You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
Het uur van Zijn oordeel is gekomen   (10)


"En ik zag een andere engel vlie­gen in het midden des hemels en hij had een eeuwig evangelie, om dat te verkondigen aan hen, die op aarde gezeten zijn en aan alle volk en stam en taal en natie; en hij zeide met luider stem:
Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen, en aanbidt Hem, die de hemel en de aarde en de zee en de waterbronnen gemaakt
heeft."
Openbaring 14:6-7

 

Het christelijke tijdperk sluit af met het uur van Gods oordeel voor Zijn belijdend volk. In het heilige der heilige van het hemelse heiligdom vindt dit oordeel voor Gods hei­lige wet plaats.

 

Dit is in overeenstemming met de aard van de dienst in het aardse heiligdom. Gedurende het gehele jaar waren de zonden van de berouwvolle Israëlieten door het bloed van de zondoffers overgedragen op het heiligdom. Dit betekende dat er een opeenhoping van zonden ontstond in het heiligdom en dat de heilige plaatsen verontreinigd werden. Het hoog­tepunt van de jaarlijkse reeks van diensten was een speci­aal verzoeningswerk om het heiligdom te reinigen van de zonden van Israël. Bij deze gelegenheid ging de hogepries­ter het heilige der heilige binnen om voor Gods wet en de onmetelijke heerlijkheid van de Rechter van Israël te staan. Buiten de omheining van de voorhof vastte en bad de gehele vergadering en verootmoedigden hun zielen. Als ze door God werden aangenomen door de bemiddeling van hun pries­ter, werden hun zonden tenslotte teniet gedaan door ze over te brengen van het heiligdom op de kop van de zondebok die ze uit het kamp wegdroeg. Als ze zich niet voor God verootmoedigden, terwijl zij zich de zonden van het afgelopen jaar herinnerden, keerden deze zonden op hen terug en werden zij uit het volk uitgeroeid (Leviticus 16 en 23:27-32). Zoals we reeds opmerkten wordt deze dag door vrome Joden ook nu nog jaarlijks herdacht, als Yom Kippur, de oordeelsdag.

 

De enigen die aandeel hadden aan de dienst van de rei­niging van het heiligdom, waren diegenen die voor God ver­schenen om hun zonden te belijden en over te brengen op het heiligdom. Zo heeft ook de reiniging van het hemelse heiligdom alleen betrekking op het belijdende volk van God. Zoals de hogepriester bij het binnengaan in het heilige der heilige de borstplaat des gerichts droeg, met daarop de na­men van de stammen van Israël (zie Exodus 28:29 St. Vert.), zo moeten ook diegenen wier namen in het boek des levens staan, aan God voorbijgaan. Het oordeel van de goddelozen is een andere en afzonderlijke gebeurtenis, die op een later tijdstip plaatsvindt. De apostel Petrus zegt: "Want het oordeel begint bij het huis Gods; als het bij ons begint, wat zal het einde zijn van hen, die ongehoorzaam blijven aan het evangelie Gods? (1 Petrus 4:17).

 

In de dienst zoals die vroeger plaats vond, werd het volk van Israël door het blazen van de ramshoorn opgeroepen om in het oordeel te verschijnen. Dit alles was slechts een voorafschaduwing van de grote boodschap aan het eind van de christelijke bedeling: "Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen" (Openbaring 14:7). Dit is de tijd waarin het ware heiligdom in de hemel gerei­nigd moet worden van de zonden van het volk. Wanneer iemand zou vragen: "Kan het zijn, dat er in de hemel iets gereinigd moet worden?", antwoorden wij met de apostel Paulus: "Noodzakelijk moesten dus hiermede de afbeeldingen van de hemelse dingen gereinigd worden (door het bloed van dieren), maar de hemelse dingen met betere offeranden dan deze" (Hebreeën 9:23). Hetgeen zinnebeeldig in de aardse tabernakel plaats vond, vindt in werkelijkheid in het hemel­se heiligdom plaats.

