Eén van de meest interessante
vragen die met dit onderwerp verbonden zijn, is de vraag welke plaats de
leer van de onsterfelijkheid van de ziel onder de volkeren heeft ingenomen
in de wereldse literatuur. Men kan niet verwachten dat deze vraag, waarvan
de beantwoording een boekdeel in beslag zou kunnen nemen, in dit boekje
breedvoerig behandeld zal worden. Maar de lezer wordt uitgenodigd enkele
historische feiten te onderzoeken die een algemeen inzicht geven aangaande
dit onderwerp.
De leer van de
onsterfelijkheid van de ziel werd het eerst in het paradijs naar voren
gebracht door Satan, de oude slang. De bewering: "U zult de dood niet
sterven," was een aangename misleiding waarvoor onze eerste ouders hun trouw
aan God prijsgaven. Nadat ze dienstknechten van de misleider waren geworden
(Rom. 6:16), kon worden verwacht dat zijn leer algemeen door de volkeren
aanvaard zou worden; maar omdat die zeer duidelijk in strijd is met Gods
woord, heeft het gezonde mensenverstand en de overtuiging van hun eigen
inzichten, velen die anders volledig de afgodendienst hadden aanvaard, ertoe
geleid die leer op een afstand te houden; waardoor, hoewel ze in vrijwel
elke valse godsdienst een plaats heeft veroverd, niet als algemene
overtuiging door alle mensen is aanvaard, zoals soms wordt beweerd.
Onder de oudste volkeren, die
het eerst in de verslagen van de wereldgeschiedenis worden genoemd, blijkt
dat de gedachte aan een toekomstig leven niet berustte op de
onsterfelijkheid van de ziel, maar op de opstanding van het lichaam.
Degenen die deze leer geloofden waren de oude Egyptenaren, Perziërs,
Arabieren en Joden. In latere tijden kunnen wij noemen de Moslims, de oude
Perivianen, Chibchas, Afrikanen, Hawaiïanen, Australiërs, eerste Britten en
vroegere Mexicanen, terwijl in de Grieks Katholieke, Rooms Katholieke en
Protestanse gemeenten de leer van de onsterfelijkheid van de ziel een
fundamenteel geloof is geweest.
Velen van de oude filosofen
geloofden niet in de onsterfelijkheid van de ziel. Onder hen
bevonden zich aanhangers van Aristoteles, de Epicuristen, de Academisten,
Stoïcijnen enz. Virgilus, Horatius en Seneca geloofden dit niet, en Cicero
twijfelde.
In de verslagen van de niet
kerkelijke geschiedenis, verscheen de leer het eerst in Egypte, vandaar werd
ze door de Griekse filosofen overgebracht naar Europa. In verband daarmee
noemen wij de namen Pythagoras, Anaxgoras, Socrates en Plato.
In 154 v. C. werd ze door de
Griekse filosofen geïntroduceerd in Rome. Door de Alexandrijnse leer der
filosofie, de Eclectische of Nieuw Platonische genaamd, werden heidense
begrippen en leerstellingen in de christelijke gemeente gebracht die het
evangelie begonnen de verderven. Deze ontwikkeling ondervond een krachtige
tegenstand van degenen die vasthielden aan de zuivere leer van de eerste
gemeente, totdat Rome alle tegenstanders van die leer brandmerkte als
ketters en alle tegenstand het zwijgen oplegde.
Het getuigenis van de zo
genoemde apostolische Kerkvaders zwijgt aangaande de onsterfelijkheid van de
ziel. Deze zogenoemde Vaders zijn Barnabas, Clement, Hermes Ignatius en
Polycarp. Hoewel de geschriften die aan deze personen worden toegeschreven,
geen bewijs bevatten van enige leer die niet door de Bijbel ondersteund kan
worden, zijn ze niettemin belangrijk om aan te tonen welke opvattingen
overheersten in de tijd dat ze geschreven werden. Tevens kan worden gezegd
dat Justinus de Martelaar, Tatian, Athenagoras, Theophilus, Iranaeus en
Polycrates de bewuste toestand van de doden en een eeuwige ellende van de
goddelozen loochenden. En aangaande diverse sekten lezen wij dat de
Lucianisten, de Hermogenianen en de Arabieren in de jaren 224-249 na
Christus dezelfde meningen verkondigden.
Maar ongeveer aan het einde
van de derde eeuw, was de afval zo ver gevorderd, dat de leer van de
onsterfelijkheid van de ziel algemeen door de christenen aanvaard werd en
dit bleef zo tot de grote reformatie van de zestiende eeuw.
