De profetie der 2300 jaardagen
Daniël 8 bevat in het kort
de profetische geschiedenis van de tijd van Daniël tot aan het einde der
wereld. Onder de symbolen van de ram, geitenbok en de grote hoorn wordt
de geschiedenis van Medo-Perzië, Griekenland en Rome beschreven. Al deze
machten, brachten verdrukking en vervolging over Gods volk, terwijl Rome
in zijn heidense en pauselijke vorm, in het bijzonder door zijn
anti-christelijke handelingen op de voorgrond trad. Op de vraag hoe lang
dit verwoestende werk tegen God en Zijn volk zou duren, werd het
antwoord gegeven: "Tot tweeduizend en driehonderd avonden en morgens:
dan zal het heiligdom gerechtvaardigd (in rechten staat hersteld)
worden. " (Daniël 8:14).
De profetische ketting van
hoofdstuk 8 loopt parallel met hoofdstuk 7. In dit laatste hoofdstuk
zagen wij, dat Rome zijn. werk tot het onderzoekend oordeel in de hemel
voortzet. Als hij de gerichtsscène zag, verklaarde Daniël: "Ik bleef
toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam
iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en
men leidde hem voor dezen" (Daniël 7:13). In het achtste hoofdstuk wordt
Daniël getoond, hoe Rome zijn werk tegen de waarheid Gods zou
voortzetten, totdat de tijd van de reiniging van het heiligdom kwam. In
overeenstemming met de hebreeuwse symbolen, karakteriseert deze
gebeurtenis Christus, wanneer Hij als Hogepriester het heilige der
heilige van het hemelse heiligdom binnengaat, om het werk van het
onderzoekend oordeel en van de laatste verzoening voor Gods volk te
verrichten. Daarom is het komen van Christus tot de Oude van dagen in
het visioen van Daniël 7:13 en het komen van Christus als Hogepriester
in het heilige der heilige volgens Daniël 8:14, een beschrijving van
dezelfde gebeurtenis.
Er is echter een
moeilijkheid in Daniël 8, want de profeet raakte uitgeput, voordat de
engel zijn verklaring van het visioen kon beëindigen. Aangaande de 2300
dagen werd geen uitgangspunt gegeven. "En ik Daniël, was uitgeput en
was enige dagen ziek; daarna stond ik op en verrichtte den dienst bij
den Koning. En ik was verbijsterd over het gezicht, maar niemand merkte
het." (Daniël 8:27).
Luther: (Ik was verwonderd
over het gezicht, maar niemand legde het mij uit). Toen de profeet weer
hersteld was, zocht hij de Here opnieuw in gebed en vroeg om een
verklaring van het visioen der 2300 jaardagen. In antwoord op Daniels
bede werd dezelfde engel gezonden, die sprak: ".…... Daniël, nu ben ik
uitgegaan om u de zin te doen verstaan.... versta dan dit woord en merk
op dit gezicht" (Dan. 9:22-23). Laat ons daarom eens de verklaring van
Daniël 9 lezen:
“Zeventig weken zijn
bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te
voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en
om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en
iets allerheiligst te zalven.
Weet dan en versta: vanaf
het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te
herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken; en
tweeenzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein
en gracht, maar in de druk der tijden.
En na de tweeenzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl
er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de
stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de
overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen,
waartoe vast besloten is.
En hij zal het verbond
voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij
slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen
zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe
vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is." (Daniël
9:24-27)
Vers 25: Deze tijdsperiode
zou beginnen, "vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te
herbouwen". Dit decreet waarvan Ezra 7:12-26 gewag maakt, werd in 457
v.Chr. door de koning van Perzië, Artaxerxes, uitgevaardigd en trad in
de herfst van datzelfde jaar in werking. Vers 24: Zeventig profetische
weken of 490 jaren (elke profetische dag is gelijk aan één jaar, zie
Numeri 14:34; Ezechiël 4:6) van de 2300 jaren waren voor de Joden
bestemd.
