You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en erna
 
"BEZWAREN BEANTWOORD”   (10)

 

1. Verzameld tot zijn volk

 

Een onderzoek van de teksten waarvan veronder­steld wordt dat zij een bewijs vormen van de

bewuste staat van de doden.

           

De aangename leer dat de mens nooit sterft is, hoewel on­gelukkig van oorsprong, zeer hardnekkig van levensduur. Tij­dens het behandelen van dit onderwerp in voorgaande hoofd­stukken, hebben wij gezien dat in het verslag van de schep­ping van de mens geen onsterfelijk element wordt genoemd dat bezit nam van zijn wezen; dat de Bijbel, de woorden 'onster­felijk' en 'onsterfelijkheid' nooit uitbeeldt als een innig met de menselijke natuur verbonden eigenschap; en dat geen enkele beschrijving van de ziel en geest, en niet één bete­kenis van de oorspronkelijke woorden, de huidige populaire verklaring van deze termen ondersteunt; dat aangaande de ziel en geest, hoewel daar in de Bijbel in totaal zeventienhonderd keer over gesproken wordt, niet één keer is gezegd dat die onsterfelijk, of nooit - stervend worden geacht en dat niet één tekst waarin - naar verondersteld wordt - deze woor­den op een zodanige wijze zijn aangewend om aan te tonen dat die duiden op een eeuwig bewust, onsterfelijk beginsel, ge­vonden is. Maar een overvloed van directe getuigenissen is naar voren gebracht om aan te tonen dat de doden buiten be­wustzijn in het graf rusten tot de wederopstanding.

 

Doch het dogma van de natuurlijke onsterfelijkheid ruimt met zeer veel tegenzin het veld. Men klemt zich, als de voor­gaande negentien teksten alle zijn weggevaagd, des te vaster aan een twintigste bewijs tekst. Naast de teksten die reeds naar voren zijn gebracht, bevinden zich een paar Schriftge­deelten waarachter men zich tracht te verschuilen en wij vol­gen hen met groot enthousiasme ervan overtuigd zijnde dat zij in niet één deel van de Bijbel een schuilplaats vinden.

 

Men tracht zich te verbergen achter de grafschriften van de patriarchen. Beweerd wordt bijvoorbeeld, dat over de dood van Abraham op zulk een wijze is bericht dat daaruit blijkt dat zijn bewust bestaan niet eindigde met zijn aardse leven. Wij zouden terecht er op kunnen aandringen dat degenen die geloven in een natuurlijke onsterfelijkheid nog verder teruggaan, en de vermelde afsluiting van de levens van de pa­triarchen als basis van hun argument te nemen. Eén van dezen, Enoch, werd in de hemel opgenomen 'zonder de dood te zien' en alle anderen gingen - volgens het populaire geloof -eveneens naar de hemel, 'door' de dood. Maar hoe verschillend is het verslag over hen. Van Henoch is gezegd, dat hij er niet meer was; want God nam hem weg; terwijl van de ande­ren is gezegd 'en zij stierven'.

 

Deze twee berichten betekenen zeer zeker niet hetzelfde, en Enoch, die God tot zich nam en die daardoor levend in de hemel is, moet, te oordelen naar het verslag, in een andere situatie verkeren als degenen die stierven.

 

Maar om terug te keren op de kwestie van Abraham. Het ver­slag van zijn sterven luidt: "En Abraham gaf de geest en stierf in goede ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijn volken verzameld." Aangaande dit vers werd het vol­gende gezegd:

 

"Wat moet men onder 'verzameling' verstaan? Heeft ze be­trekking op het lichaam of op de ziel? Het lichaam kan hier niet bedoeld zijn, omdat zijn lichaam begraven werd in de spelonk van Machpela, in Kanaän, en zijn vaderen ver vandaar begraven lagen; Terah, in Haran in Mesopotamië, en de rest van zijn voorouders ver daarvan in Chaldea. Natuurlijk duidt deze verzameling niet op het lichaam, maar op de ziel; hij werd verzameld tot de vergadering van de gelukzaligen, en heeft zo zijn woonstede betreden."

 

Om aan te tonen hoe ongegrond, niet te zeggen hoe onge­rijmd deze conclusie is, stellen wij aangaande twee punten een vraag: 1. Duidt de uitdrukking 'verzameld tot zijn volk' aan dat hij ging om in een bewuste toestand omgang met hen te hebben. Waren zijn voorouders zulke rechtvaardige mensen dat zij naar de hemel gingen toen zij stierven?

 

In antwoord op deze vragen zal de laatste de eerste zijn. Een opmerkelijk feit is dat Abraham 'gescheiden' werd van zijn verwanten en van zijn vaders huis, omdat God hem tot een bijzonder persoon van Zijn voorzienigheid wilde maken. In Jozua 24:2 wordt ons duidelijk verteld dat zijn voorouders afgodendienaars waren; want zij dienden hun goden. Gezien hun karakters van dien aard waren, zou de dood hen, volgens de populaire opvatting, naar de gebieden van de veroordeel­den zenden, dit zou betekenen dat zij zich ten tijde van Abrahams dood te midden van de vuurzee van de hel bevonden. Als Abraham toen tot hen vergaderd is, werd hij in de zin die de huidige theologie ons leert, ook in de vlammen van de hel gezonden. O, tot welke absurditeiten laten mensen zich, verblind door een geliefkoosde theorie, leiden.

God had tot Abraham gezegd: "En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede, gij zult in goede ouderdom begraven worden." Was dit de ver­troostende belofte dat hij in de goede ouderdom in de 'hel' zou gaan? (Gen. 15:15). En is het verslag van zijn dood een bevestiging dat hij zijn plaats heeft onder de verdoemden? - Ja; als de onstoffelijkheids-theorie juist is. Kinderen van Abraham, sta op! en zuiver uit een mond uw 'rechtvaardi­ge vader' van deze dwaze laster. Verwerp een theorie die u dwingt 'de vader van de getrouwen' aldus te bezien.

 

Duidt dan de uitdrukking 'tot zijn volk verzameld' op zijn persoonlijke, bewuste omgang met hen? Als de mens een onsterfelijke ziel bezit, die leeft in de dood, dan moet dit zo zijn; en als dit zo is dan is Abraham in de hel. Deze conclusie kan men niet opzij zetten, hetzij dan dat men de gedachte dat de mens een onsterfelijke ziel heeft opzij zet, en zijn bewuste geluk of ellende in de toestand van de dood ontkent.

