"Zou de Rechter der ganse
aarde geen recht doen?" Gen. 18:25. Als alles voorbij is zullen de verlosten
die alle handelingen van God jegens de mens overzien, in vurige
bewoordingen uitroepen: "Groot en wonderlijk zijn uw werken, Here, gij
almachtige God! rechtvaardig en waarachtig zijn uw wegen, gij Koning der
heiligen." - Openbaring 15:3.
Gesteld is dat wij geen vragen
moeten opwerpen aangaande de juistheid van het oordeel dat God uitspreekt
over een deel van ons ras, ook al zou het een eeuwige bewuste ellende zijn,
omdat wij niet in staat zijn Zijn wegen te beoordelen. Aangaande dingen, die
wij niet precies kennen, of die ons verstand te boven gaan, is dit
ongetwijfeld juist, maar aangaande onze relatie met God, het licht waarin
Hij de zonde beziet, en de maatregelen die Hij dienaangaande treft, zegt
Hij: "Komt laat ons samen rechten." Jes. 1:18.
Wij worden er niet toe
beroepen een mening of besluit te vormen over iets dat wij niet kunnen
beoordelen; maar wij worden ertoe beroepen God te eerbiedigen als een God
van liefde, wijsheid, gerechtigheid en barmhartigheid. Wij moeten derhalve
in staat zijn, Zijn karakter, Zijn barmhartigheid, liefde, wijsheid en
gerechtigheid te beoordelen. Worden deze eigenschappen openbaar in Zijn
toekomstige handelingen jegens de goddelozen, overeenkomstig de opvatting
die algemeen door de hedendaagse kerkgenootschappen wordt verkondigd?
De vraag die bepaald moet
worden is deze: Is een eeuwige kwelling die zo intens is dat de hevigste
pijn die iemand op aarde kan lijden, slechts een afschaduwing is van de
foltering in de hel - een rechtvaardige bestraffing voor de zonden die de
brutaalste zondaar binnen de weinige jaren van zijn leven kan bedrijven?
Hoe is ons huidig leven? Iets, waarom wij niet hebben gevraagd, iets dat ons
gegeven werd zonder dat wij het wisten of daarmee instemden; en in de
krachtige taal van een ander; "Kan enig misbruik van deze ongevraagde gift
de vergelding rechtvaardigen van een bestaan in oneindige kwelling?" Zijn
wij niet zonder eigen wil of toedoen op de levensbaan geplaatst? En kan het
misbruiken van deze gift alleen rechtvaardig worden bestraft door een
eeuwige pijn in de hel?
Het verschil tussen de zonden
in dit kortstondig leven bedreven, en de eindeloze foltering in de hel, is
zo enorm groot dat velen tot het besluit komen dat de toekomstige straf niet
uitsluitend berust op de misdaden of zonden gepleegd in dit leven. Zij
trachten Gods oordeel in deze zaak te verdedigen, of op z 'n minst Zijn
handelwijze te verontschuldigen door te zeggen, dat de zondaren
onophoudelijk doorgaan met het bedrijven van zonden, en daarom moeten zij
voortdurend worden bestraft. Voor de zonden op aarde bedreven hebben zij
spoedig genoeg geboet. Maar daarna moeten zij eeuwig gefolterd worden voor
de zonden, die zij in de hel bedrijven. En in het helse vuur stapelen zij de
ene zonde op de andere.
Wordt er ergens in de Schrift
iets van dien aard geleerd? Wordt niet telkens herhaald, dat de toekomstige
straf een bezoldiging is voor de daden in dit leven verricht? Zegt de Bijbel
niet uitdrukkelijk dat de zondaar sterven zal voor het onrecht dat hij vóór
de dood heeft bedreven, omdat hij in zijn zonde gestorven is? Ezech. 18:26.
De werken waarvoor wij voor het gericht worden gesteld (en voor geen andere
kunnen wij worden bestraft) zijn de werken in dit huidige leven. Pred.
12:14. En Paulus getuigt: "Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de
rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage, hetgeen door het
lichaam geschiedt." 2 Kor. 5:10.