 

Het boek Daniël bewijst de chronologie van dit oordeels­uur en geeft ons de juiste datum van het begin van de reini­ging van het hemelse heiligdom. Het is goed en noodzakelijk dat we deze dingen verstaan, die "ons en onze kinderen geopenbaard zijn" (Deuteronomium 29:29). Laten wij daar­om voortgaan om dit uur van het oordeel vast te stellen.

 

De Vier Koninkrijken van de Bijbelse Profetie

 

"Daniël hief aan en zeide: Ik had in de nacht een gezicht en zie, de vier winden des hemels brachten de grote zee in beroering, en vier grote dieren stegen uit de zee op, het ene verschillend van het andere.

Het eerste geleek op een leeuw, en het had adelaarsvleugels. Terwijl ik bleef toezien, werden het de vleugels uitgerukt, en werd het van de grond opgeheven en op twee voeten overeind gezet als een mens, en werd het een mensenhart gegeven.

En zie, een ander dier, het tweede, geleek op een beer; het richtte zich op de ene zijde op, en drie ribben waren in zijn muil tussen zijn tanden; en men sprak tegen hem aldus: sta op, eet veel vlees.

Daarna zag ik, en zie, een ander dier, gelijk een panter; het had vier vogelvleugels op zijn rug en vier koppen. En aan hem werd heerschappij gegeven.

Daarna zag ik in de nachtgezichten en zie, een vierde dier, vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk; het had grote, ijzeren tanden: het at en vermaalde, en wat overbleef, vertrad het met zijn poten; en dit dier verschilde van alle vorige, en het had tien horens.

Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak.

Terwijl ik bleef toekijken, werden tronen opgesteld, en een Oude van dagen zette Zich neder; zijn kleed was wit als sneeuw en zijn hoofdhaar blank als wol; zijn troon bestond uit vuurvlammen, de raderen daarvan uit laaiend vuur; en een stroom van vuur welde op en vloeide voor hem uit; duizendmaal duizenden dienden hem en tienduizend maal tienduizenden stonden voor hem. De vierschaar zette zich neder en de boeken werden geopend.

Toen keek ik toe vanwege het geluid der grote woorden welke de horen sprak; terwijl ik bleef toekijken, werd het dier gedood, zijn lichaam werd vernietigd en prijsgegeven aan de brand van het vuur. Ook aan de overige dieren werd de heerschappij ontnomen, en hun werd een levensduur gegeven tot tijd en wijle.

Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natien en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is. De geest van mij, Daniel, was ontroerd in mijn binnenste, en de gezichten die mij voor ogen waren gekomen, ontstelden mij.

Ik naderde een van hen die daar stonden, en vroeg hem de ware zin van dit alles, en hij sprak tot mij en gaf mij de uitlegging daarvan te kennen: die grote dieren, die vier, zijn vier koningen die uit de aarde zullen opkomen; daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

Toen wilde ik de ware zin weten van het vierde dier, dat van die alle verschilde, dat buitengewoon vreselijk was met zijn ijzeren tanden en zijn koperen klauwen, dat at en vermaalde en wat overbleef met zijn poten vertrad, en van de tien horens, welke op zijn kop waren, en van die andere, die zich verhief en waarvoor er drie uitvielen, terwijl deze horen met ogen en een mond vol grootspraak, er groter uitzag dan de andere.

Ik zag, dat die horen strijd voerde tegen de heiligen en hen overmocht, totdat de Oude van dagen kwam en recht verschaft werd aan de heiligen des Allerhoogsten en de tijd naderde, dat de heiligen het koningschap in bezit kregen.

Hij sprak aldus: Dat vierde dier is het vierde koninkrijk, dat op aarde zal zijn, dat verschillen zal van alle andere koninkrijken, en dat de gehele aarde zal verslinden en haar zal vertreden en vermorzelen.

En de tien horens; uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en na hen zal een ander opstaan; die zal van de vorige verschillen en drie koningen ten val brengen.

Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tijden en een halve tijd; dan zal de vierschaar zich nederzetten, en men zal hem de heerschappij ontnemen en hem verdelgen en vernietigen tot het einde. En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen."

Daniël 7:2-27.

 

Dit Schriftgedeelte omvat de wereldgeschiedenis van­af de tijd van Daniël tot aan de tijd van het oordeel. Onder de symbolen van de leeuw, de beer, de panter en het grote verschrikkelijke beest worden we bepaald bij de vier grote koninkrijken van de bijbelse profetie - Babylon, Medo Perzië, Griekenland en Rome. De wereldgeschiedenis be­vestigt de juistheid van de symbolen en hun details. Rome werd niet opgevolgd door een ander universeel imperium, maar werd verdeeld in tien koninkrijken. In de vierde en vijfde eeuw na Christus werd het Romeinse rijk verpletterd door de invallen van de Barbaren. De belangrijksten van hen  -  de  Oostgoten, Westgoten, Franken, Vandalen,   Sueven, Allemagnes, Angelsaksen, Herulen, Lombarden en Bougondiërs   -  aanvaardden de Romeinse beschaving en werden de natiën van West-Europa. Vandaar het   symbool  van  de tien horens die voortkwamen uit het vierde beest.

 

Een Andere Horen

 

Dan toont deze profetie dat uit deze Europese natiën een andere macht opkwam, eerst klein, maar een macht die spoedig oprees om de natiën van Europa te overheersen. In deze macht leefde in het bijzonder de geest en de macht van het oude Rome voort. We behoeven niet te gissen op wie het symbool van toepassing is. De profetie beschrijft het zo:

1.  Het kwam op uit de natiën van West Europa (vers 8).

2.  Het was eerst een geringere macht tussen de Bar­baarse koninkrijken (vers 8).

3.  Het werd de grootste macht van West Europa (verzen 8,20,24).

4.  Het was zeer verschillend van de andere machten en het is bewezen dat het een politiek - religieuze macht was (verzen 20, 21, 24, 25).

5.  Het roeide drie Barbaarse natiën uit (verzen 8, 20, 24).

 

De geschiedenis zegt dat inderdaad drie van de oorspronke­lijke Barbaarse koninkrijken uit Europa verdwenen. Het waren de Herulen, de Vandalen en de Oostgoten. Deze om­verwerping kwam op de volgende wijze tot stand: Al de Barbaarse koninkrijken accepteerden het katholieke geloof, uitgezonderd de drie bovengenoemden. Deze aanvaardden de Ariaanse geloofsbelijdenis * en weigerden de opperheer­schappij van Rome te erkennen. De geschiedenis verhaalt ons dat de keizers van Constantinopel op aansporing van de bisschop van Rome, de Herulen in 493 n. Chr., de Vandalen in 534 n. Chr. uitroeiden en de Oostgoten in 538 n. Chr. uit Rome verdreven.

 

6.   Het werd een vervolgende macht (vers 21,25). Die macht wordt beschreven als één die trachtte het ware chris­tendom van de aarde uit te roeien. Men schat dat drie miljoen christenen tijdens het Rome van de Cesars omkwamen.
Nochtans wordt er gezegd dat de eerste christenen baden voor het voortbestaan van het keizerlijke Rome, daar ze begrepen dat uit de ruïnes van het oude Rome, een nieuwe vorm van bestuur zou tevoorschijn komen, die de vervol­gingen van het heidense Rome verre zou overtreffen. De meest betrouwbare historici uit de middeleeuwen schatten dat in deze periode niet minder dan vijftig miljoen mensen om godsdienstige redenen door het geestelijk Rome ter dood werden gebracht. Dit was zonder twijfel de grote verdruk­king waarop Jezus in Mattheus 24:21-22 doelt.

 

7.  Deze macht veranderde de wet van God. De Engelse herziene vertaling   geeft vers 25 als volgt weer: "Hij zal denken de tijden en de wet te veranderen". Uit het verband blijkt duidelijk dat naar de goddelijke wet verwezen wordt,
want alle regeringen veranderen hun wetten van tijd tot tijd.