 

Maar in welke zin kon hij dan tot zijn vaderen verzameld worden? Antwoord: Hij kon gaan in het graf waarin zij waren gegaan, in de toestand van de dood waarin zij verkeerden. Jacob zei toen hij over Jozef treurde, waarvan hij dacht dat hij dood was; "Ik zal rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf neerdalen," - niet dat hij verwachtte naar dezelfde plaats te gaan, of naar hetzelfde graf, want hij veronder­stelde niet dat zijn zoon, waarvan hij toen dacht dat hij door wilde dieren verscheurd was, letterlijk in het graf lag; maar met het graf bedoelde hij een 'toestand van de dood;' en omdat zijn zoon op een gewelddadige wijze van het leven was beroofd, wilde hij, rouw bedrijvende, sterven en dit noemde hij tot zijn zoon gaan.

 

In Hand. 13:36 zegt Paulus, sprekende over David, dat hij 'bij zijn vaderen gelegd' is. Dit moet volledig worden be­zien als zijnde gelijk aan 'verzameld tot zijn volk';  en de apostel voegt er onmiddellijk aan toen 'en heeft verderving gezien.' Dat wat tot zijn vaderen werd gelegd of verzameld tot zijn volk, zag verderf. Men kan, als men wil, proberen dit toe te passen op een onsterfelijke ziel; maar op die ma­nier doen zij die ziel een zeer twijfelachtig genoegen; want het succes van hun argument vernietigt hun theorie; de ziel blijkt dan iets te zijn dat vergankelijk en verderfelijk van aard is.

 

De vredige dood van onze vader Abraham voorziet niet in een bewijs van een onsterfelijke ziel in de mens, en aan zijn geheiligde rustplaats kunnen geen argumenten voor zulk een dogma worden ontleend.

Een andere tekst kan terecht in dit verband worden over­wogen: Psalm 90:10: "Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of zo wij zeer sterk zijn, tachtig ja­ren, en het uitnemendste van die is moeite en verdriet: want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen."

 

Op gezag van deze tekst wordt beweerd dat als onze kracht door de dood wordt afgesneden iets wegvliegt, en dat hetgeen dat wegvliegt de onsterfelijke ziel is, en dat als ze weg­vliegt, ze daarom levend moet zijn; en als zij op die wijze de prikkel van de dood overleeft, is ze onsterfelijk.

 

Een nogal belangrijke reeks conclusies ontleend aan de drie woorden: 'wij vliegen weg.' Laten wij Davids argument eens bezien. De opgegeven reden waarom onze kracht is 'moeite en verdriet' is omdat die spoedig afgesneden wordt en wij wegvliegen. Als nu ons wegvliegen betekent het gaan van een levende ziel in de hemel, bijvoorbeeld als wij rechtvaardi­gen zijn; dan luidt het argument aldus: "Maar hun sterkte is werken en verdriet, want die zijn spoedig afgesneden en wij gaan naar de hemel." Een eigenaardige redenatie! Maar zijn redenatie is volslagen rechtlijnig als hij met wegvliegen bedoelt dat wij in het graf gaan, waarvan Salomo verzekert dat daar geen werk, wijsheid, kennis, noch wetenschap is. Laat ons de verklaring van de psalmist niet schenden.

 

De tekst verklaart duidelijk wat wegvliegt; namelijk, wij vliegen weg. 'Wij' is een persoonlijk voornaamwoord en om­sluit de gehele persoon. De tekst duidt niet op een directe scheiding; ze zegt niet dat de ziel wegvliegt, maar wij, in onze onverdeelde persoonlijkheid, vliegen weg. Waarheen vliegt het lichaam, een belangrijk deel van het 'wij'? - In het graf, en daar alleen.

 

Dit wordt door Prediker 9:3 bevestigd. "Het hart van de mensenkinderen is vol boosheid, en onzinnigheden zijn in hun hart terwijl zij leven, en daarna moeten zij naar de doden gaan." Als deze tekst had vermeld: "En daarna gaan zij weg", of "vliegen weg" zou dit precies in overeenstemming zijn met Psalm 90:10; want er is geen essentieel verschil tussen gaan en vliegen. Maar hier wordt uitdrukkelijk gezegd waarheen wij gaan: wij gaan naar het graf. Hetgeen in Psalm 90:10 is weggelaten, wordt hier toegevoegd.

De gedachte is duidelijk deze: Hoewel onze dagen 80 jaar mogen zijn, toch is onze kracht werken en verdriet, want het leven wordt spoedig afgesneden, en wij verdwijnen, gaan in het graf, en worden omhuld door de duisternis van de dood. Aldus bezien is Davids taal rechtlijnig, en zijn uitlegging harmonieus; maar wij verdraaien zijn woorden en vernietigen zijn logica als wij trachten te bewijzen dat zijn woorden aantonen dat op het moment van overlijden een bewuste ziel het lichaam verlaat.

 

2.  Samuël en de vrouw Endor

 

In alle argumenten ten aanzien van een voortgezet leven en bewustzijn na de dood, neemt 1 Sam. 28:3-20 gewoonlijk een opmerkelijke plaats is. Tijdens het onderzoek van dit Schriftgedeelte, zullen wij letten op (1) het verslag; (2) de bewering waarop het gebaseerd is; (3) de aard van de acteurs in deze aangelegenheid; (4) de te beschouwen feiten; en (5) de conclusies die getrokken moeten worden.

 

1. Het verslag - "Samuël was een profeet van God in Is­raël van 1112-1058 voor Christus. Saul was koning van Israël van 1096-1056 voor Christus. Samuël zalfde Saul tot koning en van tijd tot tijd gaf hij hem in opdracht van de Here aanwijzingen en was hij zijn raadgever en voorlichter.

 

In de tijd dat de gebeurtenis voorviel die in 1 Sam. 28: 3-20 is opgetekend, was Samuël dood. Tussen de Israëlieten en de Filistijnen was een oorlog uitgebroken. De Filistijnen hadden Israël zwaar onder druk gezet. Zij verzamelden hun strijdkrachten te Sunem, en Saul, die geheel Israël bijeen riep om hen te weerstaan, legerde zich in Gilboà. Verbijsterd over de geweldige uitrusting van het Filistijnse leger, ver­loor Saul de moed en hij was zeer bevreesd. In zijn vertwij­feling en angst zocht hij rondom hulp. Hij zocht de Here, maar de Here antwoordde hem niet. Geen droom werd gegeven, geen teken verscheen via het orakel; geen profeet had een woord uit de mond des Heren om verlichting te brengen in zijn diepe vertwijfeling. Hij dacht aan zijn vriend uit oude tij­den, de profeet Samuël, waar hij zo vaak naar toegegaan was en die zo vaak in tijden van twijfel en gevaar, zijn schre­den had bepaald. Maar Samuël was gestorven en hoe kon hij hem om raad vragen?

