You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en erna
 
HET KOMENDE OORDEEL   (12)

 

Wij hebben gezien hoe de verheven leer van de toekomstige opstanding van de doden door haar geweldige kracht het rag­fijne weefsel van de onsterfelijkheid van de ziel vernie­tigt. Er is een andere leer die even schriftuurlijk en even belangrijk is als die van de opstanding, die deze onschrif­tuurlijke fabel teniet doet - de leer van het toekomstig al­gemeen oordeel.

 

Deze leer van het toekomstig oordeel en het denkbeeld van een bewuste toestand van de doden kunnen niet samengaan. Er bestaat een onverenigbaar groot verschil tussen die twee. Als elk mens bij het sterven geoordeeld wordt - hetgeen in­derdaad het geval zou zijn als een onsterfelijke ziel het vergaan van het lichaam overleeft - en onmiddellijk de eeu­wige toestand van geluk of ellende binnentreedt, al naar ge­lang het karakter goed of slecht is geweest, is er geen ruim­te meer voor een algemeen toekomstig oordeel. Maar, als blijkt dat zulk een toekomstig oordeel zal plaatsvinden, is dat een positief bewijs dat de andere leer niet juist is. Eén van beiden moet dan als zijnde een onschriftuurlijke leer verworpen worden.

 

Welnu, de Schrift leert duidelijk dat er een algemeen oor­deel zal plaatsvinden, en dat een ieder overeenkomstig het verslag van zijn daden beloond zal worden.

 

Eén Schriftgedeelte in Hebreeën schijnt echter voor som­migen een bewijs te vormen dat het oordeel direct na de dood plaatsvindt en om die reden zullen wij daaraan aandacht be­steden. "En gelijk het de mens gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel." Hebr. 9:27. Deze tekst bevestigt niets aangaande de tijd die ligt tussen de dood en het oor­deel. Zij stelt niet dat de mensen 'direct' na de dood wor­den geoordeeld.

 

Wij keren terug tot de stelling dat een toekomstig alge­meen oordeel is bepaald. Paulus sprak tot Felix over een ko­mend oordeel. Hand. 24:25. Maar omdat gezegd zou kunnen wor­den dat dit bij Felix' dood zou plaatsvinden, brengen wij een andere tekst naar voren die over dit oordeel niet alleen als zijnde toekomstig spreekt, maar tevens aantoont dat dit het vooruitzicht is voor het gehele menselijke gezin. Hand. 17:31. "Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welke Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen, door een Man, die Hij daartoe verordineerd heeft; verzekering doende aan al­len, omdat Hij Hem uit de doden opgewekt heeft."

 

Hier wordt in duidelijke bewoordingen verkondigd dat het oordeel van deze wereld toekomstig is, dat dit op een vast­gestelde tijd zal plaatsvinden en dat een dag, of tijd, voor dit doel afgezonderd is.

 

Petrus verwijst naar dezelfde dag en zegt dat de engelen die gezondigd hebben, en de onrechtvaardigen van ons eigen geslacht, daartoe bewaard worden. 2 Petr. 2:4,9. Verder zegt hij dat de huidige aarde als een schat wordt weggelegd en voor het vuur bewaard wordt tot de dag van het oordeel en vernietiging van de goddelozen. 2 Petr. 3:7-12. Judas zegt dat de engelen die hun beginsel niet hebben bewaard, met eeuwige banden onder de duisternis bewaard worden tot op de dag des oordeels. Judas 6. Dit is de dag waarop Christus wordt uitgebeeld als scheidende het goede van het kwade, zo­als een herder de schapen scheidt van de bokken. (Matth. 25: 31-34); en de dag waarnaar Johannes uitzag toen hij zei dat hij de doden, klein en groot voor God zag staan en de boeken werden geopend en zij werden geoordeeld naar hetgeen in die boeken geschreven staat. - Openb. 20:12.

 

Dit oordeel wordt in vele profetieën niet geschetst als een zaak die vanaf het begin wordt doorgevoerd en waarin een oordeel over ieder persoon wordt uitgesproken zodra hij de adem des levens uitblaast, maar als de grote gebeurtenis waarmee de proeftijd van het menselijk ras wordt afgesloten. Het is onnodig meer bewijzen aan te halen. Het kan niet ont­kend worden dat er een dag komt waarop het oordeel wordt uit­gesproken over allen die in deze wereld geleefd hebben - een oordeel dat beslist hoe hun toestand zal zijn in de eeuw die daarna komt.

