You are home- my.agpgroup.net- profetie.nl.nu

Daniel: Eens en voor altijd - Heiligdomsleer

en zij zullen mij een heiligdom maken

Over het pad, te midden van de drukte rondom de ten­ten, passeerde langzaam een ernstige Israëliet. Hij richt­te weinig aandacht op het lachen van spelende kinde­ren en de schertsen van vrolijk pratende vrouwen. Met neergeslagen ogen en duidelijk diep in gedachten, voer­de hij aan het einde van een koord een eenjarige geit mee. Spoedig kwam hij uit het kamp van de stam om een open ruimte te betreden, waar in het midden zich een plein bevond dat omringd was door een metershoge linnen wand. Hij passeerde de gordijnen aan de ingang. ingang. Voor zich zag hij een prachtig tentgebouw met gouden wanden en kleurrijke draperieën. Tussen hem en de tent stond een koperen altaar, vanwaar de rook van het morgenoffer oprees. Een priester in wit gewaad sprak hem vriendelijk aan, hoewel deze niet hoefde te vragen naar het doel van zijn komst. De aanwezigheid van het offerdier vertelde een bekend verhaal. De man had gezondigd, en met het zich bewust zijn van zijn fout woog het gewicht van de schuld zwaar op zijn hart. Hij moest in orde komen met God. En daarom kwam hij deze morgen met het voorgeschreven offer om zijn Maker zijn zonde te be­lijden.

Rustig bracht de priester hem naar opzij en bond de geit aan een in de grond geslagen paal. De boeteling, die nu zijn hand op de kop van het slachtoffer plaatste, boog zijn hoofd in een ogenblik van belijdenis en nam toen snel het leven van het dier, waarbij de priester het bloed opving in een vergaarbak. Terwijl de zondaar toe­keek, doopte de priester een vinger in het bloed en raakte de hoornen van het koperen altaar aan. Nadat deze ceremonie was afgesloten, vertrok de man die ver­geving was geschonken met de vermaning van de pries­ter om heen te gaan en niet weer te zondigen. Dit is kort samengevat het verhaal van de heiligdomsdienst door God ingesteld voor zijn volk in die dagen. Een mens heeft gezondigd, en door een gepaste en be­tekenisvolle ceremonie kan hij worden verzekerd van vergeving en van het uitwissen van zijn schuld. Het heiligdom was een symbolische weergave van het evangelie. Elk deel ervan wees vooruit op Christus en zijn offer en bediening voor de gevallen mens. Zo veel­omvattend is het werk van Christus, dat het niet door een enkel symbool of een enkele dienst kan worden weergegeven. In feite schieten alle symbolen samenge­nomen, hoe nuttig ze ook zijn, tekort in de perfectie en schoonheid die is in Christus Jezus en in zijn plan om de rechtvaardigheid van de mens te herstellen. Niet lang nadat de Heer in majesteit vanaf de berg zijn wet had afgekondigd, sprak hij tot Mozes: „Zeg tot de Israëlieten, dat zij voor Mij een heffing inzamelen; voor iedere man, wiens hart hem dringt, zult gij voor Mij een heffing inzamelen". „En zij zullen Mij een heiligdom maken, en Ik zal in hun midden wonen" (Exodus 25: 2,8).

Hoewel het mensen waren die de tabernakel bouwden, was het niet volgens menselijke plannen. God gaf bij­zondere instructies betreffende elk detail van het ge­bouw en het meubilair. Hij zei tot Mozes: „Gij zult het maken overeenkomstig alles wat Ik u toon, het model van de tabernakel en het model van al zijn gerei". „Zie nu toe, dat gij alles maakt naar het model dat u daar­van op de berg getoond is" (verzen 9 en 40).

Toen ze de taak hadden voleindigd, „zag Mozes al het werk, en zie, zij hadden het gemaakt zoals de Here ge­boden had; zó hadden zij het gemaakt. Toen zegende Mozes hen" (Exodus 39:43). Het heiligdom was eerst gebouwd als een verplaatsbare constructie, afgestemd op de behoeften van een volk dat onderweg naar het Beloofde Land was. Vaak werd het de „tent der samenkomst" genoemd. Er stak niets onwaardigs in om het godsdienstig hoofdkwartier van de natie de vorm te geven van een tent, want het hele volk woonde in tenten.