 

In het land bevond zich een groep mensen die beweerde in staat te zijn met de doden te spreken. Dat werk, dodenbezwering genaamd (een voorgewende omgang met de doden), was door de Here ten strengste verboden. Lev. 19:31; 20:27; Deut. 18: 9-12 enz. En Saul had, in gehoorzaamheid aan het bevel des Heren (Ex. 22:18) hen, voorzover zij ontdekt werden, het Land uitgewezen.

 

Maar enkelen praktiseerden nog voorzichtig en in het geheim hun spookachtige handelingen. Of Saul wer­kelijk ooit in dit werk heeft geloofd, is niet bekend. Maar zeker is dat hij zich in zijn extreme nood richtte naar de beweringen van tovenaars en het verkeerde besluit nam, op die manier de profeet Samuël te willen raadplegen. Hij zocht naar een vrouw met een waarzeggende geest en hem werd gezegd dat er een in Endor was. Hij vermomde zich opdat de vrouw, die Sauls bevel tegen waarzeggerij kende, geen angst zou heb­ben met hem te spreken en in het geheim ging hij in de nacht naar die vrouw. Hij verzekerde haar dat hij geen kwade be­doelingen had en dat zij niet gestraft zou worden en zij vroeg wie zij op moest laten komen. Saul antwoordde: "Breng mij Samuël." Toen zij de gestalte zag die zij door haar to­verij tevoorschijn had geroepen, schreeuwde zij van angst en zei tot haar koninklijke gast; "Waarom heeft u mij misleid, want u bent Saul?" Hij zei haar niet bevreesd te zijn, maar te vertellen wat zij zag. Zij antwoordde: "Een oude man, be­dekt met een mantel", en Saul meende dat dit Samuël was.

 

Samuël vroeg Saul waarom hij zijn rust had verstoord door hem te doen opkomen; en Saul antwoordde dat hij wilde weten wat hij moest doen want de Filistijnen voerden strijd met hem en dat God hem verlaten had en hij zeer beangst was. Sa­muël vroeg hem toen waarom hij hem had laten komen, nu God zich van hem afgekeerd had en zijn vijand geworden was. Toen ging Samuël verder en zei dat het koninkrijk van zijn hand gescheurd was omdat hij de Here niet gehoorzaam was; dat de Filistijnen de strijd zouden winnen, en dat hij en zijn zo­nen de volgende dag gedood zouden worden. Dit was de laatste slag voor het reeds vertwijfelde hart van Saul; en volledig overrompeld door zijn tegenslagen, viel hij bewusteloos neer. Dit zijn de belangrijkste feiten die in het verslag naar vo­ren worden gebracht. Laten wij nu eens zien wat daarin be­weerd wordt.

 

2. De bewering  - Die kan in een paar woorden worden uitge­beeld. Beweerd is dat Samuël bij die gelegenheid inderdaad verschenen is en dat daarom de doden in een bewuste staat verkeren; of dat er een geest is in de mens die als het li­chaam sterft, in een bewuste staat verder leeft en dat op grond daarvan gesteld kan worden dat de ziel onsterfelijk is. De rechtsgeldigheid van deze bewering berust in grote mate bij de vraag of de gebeurtenis die hier beschreven wordt door de kracht van God of door de kracht van de duivel bewerkstelligd werd.

 

Als dit uit God was, is het waarheid, als het uit de dui­vel is, mogen wij misleiding verwachten; want hij begon zijn werk door de vader van alle leugens in de wereld te worden en hij gaat nog steeds met zijn werk voort. Wij willen daar­om het volgende in ogenschouw nemen:

 

3. Het karakter van de acteurs  - Deze acteurs waren, eer­stens de vrouw die een waarzeggende geest had; en waarzeggen­
de geesten zijn geesten van duivelen. Vergelijk Num. 25:1-3, Ps. 106:28 en 1 Kor. 10:20. Ten aanzien van de omgang met
waarzeggende geesten heeft God verklaard dat het een gruwel is in Zijn oog; Hij heeft dit uitdrukkelijk verboden en sprak
de doodstraf uit over allen die dit praktiseerden.

 

De andere belangrijke acteur in deze scène was Saul. En hoe was zijn toestand op dat moment? - Hij had zo lang de goddelijke voorschriften overtreden dat God zich van hem af­gewend had en hem niet langer in dromen een antwoord gaf, noch door middel van de Urim, noch door de profeten, die door God zelf als communicatiemiddel tussen Hem en Zijn volk aan­gewezen waren.

Vraag: Zou de Here weigeren met hem te spre­ken via de door Hem bepaalde middelen, om daarna tot hem te komen op een wijze die Hij uitdrukkelijk had verboden? Wij zien dat geen van de acteurs in deze scène personen waren door wie, of van wie wij kunnen verwachten dat de Here door hen zou werken.

 

4. Te beschouwen feiten: 

 

a.  Het wonder dat bij die gelegenheid werd gewrocht, werd vol­bracht door de huisgeest waarmee de vrouw omgang had. Het­geen die huisgeest moest doen was:

1) doen verschijnen, of

2) de dode mens zo volmaakt mogelijk nabootsen zodat degenen die met de huisgeest spraken zouden geloven dat het hun
dode vriend was.

 

b.  Dat het niet Samuël was die verscheen, maar de huisgeest die de gestalte van Samuël uitbeeldde, blijkt uit het feit dat deze zogenaamde Samuël, voordat hij met Saul sprak de vrouw waarschuwde door haar te vertellen dat haar gast niemand anders was als Saul zelf. Dit blijkt uit het feit dat zodra zij hem zag, zij angstig schreeuwde, niet omdat  tegen   haar verwachting in Samuël inderdaad ver­scheen, want zij riep uit: 'Samuël is inderdaad gekomen!"  maar op grond van hetgeen de verschijning haar vertelde, want zij keerde zich onmiddellijk tot Saul en zei: "Waarom hebt u mij bedrogen, want u bent Saul".   Deze waarschu­wing kon niet van de echte Samuël komen om de vrouw op haar hoede te doen zijn en in haar onheilig werk van be­zwering te ondersteunen.

 

c.  Volgens de bewering die gebaseerd is op deze handeling, was het de onsterfelijke ziel van Samuël die bij die gelegen­heid verscheen, en hij verscheen volgens de beschrijving als een oude man omhuld door een mantel. Is dit de wijze waarop onsterfelijke geesten rondwaren, in de gedaante van oude mensen gehuld in mantels? Hieruit blijkt des te meer dat het de huisgeest was die de gedaante van Samuël imiteerde toen hij hier op aarde was.

