PERGAMUM = verheffing, burcht...
Pergamum was een koninklijke stad in Klein-Azië, gebouwd op een steile rots, zij
werd als oninneembaar aanzien. Daar bevonden zich prachtige tempels, een ervan
was gewijd aan de godin Roma, verpersoonlijking van de geest van het Rijk. Ook
Bachus en Venus werden er geëerd. Op een hoogte van de stad verhief zich het
altaar van Zeus, een meesterwerk van kunst en architectuur. De stad bezat ook
een vermaarde badplaats, waar duizenden zieken naartoe stroomden.
Pergamum, de stad der antieke weelde, was de centrale zetel geworden van de
Babylonische mysteriën (6). Wanneer Babel door de Perzen was ingenomen, waren de
priesters gevlucht en hadden zich te Pergamum gevestigd. Bij de dood van de
laatste priester-koning, in het jaar 33 v. Chr. ging deze geestelijke autoriteit
over op de Romeinen. Caesar was voortaan de Pontifex-Maximus, hetgeen aan de
keizer-cultus een bijzondere plechtigheid gaf. Na de ineenstorting van het
imperium werd deze titel overgenomen door de bisschop van Rome (7). Pergamum
werd aldus de schakel tussen het heidendom en het pausdom, tussen het Oude en
het Nieuwe Babel (8). IVe. en Ve.
eeuw.
De strijd tussen het Rijk Gods en het Rijk dezer wereld - een strijd die alle
eeuwen door blijft woeden - had zich ongenadig geopenbaard. Satan had getracht
het christendom te verdelgen door gruwelijke vervolging, maar het tegendeel had
zich voorgedaan.
De dag brak aan dat Konstantijn de Grote het toneel betrad, deze was zich bewust
dat het zelden voordelig is martelaren te maken; als erkentelijke bontgenoten
zouden de christenen zijn plannen beter dienen. Hij zag in dat het christendom
de énige band was die de uit-zijn-voegen-geraakte-structuur van zijn Rijk kon
samenhouden, hij was de kerk dan ook vriendelijk gezind en trad op als haar
beschermer.
De geweldige spanning tussen de twee werelden verdween. Nog jong en onervaren,
ging Jezus' bruid op de arm van de keizer leunen. Beschermd door de wetgevende
en militaire macht, gesteund door de gelden van de staat, zou zij aldus de
triomf van het evangelie kunnen bespoedigen, zo dacht zij. Maar men kan geen
twee heren dienen; langzamerhand liet zij de almachtige arm van haar hemelse
Bruidegom los, en kwam ten volle terecht in de branding van het wereldleven.
(6) Babel beweerde, door haar occulte praktijken, een brug te scheppen tussen
hemel en
aarde, de heersende priester-koning werd de Pontifex-Maximus genoemd, de hoogste
brugschepper.
(7) William B.Barkerk. "Lares and Penates", p. 232, 233 (8) Zie : Openb. 17 -
Babel in zijn hoogste ontwikkeling
"Daar vloeide uit voort dat de kerk, die gedurende drie eeuwen tegen de
overheersende pretenties van een almachtige staat had gestreden, de nederige
dienstmaagd werd van het Byzantijnse Rijk (9). Dat was de beginfase van de
geestelijke ontrouw der kerk. De kerk kon geen keizerlijke eer ontvangen zonder
dat de structuur van haar organisatie grote veranderingen onderging. De
geestelijke leiders versterkten hun hiërarchie, de wedloop naar de macht nam een
sneller tempo aan, de wijsheid van Griekenland en Rome, alsmede het zwaard,
moesten hulp bieden bij de verkondiging van het kruis. De. krijgers van Rome
ontvingen het monogram van Christus op hun schild, het kruis werd hun veldteken.
De ontrouwe bruid werd tot een geëerde wereldkerk : Pergamum. Zij werd in de
wereld opgenomen, het overspelig huwelijk tussen de geestelijke en wereldlijke
macht werd weldra gesloten. De machtspositie was duur gekocht ten koste van
hemelse beginselen.