Toen de Hebreeën zich definitief in Kanaan vestigden, instrueerde God zijn dienstknechten een blijvende tem­pel te bouwen voor de geestelijke opbouw van de natie. Koning David, door God uitgesloten van de eigenlijke bouw, werd niettemin toegestaan onder de inspiratie van de Geest van God de plannen gereed te maken. „Toen gaf David aan zijn zoon Salomo het ontwerp van de voorhal met de daarbij behorende gebouwen, schatkamers, bovenvertrekken en binnenzalen, en van het vertrek voor het verzoendeksel; ook het ontwerp van alles wat hij in zijn geest had bedacht: voor de voor­hoven van het huis des Heren, voor alle vertrekken in het rond, voor, de schatkamers van het huis Gods en voor die van de geheiligde voorwerpen, voor de afdelin­gen der priesters en der Levieten, voor alle dienstwerk in het huis des Heren". „Alles staat in een geschrift, ontvangen uit de hand des Heren, waarin Hij mij onder­richtte aangaande de gehele uitvoering van het ont­werp" (1 Kronieken 28:11-13, 19). God was de Architect en Meester-Ontwerper bij de ta­bernakels die in de oudheid ter zijner verering werden gebouwd.

Er kwam geen door mensen opgesteld plan te pas bij de constructie of bij het ritueel van het heiligdom. Zo moest het ook zijn, want geen menselijk plan, geen handelingen op eigen kracht, kunnen de gevolgen van de zonde uitwissen en de oorspronkelijke onschuld aan de mens teruggeven.

De tabernakel door Mozes in de woestijn gebouwd en de tempel van Salomo in Jeruzalem opgericht, waren, hoewel uiterlijk zeer verschillend, in grote mate gelijk wat betreft de hoofdzaken die de basis vormden van de nationale eredienst.

De tabernakel - en later de tempel - bestond in de eer­ste plaats uit twee ruimten of vertrekken, gewoonlijk het heilige en het heilige der heiligen genoemd; het eer­ste was twee keer zo groot als het tweede. Het heilige had waarschijnlijk een grootte van ongeveer 5,5 bij 11 meter, terwijl het heilige der heiligen 5,5 meter in het vierkant was. In de tempel werden deze afmetingen vergroot, maar de verhoudingen werden gehandhaafd. Het inwendige van deze ruimten was prachtig versierd met bladgoud en fijn geborduurde wandtapijten in blauw, purper, scharlaken, goud en zilver. Op deze gor­dijnen kwamen de vormen van engelen voor om de he­melscharen rondom de troon in Gods grote tempel in de hemel uit te beelden.

Een geborduurd voorhangsel vormde de deur van de ta­bernakel, en een tweede voorhangsel scheidde het heili­ge der heiligen van het heilige. Omdat deze scheiding in de tabernakel van de woestijn niet tot het plafond reik­te, kon de wierook die in het heilige werd geofferd, daarover heen stijgen en in het heilige der heiligen door­dringen. Ook kon het licht van de zichtbare tegenwoor­digheid Gods, de schechina genaamd, vanuit het heilig­ste het heilige verlichten.

Maar hoe mooi deze vertrekken ook waren, de ruimten zelf waren niet het middelpunt van de belangstelling. Het binnen die ruimten geplaatste meubilair en het daar opgevoerde ritueel, symbolisch voor het verlossings­plan, waren het belangrijkst. In het eerste vertrek, rechts als men van voren het bouwwerk binnenging, stond een gouden tafel, de tafel der toonbroden genaamd. Links stond de zevenarmige kandelaar, of juister: de lampenstandaard, aangezien er geen kaarsen, maar olie en pitten werden gebruikt. Rechts voor zich als men binnenkwam, tegenover het tweede gordijn, aan de achterkant van het vertrek, stond een gouden altaar - eigenlijk een houten altaar

met goud overtrokken - waarop wierook werd geof­ferd.