 

Saul heeft Samuël toen niet gezien. Toch wordt gezegd dat Saul Samuël herkende. - Inderdaad, maar niet doordat hij hem zag, maar aan de hand van de beschrijving die de vrouw gaf. De vrouw zag inderdaad de verschijning voor zich het­geen blijkt uit de woorden van Saul gericht tot de vrouw: "Hoe is zijn gedaante?"En zij zei: "Er komt een oude man op, en hij is met een mantel bekleed."

 

Als iemand in verband met dit visioen zou stellen dat Saul alles had kunnen zien wat de vrouw zag als hij niet be­wusteloos op de grond had gelegen, is het voldoende te zeggen dat hij eerst nadat hij haar de bovengenoemde vra­gen had gesteld hij "zijn gezicht naar de aarde keerde, en zich boog." Vers 14. Als Samuël werkelijk aanwezig was geweest, had Saul hem even duidelijk gezien als de vrouw hem zag. Saul liep nu volledig in de valstrik. Hij had toegestaan dat deze losbandige vrouw ogen en oren voor hem waren in zaken van het grootste belang.

 

d.  De verschijning die de vrouw zag, kwam op uit de aarde. Was dat Samuëls onsterfelijke ziel? Bevinden zich onster­felijke zielen in de aarde? Wordt niet beweerd dat de ge­storven heiligen zich in de hemelse heerlijkheden hier­boven bevinden?

 

e. Gezegd wordt dat, toen de gedaante uit de aarde opkwam, Samuël een opstanding meemaakte. Dan wordt daardoor de overigens onjuiste theorie van de bewuste toestand van de doden prijsgegeven. Gods woord verklaart duidelijk "De do­den weten niet met al." Maar als dit een opstanding was van Samuël, hoe kon hij opkomen uit de aarde te Endor, na­bij het meer van Galilea, terwijl hij in het afgelegen Rama (vers 3) nabij Jeruzalem begraven werd? en als de oude man uit de doden is opgewekt, wat is er dan daarna van hem geworden? Onderging hij de pijn van een tweede ontbinding, ging hij opnieuw het graf in? Als dit zo zou zijn had hij zich terecht bij Saul kunnen beklagen wegens rustverstoring omdat hij hem had laten roepen.

 

f.  Deze zogenaamde Samuël zei tot Saul dat hij en zijn zonen de volgende dag bij hem zouden zijn. Dit betekent dat zij
zouden omkomen in de strijd. Als Samuël een onsterfelijke ziel in heerlijkheid was, hoe kon dan Saul, die wegens
zijn zonden door God verworpen werd, met Samuël daarheen
gaan?

 

g.  Een andere heilige schrijver vermeldt deze gebeurtenis in het leven van Saul en stelt dat dit een van de twee rede­nen is waarom hij door de Here werd overgeven aan de dood. - 1 Kron. 10:13.

 

5. Conclusies:  Welke conclusies zijn op grond van de voren­staande feiten onvermijdelijk? Ten eerste dat Samuël bij die gebeurtenis niet aanwezig was, noch als onsterfelijke uit de hemel, noch als iemand die opgestaan was uit de dood, want:

 

a.  Het is niet consequent te veronderstellen dat God, nadat Hij weigerde Sauls smekingen te beantwoorden toen zij op
legitieme wijze tot Hem werden gericht, die wel zou beant­woorden toen ze via een verboden kanaal tot Hem werden
gericht.

 

b.  Het is onjuist te veronderstellen dat Samuël door de be­zweringen van de vrouw uit de heerlijkheid van de hemel
naar de aarde geroepen werd.

 

c.  Het is onlogisch te veronderstellen dat Samuël lichamelijk in Endor werd opgewekt, terwijl hij in Ramah begraven lag.

 

d.  Als hij werd opgewekt, dan moet het God geweest zijn Die hem tot leven riep en niet de duivel. De duivel kan geen
doden opwekken, en het is duidelijk dat God dit niet zou doen en al helemaal niet op wijze die Hij nadrukkelijk verboden had. God zou Zijn dienstknecht zeker niet hebben opgewekt om zich met Saul op het terrein van de duivel te begeven.

 

e.  Het is ongeloofwaardig dat een man als Samuël, die tove­rij als een gevaarlijke zonde zag (1 Sam. 15:23) een vriendelijk gesprek voerde met deze verdorven vrouw, te­ midden van haar toverijen, en haar zegt op haar hoede te zijn als zij de boodschap aan Saul doorgeeft.

 

f.  Het is een schaamteloze veronderstelling te beweren dat iemand door middel van de tussenkomst van de duivel, macht
zou hebben een onsterfelijke uit de heerlijkheid terug te roepen, of iemand uit de doden op te wekken, of dat deze vrouw door haar duivelse bezweringen Samuël kon zien, ter­wijl Saul niets zag.

 

Maar er werd toch gezegd dat de vrouw Samuël zag? - Ja, en hier ligt de enige ogenschijnlijke moeilijkheid in dit verhaal. Wij vinden daarin de volgende vier uitdrukkingen: "De vrouw zag Samuël," vers 12; "en Samuël zei tot Saul," vers 15; "toen zei Samuël," vers 16, en "vanwege de woorden van Samuël." 1 Sam. 28:12-20. Gevraagd wordt: Hoe kan dit geschreven zijn als Samuël daar niet was? en de vrouw hem niet gezien had, en hij de dingen die hij haar heeft beschre­ven niet gezegd heeft?

 

Antwoord:  Dit kan eenvoudig verklaard worden in de gebruike­lijke bewoordingen. Bezie de omstandigheden. De vrouw was bereid iemand op te roepen. Zij geloofde vanzelfsprekend dat degenen die opgeroepen werden, gelijk mediums nu ook gelo­ven, de gestalten van hun gestorven vrienden zijn. Samuël werd opgeroepen en een man verscheen in een mantel. De vrouw veronderstelde dat het Samuël was; en Saul veronderstelde ook dat het Samuël was en toen, overeenkomstig de algemene opvatting aangaande verschijningen, verliep het verhaal vol­gens hetgeen zij hadden verwacht. Gezegd werd dat het Samuël was, en de vrouw veronderstelde dat de gestalte die zij zag Samuël was.

 

De conclusie is duidelijk dat dit een manifestatie was van de aloude zwarte kunst, toverij, hekserij of spiritisme: een massale misleiding die door de duivel geschikt wordt aangepast om zijn slachtoffers te misleiden. Tussen de oude en moderne manifestaties bestaat dit verschil: destijds moest de duivel het doen voorkomen dat de doden uit de aarde op­stonden omdat het volk ervan overtuigd was dat de doden in het graf rusten tot de komst van de Messias; of dat zij zich in de lagere gebieden van de aarde bevonden.

