Deze mens ontvangt zondaars (15)
Lucas 15:1-10
Toen de
tollenaars en de zondaars zich rondom Christus
schaarden, uitten de rabbi's hun misnoegen. “Deze
ontvangt zondaars en eet met hen”, zeiden zij. Met
deze beschuldiging insinueerden zij dat Christus graag
omgang zocht met de zondaars en slechte mensen en Zich
niet bewust was van hun slechtheid. De rabbi's waren
teleurgesteld in Jezus. Waarom zocht iemand die
aanspraak maakte op zo 'n verheven karakter niet hun
gezelschap en volgde Hij niet hun wijze van
onderrichten?
Waarom
ging Hij zo eenvoudig rond en werkte Hij onder alle
klassen? Als Hij werkelijk een profeet was, zeiden
zij, zou Hij het met hen eens zijn en de tollenaars en
zondaars behandelen met de onverschilligheid die zij
verdienden. Het ergerde deze wachters van de
maatschappij dat Hij, met wie zij steeds in botsing
waren, hoewel zijn heilig leven hun ontzag inboezemde
en veroordeelde, deze maatschappelijk uitgeworpenen
met schijnbare sympathie tegemoet trad. Zij keurden
zijn werkwijze niet goed. Zij beschouwden zichzelf als
ontwikkeld, beschaafd en bovenal godsdienstig. Het
voorbeeld van Christus openbaarde echter hun
zelfzucht.
Het
maakte hen ook boos dat zij, die alleen maar
verachting toonden voor de rabbi's en die nooit in de
synagogen werden gezien, nu om Jezus samenstroomden en
met diepe aandacht naar zijn woorden luisterden. De
schriftgeleerden en de Farizeeën voelden zich alleen
maar veroordeeld in die reine tegenwoordigheid. Hoe
was het dan mogelijk dat tollenaars en zondaars zich
tot Jezus aangetrokken gevoelden?
Zij
wisten niet dat de verklaring hiervoor juist lag in de
woorden die zij als een smalende aanklacht hadden
geuit: “Deze mens ontvangt zondaars.” Zij die bij
Jezus kwamen voelden in zijn tegenwoordigheid dat er
zelfs voor hen ontkoming was uit de put van de zonde.
De Farizeeën koesterden alleen maar smaad en
veroordeling voor hen, maar Christus heette hen welkom
als kinderen van God, wel is waar vervreemd van de
troon van de Vader, maar niet door het vaderhart
vergeten. Juist hun ellende en zonde maakte hen des
te meer de voorwerpen van zijn medelijden. Hoe verder
zij van Hem afgedwaald waren, des te ernstiger was het
verlangen en des te groter het offer om hen te redden.
Dit alles hadden de leraars van Israël kunnen leren
uit de heilige boekrollen waarvan zij zich trots de
bewakers en verklaarders noemden.
Had niet
David, de man die zo diep in zonde was gevallen,
geschreven: “Ik heb gedwaald als een verloren schaap,
zoek uw knecht?” Had niet Micha Gods liefde voor de
zondaar geopenbaard in de woorden: “Wie is een God als
Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding
van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat, die
zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een
welbehagen heeft in goedertierenheid?” (Psalm
119:176; Micha 7:18)
Het
verloren schaap
Dit keer
bepaalde Christus zijn toehoorders niet bij de woorden
van de Schrift. Hij deed een beroep op het getuigenis
van hun eisen en ervaring. De uitgestrekte hoogvlakten
ten oosten van de Jordaan boden overvloedige weiden
voor de kudden en menig schaap was verdwaald in de
kloven en de beboste heuvels, zodat de herder het
moest zoeken en het weer onder zijn hoede moest
terugbrengen. Bij de mensen rondom Jezus bevonden
zich ook herders en anderen die geld hadden gestoken
in kudden vee en schapen. Allen konden het voorbeeld
dat Hij gebruikte begrijpen: “Wie van u die honderd
schapen heeft en er één van verliest, laat niet de
negenennegentig in de wildernis achter en gaat het
verlorene zoeken, totdat hij het vindt?”
