"Hij had ook voor de
heidenen een deur des geloofs geopend." (Handelingen 14:27)
Er was slechts één ingang
tot de voorhof van de oudtestamentische tabernakel, "het voorhangsel voor
de ingang van de voorhof" (Nummeri 3:26) aan de oostzijde van de
omheining. Vrede, vergeving en verlossing door het bloed der verzoening,
was alleen voor degenen die hun weg door die deur vonden. Dit laat ons
zien dat er slechts één deur was in de omheining van genade. Jezus zei:
"Wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere
plaats is een dief en een rover". "Ik ben de deur; als iemand door Mij
binnenkomt, zal hij behouden worden" (Johannes 10:1,9).
De deur in de voorhof was
groot, ongeveer tien meter breed. Evenzo is de deur tot behoud in Jezus
breed genoeg om de grootste zondaar, als hij "zich bekeert tot God en
gelooft in de Here Jezus" (Handelingen 20:21), binnen te laten. Door
Zijn Zoon aan de wereld te geven, heeft God "de deur des geloofs" wijd
geopend voor alle naties (Handelingen 14:27). Dit reddende geloof is
onafscheidelijk van berouw. "Bekeer u en geloof het evangelie", zei
Jezus, op deze wijze de mensen voor de eerste stap tot behoud plaatsend.
Geloof noch berouw komen
voort uit het natuurlijke hart. Velen menen, dat het aanvaarden van de
waarachtige feiten van het evangelie, geloof is. Ze denken dat het een
mening is. Wanneer ze de juiste mening omtrent de christelijke
leerstellingen hebben, veronderstellen ze het ware geloof te hebben
gevonden. Weer anderen denken, dat geloof is, lidmaat te zijn van een
kerk, die het Woord Gods erkent. Wanneer hen bijv. gevraagd wordt: "Wat is
uw geloof?", dan antwoorden zij: "O, ik ben Nederlands Hervormd", of "ik
ben Katholiek" of "ik ben Zevende-dags-Adventist".
Nu, de mening mag nog zo
correct zijn, toch is dit geen geloof volgens de Bijbel. Herhaaldelijk is
gebleken, dat de meest religieuze mensen, zoals de Joden in de tijd van
Christus, tot de ware kerk kunnen behoren, maar in werkelijkheid voor God
toch ongelovig kunnen zijn. Bij wie was waar geloof in de tijd van Jezus
te vinden? Bij eenvoudige herders, onbesneden heidense filosofen, vissers,
tollenaars, hoeren, zoals de vrouw van Samarira en Maria van Magdala, de
Syrofenisische weduwe, de Romeinse overste over honderd en de moordenaar
aan het kruis. Deze vonden hun weg door de deur des geloofs, terwijl
buiten alle toenmalige gerespecteerde kerkelijke autoriteiten waren, met
degenen die hun autoriteit eerbiedigden.
De eerste les die een ieder
behoort te leren, is, dat geloof geen natuurlijk element van het hart is.
Sinds Eva de woorden van Satan geloofde, is het menselijke hart van nature
ongelovig. Dit boze, ongelovige hart is de basis van alle zonde. Het kan
met een eenvoudige vergelijking worden uitgedrukt:
Ongeloof = zonde
(Romeinen 14:23).
Sinds de vijand van God en
mensen het boze zaad van insinuatie en wantrouwen tegenover God in Eva's
hart zaaide, is de wereld verduisterd geworden door een wanbegrip
aangaande Gods karakter. Ieder natuurlijk mens is wantrouwig jegens God.
Hij beschouwt Hem als zelfzuchtig, onderdrukkend, als iemand die zijn
dienst alleen voor Zijn eigen heerlijkheid verlangt en probeert de mens te
verhinderen zijn gelukte verkrijgen. Hem ontbreekt niet slechts het
geloof, maar iedere mens heeft zulk een natuurlijke antipathie jegens God,
evenals onze eerste voorvader, die voor Zijn aanwezigheid vluchtte. Er is
niemand die God ernstig zoekt (Zie Romeinen 3:11). Velen hebben nooit de
elementaire waarheid geleerd, dat God niet gevonden wordt door gebeden,
tranen, studie of enig ander werk. Er is niets in het hart van de mens,
dat hem er toe zou kunnen leiden om de Here te zoeken. Het hart van de
mens is "hopeloos slecht", zonder enig verlangen om terug te keren tot het
"Vaderhuis".
