"Wat zullen wij dan zeggen?
Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? Volstrekt niet!
Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven?
Of weet gij niet, dat wij
allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?
Wij zijn dan met Hem
begraven door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden
opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des
levens zouden wandelen.
Want indien wij
samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook
zijn met hetgeen gelijk is aan zijn opstanding; dit weten wij immers, dat
onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn
kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden
zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.." (Romeinen
6:1-7).
In het aardse heiligdom en
haar dienst nam het brandofferaltaar in de voorhof de voornaamste plaats
in. Voor de vergevingzoekende zondaar, die aan de ingang van de voorhof
verscheen, was het een symbool van de dood. Het maakte hem bewust van het
feit, dat de zonde zijn leven opeiste. Ofschoon in een brandoffer voor hem
werd voorzien, werd van hem verlangd, dat hij zijn leven vereenzelvigen
zou met dat van het brandoffer, door zijn eigen leven aan God te wijden.
Het overgebleven bloed van het zondoffer werd uitgegoten aan de voet van
het altaar. Bloed is het symbool van het leven. (Leviticus 17:11). De
berouwvolle zondaar moest zijn leven overgeven in de dienst voor God.
In Zijn onderwijzingen
plaatste Jezus het kruis als het belangrijkste beginsel voor de deur des
heils. Hij vertelde Zijn toehoorders kort en bondig: "Wie zijn kruis niet
draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn." En verder: "Zo
zal dus niemand van u, die niet afstand doet van al wat hij heeft, mijn
discipel kunnen zijn" (Lucas 14:27,33).
Het kruis was een werktuig
des doods. Jezus vertelde Zijn toehoorders, dat wie het Koninkrijk Gods
wilde binnengaan, zijn eigenliefde, zijn zelfzuchtige ambities, zijn
gehele "ik" moet afsterven. Jezus stelde de realiteit van het kruis zo
indrukwekkend aan de mensen voor, dat het er op leek, alsof Hij Zijn
discipel en wilde ontmoedigen. Zeker, Hij wenste geen discipelen die niet
gewillig waren om hun leven te geven voor alles, wat het hart van de mens
zo dierbaar is. Velen, zoals de rijke jongeling gingen verdrietig heen,
gekwetst over zulk een hoge "prijs" voor het discipelschap.
De Griekse filosofie hield
zich veel bezig met het geheim van het ego. Zij zagen er iets in wat kon
worden ontwikkeld, verfijnd en verhoogd, als een voorwerp van
bewondering. Als zij er slechts in konden slagen om het goede van het ego
naar voren te brengen, zo dachten zij, zou de mens onbeperkte
mogelijkheden tot grootheid bezitten. De apostel Paulus, die zich aan de
realiteit van het kruis van Christus vasthield, verkondigde de Grieken dat
dit ego, dat zij in werkelijkheid aanbaden, de belichaming van alle kwaad
was. Hij noemde het "de oude mens", die in vijandschap en rebellie
tegenover God staat en buitengewoon goddeloos en ongeneeslijk is. Hij kan
niet vernieuwd, verbeterd of veredeld worden. Er woont niets goeds in hem
(Romeinen 7:18), want de werkelijke grond van zijn bestaan is een
tegenstelling van de wet der zelfverloochenende liefde. De mens kan niet
worden verhoogd door het liefkozen, verfraaien en ontwikkelen vanzijn ego.
Hij moet zijn geliefde "ik" afleggen en met Christus laten kruisigen.
"Dit weten wij immers, dat
onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn
kracht zou ontnomen worden, en wij niet langer slaven der zonde zouden
zijn." "Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met haar
praktijken afgelegd hebt."
"Dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten
verderve gaat, naar zijn misleidende begeerte" (Romeinen 6;6; Collossenzen
3:9; Efeze 4:22). Paulus zelf wist wat het betekende om het eigen -ik af
te sterven. Eens een trotse Farizeeër, opgevoed naar de beste normen van
die tijd, geëerd als een lid van het Sanhedrin, zonder blaam naar de
uiterlijke letter der wet, werd Paulus van aangezicht tot aangezicht
gesteld met de onmetelijke zelfverloochenende liefde van Christus. Zijn
eigen leven onderwerpende aan de soevereiniteit der liefde, beleed hij:
"Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus' wil schade
geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van
Christus Jezus, mijn Here, alles te boven gaat. Om Zijnentwil heb ik dit
alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge
winnen" (Filippenzen 3:7-8).