Deze
mensen die u veracht, zie Jezus, zijn Gods eigendom.
Zij zijn de zijne door schepping en verlossing en zijn
waardevol in zijn ogen. Zoals de herder van zijn
schapen houdt en geen rust heeft als er één mist,
houdt God oneindig veel meer van elke verworpen ziel.
De mensen mogen de aanspraken van deze liefde
verwerpen, zij mogen van Hem afdwalen en een andere
meester kiezen, toch behoren zij God toe en Hij
verlangt ernaar hen terug te winnen. Hij zegt: “Zoals
een herder naar zijn kudde omziet, wanneer Hij te
midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar
mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen
waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken
en duisternis.” (Ez.34:12)
In de
gelijkenis gaat de herder eropuit om naar één schaap
te zoeken, het kleinste getal dat genoemd kan worden.
Zo zou Christus, als er slechts één mens verloren was
geweest, voor die éne mens gestorven zijn.
Het
schaap dat van de kudde is afgedwaald is het meest
hulpeloze van alle schepselen. De herder moet het
zoeken, want het kan de weg niet terugvinden. Zo is
het ook gesteld met de mens die van God is afgedwaald.
Hij is even hulpeloos als het verloren schaap en
wanneer Gods liefde hem niet te hulp zou komen, zou
hij nooit de weg naar God terugvinden.
De
herder die tot de ontdekking komt dat hij één van zijn
schapen mist, kijkt niet onbezorgd naar de kudde die
in veiligheid is, terwijl hij zegt: “Ik heb nog
negenennegentig schapen. Het kost mij veel te veel
moeite om dat afgedwaalde schaap te zoeken. Laat het
maar terugkomen, dan zal ik de deur van de
schaapskooi openen en het binnenlaten.” Nee.
Nauwelijks is het schaap afgedwaald of de herder is
vervuld met verdriet en zorg. Hij telt en telt zijn
kudde. Als hij zeker weet dat er een schaap mist, gaat
hij niet slapen. Hij laat de negenennegentig schapen
in de schaapskooi en gaat op zoek naar het afgedwaalde
schaap.
Hoe
donkerder en stormachtiger de nacht en hoe
gevaarlijker de weg, des te groter is de bezorgdheid
van de herder en des te ijveriger zoekt hij. Hij doet
alles om dat ene verloren schaap te vinden.
Hoe
groot is zijn opluchting als hij in de verte een zwak
geblaat hoort! Terwijl hij op het geluid afgaat,
beklimt hij de steile rotsen en gaat met gevaar van
zijn leven naar de randen van de kloof. Zo zoekt hij,
terwijl het blaten dat zwakker wordt, hem zegt dat
zijn schaap op het punt staat te sterven. Ten slotte
wordt zijn inspanning beloond. Het verlorene is
gevonden. Dan moppert hij niet, omdat het hem zoveel
last heeft bezorgd. Hij jaagt het niet op met een
zweep. Hij probeert het zelfs niet naar huis te
drijven. Vol vreugde neemt hij het trillende dier op
zijn schouders. Als het gekneusd en gewond is, neemt
hij het in de armen, drukt het tegen zich aan, opdat
de warmte van zijn eigen lichaam het leven zal geven.
Vol dankbaarheid dat zijn zoeken niet vergeefs is
geweest, draagt hij het naar de kudde terug.
God zij
dank, dat Hij ons geen beeld heeft voorgehouden van
een verdrietige herder die zonder het schaap
terugkeert. De gelijkenis spreekt niet over falen maar
over succes en blijdschap bij het terugvinden. Hier
is Gods garantie dat zelfs niet één van de afgedwaalde
schapen van Gods kudde over het hoofd wordt gezien en
dat ieder de kans krijgt gered te worden. Iedereen die
zich laat vrijkopen, zal door Christus worden gered
uit de put van verderf en uit de kluisters van de
zonde.