Het is voor de zonde begaan
door menselijke wezens in het lichaam, het huidige leven, niet voor hetgeen
zij volgens de populaire opvatting doen als verloren geesten in de hel, dat
zij zich moeten verantwoorden voor de rechterstoel van Christus, en daarvoor
ontvangen zij een gerechte straf. En als gedacht wordt dat eeuwige straf
daarvoor te hoog is, zijn wij niet gerechtigd daaraan zonden toe te voegen
die naar men aanneemt na de dood bedreven zouden zijn. Als eeuwige
bestraffing niet verdedigd kan worden als een straf voor de zonden in dit
huidige leven, kan ze helemaal niet verdedigd worden.
Een voorbeeld: Veronderstel
dat in een aardse rechtszitting de rechter een oordeel uitspreekt over een
misdadiger dat veel te zwaar is voor de misdaad die hij heeft begaan, en dan
tracht zijn handelwijze te rechtvaardigen door te zeggen dat hij dit
oordeel uitsprak omdat hij wist dat de misdadiger die straf verdient voor
de overtredingen die hij zou begaan nadat hij in de gevangenis ging! Hoe
lang zou zo'n rechter worden gehandhaafd? Maar dit is precies wat de
godgeleerden toedichten aan de Rechter van hemel en aarde, Die verklaarde
dat Hij rechtvaardig zal oordelen.
Vraag een onbevooroordeeld
persoon of het rechtvaardig is iemand voor eeuwig te folteren in de vlammen
van de hel voor de zonden die hij in dit leven bedreven heeft. Wij twijfelen
er niet aan dat allen, wier oordeel niet verblind is door theologische
zienswijzen, deze vraag met een beslist Neen beantwoorden. De ontwerpers van
de verschillende godsdienstige stelsels hebben dit gevoeld, en het schijnt
dat zij naarstig hebben gezocht naar een weg ter ontkoming aan de vreselijke
onjuistheid van deze verschrikkelijke theorie.
Zo heeft Plato zijn
Scheron-meer (in de onderwereld), waaruit op z 'n minst sommige van de
beklagenswaardige lijders in Tartarus zich na een strafproces naar hogere
regionen zouden kunnen begeven. Augustinus die Plato volgt in zijn
opvatting van een onophoudelijke pijn voor sommigen, had ook zijn
tijdelijke kwelling (vagevuur) waaruit enkelen hun weg naar de hemel zouden
kunnen vinden. Rome heeft alleen het vagevuur, de vuren voor een bepaalde
periode voor de miljoenen binnen haar gemeenschap. Origenes vormde het
denkbeeld van een vagevuur waaruit tenslotte allen tevoorschijn komen om de
gunst van God deelachtig te worden.
De kerken van de reformatie
hebben algemeen de hel van Augustinus aanvaard, maar verwierpen zijn
vagevuur. Daarom vinden wij in de protestantse gemeenschappen deze leer in
zijn meest angstaanjagende aspecten. En het is niet verwonderlijk dat velen
die zich door hun geloofsbelijdenis genoodzaakt voelden dit te aanvaarden,
terugschrokken voor de verdediging daarvan en stilzwijgend, indien niet
openlijk, beleden dat zij van harte wensten dat dit niet waar is.
Maar de meerderheid reageert
daarop zeer verschillend. Elk beter gevoel van hun aard komt tegen dit idee
in opstand en zij willen dat niet aanvaarden. Zij kunnen niet geloven in een
God die zo wreed, tiranniek, wraakzuchtig en meedogenloos is, in het kort,
een verpersoonlijking van alles wat laag en gemeen is. En omdat zij de
mening zijn toegedaan dat dit een schriftuurlijke leer is, wordt de gehele
Bijbel overboord geworpen. Wij behoeven over dit punt niet verder uit te
wijden. Menigeen die deze regels leest zal personen kennen die twijfelaars
zijn geworden door deze gruwelijke leer van een eeuwige pijniging.