Vers 25: Vanaf het bevel
om Jeruzalem weer te herbouwen (457 v.Chr.) tot de doop van Christus,
zijn 69 profetische weken of 483 jaren. In overeenstemming daarmee werd
Christus als Messias gedoopt en gezalfd in het jaar 27 n.Chr.
Vers 27: Gedurende één
profetische week, of 7 jaren werd de uitnodiging door het evangelie aan
de Joden gericht. Na Zijn doop predikte Christus aan de Joden
persoonlijk drieënhalf jaar. Na Zijn dood predikten de apostelen nog
eens drieënhalf jaar. Door de martelaarsdood van Stefanus, in 34 n.Chr.,
bezegelden de Joden hun verwerping van het evangelie en de apostelen
vluchtten uit Jeruzalem vanwege de vervolgingen, en "trokken het land
door het evangelie verkondigende" (Handelingen 8:4).
Vanaf dat moment werd het
evangelie aan de heidenen verkondigd. In het midden van de profetische
week, d.w.z. van 27 - 34 n.Chr. werd Christus gekruisigd. Door dit grote
offer voor de mensheid bracht Hij een eind aan het offersysteem van het
aardse heiligdom, dat gedurende zolange tijd Zijn offerdood had
voorafgeschaduwd.
Elke bijzonderheid van de
profetie betreffende de eerste komst van Christus was daarmede
nauwkeurig in vervulling gegaan. Zonder twijfel, stelt dit het begin van
de zeventig weken en de 2300 jaren vast in het jaar 457 voor Chr.
Zodoende is het duidelijk, dat de 2300 jaardagen in 1844 eindigen.
(Zie Chronologische kaart).
De verenigde
staten in de profetie
"En ik zag een ander beest
opkomen uit de aarde en het had twee horens als die van het Lam, en het
sprak als de draak. En het oefent al de macht van het eerste beest voor
diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen,
het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wonde genezen was.
En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet
neerdalen en op de aarde ten aanschouwen van de mensen. En het verleidt
hen. die op de aarde wonen, wegens de tekenen, die hem gegeven zijn te
doen voor de ogen van het beest. En het zegt tot hen, die op de aarde
wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest dat de wond van het
zwaard had en weer levend geworden is. En hem werd gegeven om aan het
beeld een geest te geven, zodat het beeld van het beest ook zou spreken,
en maken, dat allen, die het beeld van het beest niet aanbidden gedood
werden." (Openbaring 13:11-15)
Het beest dat op een lam geleek, dat uit de aarde opstijgt, wijst
onmiskenbaar heen op de Verenigde Staten van Amerika. Let maar eens
goed op de kentekenen:
1. Het kreeg macht en
aanzien omstreeks. 1798, toen paus Pius VI in gevangenschap kwam. (Vers
10-11).
2. Het kwam op in de
nieuwe wereld. Het pauselijke beest, kwam op uit de zee, dat een symbool
van de volkeren, en natiën is van de oude wereld. Maar dit nieuwe dier
zag men uit de aarde opkomen, d.w.z. een voordien onbezet gebied, dat
land, dat "de vrouw" hielp, toen deze voor de vervolging vluchtte, die
in Europa plaats vond. (Zie Openbaring 12:16-17).
3. Het kwam vredig
tevoorschijn. Geen winden streden op de grote zee zoals Daniël steeds
gezien had, als er nieuwe rijken ontstonden (Daniël 7:2). De woorden
"opkomen uit de aarde", wijzen heen naar de vredige opkomst van dit
land, gelijk een plant, langzaam maar vreedzaam groeit.
4. Het was voorstander
van een republiek en van protestantisme, en dat waren de geheimen van
haar macht en sterkte. Deze eigenschappen werden door zijn twee hoornen
voorgesteld. Let er op dat deze hoornen ongekroond waren (vergelijk
Hoofdstuk 13:1 en Openbaring 12:13). Het had een regering zonder koning
en een kerk zonder paus.
5. Het is de leidende
natie der wereld (vers 12). God zegende dit volk wonderlijk. Het vormde
eens het sterkste bolwerk tegen de pauselijke onverdraagzaamheid en
godsdienstige vervolging. Onder de bescherming van de Almachtige is
het de grootste natie van alle tijden geworden.