Wanhopige ziel, schep moed, zelfs al hebt u verkeerd
gedaan. Denk niet dat God u misschien uw zonden zal
vergeven en u zal toelaten in zijn tegenwoordigheid.
God heeft de eerste stap gedaan. Terwijl u nog tegen
Hem in opstand leefde, is Hij uitgegaan om u te
zoeken. Met het liefdevolle hart van de herder liet
Hij de negenennegentig schapen achter om in de
wildernis het ene verloren schaap op te zoeken. Hij
neemt de gekneusde en gewonde mens die op het punt
stond om te komen, in zijn armen van liefde en brengt
hem naar de veilige kudde.
De Joden
leerden dat de zondaar eerst berouw moest tonen eer
Gods liefde naar hem zal uitgaan. In hun ogen was
bekering een werk waardoor zij de gunst van God konden
verdienen. Deze gedachte bracht de Farizeeën ertoe
verbaasd en boos uit te roepen: “Deze mens ontvangt
zondaars en eet met hen.”
Naar
hun mening zou Hij niemand mogen toestaan Hem te
naderen buiten degenen, die zich bekeerd hadden. Maar
in de gelijkenis van het verloren schaap onderwijst
Jezus dat de zaligheid niet het gevolg is van het feit
dat wij God hebben gezocht, maar dat God ons heeft
gezocht. “Er is niemand die verstandig is, niemand
die God ernstig zoekt; allen zijn afgeweken, tezamen
zijn zij onnut geworden.”(Rom. 3:11) Wij tonen geen
berouw opdat God ons zal liefhebben, maar Hij
openbaart ons zijn liefde opdat wij ons zullen
bekeren.
Als het
afgedwaalde schaap ten slotte thuis wordt gebracht,
komt de blijdschap van de herder tot uiting in
vreugdevol gezang. Hij roept zijn vrienden en buren en
zegt tot hen: “Verblijdt u met mij, want ik heb mijn
schaap gevonden dat verloren was.” Zo verenigen hemel
en aarde zich in blijdschap en dank wanneer iemand die
afgedwaald is door de grote Herder wordt gevonden.
“Alzo
zal er blijdschap zijn in de hemel over één zondaar
die zich bekeert, meer dan over negenennegentig
rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.” Gij
Farizeeën, zei Jezus, beschouwt uzelf als gunstelingen
van God. Gij meent dat gij veilig zijt door uw eigen
gerechtigheid. Weet dan, dat wanneer gij geen bekering
nodig hebt, mijn werk niet voor u bestemd is. Voor
deze arme zielen die zich van hun armoede en
zondigheid bewust zijn, ben Ik gekomen om hen te
redden. Gods engelen stellen belang in deze verlorenen
die gij veracht. Gij klaagt en spot als één van dezen
Mij zoekt, maar weet dat de engelen zich verblijden en
dat in de hemel een overwinningslied wordt gehoord.
De
rabbi's hadden een gezegde dat er blijdschap is in de
hemel wanneer iemand die tegen God heeft gezondigd, is
vernietigd, maar Jezus onderwees dat het werk van
vernietigen voor God vreemd werk is. De hemel
verblijdt zich juist over het herstel van Gods beeld
in de mens die Hij heeft gemaakt.
Als
iemand die ver in de zonde is afgedwaald, tot God wil
terugkeren, zal hij met kritiek en wantrouwen te
maken krijgen. Er zijn mensen die twijfelen of de
bekering van zo iemand oprecht is of die zullen
fluisteren: “Hij is niet evenwichtig; ik geloof nooit
dat hij het vol zal houden.” Deze mensen doen niet het
werk van God, maar dat van Satan, die “de aanklager
der broederen” wordt genoemd. Door hun kritiek hoopt
de boze die persoon te ontmoedigen en hem nog verder
van de hoop en van God te verwijderen. Laat de
berouwvolle zondaar nadenken over de blijdschap in de
hemel om de terugkeer van iemand die verloren was.