Alvorens de apostel Paulus
het grote onderwerp van de gerechtigheid door het geloof in de
Romeinenbrief introduceert, besteedt hij twee en een half hoofdstuk om de
algehele zondigheid van alle mensen, Joden zowel als Heidenen vast te
stellen. Hij eindigt met de bewering, dat "er niemand rechtvaardig is…….
er niemand is die God zoekt".
Wil dus de mens gered
worden, dan moet God de eerste stap doen en het initiatief nemen. Dit
heeft Hij gedaan. Op de meest krachtige wijze toont Paulus aan, dat de
mens geen gerechtigheid verkrijgt op grond van enig werk dat hij zelf
doet. Want alles waartoe hij in staat is, is zondig. Wanneer de absolute
hulpeloosheid van de mens gebleken is, "is ……… gerechtigheid Gods openbaar
geworden…….. en wel gerechtigheid Gods door het geloof in Jezus Christus,
voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben
gezondigd en derven de heerlijkheid Gods" (zie Romeinen 3:21-23).
Geloof komt door Aanschouwen
Doch hoe ontvangt de mens
zulk een geloof, wanneer we vast moeten stellen dat hij dit niet van
zichzelf heeft. Laat ons vervolgen met de woorden van de grote apostel:
"En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade door de verlossing,
die in Christus Jezus is, welken God voorgesteld heeft" (Romeinen
3:24-25).
Laten wij hierbij eens stilstaan. Toen we zonder God en hoop waren, kwam
God tussenbeide en deed iets. In Zijn Zoon voorzag Hij ons van Zijn eigen
volmaakte gerechtigheid en het is uit louter vreugde van Zijn liefhebbende
gunst, dat Hij ons dit voor niets schenkt. Let op de woorden "de
verlossing, die in Christus Jezus is, welken God voorgesteld heeft".
Christus is ons duidelijk in Zijn wonderlijke genade voorgesteld. Dit , en
niets anders moeten wij erkennen - "Christus Jezus. . . . ons
voorgesteld".
Toen Nicodemus Jezus naar de
weg tot redding vroeg, werd hem hetzelfde "voorgesteld". Jezus zei tegen
de leraar van Israël: "En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd
heeft, alzo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden, opdat een
iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe."
(Johannes 3:14-15.) Er ligt een wonderlijke les in de verhoogde slang. De
kinderen Israëls, vervuld met het boze ongelovige hart, murmureerden in
de woestijn tegen God. Toen kwamen er slangen die velen met hun dodelijke
giftand beten. Overal in het rond lagen doden en stervenden. Aan Mozes
werd bevolen een koperen slang hoog op te richten en allen, die genezing
verlangden, uit te nodigen op dit symbool van Christus te zien.
Welk een schouwspel speelde
er zich toen af. Wanneer ogen, die zich stervend wilden sluiten, zich op
de slang richtten, stroomde er nieuw leven door de vergiftigde aderen. Er
waren kreten van triomf en blijdschap als geliefden op de rand van het
graf gered werden. Zij, die genezen waren wezen hun lotgenoten haastig
heen op de bron van leven. Nochtans weigerden sommigen te kijken. Zij
vroegen zich af hoe genezing door zo'n eenvoudige zaak kon worden
verkregen. Anderen gingen door met klagen over hun wonden, hun pijnen en
hun zekere dood, totdat hun ogen braken en ze niet meer op de slang konden
zien. Zij, die de genezing langs de door God verordende weg afwezen,
kwamen ellendig om. (Zie Nummeri 21:5-9.)
De gehele mensheid is door
de oude slang, de duivel, gebeten. Het verschrikkelijke vergif van de
zonde heeft onze gehele natuur doordrongen. We kunnen niet gered worden
door onze gebeden, onze tranen of onze goede werken. We bezitten geloof,
noch berouw, noch de neiging de Here te zoeken. Maar God heeft ons Jezus
Christus voorgesteld, aan het kruis verhoogd, voor onze zonden. Aan allen
wordt de uitnodiging gegeven: "Zie en leef!" "Ziet op Mij en laat u
verlossen, alle einden der aarde" (Jesaja 45:22 Engelse vertaling).
