You are home- www.agp-internet.com/react- profetie.nl.nu

Daniel: Eens en voor altijd - Heiligdomsleer

Een Priester voor altijd

Op de heuvel Golgota tekenden zich drie kruisen tegen de hemel af, terwijl verspreide groepen toekijkers toe­zagen hoe drie mannen ter dood werden gebracht op een manier die destijds bij de Romeinen in gebruik was.

Aan het middelste kruis hing Jezus van Nazaret. Vlak­bij stonden zijn moeder, minstens één van zijn discipe­len, en de Romeinse wacht. Er werd weinig gesproken. Weliswaar spotten de joodse leiders aanvankelijk en jammerden de vrouwen bij het schouwspel, maar er daalde stilte over de toeschouwers, toen de duisternis dieper werd en een wolk drie uur lang zelfs de meest nabije voorwerpen voor het oog verborg.

Toen dreef de wolk plotseling weg en met luide stem riep de Lijdende aan het kruis: „Het is volbracht!" Na deze woorden blies Hij de adem uit, en zakte zijn hoofd neer op zijn borst. Maar dit was geen gewone dood, want deze Mens was gestorven voor de zonden van de hele mensheid. Een krachtige aardbeving be­woog de grond, alsof de onbezielde natuur in het lij­den van haar Meester deelde.

Op hetzelfde ogenblik speelde zich in de tempelhoven een ander drama af.Het was de tijd van het avondoffer. Het lam voor het brandoffer werd naar de slachtplaats geleid. De aardbeving deed de tempelmuren schudden en overviel de dienstdoende priester met. schrik. Het opgeheven mes viel uit zijn hand en het lam ontsnap­te. Binnen de tempel werd het voorhangsel dat het heilige van het heilige der heiligen scheidde, door een onzichtbare hand van boven naar beneden stukge­scheurd. Het gewijde centrum van heel de joodse eredienst, waar alleen - na zorgvuldige voorbereiding - de hogepriester mocht binnengaan, lag nu open en bloot voor ieders blik. De heerlijkheid was inderdaad verdwenen. Had Christus de joden niet nog enkele da­gen tevoren gezegd, dat hun huis aan hun „overgela­ten" zou worden? (Mattei s 23:38). De aardse tempel, eens geëerd als de verblijfplaats van God, zou niet langer het godsdienstig centrum zijn. De Samaritaanse vrouw die met Jezus de juiste plaats om te aanbidden had willen bespreken, kreeg van Hem te horen: „De ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden... maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders" (Johannes 4:21-23). Dat uur was inderdaad gekomen. Men hoefde niet lan­ger in de tempel te aanbidden. Maar was er voor chris­telijke gelovigen geen heiligdom? Was er geen godsdien­stig centrum waarop christenen hun aandacht konden richten? Wij vinden het antwoord in de Brief aan de Hebreeën.

Na bespreking van het priesterschap vervolgt de apos­tel: „De hoofdzaak van ons onderwerp is, dat wij zulk een hogepriester hebben, die gezeten is ter rechterzijde van de troon der majesteit in de hemelen, de dienst ver­richtende in het heiligdom, in de ware tabernakel, die de Here opgericht heeft, en niet een mens" (Hebreeën 8:1, 2). Er wordt hier een tegenstelling gemaakt tussen de twee tabernakels. De tabernakel „opgericht door een mens" was die gebouwd door Mozes, en was alleen maar een voorbeeld, terwijl „de ware tabernakel, die de

tijd

Here opgericht heeft", de werkelijkheid was. De aardse tabernakel was eenvoudig „een afbeelding en schaduw van het hemelse" (Hebreeën 8:5). De apostel spreekt er ook over als „een zinnebeeld voor de. tegenwoordige " (Hebreeën 9:9), en heeft het ook over „afbeel­dingen van de hemelse dingen" (Hebreeën 9:23). De tabernakel in de woestijn, en daarna de tempel, we­zen met alle offers en slachtoffers niet alleen vooruit naar de dood van Christus aan het kruis, maar ook naar een heiligdom in de hemel, waarin het plan voor de ver­lossing van de mens wordt uitgevoerd. Dit is het heilig­dom van het nieuwe verbond.

De schrijver van de Brief aan de Hebreeën maakt dit duidelijk: „Nu had ook wel het eerste (verbond) bepa­lingen voor de eredienst en een heiligdom voor deze wereld. Want er was een tent ingericht, de voorste, waarin de kandelaar en de tafel met de toonbroden stonden: deze werd het heilige genoemd; en achter het tweede voorhangsel was een tent, genaamd het heilige der heiligen, met een gouden reukofferaltaar en de ark des verbonds" (Hebreeën 9:1-4). De lezer zal zich niet vergissen in het gebouw dat de apostel hier beschrijft. Het is de oude aardse tabernakel. Hij noemt deze het heiligdom van het oude verbond. Let speciaal op het woord „ook". Onvermijdelijk volgt hieruit, dat het nieuwe verbond een heiligdom heeft en dat dit heilig­dom in de hemel is.

De diensten van de twee heiligdommen verhouden zich als beeld en tegenbeeld - als profetie en vervulling. De lezer is al klaar voor de conclusie: Jezus Christus zelf is het offer van de ware tabernakel.

De schrijver van de Brief aan de Hebreeën maakt dit duidelijk door vergelijking en contrastering: „De pries­ters kwamen bij het vervullen van hun diensten voort­durend in de voorste tent, maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offerde voor zichzelf en voor de zonden door het volk in onwetendheid bedreven. Daarmede gaf de Heilige Geest te kennen, dat de weg naar het heiligdom nog niet openlag, zolang de eerste tent nog bestond.