 

Nu doet hij het voorkomen alsof ze uit hogere sferen ko­men, want nu wordt merendeels geloofd dat de overledenen zich in hogere sferen bevinden en dat die gebieden bevolkt worden door de levende geesten van gestorvenen.

 

Laat daarom niemand een beroep doen op de werken van de heks te Endor om de onsterfelijkheid van de ziel te bewij­zen, hetzij dan dat hij bereid is openlijk te beweren dat de Bijbel een verzinsel is; dat de oude tovenarij een goddelijk gebruik was; en dat het moderne spiritisme, met al zijn gods­lasteringen en verdorvenheden, het enige betrouwbare orakel van waarheid en reinheid is.

Gods woord leert ons duidelijk dat de doden in het graf slapen totdat zij bij Jezus' wederkomst weer worden opgewekt.

 

3.  De Verheerlijking  Matth.17:1-9

 

Toen onze Here op een hoge berg in Galileá voor de ogen van Petrus, Johannes en Jacobus van gedaante veranderd werd, verschenen tevens twee andere, verheerlijkte personen, die tot Hem spraken. De geïnspireerde geschiedschrijver zegt, dat het Mozes en Elia waren, en de discipelen begrepen on­middellijk wie zij waren. - Lukas 9:30-33.

 

Met groot genoegen aanvaardt de immaterialist een verslag over de daden of handelingen van degenen die reeds gestorven zijn; want hij ziet dit kennelijk als een verschijnsel dat zijn opvattingen ondersteunt of hem op z'n minst voorziet in een argument; "Want", zegt hij, "de persoon was dood, en de­ze verschijning was mogelijk door zijn bewuste geest, of on­sterfelijke ziel."

 

Voorzover dit Elia betreft wordt die theorie toen hij tijdens de verheerlijking verscheen, niet ondersteund omdat hij, levend opgenomen zijnde in de hemel, de dood nooit heeft gezien en daarom kon verschijnen in het lichaam waarmee hij opgestegen was. Dit wordt door allen aanvaard, en om die re­den wordt hij in deze kwestie nooit als getuige genoemd, be­halve door degenen die dit verslag niet kennen en veronder­stellen dat hij gestorven is, en hier als een geest zonder lichaam verscheen.

 

Maar in het geval van Mozes is het anders; want in de Bij­bel vinden wij een duidelijk verslag van zijn dood en begra­fenis; toch verscheen hij op de berg, levend, actief en be­wust; want hij sprak met Christus. En zo wordt met een tri­omfantelijke houding, misschien oprecht gevraagd: "Wat kun­nen onze tegenstanders hierop antwoorden want dit moe­ten zij doen of zij moeten hun theorie opzij zetten."

 

Als wij Sadduceeën zouden zijn, die de opstanding en een toekomstig leven na het graf loochenen, zou dit geval als een onoverkomelijke hindernis op onze weg liggen. Maar zo lang de leer van de opstanding van de doden in de Bijbel wordt verkondigd, is dit voorval niet noodzakelijkerwijs een bewijs tegen degenen die het bestaan van een bewuste, van het stoffelijk omhulsel bevrijde geest ontkennen, omdat de aanwezigheid van Mozes op de berg kan worden bezien als een bewijs dat hij uit de doden is opgewekt.

 

Dit voorval was of een uitbeelding die de discipelen voor ogen werd gesteld, of het was een realiteit toen het plaats­vond. De gedachte dat het slechts een uitbeelding was, ont­vangt enige steun uit het feit dat het een 'gezicht' wordt genoemd. "Zegt niemand dit gezicht," zei Christus, en omdat het woord 'gezicht' soms is toegepast op werkelijke verschij­ningen, zoals in Lukas 24:36 wordt het ook gebruikt om dingen uit te beelden die nog niet bestaan, zoals in het visioen van Johannes van de nieuwe hemelen en nieuwe aarde.

En Lukas zegt dat zij (Mozes en Elia) "verschenen in heerlijkheid." Onze Here zelf heeft nog niet in volle mate de heerlijkheid verkregen die Hem toekomt voor Zijn verlossingswerk (1 Pe­trus 1:11; Jesaja 53:11); en er mag terecht aan getwijfeld worden of iemand van Zijn volgelingen de volle mate van heer­lijkheid heeft bereikt. Als de geciteerde uitdrukking van Lukas verwijst naar de toekomstige volmaakte heerlijkheid van de verlosten, hebben wij een ander bewijs dat dit slechts een uitbeelding was, gelijk de visioenen van Johannes van toekomstige gelukzaligheid, die toen nog geen realiteit wa­ren. Maar, als dit slechts een visioen was, kan daaruit niet de conclusie getrokken worden voor een tussentijds bestaan van de ziel, want in dat geval, behoefden Mozes en Elia zelfs niet stoffelijk aanwezig zijn.

 

Doch, laten wij dit bezien als een realiteit. Dan kan men de aanwezigheid van Mozes verklaren door te veronderstellen dat hij uit de doden is opgewekt. Hiertegen kunnen onze te­genstanders niets inbrengen, dan hun eigen beweringen. Er wordt bijvoorbeeld gezegd: "Mozes is gestorven en werd be­graven, en omdat zijn lichaam nooit uit de doden opgewekt is verscheen hij natuurlijk als een geest zonder lichaam."

 

Voordat wij een argument naar voren brengen om aan te to­nen dat Mozes opgewekt werd, willen wij een punt bezien dat zonder twijfel bewijst dat hetgeen op de berg verscheen niet de van het stoffelijk omhulsel bevrijde geest van Mozes was. Allen zullen erkennen dat de verheerlijking bedoeld was om in miniatuur het toekomstig koninkrijk van God uit te beelden, het koninkrijk der heerlijkheid.