Jezus zei: "En als Ik van de aarde verhoogd ben, zal Ik allen tot Mij
trekken" (Johannes 12:32).
Hangende aan het kruis is
Christus het evangelie, (de blijde boodschap), de openbaring van de liefde
van de Vader jegens een rebellerende mensheid. Als de zondaar op Jezus
ziet, als zijn medelijdende Heiland, verdrijft het licht van het kruis de
duisternis van wanbegrip aangaande Gods karakter. Hij ziet de Here als
"barmhartig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw, die
goedertierenheid bestendigt aan duizenden, die ongerechtigheid,
overtreding en zonde vergeeft" (Exodus 34:6-7).
Niemand kan op het kruis van
Golgotha zien zonder de lokkende macht van Gods liefde te ervaren. Wanneer
hij dit lokken niet weerstreeft, zullen hoop en zekerheid bezit nemen van
zijn ziel. Ongeloof zal verdwijnen en geloof wordt in het hart ontstoken.
Het is de liefde van God, stralend vanaf het kruis van Golgotha, die de
zondaar door de "deur des geloofs" leidt. Geloof is de beantwoording van
het hart aan de liefde Gods, die in de verzoening geopenbaard wordt.
Geloof ontstaat door het
aanschouwen van de verhoogde Heiland. We zien op Hem door het Woord. De
Heilige Geest maakt het Woord levend, en stelt ons Jezus voor, als ware
Hij onder ons gekruisigd. (Galaten 3:1). De Geest van God schenkt geloof
doormiddel van het Woord, want "geloof komt uit het horen en het horen
door het Woord van Christus" (Romeinen 10:17). Geloof is niet ons werk,
maar zoals Luther zei, is het Gods werk in ons. "De vrucht des
Geestes is..... geloof" (Galaten
5:22, St.Vert.).
Dit was de inhoud van de les
aan Nicodemus. Eerst moest hij zien. "En gelijk Mozes de slang in de
woestijn verhoogd heeft, zo moet ook de Zoon des mensen verhoogd worden."
Dan zou hij door beantwoording van de liefde Gods geloof ontvangen om in
Hem te vertrouwen en "eeuwig leven te hebben" (zie Johannes 3:14,15).
De ervaring van Paulus in de
omgeving van Lycaonië toont aan, hoe door Gods Geest geloof geschapen
wordt dat werkzaam was door het Woord van God. Paulus en Barnabas
predikten daar het evangelie (Christus en Dien gekruisigd). "En er woonde
te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de
schoot zijner moeder aan, die nooit had kunnen lopen. Deze man luisterde
naar Paulus, wanneer hij sprak, en Paulus keek hem scherp aan en zag dat
hij geloof had om genezing te vinden, en hij zeide met luider stem: Ga
recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer"
(Handelingen 14:8-10).
Ook wij zijn geestelijk
onmachtig, kreupel vanaf de dag onzer geboorte. Doch het Woord der
verlossing dat wij in onze harten ontvangen zal geloof scheppen en ons
bekwamen om in de weg der gerechtigheid te wandelen.
De moordenaar aan het kruis
was stervende, terwijl zijn ziel met zonde bezoedeld was. Onder de
religieuze leiders, het volk, de discipelen en de vrienden van Jezus was
niemand, die geloof in Hem had dat bij machte was om te redden. Waarom kon
Hij Zichzelf niet verlossen, dachten ze. Doch in zijn doodsangst zag deze
ellendige mens op de Heiland, die verwond, bespot en veracht naast hem
hing. Hij was diep onder de indruk dat deze "Mens", Heer over zijn eeuwige
lot zou zijn. De Geest van God werkte aan zijn hart, door Hem Christus, de
gekruisigde Messias voor te stellen, zodat er vreemde, tedere gedachten in
hem opkwamen. Er ontstond geloof in het hart van deze man, toen hij op het
Lam van God zag. Doordat hij zijn hulpeloze ziel op de barmhartige Heiland
wierp, vond hij genade voor het eeuwige leven.
Geliefde lezer! Wanneer ook
u wenst, dat er in uw hart geloof ontstaat, dan moet u voor uzelf opzien
en leven. Pas de volgende woorden toe op uzelf: "De Zoon van God. .