 

Het enige gedeelte van de Bijbel dat God Zelf schreef, was dat van de Tien Geboden (Exodus 201-7). Hij schreef met Zijn eigen vinger de wet op de stenen tafelen om het onveranderlijke en blijvende karakter ervan aan te tonen. Hij plaatste in de wet een speciaal gebod dat Zijn eigen zegel bevatte - "de zevende dag is de Sabbat van de Here uw God….. Want in zes dagen heeft de Here de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de Here de sabbatdag en heiligde dien" (verzen 10-11). Van alle tien brengt al­leen dit gebod de naam en de titel van de Wetgever naar voren. Het verklaart dat Hij de Schepper is van hemel en aarde en toont ons Zijn recht op eerbied en aanbidding bo­ven alle schepselen.

 

Het is geen geheim onder de katholieke, protestantse en joodse geestelijkheid, dat de zevende-dags-sabbat van de Bijbel ten gunste van de eerste dag der week "de zondag" is opzij gezet. Wie is verantwoordelijk voor deze opzette­lijke en weloverwogen verandering van het enige gebod, dat betrekking heeft op de tijd?

 

Wereldlijke zowel als religieuze historici erkennen dat de zondag van heidense oorsprong is en dat deze dag eeuwen voor de geboorte van Christus reeds werd geëerd als de heilige dag der zon. Door de heidenen van het keizerlijke Rome werd deze dag als een feestdag gevierd. Toen keizer Constantijn het christelijke geloof beleed, vaardigde hij een wet uit waarin "rust op de eerbiedwaardige dag der zon" werd geëist. (Zie Encyclopaedia Britannica, 9e editie "Sunday"). Chambers encyclopaedia zegt: "Ongetwijfeld is de eerste wet, kerkelijk of burgerlijk, waarvan we weten dat ze de waarneming van deze dag als rustdag verordineert, de wet van Constantijn in het jaar 321 n. Chr." Met het voortschrijden van de tijd, verordineerden de kerkelijke concilies en wetten, de zondag als een vastgestelde dag van rust en aanbidding.

Uit een katholieke catechismus citeren we het volgende:

 

"Vraag:  Welke dag is de sabbat?  "Antwoord   - De zaterdag is de sabbatdag.

"Vraag:  Waarom heiligen wij de zondag inplaats van de zaterdag?  "Antwoord - We heiligen de zondag inplaats van de zaterdag, omdat de katholieke kerk op het concilie van Laodicea (336 n. Chr.) de verering van de zaterdag naar de zondag verlegde."

Overgenomen (vertaald) uit: "The convert's Catechism of Catholic Doctrine", derde editie 1913, pag. 50, Peter Geiermann, C. SS. R. (Dit werk ontving de apostolische zegen van paus Pius X, 25 Jan. 1910).

 

In een ander werk, (Doctrinal Catechism, door Stephen Keenan, 1865, pag. 174) vinden we een soortgelijke bewe­ring:

 

"Vraag: - Kunt u op een andere wijze aantonen dat de kerk macht heeft om feestdagen en wetten uit te vaardigen?

 

"Antwoord: - Zou zij die macht niet hebben, dan zou ze niet gedaan kunnen hebben waarmede alle huidige godsdienstige lichamen met haar instemmen. Ze zou niet de verering van de zondag, de eerste dag der week, in de plaats gesteld kunnen hebben van de verering van de zaterdag, de zevende dag der week. Een verandering waar­voor geen schriftuurlijk gezag is aan te voeren."

 

8. Deze   macht   heerste    gedurende    1260   jaren (zie Daniël 7:25). Volgens het profetische woord zou deze macht drieënhalf jaar (profetische tijd) duren, of zoals de Open­baring het zegt, 1260 dagen. In de profetische symboliek stelt een dag een jaar voor (zie Nummeri 14:34; Ezechiël 4:6). Wanneer we rekenen vanaf de ondergang van de Oostgoten in het jaar 538 n.Chr. brengt deze periode van 1260 jaren ons tot in het jaar 1798. Het is betekenisvol dat in 538 n. Chr. een leger onder Belisarius in Rome de Ariaanse koning der Oostgoten, die de suprematie van de bisschop van Rome weigerde te erkennen, verdreef. Precies 1260 jaren later kwam de Franse generaal Berthier in Rome, nam de paus gevangen en proclameerde een republiek in de plaats van het pausdom.