De gevallen bruid kreeg de wereld lief, zij ging er zich thuis gevoelen en
verwisselde weldra de eenvoud van Christus tegen de hoogmoed der heidense
priesters. Zij werd bekleed met het koninklijk purper, een weelderige cultus
ontwikkelde zich, prachtige kathedralen werden opgericht. Het verlies van de
edelste goederen der Waarheid ging altijd gepaard met liefde tot uitwendige
glorie. Een geestelijke opperpriester, bekleed met dogmatische superioriteit,
omringd door de grootste weelde, heeft voor de mens meer attractie dan de
onzichtbare Verlosser.
De machtsbegeerte en cultuur van het antieke Rome verdween niet met de
ineenstorting van het Rijk, maar bleef leven in het christendom in verfijnde
vorm, en ontplooide zich ten volle in de donkere Middeleeuwen. De kerk werd een
grootmachtsinstituut, een religieus imperialisme, vol heerszucht en
onverdraagzaamheid. Jezus werd aangesteld tot onzichtbare Koning over een
zondige wereld - een koningschap waar Hij van gruwt ! - Heeft Jezus niet in alle
duidelijkheid verklaard aan Pilatus : "Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld ?
" Het werd een treurig schouwspel : het christendom aangewend voor politieke
doeleinden !
Pergamum is de gepaste naam voor de kerk in de periode waarin zij de eenvoud van
het evangelie verloochent om de paleizen der koningen te betreden en de wagen
der geschiedenis te besturen. Zij, die als haar Meester geen steen had om haar
hoofd op neer te leggen, beklimt de troon van Caesar en zal de beschaving
gedurende twaalf eeuwen beheersen.
"Hij die het tweesnijdend scherpe zwaard
heeft"...
Jezus treedt streng op, zijn taal wordt scherp, zijn machtwoord is als een
tweesnijdend zwaard dat zijn gerechtelijke autoriteit openbaart tegenover het
menselijk gezag dat het goddelijke verdringt.
Velen beweren dat het niet veel belang heeft wat men gelooft, indien men maar
goed leeft. Kan men goed leven terwijl men Gods woord met de voeten treedt ? De
dwaling kan onmogelijk heiligen, zij is integendeel een zaad waaruit verwarring
opbloeit en verdeeldheid, en als volgroeide vrucht bloedige strijd en
verdrukking.
"Ik weet waar gij woont"...
De verborgenheid der ongerechtigheid was aan het werk (10). Rome, waar Satan
zijn helse gestalte had geopenbaard, de stad der onmenselijke vervolgingen, de
gevaarlijkste plaats voor de geestelijke leiding der kerk, werd tot Godstad, tot
hoofdzetel van het christendom.
"Gij houdt vast aan mijn naam en hebt mijn
geloof niet verloochend-.
Dit klinkt hier ironisch : de keizerlijke kerk houdt aan de naam der verachte
sekte : christelijke kerk ! Het met-het-heidendom-vermengd-geloof blijft
"christelijk" geloof. Maar zoals er in de afgodische tempelstad Pergamum een
kleine trouwe christenschare was, zo waren er in de Pergamum-periode ook
getrouwe getuigen van Jezus die de menselijke grootheid en wereldse pracht die
met Konstantijn in de kerk waren gekomen, niet konden aannemen, getrouwe zielen
die vasthielden aan Jezus' naam en zijn geloof niet verloochend hadden, die
protesteerden ten koste van hun leven.
"Antipas ".
Dat kan een symbolische naam zijn die de martelaars voorstelt uit deze periode,
welke tegen de autoriteit der geestelijke vaders waren, "anti-pas" = het
verkorte "anti-papas". Het vergde leeuwenmoed om tegen de machtige vloed in te
gaan. Velen werden gedood te Konstantinopel en te Rome, waar kerkleiders de
macht begonnen uit te oefenen die later koningen en keizers zou onderwerpen, en
de rechten van Christus met de voeten zou treden. In alle eeuwen van afval was
er steeds een getrouw overblijfsel dat de verlossende macht van de Meester
openbaarde.