..heeft mij lief gehad en heeft Zich voor mij overgegeven". (Galaten 2:20)
De grote geloofsheld Maarten Luther schreef de volgende nadrukkelijke
woorden, geïnspireerd door de realiteit van zijn ervaring:
"Wat er ook in onze wil is,
het is slecht; wat er ook in ons verstand is, het is dwaling. Daarom heeft
de mens in zaken die God aangaan niets anders dan duisternis, dwaling,
haat en verdorvenheid van beide, de wil en het verstand. Hoe zal hij de
goede werken doen, de wet vervullen, God liefhebben enz.? Daarom zegt
Paulus hier, dat Christus begon en niet wij. "Hij, ja Hij (zegt Paulus)
beminde mij en gaf Zichzelf voor mij". Alsof hij zei: "Hij vond in mij
geen goede wil of juist begrip; maar deze goede Heer schonk mij genade.
Hij zag, dat ik niets anders was dan slecht, dwars, God minachtende en
meer en meer van Hem vluchtende; ja zelfs rebellerende tegen God, als
gevangene van de duivel gegrepen en weggevoerd. Zo, louter op grond van
Zijn genade, mijn rede, mijn wil en mijn begrip uitschakelend, beminde
Hij mij zo, dat Hij Zichzelf voor mij gaf, opdat ik zou mogen worden
bevrijd van de wet, de zonde, de duivel en de dood.
"Weer deze woorden: "De Zoon
van God beminde mij en gaf Zichzelf voor mij". Deze woorden zijn machtige
donderslagen en bliksem van de hemel tegen de gerechtigheid van de wet en
het leerstuk der werken. Zo'n grote en afschuwelijke slechtheid, dwaling,
duisternis en onwetendheid was er in mijn wil en begrip, dat het voor mij
onmogelijk was om losgekocht te worden door een ander middel dan zulk een
onschatbare prijs. ..."
"Maar laat ons deze prijs
goed overwegen, en laat ons zien op deze gevangene, overgegeven (Zoals
Paulus zegt) voor mij, ik meen de Zoon van God en we zullen Hem zien,
onvergelijkelijk om alle schepselen te overtreffen. Wat wilt ge doen
wanneer ge de apostel hoort zeggen, dat zulk een onschatbare prijs voor uw
zonden is gegeven? Wilt ge uw monnikspij, uw geschoren kroon, uw
kastijding, uw gehoorzaamheid, uw soberheid brengen? Wat zal
dit alles uitwerken?
Ja, wat zal zelfs de wet
van Mozes bereiken en de werken der wet? Wat zullen alle werken der
mensen en al het lijden der martelaren u tot profijt zijn? Wat betekent
de gehoorzaamheid van al de heilige engelen in vergelijking met de Zoon
van God, overgegeven, en dat op de meest schandelijke wijze, zelfs tot de
dood des kruises, zodat er geen druppel van Zijn Bloed was, of het was
uitgestort, en dat voor uw zonden? Als ge deze prijs slechts goed hebt
overwogen, zult ge deze ceremoniën, geloften, werken en
verdiensten
voor en na de genade als vervloekt beschouwen, en alle in de hel werpen……
"Overweeg wel, bid ik u, wie
deze Zoon van God is, hoe heerlijk Hij is, hoe machtig Hij is. Wat zijn de
hemel en de aarde in vergelijking met Hem? Laat alle papisten en leiders
van sekten, ja, ofschoon ook de hele wereld partij kiest met hen, in de
hel geworpen worden met al hun gerechtigheid, werken en verdiensten,
eerder dan dat de waarheid van het evangelie zou worden bevlekt en de
heerlijkheid van Christus zou vergaan. Wat willen ze dan met zoveel te
pochen over werken en verdiensten?
Als ik als stakker en
verdoemde zondaar door enige andere prijs verlost kon worden, waarom moest
dan de Zoon van God voor mij overgegeven worden? Maar omdat er geen andere
prijs was, noch in de hemel of op aarde, dan Christus de Zoon van God,
daarom was het ten hoogste noodzakelijk dat Hij voor mij moest worden
overgegeven. Bovendien deed Hij dit uit onmetelijke liefde, want Paulus
zei: "Die mij liefhad".