 

9.  Het was een voortzetting van Rome. De profetie toont aan dat het Romanisme voortleefde na de ineenstor­ting van het keizerrijk. Wanneer er geen ander bewijs zou zijn, dan in vers 11, zou men alleen door dit vers de grote horen reeds kunnen identificeren. Het was de voortzetting van Rome in een andere vorm. Het Rome van de Cesars "gaf hem zijn kracht, zijn troon en grote macht" (Open­baring 13:2). Er is slechts één macht die voldoet aan de beschrijvingen van deze profetie. Deze kleine horen die groot werd, is duidelijk het pausdom.

 

De Chronologische Plaatsing van het Oordeel

 

Wij zijn nu vanaf Daniels tijd door de wereldgeschie­denis tot in onze tijd gekomen. De periode van de pauselijke overheersing eindigde in 1798. De volgende gebeurtenis die Daniël zag, was het gericht voor de "Oude van dagen". In dit oordeel zullen de koninkrijken en de heerschappijen, die in het bezit waren van Babylon, Medo-Perzië, Griekenland, Rome, de tien gedeelde koninkrijken en het pausdom over­gegeven worden aan Christus en de heiligen. Nadat aan Christus en degenen die met Hem mede-erfgenamen gewor­den zijn, het recht om te regeren is overgegeven, komt Hij naar deze aarde als "Koning der koningen en Here der heren" (Openbaring 19:16). Bij de tweede komst van Christus zul­len de woorden van Jezus in vervulling zijn gegaan: "Een man van hoge geboorte trok naar een ver land om voor zich de koninklijke waardigheid in ontvangst te nemen en daarna terug te keren" (Lucas 19:12). Wanneer Hij aan het einde van het oordeel in de hemel, in heerlijkheid verschijnt, is Zijn loon bij Hem om een ieder naar zijn werken te geven (zie Openbaring 22:12). Dan wordt het dier gedood, zijn lichaam wordt vernietigd en prijsgegeven aan het vuur (zie Daniël 7:11). De apostel Paulus toont nauwkeurig aan, dat de vernietiging van deze grote afvallige macht plaats vindt bij de komst van Christus:

 

"Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd.

Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; wacht slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is.

Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here Jezus doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt.” (2 Thessalonicenzen 2:3-8).

 

Het is daarom duidelijk dat het door de profeet Daniël geschilderde oordeel, plaats vindt tussen 1798 en de tweede komst van Christus.

Nu wordt in het achtste hoofdstuk van Daniël het juiste be­gin van de ure des oordeels gegeven. Onder de symbolen van een ram en een bok neemt Daniël ons nog eens mee door de geschiedenis van Medo-Perzië en Griekenland. Onder het symbool van een kleine horen die zeer groot wordt, toont hij ons nog eens de geschiedenis van Rome in haar heidense en pauselijke vorm. Dan werd hem verteld: "tot tweeduizend en driehonderd avonden en morgens; dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden" (Daniël 8:14 St.Vert.).

 

Beginnende "vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen" in het jaar 457 voor Christus, brengt deze lange profetische tijdsperi­ode van 2300 avonden en morgens ons tot in het jaar 1844. (Zie het aanhangsel voor een meer gedetailleerde uiteen­zetting van deze profetie.) In dat jaar ging Christus als onze grote Hogepriester het heilige der heilige binnen, voor Zijn afsluitend oordeelswerk en de reiniging van het heiligdom, om Zijn komst op de wolken des hemels met macht en grote heerlijkheid, voor te bereiden. Daarom leven wij in de plechtige en ontzagwekkende tijd, waarin de boodschap aan elke natie, stam, tong en volk moet uitgaan: "Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is gekomen" (Openbaring 14:7). De grote godsdienstige beweging die in alle delen van de wereld ontstond, is een overtuigend be­wijs van de vervulling van deze profetie.