Het tweede vertrek, het heilige der heiligen, had maar één meubelstuk. Dit was een kist, circa 1,15 m lang en circa 70 cm breed en hoog, gemaakt van hout en over­trokken met goud. Daarop was een deksel uit goud met twee gouden engelen erop. Dit werd het verzoendeksel genoemd. Boven het verzoendeksel tussen de engelen deed zich een helder licht voor - de schechina, de zicht­bare tegenwoordigheid Gods. Behalve de tent zelf was er om de tabernakel heen een plaats, omgeven door linnen gordijnen, die gedragen werden door geelkoperen pilaren. Daarbinnen werden de offers gebracht. Het belangrijkste voor deze dienst was een altaar waarop de slachtofferdieren werden ver­brand. Dit werd het brandofferaltaar genoemd. Er was ook een wasvat met water, dat de priesters op gestelde tijden gedurende de verschillende diensten voor was­singen konden gebruiken.

Naast deze grotere voorwerpen waren er potten en pan­nen, schoppen en vaten, vleeshaken en messen voor de diensten rondom het altaar; en gouden kannen, borden en wierookvaten voor de dienst binnen de eigenlijke ta­bernakel.

De lezer die de precieze opbouw van de tabernakel en alles wat daarbij behoorde, nog nader wil bestuderen, kan in zijn bijbel het boek Exodus opslaan: vooral de hoofdstukken 25-29 en 35-40. De diensten die verricht werden binnen de hoven van het heiligdom, laten zich gemakkelijk verdelen in twee klassen - die voor de natie en die voor de enkeling. Een overzicht van het gewone dagelijkse programma van wijding en offering zal dit duidelijk maken. Er werden dagelijks twee algemene offers gebracht ten gunste van het gehele volk - het morgen- en het avond­brandoffer.

Het dagelijkse of „gedurig" brandoffer was altijd een mannelijk eenjarig lam. In de morgendienst, als de dag aanbrak, werd het dier, dat van tevoren uitgekozen en onderzocht was, naar het altaar gebracht. De tempel­poorten werden geopend en het volk werd toegelaten. Terwijl het lam geslacht werd, ving een priester het bloed op in een gouden vat. Dan werd het bloed „rond­om op het altaar" gesprenkeld (Leviticus 1:5). De rest van het bloed werd aan de voet van het altaar uitgego­ten.

Het offerlam werd gevild en volgens de regels in stuk­ken gesneden, die dan in water werden gewassen. Terwijl dit zich afspeelde in de voorhof, gingen twee priesters het heilige - het eerste vertrek van de tempel - binnen. Eén verwijderde de as van het gouden reukof­feraltaar, en de ander maakte de lampen op de gouden standaard in orde, vulde ze als de olievoorraad op was en stak de lampen aan. Nadat de priesters hun plicht hadden gedaan, trokken ze zich terug. Nu ging een an­dere priester met twee assistenten het heilige binnen. De een legde de gloeiende kolen van het brandofferal­taar op het reukofferaltaar, terwijl de ander voor wie­rook zorgde. De twee assistenten trokken zich terug en lieten de dienstdoende priester alleen met God. Het was een zeer plechtige gebeurtenis. Buiten boog het volk, dat voor aanbidding bijeen was, zich neer in ge­bed, samen met alle priesters en Levieten in de tempel­hoven, terwijl de priester in het heilige de wierook op de gloeiende kolen deed, en de rook opsteeg tot God als een symbool van de gebeden van zijn volk. Het was bij zo'n gelegenheid dat aan Zacharias een engel ver­scheen die de naderende geboorte van Johannes de Do­per aankondigde.

Wanneer de priester weer uit het heilige te voorschijn kwam, was er een onderbreking voor dankzegging, en dan werden de stukken van het brandoffer naar het al­taar gedragen en in het vuur gerangschikt. Een lied en trompetstoten beëindigden de dienst, waarna de men­sen uiteengingen. De avonddienst verliep op dezelfde manier, op een kleine verandering in de volgorde na. De tegenwoordige lezer zal in deze indrukwekkende dienst ongetwijfeld de achtergrond en reden ontdekken voor de morgen- en avondwijding in het christelijk ge­zin, waarbij de aanbidders dichter tot God worden ge­

trokken en iedere dag tweemaal herinnerd worden aan zijn zegen, leiding en bescherming. Er waren andere openbare offerdiensten, maar het dagelijks brandoffer scheen alle grondbeginselen te belichamen. In dat offer lag de symboliek van de hele heiligdomsdienst besloten. Er werd bloed vergoten en verzoening gedaan. Het hei­lig offer werd door vuur verteerd, hetgeen een volko­men heiliging weergaf. In dankbetuiging en smeking re­zen de gebeden van het volk met de wierook op. De godsdienst van de natie was uiterst nauw verbonden aan deze bediening.