Laat hij vertrouwen op Gods liefde en in geen geval
moedeloos worden door de spot en achterdocht van de
Farizeeën.
De
rabbi's begrepen dat de gelijkenis van Christus
betrekking had op de tollenaars en zondaars. Maar hij
heeft nog een ruimere strekking. Met het verloren
schaap bedoelt Christus niet alleen de enkele zondaar,
maar ook die ene wereld die afvallig is geworden en
door de zonde is verwoest. Deze wereld is slechts een
atoom in de uitgestrekte gebieden waarover God heerst.
Toch is deze kleine zondige wereld — het ene verloren
schaap — kostbaarder in zijn oog dan de
negenennegentig die niet van de kudde zijn
afgedwaald.
Christus, de beminde Aanvoerder van het hemelse heer,
heeft zijn hoge positie verlaten en de heerlijkheid
die Hij bij de Vader had terzijde gelegd om die ene
verloren wereld te redden. Daartoe heeft Hij de
zondeloze werelden, de negenennegentig die Hem
liefhadden, verlaten en is Hij naar deze aarde gekomen
om door onze overtredingen doorboord en om onze
ongerechtigheden verbrijzeld te worden. (Jes. 53:5)
God heeft Zichzelf gegeven in zijn Zoon om de
blijdschap te ervaren dat het verloren schaap
teruggebracht zou worden.
“Ziet
welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij
kinderen Gods genoemd worden.” En Christus zegt:
”Gelijk Gij Mij gezonden hebt in de wereld, heb ook Ik
hen gezonden in de wereld” om aan te vullen “ in het
vlees wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus,
ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente.”
(1 Joh. 3:1; Joh.17:18; Col. 1:24)
Iedereen
die door Christus is gered, wordt geroepen om in zijn
naam te werken voor de verlorenen. Dit werk was in
Israël verwaarloosd. Wordt het ook nu niet
verwaarloosd door mensen, die belijden dat zij
volgelingen van Christus zijn?
Hoeveel
afgedwaalden hebt u, lezer, opgezocht en naar de kudde
teruggebracht? Beseft u, dat u wanneer u zich afwendt
van hen die weinig belovend en onaantrekkelijk zijn,
zielen verwaarloost waarnaar Christus zoekt? Juist
terwijl u zich van hen afwendt, is het mogelijk dat
zij het meest behoefte hebben aan uw belangstelling.
In elke bijeenkomst in Gods huis zijn mensen die naar
rust en vrede verlangen. Het mag schijnen dat zij een
zorgeloos leven leiden, maar zij zijn niet ongevoelig
voor de invloed van de Heilige Geest. Velen van hen
zouden voor Christus gewonnen kunnen worden.
Als het
verloren schaap niet naar de kudde wordt
teruggebracht, dwaalt het verder tot het omkomt. Vele
mensen gaan ten onder omdat er geen hand wordt
uitgestrekt om hen te redden. Deze afgedwaalden mogen
hard en onverschillig lijken, maar als zij dezelfde
voorrechten hadden genoten die anderen hebben gehad,
zouden zij een veel grotere zieleadel, een veel groter
talent voor bruikbaarheid hebben geopenbaard. Engelen
hebben medelijden met deze dwalenden. Engelen wenen,
terwijl menselijke ogen droog zijn en harten zich
sluiten en geen medeleven tonen.
Hoe erg
is dit gebrek aan diepgaand medeleven voor hen die
verzocht zijn en die dwalen! Ware er slechts meer van
de geest van Christus en minder van het eigen-ik!