 

Het Doel van het Oordeel

 

"Dit zag ik, totdat er tronen gezet werden en de Oude van dagen Zich zette, Wiens kleed wit was als de sneeuw, en het haar Zijns hoofds als zuivere wol . Zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een bran­dend vuur. Een vurige rivier vloeide en ging van voor Hem uit, duizendmaal duizenden dienden Hem, en tien duizendmaal tien duizenden stonden voor Hem; het ge­richt zette zich en de boeken werden geopend". (Daniël 7:9-10 St.Vert.).

 

Het hoofddoel van het oordeel wordt duidelijk beschre­ven door de profeet:

 

"Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensen­zoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen en men leid­de hem voor Deze; en hem werd heerschappij gegeven, eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is". (Daniël 7:13-14)

 

De kroon, die in de tijd van Daniël van Israël werd weggenomen, ging achtereenvolgens over op de koninkrij­ken Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en Rome. Deze alle hebben de gelegenheid gehad hun beginselen te open­baren. Als nu het oordeel plaats vindt en de geschiedkundi­ge verslagen worden onderzocht, wordt Christus als de enige waardig bevonden, om het koninkrijk te ontvangen. Dan gaat het Woord Gods, gesproken door de profeet Ezechiël   in vervulling:   "Totdat hij komt,   die er recht heeft en aan wie ik het geven zal" (zie Ezechiël 21:26-27). Het   recht   om  te   heersen wordt aan Christus   verleend.

 

De ontvangst van het koninkrijk door Christus, zoals het in de oordeelsscène van Daniël 7 wordt voorgesteld, wordt door Johannes in de Openbaring als "de bruiloft" be­schreven. Ineen visioen zag hij de hoofdstad van het konink­rijk, het Nieuwe Jeruzalem, "gereed gemaakt als een bruid die versierd is voor haar man" (Openbaring 19:7-8; 21:2-3).

Gods volk is niet persoonlijk op de bruiloft aanwezig, want deze vindt in de hemel plaats terwijl zij nog op de aarde zijn. Zij moeten zijn "gelijk aan mensen, die op hun heer wachten wanneer hij van de bruiloft wederkeert" (Lucas 12:36). Nochtans wordt Gods volk voor de bruiloft uitgenodigd, want de uitnodiging van de koning luidt: "Alles is gereed, komt tot de bruiloft" (Mattheüs 22:4). Het is duidelijk dat Gods volk door het geloof aanwezig moet zijn en hun Hogepriester moeten navolgen als Hij voor God verschijnt om de onderda­nen van Zijn koninkrijk gereed te maken. Over hen die zich voorbereiden voor de bruiloft, zegt de Here: "Zij zullen Mij ten eigendom zijn, op de dag die Ik bereiden zal" (Maleachi 3:17).

 

Dit brengt ons bij het tweede doel van het oordeel. Wie zullen de onderdanen van het koninkrijk van Christus zijn? Het zullen geen onderdanen in de gewone zin van het woord zijn, want zij zullen "koningen en priesters Gode en Zijn Vader zijn" (Openbaring 1:6 St.Vert.). Zij zullen met Christus op de troon van het universum zit­ten. Doch eerst moet het oordeel plaats vinden en moeten de boeken geopend  worden. Het belijdend volk van God moet een onderzoek ondergaan, opdat vastgesteld wordt wie waar­dig is om mede-erfgenamen van Christus te zijn. Zij, die gehoor gegeven hebben aan de uitnodiging voor de bruiloft van het Lam, moeten onderzocht worden.

 

"Toen de koning binnentrad om hen, die aanlagen te overzien, zag hij daar iemand, die geen bruiloftskleed aanhad. En hij zeide tot hem: Vriend, hoe zijt gij hier gekomen zonder bruiloftskleed? En hij verstomde. Toen zei de koning tot de bedienden: Bindt hem aan han­den en voeten en werpt hem uit in de buitenste duister­nis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren."