Christus de gekruisigde, is
nog steeds voor de Joden (de wettischen en zelfgerechtigen) een aanstoot
en voor de Heidenen (de wereldwijzen en ongelovigen) een dwaasheid
(1Corinthe 1:23). De menselijke natuur is blind voor haar eigen
zondigheid. Allen zullen erkennen dat hun daden tekort schieten ten
opzichte van de heerlijkheid Gods, doch slechts weinigen worden er door
het evangelie toe gebracht, toe te geven dat hun natuur, hun hele wezen,
verdorven en zondig is. Dood in overtredingen en zonden kan de mens
evenmin rechtvaardige daden doen, als een lijk kan opstaan en wandelen.
Als het natuurlijke hart van de mens slechts vervuld zou zijn met
vijandigheid jegens God, dan was er nog hoop op verandering van deze
toestand, door het wegnemen daarvan. Maar het wezen zelf is vijandigheid
jegens God,"..….. Want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens
het kan dat ook niet" (Romeinen 8:7).
Jezus zei, dat een slechte
boom geen goede vruchten kan voortbrengen (Mattheus 7:18). Sommige van de
papaja's die in Australië groeien waren bitter. Al de zonneschijn, water
en bemesting konden de smaak van die vrucht niet veranderen. Nochtans
waren er andere bomen, die onder dezelfde omstandigheden groeiden en
heerlijke vruchten voortbrachten. Het milieu was niet de oorzaak van de
bittere vrucht. Het was de natuur van de bomen. Geen zorg, hoe groot ook
kon de bittere smaak van de vrucht in een zoete veranderen. Tenslotte werd
de bijl er bij gehaald en de bittere bomen werden omgehakt.
Hoevelen trachten een
christelijk leven te leiden door het veranderen van deze en gene gewoonte
en door het nalaten van de een of andere zonde. Alsof de boom veranderd
kan worden door het wegnemen van de vruchten! Deze mensen moeten
begrijpen dat hun probleem niet bestaat uit hetgeen ze doen, maar wat ze
van nature zijn. Het christelijke leven begint met het sterven van de oude
mens.
De Weg van Zelf-Kruisiging
Er zijn ook mensen die hun
natuurlijke zondigheid enigszins beseffen, en volgens een bepaald
programma zichzelf trachten te kruisigen. Velen wijden hun leven aan
soberheid, zelfverloochening en vernedering om de kruisiging van het "ik"
te bewerken. Doch hun pogingen om zichzelf uit de macht van het kwaad te
bevrijden zijn vergeefs. Geen mens kan zich van zichzelf ontledigen.
Niemand is in staat om zijn eigen kruisiging teweeg te brengen. Dit is
zelfs in letterlijke zin onmogelijk. Een mens kan zichzelf van alles
aandoen, doch zichzelf kruisigen kan hij niet. Iemand anders moet hem aan
het kruis nagelen. Zo is het ook in geestelijke zin niet mogelijk om
wegen en middelen te vinden, tot de kruisiging van het eigen-ik.
Het evangelie verklaart dat
het gehele werk der verlossing in Christus volbracht werd. Hij
"vernietigde de vijandschap in Zijn vlees". De oude mens is met Hem
gekruisigd. In Christus is de oude mens gestorven. De dood van het "ik"
is een zegening van Zijn bemiddeling, die hetgeen de Verlosser der wereld
volbracht heeft effectief maakt. Laten wij ernstig bedenken hoe we de
zegeningen verkrijgen, die in Christus iedere gelovige ter beschikking
staan.
Romeinen 6 is de
duidelijkste verklaring van het sterven en het begraven van de "oude
mens". Wanneer wij echter in Romeinen 6 beginnen te lezen, zou ons de
toegang tot deze ervaring kunnen ontgaan. Er is een logische en goddelijke
lijn in de brief aan de Romeinen, die we in acht behoren te nemen. De
eerste tweeënhalf hoofdstukken bevestigen de zondigheid van alle mensen.