Maar wat is de uitwerking als
mensen ertoe worden geleid zelf de Bijbel te onderzoeken. - De ondervinding
dienaangaande legt goede getuigenissen af. Wij kennen personen die voor de
eerste keer in hun leven Gods woord als waarheid erkenden toen zij de
goddelijke harmonie zagen van Gods regeringssysteem zoals dat in Zijn woord
naar voren wordt gebracht , en de rechtvaardige en verstandige maatregel
zagen die, naar de Bijbel verklaart, Hij zal treffen ten aanzien van allen
die in hun opstand tegen Hem blijven volharden, een maatregel waarin
gerechtigheid en barmhartigheid zich zo schitterend vermengen, dat zij voor
de eerste keer in hun Leven konden geloven dat dit het boek van God is. En
dit gelovende, zijn zij ertoe geleid hun voeten te richten naar zijn
getuigenissen, en er naar te streven door gehoorzaamheid aan Zijn
duidelijke eisen, te ontkomen aan een ondergang waarvan zij zagen dat die
terecht is, en daarom wisten dat die zeker was. Dit is de ervaring geweest
van velen. Laat dan niet langer de indruk bestaan, en de bewering niet meer
worden gehoord, dat deze inzichten neigen tot anti-godsdienstigheid en
ontrouw. Hun vruchten tonen het tegendeel.
Kan het dan verwonderlijk zijn
dat wij verlangend zijn de mensen dienaangaande in te lichten? Moeten wij
niet ijveren voor de Here en onze pogingen onvermoeid voortzetten om de
Lasteringen weg te nemen die deze leer op Gods woord en karakter werpt? God
stelt zichzelf aan Zijn schepselen voor met de vertederende naam Liefde. Hij
verklaart dat Hij zeer mededogend en teder en barmhartig is, lankmoedig en
niet haastig om een oordeel uit te voeren jegens een boosaardig werk, en
zich op geen enkele wijze verheugt over de dood van de goddelozen, niet
willende dat iemand omkomt. Hij verklaart dat Hij behagen schept in
barmhartigheid, en dat Hij niet voor altijd zal twisten, noch altijd
vertoornd zijn. En kan het dan zijn dat, terwijl Hij zichzelf aldus aan de
bewoners van de aarde voorstelt, Hij vurige kwellingen ontketende over
menigten van beklagenswaardige wezens in de droevige gebieden van de hel,
de vlammen aanwakkert met razende kracht, hen in leven houdt en kwelt met
een oneindige verbolgenheid, en al zijn goddelijke kracht aanwendt om hen zo
ongelukkig mogelijk te maken naarmate hun kracht dit toelaat en dit tot in
alle eeuwigheid door te voeren? Als dit niet zo is, welk oen reusachtige
dwaling moet dit dan zijn! In welk een vreselijk verkeerd daglicht wordt
Zijn karakter gesteld! Welk oen schaamteloze en vermetele laster is er
uitgesproken tegen Zijn heilige naam!
De wortel en de stam van dit
alles is de 'als vanzelfsprekend' aanvaarde opvatting dat de ziel
onsterfelijk is. Maar onderzoek uw Bijbel en zie of u dit vinden kunt. Zie
of u niet veeleer instemt met de voortreffelijke commentatoren die verklaren
dat: "de leer van de onsterfelijkheid van de ziel, en die uitdrukking, in de
gehele Bijbel niet te vinden zijn." Zoek of u kunt vinden dat de doden nooit
sterven en zoek naar een nooit-stervende-ziel. Als u die niet vindt, vragen
wij u deze gedachte direct opzij te zetten als een zeer gevaarlijke en
verwoestende dwaling. Het zuurdesem werkt door in de menselijke geest. De
mensen worden wantrouwig aangaande de waarheid van een verklaring die het
eerst uitgesproken werd door een niet betrouwbaar wezen in het paradijs, de
duivel, zich daarna voortplantte onder de heidenen en zich tenslotte
verspreidde in alle aderen van de orthodoxie. Maar de waarheid zal boven
komen, hoe diep die zich ook mag bevinden onder de afval die over haar
uitgestort is. Door de stralende opkomst van haar licht, zullen alle
verouderde bijgelovigheden en traditionele dogma's geopenbaard worden in hun
natuurlijke mismaaktheid.