(Mattheüs 22:11-14)

 

Dit werk van karakteronderzoek, dat bepaalt wie voor­bereid is voor Gods koninkrijk, wordt het onderzoekend oordeel genoemd. Allen wier namen in het boek des levens staan, worden voor God onderzocht. In het "gedenkboek" (Maleachi 3:16), staat alles wat voor Christus werd ge­daan aan de armen, bedroefden en de wezen. Iedere bele­den en nagelaten zonde, iedere weerstane verzoeking, wordt getrouw aangetekend. In het boek waarin de zonden der mensen aangetekend zijn staat met een verschrikkelij­ke nauwkeurigheid iedere gedachte en daad van het leven, ieder ijdel woord, iedere onreine gedachte, iedere onbe­heerste handeling, ieder zelfzuchtig motief, ieder onwettig verlangen, iedere bewuste weerstand tegen de waarheid en iedere weigering tot bekering, vermeld. Allen worden ge­oordeeld naar hun werken, die in de boeken geschreven staan. De Schrift zegt:

 

"Maar Ik zeg u: Van elk ijdel woord dat de mensen zullen spreken, zullen zij rekenschap geven op de dag des oordeels, want naar uw woorden zult gij gerecht­vaardigd worden en naar uw woorden zult gij geoor­deeld worden." (Mattheüs 12:36-37) "Want God zal elke daad doen komen in het gericht over al het verborgene, hetzij goed, hetzij kwaad". (Prediker 12:14)

 

In het licht van deze schriftgedeelten en de duidelijke les van de heiligdomsdienst, kan de zonde niet eerder uit de verslagen worden uitgewist, dan na het oordeel, waarin de gevallen der mensen werden onderzocht. Zij die tegen de vergevende genade ingaan, zullen met hun zonden bela­den blijven alsof ze nooit berouw hadden gehad, (zie Matthe­us 18:23-35; Ezechiël 18:24).

 

De wet der tien geboden, de getrouwe weergave van Gods karakter, die het pausdom trachtte te veranderen, is de maatstaf in het oordeel. Salomo zei: "Vrees God, en onderhoud Zijn geboden, want dit geldt voor alle mensen. Want God zal elke daad doen komen in het gericht" (Predi­ker 12:13-14). Ook de apostel schreef: "Spreekt zó en han­delt zó als mensen past, die door de wet der vrijheid zul­len geoordeeld worden" (Jacobus 2:12).

 

De namen van allen die nog zonden in de boeken heb­ben staan, waarover ze geen berouw hebben getoond en die niet vergeven zijn, zullen worden uitgewist uit het boek des levens en hun goede daden zullen worden uitgewist uit Gods gedenkboek. De Schrift zegt:

 

"Wie tegen Mij gezondigd heeft, zal Ik uit Mijn boek delgen" (Exodus 32:33). "Maar wanneer een rechtvaar­dige zich afkeert van zijn rechtvaardige wandel en on­recht doet            …… Met geen van zijn rechtvaardige daden zal rekening gehouden worden" (Ezechiël 18:24).

 

Degenen wier zonden vergeven zijn, die op het bloed van Christus vertrouwen en die door het geloof het kleed der gerechtigheid bezitten, hebben "een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, de Rechtvaardige" (l Johannes 2:1). Daar Hij beide, zowel Advocaat als Rechter is, zal de gro­te Hogepriester geen enkele zaak verliezen, waarvoor Hij pleit. De Here verklaart:

 

"Ik, Ik ben het, die uw overtredingen uitdelg om Mij­nentwil en Ik gedenk uw zonden niet." (Jesaja 43:25) "Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor Mijn Vader en voor Zijn engelen." (Openbaring 3:5)

 