"Waarom zijn deze woorden,
"Die mij zo liefhad" zo vol van geloof? En hij, die dit kleine woord "mij"
kan uitspreken en op zichzelf toepassen met een waarachtig en standvastig
geloof zoals Paulus deed, zal met Paulus een goede bestrijder der wet (als
een methode van behoud) zijn. Want Hij gaf geen schaap, os, goud of zilver
over, maar God Zelf geheel en al, voor mij, ja voor mij, zeg ik, een
ongelukkige en ellendige zondaar. Nu, daarom, omdat de Zoon van God aan
de dood was overgegeven voor mij, put ik hieruit troost en pas het toe op
mijzelf. En deze manier van toepassen is de waarachtige kracht des geloofs.
"Lees daarom met grote vurigheid de woorden: "m i j" en "voor
mij", en breng dit zo voor uzelf in praktijk, dat ge dit met een zeker
geloof moogt bevatten en prent dit "mij" in uw hart en pas het toe
op uzelf, niet twijfelende, maar wetende dat ge één dergenen zijt op wie
dit "mij" van toepassing is; ook dat Christus niet alleen Petrus en
Paulus beminde, en Zichzelf voor hen heeft gegeven, maar dat dezelfde
genade die begrepen is in dit "mij" even goed tot ons gehoort en
komt, als tot hen.
Want als we niet kunnen
ontkennen dat we allen zondaars zijn en gedwongen zijn te zeggen dat we
door de zonde van Adam allen verloren zijn, geworden tot vijanden van God,
onderworpen aan de toorn en het oordeel van God en de eeuwige dood
schuldig, (want dit voelen en belijden alle ontstelde harten, en inderdaad
meer dan ze willen); zo kunnen we niet ontkennen dat Christus stierf voor
ons, dat Hij ons rechtvaardig zou mogen maken. Want Hij stierf niet om de
rechtvaardigen te rechtvaardigen, maar de onrechtvaardigen, en om hen
vrienden en kinderen van God te maken, en erfgenamen van alle hemelse
gaven. Daarom, wanneer ik zelf voel en belijd een zondaar te zijn voor
Adams overtreding, waarom zou ik niet zeggen, dat ik rechtvaardig gemaakt
wordt door de gerechtigheid van Christus, en wel in het bijzonder wanneer
ik hoor dat Hij mij minde en Zichzelf voor mij gaf? Dit deed Paulus zeer
vast geloven en daarom spreekt hij deze woorden met zo'n grote vurigheid
en verzekerdheid. Hetwelk Hij ons moge geven in enig deel tenminste. Die
ons heeft liefgehad, en Zichzelf gegeven heeft voor ons. Amen."
Een commentaar op Paulus'
brief aan de Galaten, gebaseerd op lezingen, gehouden door Maarten Luther,
een herziene en gecompleteerde vertaling, gebaseerd op de "Middleton"-editie
van de Engelse versie van 1575, pp 175-180.
Berouw — een Gave van God
Waar geloof houdt berouw
in. Beide zijn een gave van God. "Hem heeft God met zijn rechterhand
verhoogd, om een Vorst en Verlosser te zijn, om Israël berouw en vergeving
van zonden te schenken." (Handelingen 5:31 King James version).
Er is waar berouw en vals
berouw, en we moeten het verschil tussen deze twee kennen om ze van elkaar
te kunnen onderscheiden. Beide, waar en vals berouw brenger droefheid
teweeg. Deze droefheid wordt genoemd door Paulus in zijn brief aan de
Corinthiers: "Want de droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijken
inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood" (2 Corinthe
2:10). Het eerste bewerkt een ware hervorming, die alleen invloed heeft op
het uiterlijke gedrag.
Petrus en Judas openbaren
een krasse tegenstelling aangaande de aard van hun berouw. Beiden
zondigden ernstig, beiden hadden grote droefheid. De smart van Judas was
zo overweldigend, dat hij zich ophing; de smart van Petrus was zo
overweldigend, dat het de deur opende voor een nieuwe Petrus. Wat is nu
het wezenlijke onderscheid tussen het berouw van deze beide mannen?