De volgende tweeënhalf hoofdstukken brengen het grote leerstuk van de
rechtvaardiging door de toegerekende gerechtigheid van Christus naar
voren. In de hoofdstukken 3 tot en met 5, wordt Christus voorgesteld als
de gerechtigheid van de zondaar.
De liefde van God wordt
verhoogd in de gave van Zijn Zoon. Aan allen die deze liefde beantwoorden
en zich met Christus verbinden, wordt de gerechtigheid van God
toegerekend. God Zelf rechtvaardigt ze geheel. Zij die deze grote gave
van Zijn volmaakte gerechtigheid ontvangen, moeten in volledige
afhankelijkheid van de verdiensten van Christus, tot God komen. Ze
moeten komen precies zoals ze zijn - zondig, hulpeloos en afhankelijk.
Ze moeten zich geheel en al aan de genade van de zonde- vergevende
Zaligmaker toevertrouwen. Dit is Gods weg om de heerlijkheid van de
mens in het stof te leggen en voor hem dat te doen, wat hij niet voor
zichzelf kan doen. Dit onderwerpt de trots van het hart en is een
kruisiging van het "ik".
De liefde van God in het
licht van de gekruisigde, opgestane en in het heiligdom bemiddelende
Christus, breekt het hart dat door de zonde verhard is.
De gedachte dat de
gerechtigheid van Christus om niet wordt toegerekend, zonder enige
verdienste van de kant van de zondaar, is zulk een kostelijke openbaring,
dat daardoor de macht van eigen-liefde in het hart wordt gebroken. "Wij
dan, gerechtvaardigd uit geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus
Christus. .….. Omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door de
Heilige Geest, die ons gegeven is" {Romeinen 5:1, 5). Liefde is een
nieuw en levend beginsel dat de zonde uit het hart bant en een kruisiging
van het "ik" teweegbrengt.
In Romeinen 6 toont Paulus
verder aan dat degenen die beslag gelegd hebben op de toegerekende
gerechtigheid van Jezus, met Hem gekruisigd zijn. Het is een voorrecht
zichzelf inderdaad als gestorven voor de zonde te beschouwen (Romeinen
6:11). Niet slechts bepaalde zondige daden zijn weggenomen, doch het
gehele "lichaam der zonde" is met Christus begraven.
Het beeld van de dood op het
altaar is een zeer praktisch beeld. Wanneer een gelovige, Christus als
zijn leven en gerechtigheid aanneemt, is hij duur gekocht. Hij behoort
niet meer zichzelf, want om een volgeling van Christus te zijn moet de
mens alles opgeven wat hij heeft, zijn kruis op zich nemen en Christus
volgen. Een zakenman moet zijn zaak, een boer zijn boerderij en een
ambachtsman zijn ambacht opgeven. Dit wil niet zeggen, dat zij hun werk
moeten verzaken, want Paulus adviseert: "Laat ieder blijven in hetgeen hij
geroepen is". Doch het betekent, dat de gelovige voortaan afstand doet
van het eigendomsrecht op zijn leven en alles wat hij heeft. Het wordt
alles aan de Here overgegeven, om naar Zijn aanwijzing te worden
gebruikt. De mens is slechts rentmeester over de goederen van zijn Heer en
zal de zaak, de boerderij of het ambacht als Zijn onderneming beheren. Dit
is waar christendom en alles wat hieraan niet voldoet, is geen
christendom.
De apostel Paulus zei: "Want
het leven is mij Christus". Dit is de meest volmaakte definitie van het
christendom in het Woord van God. Een christen moet voor één zaak in deze
wereld zijn - om het evangelie aan ieder schepsel te prediken - en al het
andere wat hij doet, moet slechts dienen om de onkosten te bestrijden.