Het slachten van het lam wees vooruit op de dood van Christus aan het kruis. Zoals Christus stierf voor ieder­een, zo was dit offer voor het hele volk, of ze hun zon­den hadden beleden of niet. Toen de mens zondigde, werd het doodsoordeel uitgesproken. Het zou onmidde­lijk zijn uitgevoerd, als Christus niet aangeboden had in zijn plaats te sterven. Het feit dat aan zondige mensen een normale levensduur wordt toegestaan, getuigt dat Christus hen nog een kans heeft gegeven - een moge­lijkheid tot berouw en aanvaarding van zijn offer voor hen. Maar niet iedereen zal worden gered, want niet ie­dereen zal de aangeboden verlossing aannemen. Alleen degenen die berouw hebben van hun zonden, met hun schuld naar Christus gaan en zich van het kwade afke­ren om een nieuw leven te leven in harmonie met Gods wil, kunnen verwachten eeuwig voordeel te hebben bij Christus' offer. Zo was het ook in de oudheid. Hoewel het dagelijks brandoffer voor de hele gemeen­schap was, moest iemand, als hij zondigde, toch zelf een offer brengen om te laten zien dat hij persoonlijk de gemaakte voorzieningen voor vergeving en reiniging aanvaardde. De offers die van individuele zondaars wer­den verlangd, waren bijzonder betekenisvol. Het ver­haal aan het begin van dit hoofdstuk gaf een gedeelte van de details. Het vet van het offer werd op het altaar verbrand, maar het vlees van het lam werd gegeten door de priester. En de onderwijzing in deze dienst ein­digde met de woorden: „Zo zal de priester over hen verzoening doen voor de zonde die hij begaan heeft, en het zal hem vergeven worden" (Leviticus 4:35).

In het zondoffer werd de hele leerstelling van plaatsver­vangende verzoening symbolisch in beeld gebracht. De mens die gezondigd had, viel onder het oordeel en ver­diende de dood. „Het loon dat de zonde geeft, is de dood" ( Romeinen 6:23). En „de ziel die zondigt, die zal sterven" (Ezechiël 18:4). Als iemand zijn zonde ont­dekte en er berouw over kreeg, kon hij een dier bren­gen om in zijn plaats te sterven. Maar dood voor zonde is niet de enige les die geleerd kan worden. Door zijn hand op de kop van het offerdier te leggen, en symbo­lisch de zonde erop over te dragen, werd de zondaar bevrijd van de schuld van zijn overtreding. Hij had ze aan een ander te dragen gegeven. Maar voor een duide­lijke voorstelling van het verlossingsplan was het niet voldoende dat een dier de schuld zou dragen. De be­loofde Verlosser zou een mens zijn - de Mens Christus Jezus. Hij zou de schuld van al onze zonden op Zich nemen. Vandaar dat de priester vlees at van het dier dat als zondoffer was geslacht. Op die manier nam hij de schuld van de zonde op zichzelf. Er lag een speciale nadruk op dit eten van het vlees van het zondoffer. Op zekere dag aten de priesters niet van het zondoffer zoals door God was geboden. Mozes wees hen terecht. „Waarom hebt gij het zondoffer niet op de heilige plaats gegeten? Want het was allerheiligst, en Hij gaf u dit om de ongerechtigheid der vergadering weg te nemen en over hen verzoening te doen voor het aangezicht des Heren" (Leviticus 10:17). Let op de uit­spraak: „Hij gaf u dit om de ongerechtigheid der verga­dering weg te nemen en over hen verzoening te doen". Niets kon de relatie tussen Christus en het zondig indi­vidu zo goed illustreren. De zondaar wordt door het belijden bevrijd van de zonde, maar Christus draagt ze. En deze zonden drukken zwaar op zijn hart, want Hij draagt de zonden van de hele wereld. De apostel Pe­trus zegt, wanneer hij over Christus spreekt: „Die zelf onze zonden in zijn lichaam op het hout gebracht heeft" (1 Petrus 2:24).