Wanneer wij deze vraag beantwoorden, moeten wij het zo doen, dat het ons
tot een zelfonderzoek aanspoort. Judas' droefheid was egocentrisch. Hij
had een overweldigend medelijden met zichzelf. Alles had hij op het
spel gezet om de voornaamste discipel te worden, en had daarbij alles
verloren. Hij voelde de zwaarte van zijn misdaad, ondervond de
verschrikking van het geweten, en was zo vol spijt over wat zijn fout hem
had aangedaan, dat hij zich het leven nam.
Terwijl de vernederende
bezweringen nog maar net van de lippen van Petrus waren, keerde Jezus zich
om naar Zijn discipel met een blik vol medelijden, verdraagzaamheid en
vergevende liefde. Petrus was verschrikkelijk beschaamd over wat hij
Christus had aangedaan. Hij had een verpletterend medelijden met Jezus.
Hij was bedroefd, dat hij zijn Meester gekrenkt had op een uur, waarin
Jezus een vriend zo bijzonder nodig had. Een vloed van herinneringen
overrompelden Petrus. Hij dacht aan de goedheid en de grote liefde van de
Here jegens hem. Zijn hart was gebroken. Petrus' droefheid was
Christocentrisch. Hij had een "droefheid naar Gods wil", die "berouw tot
bekering" uitwerkte.
Davids boetvaardige gebed in
de 51e Psalm is een andere illustratie van waar berouw. Hij zag de
snoodheid van zijn overtreding, haatte zijn zonde, en deed geen poging om
zijn schuld te verzachten of zijn misdaad te verontschuldigen en was
bovenal diep bedroefd dat hij zijn Schepper beledigd had. Vrees voor straf
of de consequenties van zijn zonde inspireerden hem niet tot zijn gebed,
maar een oprecht verlangen om de verbinding met God te herstellen.
"Wees mij genadig, o God,
naar Uw goedertierenheid, delg mijn overtredingen uit naar uw grote
barmhartigheid; was mij geheel van mijn ongerechtigheid, reinig mij van
mijn zonde. Want ik ken mijn overtredingen, mijn zonde staat bestendig
voor mij. Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in
Uw ogen, opdat Gij rechtvaardig blijkt in Uw uitspraak, zuiver in Uw
gericht. Zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn
moeder mij ontvangen. Zie, Gij wilt waarheid in het verborgene, in het
geheim maakt Gij mij wijsheid bekend. Ontzondig mij met hysop, dan ben ik
rein, was mij, dan ben ik witter dan sneeuw; doe mij blijdschap en vreugde
horen. Laat het gebeente dat gij verbrijzeld hebt, weer jubelen. Verberg
Uw aangezicht voor mijn zonden, delg al mijn ongerechtigheden uit. Schep
mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest."
Psalm 51:3-12 .
Zulk berouw is niet van
nature in het hart van enig mens aanwezig. Maar als de zondaar op zijn
Verlosser ziet, Die Zichzelf gaf om hem te redden, zal de Geest van
goddelijke liefde hem tot berouw brengen. De apostel zegt: "Dat de
goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt" (Romeinen 2:4). We
willen de volgende woorden van een gelovige schrijfster eens overdenken:
"Velen zijn op de weg tot
Christus gestruikeld en hebben niet begrepen wat het betekent om bekeerd
te zijn, omdat ze niet wisten wat waar berouw was. Als de zondaar
overtuigd wordt van zonde, wordt hij ook getrokken door de liefde en de
heiligheid van Jezus; want Jezus trekt hem tot Zich. Niemand kan uit
zichzelf berouw voortbrengen dat noodzakelijk is voor het behoud van de
ziel. Hij kan zijn berouw evenmin bewerken als zijn bekering. Berouw
ontstaat in het hart door het aanschouwen van de liefde van Christus, die
Zijn leven gaf om de zondaar te behouden. Het is de liefde van God die het
hardste hart vertedert.
Het is een verkeerde
denkwijze, dat u berouw moet hebben alvorens tot Jezus te kunnen komen.
Kom tot Christus zoals u bent en overdenk Zijn liefde tot uw harde hart
gebroken is. "Een verbroken en verbrijzeld hart veracht Gij niet, o God."
Als de zondaar geen berouw toont, kan hij geen vergeving ontvangen.
Ofschoon dit waar is, moet hij niet wachten tot Christus te komen, tot hij
het innerlijke gevoel heeft, dat zijn droefheid diep genoeg is en dat hij
nu de vergeving verdient.