Vele mensen menen, dat
wanneer ze een tiende deel van hun geld aan de Here betalen en enkele
offers voor Zijn werk brengen, ze vrij zijn om de rest te gebruiken naar
hun eigen goeddunken. Die dat doen hebben nog niet tenvolle begrepen wat
waar christendom is. Anderen menen, dat wanneer ze één dag in de week aan
de Here gewijd hebben, en misschien nog enige tijd die zij nodig achten,
zij dan vrij zijn om de rest van de tijd voor zichzelf te benutten. Ook
dit is geen waar christendom.
Een christen is duur
gekocht. Alles wat hij is en heeft is van Christus en hij houdt niets
achter om zichzelf te behagen. Een mens die belijdt een christen te zijn
en nochtans iets van zijn tijd, middelen, kracht, of iets anders waarover
hij rentmeester is, achterhoudt voor zijn eigen egoïstische bevrediging,
pleegt de zonde van Annanias en Saphira. Deze mensen beleden ook dat zij
alles gegeven hadden, maar hielden een deel van de prijs achter.
Houdt u ook een deel van de
prijs achter? De prijs van de hemel is Jezus en de prijs van Jezus is
alles. Hij is de Parel van grote waarde. Beledig de Koning van de hemel
niet, door minachting voor Zijn heil te tonen, door te denken dat de Parel
kan worden verkregen door iets minder te verkopen dan alles wat u hebt.
Jezus waarschuwt allen die Hem willen volgen, om eerst te gaan zitten en
de kosten te berekenen. Tracht niet een christen te zijn zonder de kosten
te berekenen. Het kost u namelijk alles!
De Kracht van de Opstanding
Gewoonlijk worden dode
mensen begraven. De bijbelse doop is een openlijke belijdenis van de kant
van de gelovige, dat hij met Christus gestorven is. Hij geeft het "lichaam
der zonde" over om met Christus te worden begraven. Hij daalt af in het
water en wordt geheel ondergedompeld. Een ogenblik is hij niet zichtbaar
en is geheel begraven.
Het is voorgekomen dat
mensen door een foutief gestelde diagnose levend begraven werden. Zulk
een vergissing komt op geestelijk gebied veel vaker voor. Dat komt omdat
velen zich laten dopen en met al hun oude gewoonten, neigingen en
praktijken nog levend uit het watergraf opstaan. Zij zijn niet uit het
graf opgestaan door de kracht van Christus' opstanding.
De doop, de afwassing van de
zonde (Handelingen 22: 16), werd gesymboliseerd door het koperen wasvat in
de voorhof van de oude tabernakel. Hier wasten de priesters hun handen en
voeten, alvorens in de tegenwoordigheid Gods te treden. Paulus doelt
hierop wanneer hij zegt: "Heeft Hij, niet om werken der gerechtigheid die
wij zouden gedaan hebben, doch naar Zijn ontferming ons gered door het bad
der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest, die Hij
rijkelijk over ons heeft uitgestort door Jezus Christus onze Heiland,
opdat wij, gerechtvaardigd door Zijn genade, erfgenamen zouden worden
overeenkomstig de hope des eeuwigen levens" (Titus 3:5-7).
Het christendom beoogt niet
een verbetering van het oude leven. Het betekent een geheel nieuw leven.
Een christen is iemand die met Christus gestorven en begraven is.
Dezelfde kracht die Christus uit het graf deed verrijzen, werkte in hem en
deed hem opstaan om in nieuwigheid des levens te wandelen. Het evangelie
is "een kracht Gods tot behoud". Dit was dezelfde kracht die de wereld in
zes dagen schiep. Die scheppende kracht, die kracht van de opstanding,
werkt in het leven van hem die in Jezus gelooft. De wedergeboorte is een
niet geringer wonder dan de schepping van de wereld. Door dit wonder wordt
de gelovige in Jezus deelhebber van de goddelijke natuur en is ontkomen
aan het verderf dat door de begeerte in de wereld is (2 Petrus 1:4). Door
dit leven van omhoog, is het oude verdwenen en alles is nieuw geworden (2
Corinthe 5:17). Hij heeft nieuwe beweegredenen, neigingen en beginselen.