Maar vergeving van zonden, met de overdracht van

schuld naar iemand anders, geeft nog geen volledig beeld. De toepassing van het bloed bij het zondoffer gaf een registratie van de zonde weer. Het bloed werd aan de hoornen van het brandofferaltaar aangebracht. Niet alleen werd de schuld van de zonde symbolisch op de priester overgedragen, maar de zonde werd als het ware in bloed geschreven vastgelegd. De profeet Jere­mia zegt: „De zonde van Juda staat geschreven met ij­zeren stift, gegrift met diamanten spits in de tafel van hun hart en in de hoornen van hun altaren" (Jeremia 17:1). Als we dit lezen, bestaat de verleiding te denken dat zo vastgelegde zonden nooit meer uitgewist kunnen worden. Het graveersel van een ijzeren instrument of de krassen van een diamanten punt in hard materiaal vervagen niet gemakkelijk, en bloedvlekken zijn moei­lijk te verwijderen. Maar God zegt: „Al waren uw zon­den als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als wit­te wol" (Jesaja 1:18).

Zo werden op symbolische wijze de zonden van heel Is­raël overgebracht naar het heiligdom. Daar bleven ze, totdat ze werden weggedaan door een speciale cermo­nie aan het slot van het godsdienstig jaar. Dit zal ver­derop worden besproken.

Gods zelfopenbaring aan patriarchen en profeten, de priesters en het volk, had in de hele geschiedenis één doel bij uitstek: mensen ertoe te leiden dat zij, wat hun karakter betrof, meer op Hem zouden gaan gelijken. Zijn onderrricht aan Israël, toen Hij hen zijn bijzonder volk maakte, was: „Jijt heilig, want Ik, de Here, uw God, ben heilig" (Leviticus 19:2). Toen stelde Hij de tabernakeldienst in, met al zijn typen en ceremonies, om mensen de weg naar heiligheid te leren. Heiligheid was verloren gegaan door de zonde, en het menselijk onderscheidingsvermogen was vervlakt. Het hele cere­moniële systeem was ontworpen om zijn „volk het on­derscheid (te) leren tussen heilig en niet heilig en het onderscheid (te) doen kennen tussen onrein en rein" (Ezechiël 44:23.

Deze geestelijke lessen, eeuwen geleden gegeven, heb­ben niets aan kracht verloren toen de typen en schadu­wen waarin ze uitgedrukt werden, in Christus hun ver­vulling vonden. In feite kan de tegenwoordige volgeling van de Meester, door de vermeerdering van de godde­lijke openbaring, zelfs meer zien in die symbolen dan zijn broeders uit de dagen van het Oude Testament. Zonde is hèt probleem dat opgelost moet worden. Om het feit „zonde" draait het hele systeem van typen. Eén van de eerste lessen die de Israëliet leerde, was, dat zonde onrein is, een smet. Strenge verboden werden be­paald voor zijn persoonlijk gedrag, zodat zelfs het aan­raken van bepaalde dingen ceremoniële onreinheid met zich meebracht. Zo'n verontreiniging viel niet te gering­schatten, want iemand kon van familie en vrienden ge­scheiden en uit het normale zakenleven gehouden wor­den, totdat hij door een speciale ceremonie was gerei­nigd.

En dat brengt ons bij de tweede les - zonde verwijdert ons van God. De profeet Jesaja drukte het duidelijk uit: „Uw ongerechtigheden zijn het, die scheiding bren­gen tussen u en uw God, en uw zonden doen zijn aan­gezicht voor u verborgen zijn, zodat Hij niet hoort" (Je­saja 59:2). Gescheiden van God! Afgesneden van de ze­geningen van zijn goedkeurend aangezicht! Wat een vre­selijke gedachte!

De overtreding van de wet vraagt om de dood van de zondaar in kwestie - dat is rechtvaardig. Maar de zondi­ge Israëliet die zich met een offer naar het heiligdom begaf, bracht een vervanging. Een lam kon in zijn plaats sterven. Er was een manier om de mens vergiffenis te schenken, aan de wet te voldoen, het recht te hand­haven en toch de zondaar zijn leven te laten behouden. Die manier is verzoening door plaatsvervanging -iemand anders mag de straf voor de zonde dragen. Laat aarde en hemel juichen! De Alwijze heeft voorzien in een op­lossing voor het zondeprobleem. De schuldige zondaar die aan de ingang van de taberna­kerl verscheen, had nog een les te leren. In zijn moeiza­me terugkeer naar God en heiligheid kon hij een aantal dingen doen: hij kon zijn zonde belijden, hij kon eigen­