De
Farizeeën begrepen dat deze gelijkenis van Christus
gold als een verwijt jegens hen. In plaats van hun
kritiek over zijn werk te aanvaarden, had Hij hun
verwaarlozen van de tollenaars en de zondaars
bestraft. Hij had dit niet openlijk gedaan, opdat zij
hun hart niet voor Hem zouden sluiten, maar zijn
gelijkenis hield hen het werk voor dat God van hen
verwachtte en dat zij hadden nagelaten te doen. Als
zij echte herders waren geweest, zouden deze leiders
in Israël het werk van een herder hebben gedaan. Zij
zouden de barmhartigheid en de liefde van Christus
hebben geopenbaard en zouden zich met Hem hebben
verenigd in zijn werk. Hun weigering om dit te doen
had aangetoond dat zij ten onrechte meenden dat zij
vroom waren. Nu verwierpen velen de berisping van
Christus. Sommigen werden echter door zijn woorden
overtuigd. Op hen kwam na de hemelvaart van Christus
de Heilige Geest en samen met de discipelen deden zij
het werk, dat in de gelijkenis van het verloren schaap
wordt aangeduid.
Het
verloren zilverstuk
Nadat
Christus de gelijkenis van het verloren schaap had
verteld, ging Hij verder en zei: “Of welke vrouw die
tien schellingen heeft, en er één verliest, steekt
niet een lamp aan en veegt het huis en zoekt
zorgvuldig totdat zij hem vindt?'
In het
oosten bestonden de huizen van de armen gewoonlijk uit
een enkel vertrek, vaak zonder ramen en deuren. De
kamer werd zelden geveegd en een geldstuk, dat op de
grond viel, zou al gauw door het stof en het vuil
bedekt worden. Om het te zoeken moest zelfs overdag
een kaars worden aangestoken en moest het huis ijverig
geveegd worden.
Het
huwelijksgeschenk van de vrouw bestond gewoonlijk uit
geldstukken, die zij met zorg bewaarde als haar
kostbaarste bezit, dat zij op haar beurt aan haar
eigen dochters doorgaf. Het verlies van één van deze
geldstukken zou als een ernstige ramp beschouwd worden
en het vinden ervan zou grote blijdschap brengen,
waarin de buren graag zouden delen.
“Als zij
hem gevonden heeft”, zei Christus, 'roept zij haar
vriendinnen en buren bijeen en zegt: Verblijdt u met
mij, want ik heb de schelling gevonden die ik verloren
had. Alzo is er, zeg Ik u, blijdschap bij de engelen
Gods over één zondaar die zich bekeert.”
Evenals
de voorgaande gelijkenis stelt deze het verlies voor
van iets dat met ijverig zoeken gevonden kan worden en
dan grote vreugde veroorzaakt. Maar de beide
gelijkenissen stellen verschillende groepen voor. Het
verloren schaap weet dat het verloren is. Het heeft de
herder en de kudde verlaten en kan zelfde weg niet
terugvinden. Het is een beeld van hen die beseffen dat
zij van God zijn gescheiden en die in het duister
verkeren, die vernederd en verzocht zijn. De verloren
munt stelt diegenen voor die in overtredingen en
zonden verloren zijn, zonder zich van hun toestand
bewust te zijn. Zij zijn van God vervreemd, maar zij
weten het niet. Zij verkeren in gevaar, maar zijn zich
onbewust daarvan en zij maken zich geen zorgen. In
deze gelijkenis leert Christus dat zelfs zij, die
onverschillig staan ten opzichte van de eisen van God,
voorwerp zijn van zijn liefde en medelijden. Zij
moeten worden opgezocht, zodat zij naar God kunnen
worden teruggebracht.
Het
schaap dwaalde af van de kudde. Het was in de
wildernis of op de bergen verdwaald. Het geldstuk werd
in huis verloren. Het was heel dichtbij en kon toch
slechts door ijverig zoeken worden gevonden.