Hij is een nieuwe schepping, een even groot getuigenis van de waarheid van
het evangelie als Lazarus was, nadat Christus hem uit het graf had
tevoorschijn geroepen. Het bericht over de opstanding van Lazarus bevat
een belangrijke les voor ons.
"Jezus dan. wederom
bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en
er lag een steen tegenaan. Jezus zeide: Neemt de steen weg! Martha, de
zuster van de gestorvene zeide tot Hem: Here er is reeds een lijklucht,
want het is al de vierde dag. Jezus zeide tot Haar: Heb Ik u niet gezegd,
dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult? Zij namen dan
de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zeide: Vader, Ik dank U,
dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort,
maar terwille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken opdat
zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt. En na dit gezegt te hebben, riep
Hij met luider stem: Lazarus, kom naar buiten! De gestorvene kwam naar
buiten" (Johannes 11:38-44).
Van nature zijn we evenals
Lazarus - dood in overtredingen en zonden. Los van Christus hebben we
niet meer geestelijk leven dan een lijk. Jezus is de opstanding en het
leven. Hij belooft ons op te wekken door de kracht Zijner opstanding, door
ons deelgenoten te maken van goddelijk leven. Nu zegt Hij: "Neemt de
steenweg". De Here neemt hem niet weg, noch Zijn engelen, doch Hij laat
dit aan ons over. Evenals bij Martha heeft het natuurlijke hart
tegenwerpingen. We nemen niet graag de bedekking van een lijk weg. Maar
Jezus zei tegen Martha, dat als zij slechts zou geloven -in overgave en
gehoorzaamheid - zij de heerlijkheid Gods zou zien. Laten wij dan de
steen weg nemen en iedere hindernis wegruimen, opdat de opstandingskracht
van Jezus in onze ziel kan vloeien. Naäman, de melaatse, had hetzelfde
probleem. Deze edelman moest zich ontkleden en zijn zieke vlees ontbloten
in de tegenwoordigheid van zijn knechten. Maar hij vernederde zich en
daalde af in de Jordaan en kwam genezen weer boven. De Here zegt tot ons:
"Neemt de steen weg!"
Wat betekent het de steen
weg te rollen? Welnu, niemand kan in zijn hart geloven tot gerechtigheid,
terwijl hij een bewuste zonde begaat of een hem bekende plicht verzaakt.
Neemt dus de steen weg! Niemand kan tot het altaar komen en de grote gave
des levens aanvaarden terwijl hij zich herinnert, dat hij zijn broeder
onrecht heeft aangedaan. We moeten onze bewuste zonden belijden en ze van
harte wegdoen. Dat wil zeggen: neemt de steen weg!
De Meester zegt: "Dat gij,
indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult", in de opstanding van
het nieuwe leven.
"Neemt de steenweg!" Deze
zelfde uitnodiging wordt gegeven in de boodschap aan Laodicea. "Indien
iemand naar Mijn stem hoort en de deur opent, Ik zal bij hem binnenkomen"
(Openbaring 3:20). Sommigen kunnen de deur niet openen, omdat de wereld
als een hoop vuilnis ervoor ligt. Jesaja zegt, dat we de weg voor de
Koning moeten bereiden. Niets wordt door Satan zo gevreesd, als het
wegnemen van de hindernissen, zodat de opstanding kan plaats hebben.
Er is inspanning voor nodig
om de steen weg te rollen. We worden weliswaar door onze inspanning niet
gered. Er is geen verdienste in onze inspanning, maar we zullen nooit
gered worden als we niet met al onze inspanning met Christus samenwerken.
Door de werken wordt het geloof vervolmaakt (Jacobus 2:22).
Het werk van het wegrollen
van de steen, is het belijden en nalaten van onze zonden en het ons
afkeren van de wereld, daardoor wordt het geloof vervolmaakt zodat wij de
Heiland volledig kunnen aanvaarden. We moeten gewillig zijn onze zonden na
te laten, niet slechts voor een moment, doch om de gehele verdoemde last
aan de voet van het kruis te laten. Op deze wijze neemt u de steen weg, u
ziet de heerlijkheid Gods; en leert Hem en de kracht Zijner opstanding
kennen.