20

handig het offer slachten. Maar hier hield zijn werk op. En hier had heel het proces kunnen eindigen, tenzij er in een middelaar werd voorzien om het werk voort te zetten, want geen enkele zondaar had in de oude heilig­domsdienst toegang tot God. Een priester moest met het bloed omgaan, want bloed was het waar het bij het offer werkelijk om ging: „De ziel (d.i.het leven) van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel" (Leviticus 17:11). Ten aanzien van de noodzakelijke bediening van het bloed stond de enkeling machteloos. Iemand anders moest voor hem opkomen.

In het grote verlossingsplan kan niemand zichzelf red­den. De apostel Petrus drukte het zo uit op de Pink­sterdag, toen hij over Christus en zijn offer sprak: „Want er is ook onder de hemel geen andere naam aan de mensen gegeven, waardoor wij moeten behouden worden" (Handelingen 4:12). „Mensenhulp is ijdel" (Psalm 60:13b), zingt de Psalmist, maar „het heil der rechtvaardigen is van de Here" (Psalm 37:39).

Op deze manier onderwees God zelfs in de schaduw­dienst dat de mens niet door eigen werken gered kan worden. Een priester moest het bloed van een offerdier nemen, dit op het juiste meubel van het heiligdom sprenkelen om, uitgedrukt in de woorden waarmee A~­ron onderricht werd: „de ongerechtigheid der vergade­ring weg te nemen en over hen verzoening te doen voor het aangezicht des Heren" (Leviticus 10:17).

Wanneer een zondaar zijn zonde beleed en zijn offer slachtte, en de priester het bloed bediende, kreeg de zondaar vergeving. Maar de zonde bleef opgetekend, en ,dit moest op de een of andere manier worden tenietge­daan.

Op de Grote Verzoendag ging de hogepriester met ge­paste offers het heilige der heiligen binnen. „Zo zal hij verzoening doen over het heiligdom om de onreinhe­den der Israëlieten en om hun overtredingen in al hun zonden: aldus zal hij doen met de tent der samen­komst... Dan zal hij naar buiten gaan naar het altaar,

dat voor het aangezicht des Heren staat, en daarover verzoening doen... Dan zal hij daarop met zijn vinger zevenmaal van het bloed sprenkelen en het reinigen en heiligen van de onreinheden der Israëlieten" (Leviticus 16:16-19).

Het beeld is duidelijk, want de aanwijzing was: „Aáron zal zijn beide handen op de kop van de levende bok leggen en over hem al de ongerechtigheden der Israëlie­ten en al hun overtredingen in al hun zonden, belijden; hij zal die op de kop van de bok leggen en die, door ie­mand die daarvoor gereed staat, naar de woestijn laten brengen. Zo zal de bok al hun ongerechtigheden op zich dragen naar een onvruchtbaar land" (Leviticus 16: 21,22).

Hier zag men in zinnebeeld de uiteindelijke verwijde­ring van zonden. Geen Israëliet die op die dag voor de tabernakel zijn ziel doorzocht, kon zo'n duidelijke en eenvoudige les over het hoofd zien: alleen beleden zon­den worden weggedaan. De toepassing van hetzelfde principe op de christen van vandaag is onvermijdelijk. Zonde brengt scheiding van God. God wil ons van de zonde scheiden, opdat Hij ons met Zichzelf kan hereni­gen. Liefdevol roept Hij zijn dwalende kinderen om thuis te komen en vrede te hebben. Door zijn profeet pleit Hij: „Ik vaag uw overtredingen weg als een nevel en uw zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost" (Jesaja 44:22). Scheiding van zonde is de boodschap van het heiligdom, in het bijzonder de boodschap van de Grote Verzoendag. Zonde zal verwij­derd en voor eeuwig weggedaan worden, als we God toestaan zijn plan voor ons leven uit te voeren. Dan mogen we met de psalmist David zingen: „Zover het oosten is van het westen, zover doet Hij onze overtre­dingen van ons" (Psalm 103:12). Alle diensten en symbolen van het heiligdom wijzen eenstemmig vooruit op het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt".

Profetie.nl.nu my.agp

You are: Home > my.agpgroup.net > profetie.nu.nl >


Statistieken

p>