Deze
gelijkenis heeft een les voor elk gezin. In het gezin
is vaak grote onachtzaamheid ten aanzien van de ziel
van de gezinsleden. Bij hen kan iemand zijn die van
God vervreemd is, maar hoe weinig aandacht wordt
geschonken aan de mogelijkheid dat een gezinslid
verloren kan zijn.
Hoewel
de munt onder stof en vuil ligt, is het nog een
zilverstuk. De bezitter zoekt het omdat het waarde
heeft. Zo wordt ook ieder mens, hoe ontaard ook door
de zonde, kostbaar geacht in Gods oog. Zoals de munt
de afbeelding en het inschrift draagt van de heersende
macht, heeft de mens bij zijn schepping het inschrift
en beeld van God ontvangen, en hoewel dit door de
zonde is vervaagd en beschadigd, blijven de sporen
ervan zichtbaar in ieder mens. God wil hem
terugwinnen en zijn eigen beeld in gerechtigheid en
heiligheid daarop weer terugvinden.
De vrouw
uit de gelijkenis zoekt ijverig naar haar verloren
munt. Zij steekt een kaars aan en veegt het huis. Zij
zet alles aan de kant waardoor haar zoeken gehinderd
zou kunnen worden. Hoewel slechts één munt verloren
is, houdt zij niet op met zoeken eer zij deze munt
gevonden heeft. Zo moet in het gezin alles gedaan
worden wat mogelijk is om één van de gezinsleden die
verloren is voor God, terug te winnen. Iedereen moet
zich ernstig onderzoeken. De levensgewoonten moeten
worden nagegaan. Zie of er niet een fout wordt
gemaakt, of er niet een dwaling is bij het leiden van
het gezin, waardoor die persoon in zijn
onboetvaardigheid zou worden verhard.
Als er
in het gezin een kind zou zijn, dat zich niet bewust
is van zijn zondige toestand, moeten de ouders zich
geen rust gunnen. Zij moeten een kaars aansteken. Zij
moeten Gods Woord onderzoeken en aan de hand van dit
licht alles in huis ijverig nagaan, om te zien
waardoor dit kind verloren is gegaan. Ouders moeten
hun eigen hart onderzoeken en hun gewoonten en
gebruiken nagaan. Kinderen zijn een erfdeel van de
Heer en wij zijn aansprakelijk hoe wij zijn eigendom
behandelen.
Er zijn
vaders en moeders die graag in een of ander
zendingsveld zouden willen werken. Velen zijn werkzaam
in christelijk werk buiten het gezin, terwijl hun
eigen kinderen vervreemd zijn van de Heiland en diens
liefde. Veel ouders vertrouwen het werk om hun
kinderen voor Christus te winnen toe aan de predikant
of aan de godsdienstleraar, maar door dit te doen
verwaarlozen zij de hun door God gegeven
verantwoordelijkheid. Het opvoeden van hun kinderen
tot christenen is het belangrijkste werk dat ouders
voor God kunnen doen. Dit werk eist volhardende,
levenslange inspanning. Door het verwaarlozen van deze
taak betonen wij ons ontrouwe rentmeesters. God
aanvaardt geen verontschuldiging voor een dergelijke
verwaarlozing.
Maar zij
die schuldig zijn aan onachtzaamheid behoeven niet te
wanhopen. De vrouw die haar geldstuk verloren had,
zocht tot zij het had gevonden. Zo kunnen ouders vol
liefde, geloof en gebed werken voor hun gezinnen, tot
zij vol blijdschap tot God kunnen naderen met de
woorden: “Zie hier, ik en de kinderen die de Here
gegeven heeft.” (Jes. 8:18)
Dit is
echt zendingswerk en het is even nuttig voor hen die
het doen als voor hen, voor wie het wordt gedaan. Door
onze trouwe belangstelling voor het gezin zijn wij in
staat om te werken voor de leden van Gods gezin, met
wie wij, als wij trouw zijn aan Christus, voor eeuwig
zullen leven. Wij moeten voor onze broeders en zusters
in Christus dezelfde belangstelling tonen die wij als
leden van één familie voor elkaar hebben.