Dit was een zinnebeeld voor de tegenwoordige tijd, in zoverre gaven en offers gebracht werden, die niet bij machte waren hem, die (God daarmede) dient, voor zijn besef te volmaken, daar zij met hun spijzen en dranken en onderscheiden wassingen slechts bepalingen voor het vlees zijn, opgelegd tot de tijd van het herstel. Maar Christus, opgetreden als Hogepriester der goede­ren, die gekomen zijn, is door de grotere en volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeu­wige verlossing verwierf" (Hebreeën 9:6-12).

In dit alles stelt de Bijbel duidelijk, dat het aardse hei­ligdom slechts een symbool was - een symbool van de tempel van God in de hemel, met zijn priesterdiensten en zijn hoogste Offer, Jezus, het Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt. Maar het allesomvattende werk van Christus ten behoe­ve van de verlossing van de mens wordt niet toereikend afgeschilderd in het symbool van een geslacht lam, en zelfs niet in alle offers die in de oude tabernakel ge­bracht moesten worden. Als de diensten van de aardse tempel alleen maar, zoals ons gezegd wordt, een „af­beelding en schaduw van het hemelse" waren, dan moeten we zoeken naar een of ander aspect van het verlossingsplan dat het tegenbeeld is van het aardse priesterschap.

Wij hoeven niet lang te zoeken. De schrijver van de Brief aan de Hebreeën introduceert zonder meer Chris­tus als de Priester van het hemels heiligdom: „Richt uw oog op de Apostel en Hogepriester onzer belijdenis, Je­zus" (Hebreeën 3:1). Johannes de Doper had Hem aan­gekondigd als het Lam van God. De apostel toont Hem als de Priester.

De aanstelling, inwijding, kledij en bemiddelende dienst van het oude priesterschap wezen alle vooruit naar bepaalde kenmerken van Christus' werk ten be­hoeve van zondaars. De geheimenissen van de vleeswor­ding, of de komst van God in het vlees, worden beter

begrepen in het licht dat afstraalt van de priesterlijke zinnebeelden.

Alvorens Christus' bemiddelingswerk aan de orde te stellen, spreekt de schrijver van de Brief aan de Hebree­en in duidelijke taal over de godheid van de Heiland. Hij introduceert Hem als de Zoon van God, de Schep­per van het universum, het uitgedrukte beeld van Gods wezen, Degene die alle dingen onderhoudt. Maar net zo zeker is hij ook menselijk: „Wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods". „Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen... Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nage­slacht van Abraham. Daarom moest Hij in alle opzich­ten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw Hogepriester zou worden bij God" (Hebreeën 2:9, 14-17). De reden hiervoor is duidelijk: „Want doordat Hijzelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die ver­zocht worden, te hulp komen" (Hebreeën 2:18). „Want wij hebben geen hogepriester, die niet kan me­devoelen met onze zwakheden, maar een die in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen" (Hebreeën 4:15). Onze Heiland is één met het mensengeslacht. Evenals zijn voorafgaande tegenhanger, is Hij „uit de mensen genomen" en „treedt voor de mensen op bij God" (He­breeën 5:1). De uit het volk gekozen hogepriester ver­tegenwoordigde vanouds de natie voor God. Op zijn borstschild en op zijn schouders droeg hij de namen van de kinderen Israëls. Als hij het heilige der heiligen binnenging, verscheen hij voor God als vertegenwoordi­ger van het volk. In hem beleed en verwijderde de natie haar zonden, zoals Mozes zei tot Aaron: „Hij (God) gaf u dit om de ongerechtigheden der vergadering weg te nemen en over hen verzoening te doen voor het aange­zicht des Heren" (Leviticus 10:17). Christus als Priester is de Mens die iedereen vertegen­woordigt: „Aldus staat er geschreven: de eerste mens,

Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een le­vendmakende geest" (1 Korintiërs 15:45). „Gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaar­diging ten leven. Want, gelijk door de ongehoorzaam­heid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer ve­len rechtvaardigen worden" (Romeinen 5:18, 19). „Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden" (1 Korintiërs 15:22).

Het is zeer toepasselijk dat een deel van Christus' ver­lossingswerk gesymboliseerd moest worden door een mens - eertijds de priester - die de slechtheid van de zondaar op zich nam en zijn schuld droeg. De dood van een dier kon de zonde van een mens niet verzoenen. Dat vereiste de dood van een mens - een God-mens, maar daarom niet minder een echte mens. Christus is daarom zowel Priester als Offer. Hij heeft „door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos offer aan God gebracht..." „En daarom is Hij de Middelaar van een nieuw verbond" (Hebreeën 9:14, 15). Omdat Hij zowel God als mens is, en dank zij zijn offerdood, „kan Hij ook volkomen behouden, wie door Hem tot God gaan, daar Hij altijd leeft om voor hen te pleiten" (He­breeën 7:25).

De apostel Johannes zet dezelfde waarheid uiteen: „Als iemand gezondigd heeft, wij hebben een voor­spraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige: en Hij is een verzoening voor onze zonden en niet al­leen voor de onze, maar ook voor die der gehele we­reld" (1 Johannes 2:1,2).

Welk een troost heeft de christen hier in de wetenschap dat Jezus zelf klaarstaat zijn gebeden en pleidooien op te dragen voor de troon van de Oneindige, en hulp te zenden in elke noodsituatie! Maar er ligt nog meer in de heilssymbolen opgesloten. Laten wij terugkeren naar het Oude Testament en in het bijzonder naar de profetieën van het boek Daniël.

Profetie.nl.nu my.agp

You are: Home > www.agp-internet.com/react > profetie.nu.nl >


Statistieken