 

Omdat dit een vastgesteld feit is, kan de vraag aangaande een bewuste staat in de dood niet onbeantwoord blijven. Want als het waar zou zijn dat elk menselijk wezen onmiddellijk na de dood naar de plaats van zijn beloning of straf gaat, waartoe dient dan een toekomstig algemeen oordeel? Om een tweede besluit over hen uit te spreken? Is het mogelijk dat een vergissing werd begaan in het vorige besluit? Is het mo­gelijk dat sommigen zich nu in de vlammen van de hel bevin­den, die zich in werkelijkheid zouden mogen koesteren in de zegen van de hemel, mogelijk dat sommigen zich in het para­dijs bevinden die op grond van hun verdorven karakter en criminele leven zich in de hel zouden moeten bevinden? En als er bij het uitspreken van het oordeel vergissingen zijn begaan, kan dit dan niet nog eens gebeuren?

Welke zekerheid hebben wij dan dat, hoewel wij door berouw de hemel mogen binnengaan, wij niet veroordeeld kunnen worden om voor eeu­wig in de hel te branden? Is het mogelijk dat zulke gerech­telijke fouten gevonden kunnen worden in het verslag van de hemelse regering?

 

Ja, als de theorie van een bewust leven van de doden waar zou zijn. Wij stellen deze theorie van aangezicht tot aange­zicht tegenover deze ongelooflijke gedachte en vragen op de uitwerking daarvan te letten. Ze vernietigt Gods alwetend­heid. Ze beschuldigt Hem van onvolmaaktheid. Ze beschuldigt Zijn regering van fouten die erger zijn dan misdaden! Is een theorie die gebaseerd is op dergelijke aantijgingen enige aandacht waardig?

 

Om dergelijke fatale conclusies te vermijden, wordt ge­zegd dat het oordeel niet bij het overlijden wordt uitge­sproken, maar dat de doden ergens, tot het oordeel plaats­vindt, in een staat van onzekerheid worden gelaten, zonder beloond of bestraft te worden tot het oordeel geveld is. Dan vragen wij hoe dit in overeenstemming kan worden gebracht met de steevaste argumenten die immaterialisten ten aanzien van deze kwestie aanvoeren. Want wordt op grond van Prediker 12:7 niet beweerd dat de geest onmiddellijk na de dood naar God gaat om het oordeel uit de handen van de Schepper te ont­vangen? Wordt op grond van Lukas 16:23 niet beweerd dat de rijke man onmiddellijk na zijn dood in de hel ging, om gepij­nigd te worden? Wordt op grond van Lukas 23:43 niet gezegd dat de berouwvolle dief op de dag na de kruisiging met Christus in de heerlijkheid van het paradijs was?

 

Wij sluiten dit onderwerp af met een opmerking uit de pen van de rondborstige, spontane en oprechte H.H. Dobney, doopsgezindt predikant in Engeland. Hij zegt:

 

"Er is sprake van een ongerijmdheid, die in de Schrift niet gevonden wordt, als men mensen die reeds in een toestand van geluk of rampzaligheid hebben verkeerd, terug laat komen om formeel gevonnist te worden om daarna weer teruggestuurd te worden naar een plaats die zij al lang kennen. Als men, na eeuwenlang met Christus in de hemel te zijn geweest, ge­roepen wordt om voor Zijn rechtbank te verschijnen en uit genodigd wordt de hemel als een eeuwig tehuis binnen te gaan alsof ze daar niet reeds geweest waren, is niet in overeenstemming met de Schriften. Maar dit is niet alles. Er is nog een probleem; namelijk de gedachte dat een heilige die reeds met Christus in de hemel is, uit de hemel naar de aarde komt om in een lichaam te glijden dat gelijktijdig uit de aarde oprijst, terwijl hij reeds een geestelijk lichaam bezit. Dit is eveneens een uitvinding die door niet één letter in de Bijbel ondersteund wordt."

 

Bezoldiging der zonde

 

In de voorgaande hoofdstukken hebben wij onderzocht wat de Bijbel ons leert aangaande de schepping van de mens, zijn leven, dood en de toestand voor de opstanding. Uit dit onder­zoek is gebleken dat de Heilige Schrift getuigt dat onze na­tuur geen onsterfelijke eigenschappen bezit, waardoor ons bestaan blijft voortduren. De enige hoop op een toekomstig leven is de wederopstanding. Wij hebben ook gezien dat een opstanding tot een tweede leven verordineerd is voor het ge­hele menselijke geslacht; en nu komt de belangrijke vraag naar voren wat de uitkomst van dat bestaan zal zijn.