"De leer van Bileam".
De profetie brengt ons een tragische geschiedenis uit het Oude Testament voor
ogen, als beeld van datgene dat zich zou afspelen in de gemeente van Pergamum.
Onder de invloed van Bileam betraden de Israëlieten verboden grond, zij gingen
heidense feestelijkheden bijwonen, pleegden ontucht met Moabietische jeugd,
offerden ten slotte aan hun afgoden en werden op deze wijze ten val
gebracht(11). Hadden zij Gods woord geraadpleegd, het ware niet gebeurd.
In de christengemeenschap zou zich de
geest van Bileam openbaren, ook de kerk van Christus zou zich op betoverde grond
begeven, zich met de wereld vermengen en aldus ten val komen. Hoewel een engel
des Heren met uitgetrokken zwaard Bileam weerhield op zijn dwaalweg, ging deze
toch verder, aangetrokken door rijkdom en eerzucht. Zo kon ook niets de gemeente
tegenhouden op haar weg naar weelde en macht. Het evangelie om reëel te zijn
"in" onze wereld, moet "buiten" de wereld blijven, zonet wordt het van zijn
wortels losgesneden en is het geen heilsboodschap meer en het aanhoren niet meer
waard.
"de leer der Nicolaiéten"
De afval der Nicolaièten, reeds aangehaald in de brief aan de gemeente van Efeze
die deze leer verwierp (12), was bij sommigen in de gemeente van Pergamum reeds
doorgedrongen.
"Wie een oor heeft, die ore... " '
Een rijke belofte wordt gedaan aan de overwinnaar : "verborgen manna. . .een
witte keursteen... "
Naast de stenen tafelen der wet in de arke des verbonds, bewaarde men ook een
gouden pot met het manna, waarmede God Israël gevoed had in de woestijn (13).
"Verborgen manna" wijst symbolisch op dit manna geborgen onder het gouden
verzoendeksel in de stilte van het Allerheiligste. Het symboliseert het levend
manna, Christus, (14) die ons zijn eigen leven meedeelt door zijn Geest, die ons
leidt in de verborgenheid van zijn woord. In de afvalsperiode van Pergamus, waar
de levengevende Waarheid verdrongen werd door dode leerstellingen, belooft
Christus aan de overwinnaars, niet het voedsel van afwijkende teologen, geen
menselijke spitsvondigheden, maar het wondervolle diepteleven uit zijn goddelijk
woord.
"een nieuwe naam die niemand kent"...
In het Rijk Gods zijn geen naamlozen.
Christus overhandigt een witte keursteen (15) aan de overwinnaar, waarin diens
eeuwige naam is gegraveerd.
(12) Openb. 2:6
(13) Hebr. 9:3-4 (14) Joh. 6:31-35
(15) In de oudheid, vooral onder Grieken en Romeinen, werd een witte steen
gebruikt om
blijvende vriendschap te sluiten; de naam van de twee familie's werd erin
gegraveerd, de
steen werd middendoor gebroken, zij namen elk een stuk, zodat na lange jaren,
wanneer
zij of hun nakomelingen elkander ontmoetten en de stukken samenbrachten, met
vreug
de werd vastgesteld dat deze samenpasten en de naam formeerde.
Op sommige plaatsen werd door het gerecht een witte steen overhandigd bij een
vrij-
Onze naam is een merkwaardig iets.
Hoe komt een mens aan zijn naam ?
Onze familienaam is een erfenis die wij hier op aarde niet kunnen verliezen,
deze naam geeft aan, wiens bloed in onze aderen vloeit, en is een hulp om ons te
herkennen onder de miljarden aardbewoners. Onze voornaam werd ons gegeven door
iemand die ons liefhad, door vader... moeder... een familielid; met deze dubbele
naam gaan wij door het leven.