Men zegt dat Tertullianus
(200-220 na Chr.) de eerste christen is geweest die nadrukkelijk de
eindeloze kwelling van de verdoemden verkondigde. Hij drukte dit uit in de
volgende bewoordingen:
"Hoe groot zal mijn vreugde
zijn, hoe zal ik lachen, mij verheugen en verblijden als ik de vele trotse
vorsten, die menen goden te zijn, zal horen jammeren in de diepste diepten
van de hel, zo vele magistraten die de naam des Heren vervolgd hebben, zie
omkomen in vuriger vlammen die zij ooit voor de christenen hebben
ontstoken; zovele wijze filosofen, met hun misleide leerlingen rood worden
van de hete vlammen."
Gibbon gaat, nadat hij dit
geciteerd heeft, verder met de volgende treffende opmerking: "De
menselijkheid van de lezer zal mij toestaan over de rest van deze
verschrikkelijke beschrijving te zwijgen." (Decline and
Fall, hoofdstuk 15.
Tertullianus was de eerste die
de titel "Dag des Heren" toepaste op de zondag.
Toen het licht van de grote
reformatie de duisternis begon te doordringen, die zo lang het christendom
bedekt had, kwamen velen naar voren die de leer van de onsterfelijkheid van
de ziel niet wilden aanvaarden. Luther noemde de leer een 'monsterlijke
opvatting' en verwees die naar 'de Roomse mesthoop van pauselijke
uitspraken.'
Maar meer nog, de reformatie
leidde menigten ertoe de waarheid aangaande dit punt te omarmen, zodat
Calvijn genoodzaakt was te belijden dat duizenden deze 'onzinnigheid'
omhelsden.
William Tyndale, de grote
Engelse reformer en vertaler van de Bijbel, geloofde in de doodslaap van de
gelovigen. Calvijn en de Engelse kerk keerden zich tegen hem. Maar een
bepaalde groep Baptisten die, naar Mosheim zei, in de zestiende eeuw in
Engeland floreerde, geloofde dat tussen de dood en de opstanding, de ziel
geen vreugde en pijn ondervindt, maar in een "staat van bewusteloosheid"
verkeert.
De Socinianen, (volgelingen
van Socinus) een andere grote sekte van vroegere reformers, ontkenden de
onsterfelijkheid van de ziel. In de laatste helft van de zeventiende eeuw
verwierf de grote christelijke filosoof Johan Locke grote bekendheid. Hij
keerde zich stoutmoedig tegen onsterfelijkheid en onstoffelijkheid van de
ziel. John Milton, de wereldberoemde schrijver van "Het verloren paradijs",
liet een korte maar overtuigende verhandeling na over de Toestand van de
Doden, en nam dezelfde stelling in die in dit boekje wordt verkondigd dat de
doden tot de komst van Christus en de opstanding bewusteloos zullen zijn.
De lezer ziet dus, dat deze
leer vele en bekwame verdedigers heeft. De reden waarom die leer geen
grotere bijval vindt, ligt in een sterk vooroordeel, bijgelovigheid en een
verknocht zijn aan belijdenissen van de kerk. Eén van de sterkste
voorstanders van het geloof, dat de doden rusten in het graf totdat zij door
Jezus worden opgewekt schreef:
"Als ik geloof in de
onveranderlijke lotsbestemming van de zonde, en de onvergankelijke luister
van een volmaakt koninkrijk, dan ben ik genoodzaakt te geloven in de
verdelging van de goddelozen. De Bijbel gebruikt het vuur als een
zinnebeeld van verdelging en pijniging. Het kaf, het onkruid en de
onvruchtbare bomen worden niet gepijnigd maar verbrand. Het helse vuur
waarover het Nieuwe Testament spreekt, is het vuur van 'Gehhena' , dat
buiten Jeruzalem brandde om het vuilnis van de stad te verbranden. Hier was
de worm, die niet stierf, en het vuur dat niet uitgeblust werd. Ik kan in
het Nieuwe Testament niets vinden waaruit blijkt, dat God het leven van een
deel van Zijn schepselen zal doen voortbestaan opdat zij een zondig en
rampzalig bestaan zullen hebben. Het eeuwige leven is een genadegift van God
door Jezus Christus onze Heer. Dit lichaam is sterfelijk en moet
onsterfelijkheid aandoen. En alleen hij of zij kan de onsterfelijkheid
aandoen, die haar erfelijk ontvangt door Hem, "die alleen onsterfelijkheid
bezit." 1 Tim. 6:16.
Het eeuwige leven is een leven
tot in alle eeuwigheid; en de eeuwige dood is een eeuwige verdelging zonder
herstel. Dit is de eenvoudige en natuurlijke betekenis van de woorden van
het Nieuwe Testament. (Uriah Smith)