 

Tengevolge van Adams zonde moeten allen de natuurlijke dood sterven. De oprechte heilige valt even onvermijdelijk onder zijn macht als de meest roekeloze zondaar. Dit kan niet het einde van ons bestaan zijn: want het zou in strijd met Gods rechtvaardigheid zijn ons toekomstig lot te beslissen op grond van een zonde die door Adam bedreven werd. Wij kunnen daarvoor niet aansprakelijk worden gesteld, een ieder moet door zijn eigen gedrag zijn toekomstig lot bepalen. Om ons daartoe de mogelijkheid te bieden treedt de verlossing door Christus tussenbeide. Door Hem als onze Verlosser te aanvaarden en te leven naar Zijn geboden kunnen wij het eeuwige leven deelachtig worden.

Gods Woord leert ons dat een ieder naar zijn werken geoordeeld zal worden. De profeet Daniël zegt: "Het gericht zette zich, en de boeken werden geopend." Dan. 7:10. Johannes beschrijft hetzelfde oordeel, en voegt er aan toe: "En ik zag de doden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend, dat des levens is: en de doden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hun werken." Openb. 20:12. In het boek des levens staan de namen van allen die God hebben gediend. Jezus zei tot Zijn discipelen: "Verheugt u, dat uw namen staan opgete­kend in de hemelen." Luk. 10:20. Paulus spreekt over zijn trouwe medearbeiders, "wier namen staan in het boek des le­vens." Fil. 4:3.

Daniël, die de eeuwen overzag en "een tijd van grote benauwdheid, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan" voorzegde, zegt dat Gods volk zal ontkomen "al wie in het boek geschreven wordt bevonden".

Johannes zegt in de Openbaring dat "alleen zij, die geschreven zijn in het boek des levens van het Lam", de stad Gods zullen mo­gen betreden. - Openb. 21:2.

 

De straf van de goddelozen en de beloning van de recht­vaardigen zijn beide van eeuwige duur. De mensen wordt het aanbod voorgehouden te kiezen tussen het leven en de dood.

 

Waarin bestaat de eeuwige straf voor de goddelozen? Alvo­rens wij bewijzen aanhalen tot staving van onze stelling, dat het een letterlijke dood zal zijn, zullen wij enkele teksten bespreken waaraan men het denkbeeld van een eeuwige straf meent te kunnen ontlenen.

 

1.  Dan. 12:2 "En velen van die, die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwige leven, en genen tot versmaadheden, en tot eeuwige afgrijzing." De tegenstan­der verbindt het denkbeeld smaad met de uitdrukking "eeuwige afgrijzing." Hij gaat van de gedachte uit dat indien de schaamte (die de goddelozen voelen) eeuwig is, dan moet ook hun bestaan eeuwig zijn.

 

2.  Matth. 25:41: "Gaat weg van Mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur, hetwelk de duivel en zijn engelen bereid is." Wat wordt hier door het woord 'eeuwig' omschreven? De goddelozen? - Neen. De duivel? - Neen. Zijn engelen? Neen. Het vuur wordt eeuwig genoemd. Hoe kan men hieruit de onsterfe­lijkheid van de goddelozen bewijzen?

De tegenstanders vragen welk nut een eeuwig brandend vuur heeft als degenen die daar­ in geworpen worden niet eeuwig daarin gefolterd worden. Wij antwoorden: Dit woord dient, in vele teksten, om uitdrukking te geven aan volkomenheid, en niet van tijd. Een eeuwig vuur is niet noodzakelijk een vuur dat eeuwig brandt, maar een vuur dat eeuwige gevolgen heeft. De boosdoeners die daarin worden geworpen, worden verteerd; en als zij daarna nooit meer opstaan, dan is dit een vuur dat eeuwige gevolgen met zich brengt. Dit vuur is voor de duivel en zijn engelen be­reid ; en allen die hem volgen in hun opstand tegen Gods heer­schappij, zullen zijn straf delen. Dit vuur zal voor hen eeu­wig zijn; want nadat zij in deze poel geworpen zijn, is de kans op een toekomstig leven voor eeuwig afgesneden.

 

Zo spreekt Paulus in Hebr. 6:2 ook over een 'eeuwig oor­deel.' Daarmee wil hij ons niet te kennen geven, dat het ge­richt tot in de eeuwigheid der eeuwigheden zitting zal heb­ben, maar dat de beslissing van het gericht voor altijd van kracht zal zijn. Een ander voorbeeld vindt men in Hebr.9: 12. In die tekst is sprake van een "eeuwige verlossing." Nie­mand gelooft op grond van deze uitdrukking; dat de verlos­sing tot in alle toekomstige eeuwen zal doorgaan.  (Uriah Smith)