komt tot uiting in een
driedeling in kardinaal-priesters, kardinaal-diakens en kardinaal-bisschoppen.
Aan het hoofd van het kardinalencollege staat de kardinaal-deken, die door de
kardinaal-bisschoppen uit hun midden wordt gekozen.
Alleenrecht van pausverkiezing
Tot ver in de middeleeuwen werd de Paus, net als andere bisschoppen, gekozen
door de gelovigen en vooral de geestelijken van het bisdom. Toen paus Alexander
III in 1179 (1159-1181) de kardinalen officieel het alleenrecht van de
pausverkiezing gaf, steeg de kardinaalsfunctie aanmerkelijk in aanzien. Zijn
voorganger paus Nicolaas II (1058-1061) had dit in de praktijk overigens al in
1059 ingevoerd. Beide pausen beoogden een einde te maken aan de grote invloed
die invloedrijke adellijke families in de loop der eeuwen op de pauskeuze hadden
gekregen.
Bisschoppen van buiten Rome
Vanaf het einde van de 12e eeuw werden naast de bisschoppen van de naburige,
suburbicaire bisdommen ook buiten Rome residerende bisschoppen in het college
opgenomen. Na hun benoeming - de zogenoemde creatie - vestigden zij zich
doorgaans in Rome. Daar gingen zij deel uitmaken van de Romeinse Curie. Het
bestuur van hun bisdom werd aan anderen overgelaten. Aan deze praktijk kwam een
einde met het Concilie van Trente (1545-1563), dat er bij niet-Italiaanse
bisschoppen op aandrong in hun eigen bisdom te resideren. Tot op de dag van
vandaag hebben zij daardoor minder invloed op het centrale bestuur van de kerk
dan de in Rome verblijvende Curiekardinalen.
Kardinaal altijd bisschop
Paus Johannes XXIII (1958-1963) bepaalde in 1962 dat alle kardinalen die op het
moment van hun creatie nog geen bisschop zijn, voortaan de bisschopswijding
moeten ontvangen. Het komt overigens wel voor dat de paus aan nieuwe kardinalen
op hun eigen verzoek, om gezondheids- of leeftijdsredenen, dispensatie verleend
van deze wijding.
Titel versus feitelijke functie
Bisschoppen met een eigen Bisdom worden bij hun creatie doorgaans
kardinaal-priester, verreweg de meest voorkomende titel in het college van
kardinalen . Slechts een enkeling wordt in de loop der jaren verheven tot
kardinaal-bisschop. Patriarchen van de katholieke oosterse kerken worden bij hun
creatie automatisch kardinaal-bisschop, maar zij krijgen geen Suburbicair bisdom
toegewezen. Curiekardinalen beginnen meestal als kardinaal-diaken, maar later
maken zij ook vaak de overstap naar de priesterorde. De titels
kardinaal-bisschop, kardinaal-priester en kardinaal-diaken komen dus niet
overeen met de feitelijke functie die iemand bij zijn kardinaalsbenoeming
bekleedt. Mgr. Simonis was bijvoorbeeld bij zijn creatie in 1985 al ruim
veertien jaar bisschop en werd, geheel volgens de regels, kardinaal-priester.
Consistories
Vanaf de 11e eeuw behandelde de paus met de in Rome aanwezige kardinalen tijdens
zogenoemde consistories van tijd tot tijd alle belangrijke zaken wat betreft
Dogma, Moraal, recht, politiek etc. Daarbij vormden zich vanaf de 15e eeuw voor
belangrijke aangelegenheden kardinalencommissies die ad hoc werden ingesteld.
Uit deze kardinalencommissies ontstonden eind 16e eeuw de Romeinse congregaties.
’Machtig tot tachtig’
Kardinalen nemen deel aan consistories maar ook aan algemene concilies.
Bovendien behoren zij tot de bisschoppensynode. Het zijn machtige personen, niet
in het minst omdat zij bij het overlijden van de paus in het zogenaamde Conclaaf
bijeen komen om een nieuwe paus te kiezen. Wel is het zo dat het recht om een
nieuwe paus te kiezen vervalt als een kardinaal 80 wordt. Met 80 vervalt ook een
eventueel lidmaatschap van een Dicasterie van de curie of van een ander
permanent instituut van het Vaticaan.
Onbeperkt aantal kardinalen
Het aantal kardinalen is in de loop der tijden veranderd. Van de 16e tot het
midden van de 20e eeuw was er sprake van een constant aantal van 70 kardinalen :
6 kardinaal-bisschoppen, 50 kardinaal-priesters en 14 kardinaal-diakens. Na 1958
zijn er steeds meer kardinalen bijgekomen. Sinds 1975 is de officiële regel dat
het totale aantal kardinalen vrij is, maar dat er maximaal 120 kiesgerechtigde
kardinalen mogen zijn.
Aantal pauskiezers
Een paus kan de regel dat er maximaal 120 pauskiezers mogen zijn overigens naast
zich neerleggen. Johannes Paulus II deed dat bij de benoemingen van nieuwe
kardinalen in 1998, 2001 en 2003; het aantal nieuwe stemgerechtigde kardinalen
was daarbij telkens zo groot dat de limiet van 120 werd overschreden. De paus
had deze afwijking van de regel wel expliciet van tevoren aangekondigd.
‘In petto’
De creatie van kardinalen is het alleenrecht van de paus. Hij maakt de benoeming
bekend in een geheim Consistorie, waaraan alleen de kardinalen deelnemen. Soms
kan het gewenst zijn dat de naam van een nieuwe kardinaal nog enige tijd geheim
blijft. In dit geval deelt de paus in het geheim consistorie mee dat hij nog één
of meerdere personen In pectore, in het Italiaans in petto, dat wil zeggen in
zijn hart draagt. De paus kan er om bijvoorbeeld politieke of persoonlijke
redenen voor kiezen de naam pas op een later tijdstip wereldkundig te maken.
Wie wordt kardinaal?
Benoeming in bepaalde hoge kerkelijke functies brengt vrijwel automatisch
creatie tot kardinaal met zich mee. Dat geldt voor belangrijke internationale
bisschopszetels en patriarchaten en voor bepaalde sleutelposten binnen de
Romeinse Curie. Maar ook een geestelijke die zich op een andere manier bijzonder
verdienstelijk maakt voor de kerk, bijvoorbeeld als theoloog, kan de eretitel
van kardinaal krijgen.
Onderscheidingstekens
Kardinalen dragen rode kleding als teken van hun bereidheid hun bloed voor de
kerk te vergieten. De onderscheidingstekens van een kardinaal zijn een rode
toog, een saffieren ring en een rode bonnet met de drie punten. De zogenoemde
kardinaalshoed, een ronde, rode hoed met brede rand en 15 kwasten aan
weerskanten, is uitsluitend een teken van waardigheid en wordt nooit gedragen.
In titel
De paus wijst een kardinaal bij zijn creatie één van de oorspronkelijke
hoofdkerken of diaconieën van Rome in titel toe. Hoewel de kardinaal daar geen
enkele bestuursbevoegdheid mag uitoefenen, is het wel traditie dat zijn wapen
aan de voorgevel van de betreffende kerk of diaconie wordt gehangen.
|