 

Wie zullen onderdanen van dit hemels koninkrijk zijn? Ant­woord: De rechtvaardige levenden die bij Christus' komst veranderd worden, en de rechtvaardige doden die op dat mo­ment uit hun graven komen. Zullen daar geesten zonder licha­men zijn? - Geen, want de theorie die aangaande deze theolo­gische kwestie werd aanvaard is dat bij de opstanding, die vooraf gaat aan het oprichten van het koninkrijk, de van het stoffelijk omhulsel bevrijde geesten van het menselijk ge­zin, opnieuw bezit nemen van hun opgewekte lichamen. De ver­heerlijking was een uitbeelding van dat koninkrijk. Daar was Christus, de verheerlijkte koning, daar was Elia, de verte­genwoordiger van degenen die levend opgenomen worden, en daar was Mozes; maar als dat slechts zijn ziel zonder lichaam was, dan was dit een uitbeelding van iets dat in Gods konink­rijk helemaal niet bestaan zal; dan was de uitbeelding onvol­maakt, en dus een volslagen misleiding. Maar als Mozes daar was in een lichaam dat uit de dood werd opgewekt, dan is dit beeld harmonieus en beginselvast. Hij vertegenwoordigt de rechtvaardige doden die opgewekt zullen worden, en Elia de levenden die opgenomen zullen worden bij Jezus' komst.

 

De vraag richt zich nu op de opstanding van Mozes uit de doden; en als schriftuurlijk bewezen kan worden dat Mozes op­gewekt is, verandert dit gedeelte onmiddellijk de situatie in de strijd. Dat Mozes opgewekt werd blijkt onvermijdelijk uit Judas 9, waarin staat: "Maar Michaël, de aartsengel, toen Hij met de duivel twistte over het lichaam van Mozes, bracht geen bestraffing tegen hem naar voren, maar zei: "De Here bestraffe u!" Opgemerkt zal zijn dat deze redetwist verband hield met het 'lichaam' van Mozes. Michaël (Christus), Joh. 5:27-29 ; 1 Thess. 4:16 en de duivel eisten elk naar het schijnt het recht op, iets met het lichaam te doen.

 

Sommigen hebben getracht dit getuigenis van Judas in over­eenstemming te brengen met het denkbeeld van een niet-opstanding van Mozes, door te beweren dat de duivel voornemens was de kinderen Israëls bekend te maken waar Mozes begraven was, met de bedoeling hen tot afgoderij te verleiden, en dat hier­door twist tussen hem en Michaël ontstond. Zulk een veronder­stelling is echter onaanvaardbaar, omdat in dit geval de strijd om het 'graf' van Mozes ging, en niet om zijn lichaam. Deze redetwist verwees uitsluitend naar het lichaam van Mozes. Dan vragen wij verder welke redetwist de duivel kon voeren aangaande dit punt; want wat heeft hij te maken met de lichamen van mensen? Gezegd wordt dat hij macht heeft over de doden; daarom is het graf zijn domein, en degene die dat be­treedt eist hij op als zijn wettige prooi. Anderzijds, Chris­tus is de leven-gever, Wiens voorrecht het is de mens te be­vrijden uit de macht van de dood. Daarom is de meest logische conclusie, dat de redetwist betrekking heeft op dit punt; dat het verband hield met het tot leven wekken van het dode li­chaam van Mozes dat de duivel in zijn macht wilde houden, en beweerde daartoe het recht te hebben. Maar Christus bestraf­te de tegenstander en bevrijdde het slachtoffer uit zijn greep. Dit is de onontkoombare gevolgtrekking van dit gedeel­te en is als zodanig in dit argument van belang.

 

4.  De God van de levenden

 

Christus citeerde voor de joden een verklaring uit het Oude Testament dat God de God is van Abraham, Isaäk en Jacob en voegde daaraan toe: "God is geen God van de doden, maar van de levenden." Daaruit werd geconcludeerd dat Abraham, Isaäk en Jacob leven; en dat zij vanzelfsprekend leven als onsterfelijke, van het lichaam bevrijde geesten, want hun lichamen liggen in het graf.

 

De gelegenheid waarbij deze woorden werden gesproken is opgetekend in Matth. 22:23-32. Om de woorden van Christus te begrijpen, moeten wij het geschilpunt volledig kennen, en wat Hij met Zijn woorden wilde bewijzen, en dit betekent dat wij het volledige verslag zorgvuldig moeten onderzoeken; -

"Diezelfde dag kwamen tot Hem de Sadduceeën, die zeggen, dat er geen opstanding is, en vroegen Hem, zeggende: Meester! Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft, geen kinderen heb­bende, zo zal zijn broeder diens vrouw trouwen, en zijn broe­der zaad verwekken. Nu waren er bij ons zeven broeders, en de eerste, een vrouw getrouwd hebbende, stierf; en omdat hij geen zaad had, zo liet hij zijn vrouw voor zijn broeder.

Desgelijks ook de tweede, en de derde tot de zevende toe. Ten laatste na allen, is ook de vrouw gestorven. In de op­standing dan, wiens vrouw zal zij wezen van die zeven, want zij hebben ze allen gehad? Maar Jezus antwoordde en zei tot hen: Gij dwaalt, niet wetende de Schriften, noch de kracht Gods. Want in de opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als de engelen Gods in de hemel. En wat de opstanding der doden aangaat, hebt u niet gelezen, hetgeen van God tot ulieden gesproken is, Die daar zegt, Ik ben de God van Abraham, en de God van Isaäk, en de God van Jakob? God is niet een God van de do­den, maar der levenden."

 

Wat was nu het geschilpunt tussen Christus en de Saddu­ceeën? Vers 23. "Diezelfde dag kwamen tot Hem de Sadduceeën die zeggen dat er geen opstanding is en vroegen Hem enz."De Sadduceeën beleden in de geschriften van Mozes te geloven, maar zij loochenden de opstanding. Christus geloofde ook in de geschriften van Mozes, maar 'leerde' de opstanding. Hier was dus een eerlijk verschil van opvatting tussen hen. Zij hoorden Hem de opstanding prediken; en om hun geloof tegen­over het Zijne te stellen, verwezen zij naar de wet van Mo­zes aangaande het huwelijk, en brachten toen een actuele ge­beurtenis naar voren, of op z'n minst een die mogelijk was, die eveneens aan hun bedoelingen zou beantwoorden; namelijk dat de zeven broers, de een na de ander, volgens de voor­schriften waarnaar zij verwezen, allemaal de man van één vrouw waren geweest, en allen stierven. Toen kwam een probleem naar voren waarvan zij zonder twijfel dachten dat die de leer van de opstanding die Jezus predikte volledig omver zou werpen; namelijk, hoe zal die kwestie in de opstanding worden geregeld, als ze allemaal levend worden en samen zijn? Wiens vrouw zal zij dan zijn?

 

Let op dat het meningsverschil tussen Christus en de Sadduceeën niet van toepassing was op een tussentijdse staat, evenmin bevat hun vraag enig verwijs naar zulk een toestand. Zij vragen niet wiens vrouw zij niet is, of welke onsterfe­lijke ziel van de mannen haar onsterfelijke ziel in de gees­tenwereld zal opeisen, maar, wiens vrouw zij zal zijn in de opstanding (een toekomstige gebeurtenis). Christus vertelde dat zij dwaalden, "dat zij de Schriften niet kenden, evenmin Gods macht." En dan, om Zichzelf te verdedigen en hen uit hun eigen mond te veroordelen, gaat Hij verder met uit de geschriften van Mozes te bewijzen - wat? een bewuste tussen­tijdse toestand? Nee, de 'opstanding' van de doden.