God wil
dat dit alles ons geschikt zal maken om voor nog
anderen te werken. Naarmate ons medegevoel zich zal
uitbreiden en onze liefde zal toenemen, zullen wij
overal werk vinden dat wij kunnen doen. Gods grote
menselijke familie omvat heel de wereld en geen van
deze leden mag onopgemerkt gepasseerd worden.
Waar wij
ook mogen zijn, overal wacht het verloren geldstuk op
ons zoeken. Gaan wij ernaar op zoek? Dagelijks
ontmoeten wij mensen die geen belangstelling hebben
voor godsdienstige dingen. Wij spreken met hen, wij
bezoeken hen. Tonen wij belangstelling voor hun
geestelijk welzijn? Houden wij hen Christus voor als
een Heiland die de zonden vergeeft? Vertellen wij hun
met een hart, dat vol is van de liefde van Christus,
over die liefde? Hoe zullen wij, als wij dit nalaten,
deze mensen ontmoeten als zij, voor altijd verloren,
met ons staan voor Gods troon?
Wie kan
de waarde van een ziel schatten? Als u de waarde wilt
kennen, ga dan naar Getsémané en waak met Christus in
die uren van zielsangst, terwijl Hij grote druppels
bloed zweet. Zie naar de Heiland, terwijl Hij aan het
kruis hangt. Hoor die wanhopige kreet: “Mijn God, mijn
God, waarom hebt Gij Mij verlaten?” Zie naar dat
gewonde hoofd, die doorboorde zijde, die geschonden
voeten. Bedenk dat Christus dit alles geriskeerd
heeft. Ter wille van onze verlossing werd de hemel
zelf in gevaar gebracht. Bedenk aan de voet van het
kruis dat Christus voor één enkele zondaar zijn leven
gegeven zou hebben. Dan kunt u de waarde van een
enkele ziel beseffen.
Als u
met Christus gemeenschap hebt, zult u, evenals Hij,
ieder mens naar waarde schatten. U zult voor anderen
dezelfde liefde voelen die Christus heeft voor u. Dan
zult u in staat zijn om hen, voor wie Hij is
gestorven, te winnen en niet af te stoten, aan te
trekken en niet te verwerpen. Niemand zou ooit tot God
zijn teruggebracht als Christus Zich niet zelf voor
hen had ingespannen. Alleen door dit persoonlijk werk
kunnen wij anderen redden. Als u mensen ziet die ten
onder gaan, zult u niet onverschillig en rustig
daaronder zijn. Hoe groter hun zonde en hoe dieper hun
ellende, des te ijveriger en tederder zal uw werk zijn
om hen te winnen. U zult de noden beseffen van hen die
lijden, die tegen God hebben gezondigd en die gebukt
gaan onder schuld. Uw hart zal vol liefde uitgaan naar
deze mensen en u zult hen een helpende hand toesteken.
U zult hen, omgeven door uw geloof en liefde, tot
Christus leiden. U zult over hen waken en hen
bemoedigen en uw medeleven en vertrouwen zal het voor
hen moeilijk maken weer af te vallen.
Engelen
staan gereed om bij deze taak met u samen te werken.
Alle hulpbronnen van de hemel staan ter beschikking
van hen die proberen het verlorene te redden. Engelen
zullen u helpen om de meest zorgeloze en verharde
mensen te benaderen. En als iemand naar God is
teruggebracht, is er blijdschap in de hemel. Serafs en
cherubs bespelen hun gouden harpen en brengen lof aan
God en aan het Lam voor hun barmhartigheid en liefde
voor de mensen.
("Lessen uit het Leven van Alledag" - E.G. White)