Laat de zondaar komen zo
onwaardig als hij is en over de liefde nadenken, die over hem werd
uitgegoten. Dan zal hij erkennen dat de liefde van Christus elk obstakel
heeft neergehaald en dat hij een onberouwelijk berouw heeft. De zondaar
moet tot Christus gaan om tot berouw te kunnen komen. Het is de werkzame
kracht die van Jezus uitgaat, die het streven van het hart om zich van de
zonde af te keren en datgene wat waarheid is aan te hangen, versterkt.
Het is Christus Die oprecht en waar berouw bewerkt ."
E.G. White, Review and Herald, 3 Sept. 1901, 78e jaargang, no. 36.
Waar berouw gaat altijd
samen met een belijdenis. De berouwvolle Hebreeër die door het voorhangsel
van de voorhof naar binnen ging, beleed onmiddellijk zijn zonde op de kop
van het onschuldige offerdier. In zijn belijdenis werd de zonde altijd bij
de naam genoemd. Als hij zich aan zijn medemens had bezondigd, moest hij
dit eerst, zover dit mogelijk was, in orde maken, en dan zijn offer
brengen. De Schrift stelt ons onze plicht duidelijk voor ogen:
"Alleen, erken uw
ongerechtigheid, dat gij van de Here, uw God, zijt afgevallen. "
"Wie zijn overtredingen
bedekt, zal niet voorspoedig zijn, maar wie ze belijdt en nalaat, die
vindt ontferming. "Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u
daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft laat uw gave daar, voor
het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer
daarna uw gave."
"Belijdt daarom elkander uw
zonden en bidt voor elkander opdat gij genezing ontvangt. Het gebed van
een rechtvaardige vermag veel."
"Indien wij onze zonden
belijden, Hij is getrouw en rechtvaardig, om ons de zonden te vergeven
en ons te reinigen van alle ongerechtigheid. " (Jeremia 3 :13; Spreuken
28:13 ; Mattheus 5:23, 24; Jacobus 5:16; l Johannes 1:9)
Waar een waarachtige
hartensbeantwoording aan de liefde van God is, zal een belijdenis de ziel
bereidwillig maken, zich aan de God van oneindig medelijden over te
geven. In zulk een belijdenis zal altijd de zonde, die de ziel benauwde
en het leven van God afscheidde, bij name genoemd worden. Terwijl het een
schande is om te zondigen, is het geen schande om de zonde te belijden.
Zij, die van de zachtmoedige en nederige Christus geleerd hebben,
zullen zondenbelijdenis niet beneden hun waardigheid achten. Velen, die
zich daarvoor te waardig achten, laten hun zonden onbeleden, om er
eenmaal, op de dag van God mee geconfronteerd te worden. Dan zal er te
laat belijdenis gedaan worden, zoals het met Achan het geval was. Nu of
later, de tijd komt, dat iedere zonde zal moeten worden beleden.
Het is Moeilijker Verloren
te Gaan, dan Behouden te Worden
Wanneer de boodschap "Zie en
leef" te eenvoudig schijnt, bedenk dan dat het inderdaad gemakkelijker is
om behouden te worden dan om verloren te gaan. "De weg der overtreders is
moeilijk". Toen Paulus van Tarsus de Heilige Geest weerstond, zei Jezus
vol medelijden tot hem: "Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te
slaan" (Handelingen 9:5 St.Vert.). Om verloren te gaan moet de zondaar
steeds weer de golven van Gods genade terugslaan, en bolwerk op bolwerk
tegen de sterke vloed van de verlossende liefde oprichten. God doet het
uiterste om de mens in de hemel te brengen en niet om hem er buiten te
sluiten. De mensen zullen in het oordeel niet veroordeeld worden, omdat
ze van nature in zonde geboren zijn, maar omdat ze de Zoon van God met
voeten getreden hebben en de Geest van genade beledigd hebben, (zie
Hebreeën 10:29) Zij zullen verloren gaan, omdat ze de duisternis
verkozen boven het licht en vrijwillig Zijn trekkende liefde weerstonden,
die hen door de "deur des geloofs" zou hebben geleid. Christus trekt alle
mensen tot Zich.
Zondaar, weersta Hem niet langer!!