 

"Doch aangaande de opstanding van de doden," zegt Hij. "Als zij opgewekt zullen worden," zegt Markus; en "dat de doden opgewekt worden," zegt Lukas: "hebt u niet gelezen in het boek Mozes, Ik ben de God Abrahams, en de God Izaaks, en de God Jacobs. God is niet een God der doden, maar een God der levenden."

 

Als bewezen kan worden dat dit citaat de opstanding be­vestigt, dan is het argument aangaande dit gedeelte afgeslo­ten. Dat Mozes met deze woorden, de opstanding van de doden leerde, is duidelijk te zien. Maar, Abraham, Isaäc en Jacob waren dood; doch God is geen God van de doden, (of degenen die onherroepelijk dood zijn, gelijk de Sadduceeën geloofden dat zij waren), maar Hij 'is' de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Wat moeten wij derhalve onvermijdelijk en schriftuur­lijk uit dit feit concluderen? - Wel, eenvoudig dat zij weer zullen leven, of opstaan uit de doden. Met het oog op dit onderwerp reageerde Jezus op de juiste wijze, bewees het punt dat Hij wilde bewijzen, verbijsterde de Sadduceeën en kreeg applaus van de Farizeeën, die in de opstanding geloofden.

 

Maar veronderstel een moment dat de woorden betekenen het­geen algemeen aanvaard wordt, namelijk, dat alle doden leven zonder lichaam, als bewuste geesten in de geestenwereld, wat gebeurt er dan met de reputatie van Christus als spreker, en als leraar der wijsheid gezonden door God? Hij begint met te bewijzen dat er een opstanding zal zijn, maar zie, als Hij Zijn argument heeft afgesloten, wonderlijk om te zeggen! be­weert Hij daarna dat alle doden nu leven, en dat er daarom nooit een opstanding zal zijn, gezien daaraan in dit geval geen behoefte bestaat, en dat de Sadduceeën dit in hun be­woordingen goed hebben uitgebeeld. Hij gaat niet in op de vragen van de Sadduceeën, verdedigt zich niet, maar doet pre­cies het tegengestelde. Gelooft u dat onze Heiland zo zou handelen? Wie gelooft dit?

 

Als iemand zou stellen dat door die woorden een opstanding is bewezen, en beweert dat zulk een opstanding plaatsvindt bij het sterven - een niet ongebruikelijke leer in deze tijd - antwoorden wij dat zij daardoor de theorie van een bewust verder leven van de doden prijsgeven en het bestaan van de­genen die gestorven zijn bevestigen op een andere basis, namelijk een opstanding.

 

Maar verder, dit wijkt eveneens af van hetgeen Christus begon aan te tonen; want Hij verwees naar een gebeurtenis die toen 'toekomstig' was voor de zeven broers en de vrouw die gestorven waren. Zij vroegen Hem, zeggende: "In de op­standing, wanneer zij 'opgestaan' zullen zijn, wiens vrouw zal zij van dezen zijn?" En Jezus antwoordde en zei: "Want als zij uit de doden 'zullen opstaan' zo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk de engelen, die in de hemelen zijn." Markus 12:23-25. In het verslag van Lukas, zegt Jezus nog eens; "Maar die waardig geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden." - Lukas 20:35.

 

Daaruit zien wij dat alom verwezen wordt naar een toekom­stige gebeurtenis. Waarom God zichzelf de God van Abraham, Isaäk en Jacobs noemt, hoewel zij nog dood zijn, leren wij uit Hebr. 11:16. Het is niet omdat zij 'nu' leven, maar om­dat in Gods voornemen, Die spreekt over dingen, die niet zijn, alsof zij waren (Rom. 4:17), dat zij zullen leven, en dat 'Hij een stad voor hen bereid heeft.' Daarom is God niet beschaamd hun God genoemd te worden; want Hij heeft een stad voor hen bereid, die zij in de toekomst zullen bezitten.

 

Gezien deze feiten, moeten onze vrienden voorzichtig zijn dat zij zich niet blootstellen aan de berisping die Christus tot de Sadduceeën sprak: "U dwaalt, u weet niet de Schrif­ten;" want dit voorbeeld, gelijk alle andere, als ze goed worden begrepen, vormen in plaats van hun opvatting te on­dersteunen, een onweerlegbaar bewijs van de opstanding van de doden en een toekomstig leven, en vernietigt daarmee het argument van een bewustzijn in de dood.

 

5.  De rijke man en de arme Larzarus     Lukas 16:19-31

 

In de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, laat Christus zien dat de mensen in dit leven over hun eeu­wige bestemming beslissen. Gedurende de genadetijd wordt iedereen Gods genade aangeboden. Maar als mensen hun kansen verspelen door zich af te wenden, snijden zij zich af van het eeuwige leven. Zij krijgen later geen nieuwe proeftijd. Door hun eigen keuze hebben zij een onoverkomelijke kloof gescha­pen tussen hen en God.

 

Deze gelijkenis duidt op de tegenstelling tussen de rij­ken die God niet tot hun toevlucht maken en de armen die hun vertrouwen op God stellen. Christus laat zien dat de tijd nadert waarin de situatie van deze beide groepen zich keert. Zij die arm zijn in wereldse goederen maar op God vertrouwen en volharden in hun lijden, zullen eenmaal worden verhoogd boven hen die nu belangrijke posities bekleden die de wereld bieden kan, maar die hun leven niet aan God overgeven.

 

In deze gelijkenis benaderde Christus de mensen op hun eigen terrein. Velen die naar de woorden van Christus luis­terden, geloofden in de onjuiste leer van een bewust bestaan gedurende de tijd die ligt tussen het sterven en de opstan­ding. De Heiland kende hun opvattingen en Hij vertelde Zijn gelijkenis zo, dat door middel van deze opvattingen Hij zijn belangrijke waarheden kon ontvouwen. Hij hield de toehoorders een spiegel voor waarin zij zich en hun verhouding tot God konden zien. Hij gebruikte de bestaande opvatting om de ge­dachte door te geven die Hij boven alle andere wilde plaat­sen - dat niemand gewaardeerd wordt op grond van hetgeen hij bezit aan aardse goederen, want al wat hij heeft is hem slechts door de Here geleend. Het misbruiken van deze gaven zal hem plaatsen beneden de armste en meest beproefde mens die op God vertrouwt en Hem liefheeft.