Reeds in ons vergankelijk bestaan, ontvangt de vrouw bij haar huwelijk een
nieuwe naam, als teken van haar nieuwe levensgemeenschap. Toch is onze naam hier
op aarde eenvoudig een familieverband, hij is niets persoonlijks waarin onze
intieme persoonlijkheid wordt uitgesproken, die niemand ooit heeft doorgrond. De
mens is meer dan een nummer, meer dan een naamloos voorwerp, meer dan een
samenhoping van atomen en moleculen, hij is een verborgen identiteit die immer
zichzelf blijft, niettegenstaande alles. De mens, oud van dagen, is hetzelfde
wezen dat door moeder gewiegd werd als een pasgeboren baby, maar als een kleed
verouderd; het zijn "zijn" handen, "zijn" ogen, "zijn" voeten... Ons gehele
lichaam is in rusteloze stofwisseling, voortdurend worden talloze cellen
afgebroken en door nieuwe vervangen, toch blijven wij steeds onszelf. Krachten
van boven en beneden omwaaien onze ziel en schudden haar, wij worden innerlijk
rijker of armer, maar blijven onszelf. Wat wij eten of drinken of beluisteren,
wordt "onszelf", wij zijn en blijven onszelf tot in onze vingertoppen, onze
vingerafdrukken zijn absoluut de onze. Onze vreugde, onze lach, onze tranen,
onze blik, onze stem... zijn de onze. Onze verborgen persoonlijkheid drukt haar
stempel op alle delen van ons lichaam, zelfs op elke oneindig-kleine cel; ieder
van ons staat als een unicum in de wereld, ons "ik" bevindt zich in een
tovercirkel die niet kan doorbroken worden.
Onze tekst spreekt van een nieuwe naam. De nieuwe naam die de vrouw bij haar
huwelijk ontvangt, spreekt van een nieuwe levensgemeenschap. De nieuwe naam die
de overwinnaar ontvangt, spreekt van een hogere levensgemeenschap, van een
eeuwig familieverband, het is een lichtuitstralende hiëroglief die spreekt
van een wedergeboorte, van een nieuw levensbegin. Deze hemelse naam is drager
van een ontzaglijke werkelijkheid, van een énige gedachte Gods die ons verborgen
levensgeheim omsluit, het is de goddelijke vertolking van onze eigen roeping,
een eigen plaats die wij in het ondoorgrondelijk heilsplan Gods innemen. Onze
nieuwe naam is onze allereigenste karakternaam "die niemand kent dan die hem
ontvangt" een naam die ons wezen, dat voor iedereen een geheimenis is, zo diep
en grondig uitdrukt en toch maar door de overwinnaar zelf kan ver
(15)spraak, een zwarte bij een veroordeling.
Ook de overwinnaars in de arena ontvingen een witte steen, de keursteen der
overwinning. Het was eveneens de gewoonte bij de inwijding in de mysteriën van
een godsdienst de geinitieerde een witte steen te geven, waarin de geheimen naam
van zijn god was gegraveerd.
staan worden in het licht der eeuwigheid.
Uit die naam waarin het wezenlijke van onze eenzelvigheid voor eeuwig is
vastgelegd, klinkt een eigen lied, een hemels lied dat een unieke eeuwige
schoonheid bezingt.
f
Gods oog op rustte. De godsdienstige
staatsgemeenschap uit de Tyatiraperiode hield nog edele christenen in haar
schoot, die straalden in het mateloze donker en door hun verheven voorbeeld het
gevallen christendom op een hoger peil trachtten te brengen, zoals : Savoranola,
Thomas à Kempis, Franciscus van Assise wiens leven een strenge veroordeling was
van de weelde der prelaten, Wyclef, Johannes Huss en Jerome van Praag die beiden
hun leven eindigden op de brandstapel, Vincentius van Paulus, Catherina van
Sienna, Franciscus van Sales, Jacqueline en Blaise Pascal en menige anderen. In
de bergen van Noord Italië en Zuid-West Frankrijk behielden de nobele Waldenzen
en Albigenzen de reinheid van het geloof, terwijl hun jeugdige apostelen wijd en
zijd het zaad der Waarheid verspreidden. Ook de Hugenoten en anderen streden
voor het behoud van de princiepen van Gods Woord, niettegenstaande wrede
vervolging. Hun leven liet onuitwisbare sporen na, zij zaaiden in die lange
nacht. De Here zag hun geloofsdaden, hun tranen, hun bloed... hun laatste werken
waren meer dan de eerste.