Christus vraagt, dat voor hen Zijn plan zal worden uit­gevoerd, alsof de mens nooit was gevallen. Hij zal vragen dat dezen, Zijn "juwelen", deel mogen hebben aan Zijn heerlijkheid en met Hem op Zijn troon mogen zitten. De heerschappij, de heerlijkheid en het koninkrijk, "zal worden gegeven aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten" (Daniël 7:27). Op aarde werden velen van deze hulpeloos lijdenden, gefolterd en geplaagd. Miljoenen zijn liever met schande beladen in het graf gedaald, dan hun geweten te on­derwerpen aan de autoriteit van Rome. Door menselijke gerechtshoven werden ze als de slechtste misdadigers ver­oordeeld; maar nu is Christus zelf hun Rechter (Johannes 5:22).

De aardse beslissingen worden herroepen. De pro­feet zegt, dat "recht verschaft werd aan de heiligen des Allerhoogsten" (Daniël 7:22). Wat ze ook uit liefde voor Christus geleden hebben, de pijnbank, in de kerkers, op de brandstapels, in de martelkamers, door honger, door pijn of het verlies van het tijdelijke leven, ze worden rijkelijk gecompenseerd. Christus zegt, dat zij, die aandeel hadden in Zijn lijden ook zullen delen in Zijn heerlijkheid (Romei­nen 8:17).

 

Niet slechts zij, die op een opzienbarende wijze voor Christus leefden en stierven, ontvangen het koninkrijk met Hem: Allen die de Vorst des vredes trouw gediend hebben, zowel in het kleinste als in het grootste; allen die de begin­selen van Zijn koninkrijk, thuis en in hun omgeving uit­geleefd hebben; allen die in kracht van Christus gestreden en overwonnen hebben in de strijd tegen trots, zelfzucht en liefde voor de wereld, zullen het voorrecht hebben om met Christus op Zijn troon te zitten.

 

Het Einde der Genade -Tijd

 

Het onderzoekend oordeel begon in het jaar 1844 met degenen die het eerst op aarde leefden. Iedere volgende generatie moest aan God voorbijgaan. Tenslotte zal het oordeel over de levenden plaatsvinden die kandidaten zijn voor tronen en heerschappijen die Christus voor hen die Hem liefhebben heeft gereserveerd. Wanneer ieders zaak is beslist, zal Christus de plechtige aankondiging doen:

"Wie onrecht doet, dat hij nog meer onrecht doet; wie vuil is, hij worde nog vuiler; wie rechtvaardig is, hij bewijze nog meer rechtvaardigheid; wie heilig is, hij worde nog meer geheiligd" (Openbaring 22:11).

De genadetijd voor de mensen sluit af, wanneer Christus Zijn koninkrijk ontvangen, Zijn juwelen bijeenvergaard en de zonden van Zijn volk uitgedelgd heeft. Deze tijd zal kort voor de tweede komst van Christus zijn, want na de aankondiging dat alles voor eeuwig beslist is, verklaart Christus: "Zie, Ik kom spoedig en Mijn loon is bij Mij om een ieder te vergelden naardat zijn werk is" (Openbaring 22:12).

Het is de plicht van ons die in deze plechtige tijd leven, om een juiste stel­ling in te nemen tegenover de grote boodschap: "Vreest God en geeft Hem eer, want de ure van Zijn oordeel is ge­komen." Thans is het de tegenbeeldige grote verzoendag en naar het voorbeeld der Hebreeën, die zich in ernstig berouw voor het werk van de uiteindelijke verzoening om het heiligdom schaarden, moeten ook wij de plaats en het werk van onze grote Hogepriester kennen en leren begrij­pen welke plichten er van ons worden verlangd. Iedereen zal op de weegschaal van het hemelse heiligdom worden gewogen. Hoe zal het vonnis luiden voor u en voor mij ?

 

* Anus, een bisschop van Alexandrïë in de vierde eeuw introduceerde de leer, dat Christus een wezen was, dat geschapen was door de Vader. Zijn leer verspreidde zich snel en bracht over het christendom een verschrikkelijke en zelfs bloedige strijd.