Maar de naam Jezabel wordt hier gehoord...
"Ik heb iets tegen u, dat gij de vrouw Jezabel, die zich een profetes noemt,
laat leren... "(19).
Wij raken hier het centrale punt aan van de boodschap aan Tyatira, die de
langste is van de boodschappen aan de zeven gemeenten. De Oudtestamentische
Jezabel wordt hier in deze brief van Jezus naar voren gebracht als symbool en
type van wat zich zou voordoen gedurende de 1260 jaren van pauselijke
heerschappij.
Jezabel was een Phenicische prinses, wreed en afgodisch, die door Achab, koning
van Israël tot vrouw werd genomen. Zij overheerste de koning en speelde de
grootste rol in het vermengen van de ware godsdienst met de dienst van Baal en
Astarte. Zij gaf haar bevelen, bekrachtigd met het zegel van de koning om
rechtvaardigen ter dood te brengen (20). De altaren van God werden afgebroken,
heidense tempels werden opgericht, zij deed de profeten des Heren doden en
leidde gans Israël in afgoderij. Het was de periode van het meest tragisch
verval van het uitverkoren volk.
Datzelfde speelde zich af in het christendom tijdens de donkere Middeleeuwen.
Bijna elke evangeliewaarheid werd verdonkerd, de eenvoudige instellingen van
Jezus werden verdrongen door heidense weelde en ceremoniën; zowel de vensters
naar de hemel als de vensters van de hemel werden gesloten. Geestelijke leiders
namen de plaats van Jezus in, men moest de mens meer gehoorzamen
(19) Paul Claudel tracht Jezabel te vereenzelvigen met het protestantisme. Is
het niet de Roomse kerk die de heerschappij voerde in de Middeleeuwen ? - die
weelderige ceremoniën, beelden en heidense praktijken heeft aangenomen ?
(20) 1 Kon. 21:7-15dan God. Wie het niet deed kwam voor de geloofsrechtbank en
werd tot de folterkamer, galg of brandstapel verwezen.
Satan gelukt erin zich overal in te werken, ook in gemeenschappen die met de
hoogste doeleinden bezield zi,~'n. Had hij de leiding niet in handen van Gods
volk ten tijde van Jezus ? Gebruikte hij niet de hoogste geestelijke leiders van
Israël om Jezus ter dood te brengen ? - Verborgenheid der ongerechtigheid ! Wij
moeten hongeren en dorsten naar gerecht* gheid, niet naar wraak; wij moeten
vervolging lijden om wille van de gerechtigheid, maar niet vervolgen in naam van
de gerechtigheid.
"Ik heb haar tijd gegeven dat zij zich zou
bekeren".
De geestelijke Jezabel kreeg lange tijd om tot bezinning te komen. Tijdens de
Tyatira-periode weerklonk waarschuwing op waarschuwing door personen, in en
buiten de kerk, waaronder monniken, priesters en kardinalen, die de nood
aanvoelden van een hervorming. Maar juist zoals Jezabel uit het Oude Testament
bracht de kerk ook deze ter dood die haar beginselen weerstonden, het was een
demonstratie waardoor schapen en wolven duidelijk onderscheiden werden.
Het lange uitstel der straf is geen bewijs dat de Here de zonde toelaat, het
toont alleen zijn lankmoedigheid. Wanneer er geen antwoord komt op de roep Gods,
dan is er onvermijdelijk verharding.
Door de dienst van de profeet Elia, kregen Achab en Jezabel gelegenheid om zich
te bekeren, maar zij volhardden in hun verkeerde handelwijze en stierven beide
een tragische dood (21).
Zo ook de geestelijke Jezabel, de koninklijke overspeelster (22) uit Openbaring
17, samen met haar dochteren die haar overspelige weg hebben gevolgd, wacht het
uur der vergelding (23).
"Ik werp haar te bed in grote
verdrukking."
De hervorming der zestiende eeuw, was Gods machtige oproep tot de kerk, maar zij
bekeerde zich niet. Het bed van geestelijk overspel met de koningen der aarde,
zou het bed worden van lijden, de onwettige gemeenschap der kerk zou vreselijke
gevolgen hebben. Tyatira zou een verplichte rust nemen onder grote verdrukking,
dodelijk gewond zou zij zich tijdelijk als heersende macht van het wereldtoneel
moeten terugtrekken. Het visioen der "twee getuigen" (24) toont ons hoe
nauwkeurig deze profetie zich heeft voltrokken. De Franse Revolutie maakte een
eind aan de pauselijke overheersing. De geestelijk-Romeinse macht ontving een
dodelijke wonde, maar die na een tijd zou genezen (25).
(21) 1 Kon. 22:34-38. 2 Kon. 9:30-37
(22) Overspel heeft hier de betekenis van ontrouw aan de goddelijke Bruidegom.
(23) Openb. 2:21-23
(24) Openb. 11
"Zo velen als er deze leer niet hebben"
In het Oude Testament, onder de heerschappij van Jezabel, had de afval van
Israël zulke afmetingen aangenomen dat er nog slechts zevenduizend waren die de
knie niet gebogen hadden voor Baal (26). Zo ook in de Middeleeuwen waren er die
de diepten des Satans niet gekend hadden. Deze trouwe volgelingen van de
Nazarener zou geen verdere last worden opgelegd. Op het ogenblik dat de kerk
haar donkerste uren doormaakte, verwekte God mannen als Wyclif, Huss en anderen
om het volk terug te brengen tot het Woord van God. Het waren voorlopers der
hervorming.
"Houdt wat gij hebt, totdat Ik kom ".
Dit is de eerste aanhaling in Jezus' brieven, in verband met zijn wederkomst. In
deze woorden en met de belofte van de Morgenster worden de gelovigen uit de
Tyatira-periode reeds gewezen op die grootste dag aller dagen. De belofte aan de
overwinnaars komt hier vóór de oproep om te luisteren naar de stem des Geestes :
"wie overwint... hem zal Ik macht geven over de heidenen ".
De herschepping onzer planeet wordt voorafgegaan door het oordeel over de
goddelozen, zij worden verbrijzeld "als een pottenbakkersvat" (27). Bij het
vergaan van alle menselijke grootheid, ontvangen Jezus' volgelingen die pelgrims
en vreemdelingen waren op aarde, volle heerschappij. Christus deelt zijn
koninklijke macht met zijn overwinnende bruid. In het Rijk der eeuwige
heerlijkheid, waar Jezus zelf Koning is, openbaart zich de bruid in haar volle
glans.
"De Mor enter".
Het wort meer en meer nacht in de wereld, maar de morgen komt, de morgen der
opstanding, de eeuwige morgen. De morgenster komt op gedurende het donkerste
gedeelte van de nacht, juist v66r de dageraad; zij is het teken dat weldra de
nachtelijke duisternis zal verdwijnen. De overwinnaar ontvangt hier reeds de
innerlijke zekerheid, die luider spreekt dan gevoel en rede, dat de eeuwige
dageraad in aantocht is. Die innerlijke zekerheid is Christus zelf, die zich
tastbaar openbaart in de overwinnaar. Christus wordt de Morgenster genoemd (28).
Maar in zijn volle glans, als zon der gerechtigheid, brengt Hij weldra de
eeuwige dag met zich.