 

Christus wilde dat Zijn toehoorders zouden begrijpen dat mensen na hun dood niets meer aan hun zaligheid kunnen toe­voegen of afdoen. Abraham zegt in deze gelijkenis: "Kind, denk er aan dat u het goede hebt ontvangen tijdens uw leven en insgelijks Lazarus het kwade; nu wordt Hij vertroost en u lijdt pijn. En boven dit alles is er tussen ons en ulieden een onoverbrugbare kloof; opdat degenen die hier tot u zou­den willen gaan dit niet zouden kunnen, en u vandaar niet aan onze kant." Op deze wijze laat Christus zien dat het zin­loos is uit te zien naar een tweede genadetijd.

 

Een aloude fabel ontleend aan het heidendom, komt tot de christenen met de stellige verzekering dat elk mens een on­stoffelijk, eeuwig-bewustzijnd, onvergankelijk bestanddeel bezit; en dat wij deze openbaring hebben ontvangen van Jezus en Zijn apostelen, in plaats van via de onzekere bespiege­lingen van Socrates en Plato. Gesteld wordt dat daarvoor een vaste basis wordt gevonden in Lukas 16:19-31, namelijk het verslag over de rijke man en de arme Lazarus. Men verschuilt zich achter dit verslag alsof het een oninneembare vesting is en vanaf de zogenaamd onoverwinnelijke muren daalt spot en verzet neer op alle oppositie -voerende inzichten, gelijk de verblinde onderdanen van koning Belsazar de soldaten van Kores vanaf de muren van Babylon uitdagende woorden en blik­ken toewierpen.

 

Wij wagen het echter die muur te naderen en op z'n minst op verkenning uit te gaan. Ja, op grond van het verslag zelf, wagen wij het Babylon te belegeren en een gracht rondom haar te graven die, als wij ons niet vergissen, spoedig al haar argumenten ten bewijze van de onsterfelijkheid die zij meent te bezitten doet wegvloeien.

 

Het eerste feit waarop wij de aandacht van de lezer wil­len vestigen is dat Christus, naar aanleiding van dit ver­haal of gelijkenis, of wat het ook mag zijn, naar Mozes en de profeten verwijst voor het verkrijgen van meer informatie aangaande de plaats en de toestand van de doden. In dit ver­haal wordt gesteld dat de rijke man een verzoek richt tot Abraham, dat Lazarus tot zijn broeders zou worden gezonden opdat zij niet in die plaats van pijniging zouden komen. Hoe wilde hij hen waarschuwen? - Door inlichtingen te verstrek­ken aangaande de toestand van de mens na dit leven; door te vertellen hoe het hem, die al het goede in het leven had ge­noten, was vergaan en om hen aan te sporen een leven op aar­de te leiden dat hen ervoor kon bewaren in een soortgelijke situatie terecht te komen.

 

En wat was Abrahams antwoord? - "Zij hebben Mozes en de profeten; laten zij daar naar luisteren….." Als zij niet luisteren naar Mozes en de profeten, zullen zij ook niet luisteren naar iemand die uit de doden opstaat om hen te waarschuwen. Verzen 29-31. Dit wil zeggen, dat Mozes en de profeten hen reeds zulk een grondige informatie hadden ver­strekt aangaande de toestand waarin de mens na dit leven komt te verkeren, dat het niet noodzakelijk is iemand terug te laten keren uit het graf om meer informatie te verstrekken.

 

De rijke man had niet vergeten dat hij een zoon van Abra­ham was, en hij wordt uitgebeeld als een man die in zijn ver­driet Abraham aanroept om hulp. "Vader Abraham," bad hij, "heb medelijden met mij." Hij bad niet tot God, maar tot Abraham. Op deze wijze liet hij zien dat hij Abraham boven God plaatste en dat hij op zijn relatie met Abraham vertrouw­de om gered te worden.

 

Toepassing op het Joodse volk

 

Toen Christus de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus vertelde, bevonden velen onder de Joden zich in de beklagenswaardige positie van de rijke man. Zij gebruikten Gods goederen om hun zelfzucht te bevredigen en over hen werd het oordeel uitgesproken: "U bent gewogen en te licht bevon­den." De rijke man was gezegend met alle aardse en geeste­lijke zegeningen, maar hij weigerde met God samen te werken in het gebruiken van deze zegeningen. Dit was ook het geval met het Joodse volk. De Here had de Joden tot bewakers van de heilige waarheid gemaakt. Hij had hen aangewezen als rent­meesters van Zijn genade. Hij had hun alle mogelijke aardse en geestelijke zegeningen geschonken en hen opgeroepen deze zegeningen door te geven. Zij hadden in het bijzonder onder­richt ontvangen hoe zij hun broeders die tot armoede waren vervallen, moesten behandelen. Zij moesten er niet op uit zijn alles tot hun eigen voordeel aan te wenden, maar moes­ten denken aan de behoeftigen en hun goederen met hen delen.

 

En de rijke man stierf ook

 

Voldoende bewijs is gegeven om aan te tonen dat dit een gelijkenis is. Maar sommigen blijven volhouden dat het geen gelijkenis is, maar een letterlijke beschrijving en om niet eigenwijs te schijnen, zullen wij die in dit licht bezien.

 

Als dit de ware situatie is, moeten alle bijzonderheden letterlijk worden aanvaard. Dan bevinden de goddelozen, ge­kweld door de vlammen van de hel zich binnen een zichtbare en hoorbare afstand van de verlosten in de hemel. Met andere woorden, de hemel bevindt zich aan de oever van de hel; en op dat oever kunnen de verlosten zitten en de verdoemden zien en hun onbeschrijflijke kreten van pijn en angst horen en luisteren naar hun smekingen om verlichting en kreten van onpeilbare vertwijfeling waar geen genezing voor is, en dit in een mate die voldoende schijnt te zijn om de meest meedogen­loze wraak te bevredigen. Als dit zo is, zijn wij genood­zaakt een andere verklaring te geven voor Openb. 6:9,10 aan hand waarvan men algemeen tracht te bewijzen, dat de zielen van martelaren voortdurend tot God roepen om wraakgerichten uit te oefenen over hun vervolgers. Waarom kijken die zielen niet even over de rand van de vuurpoel, om te zien hoe hun vervolgers reeds tevergeefs worstelen in de golven van het helse vuur? En als zij daar nog niet aangeland zijn, dan zul­len zij toch wel binnen korte tijd in die plaats van pijni­ging komen en behoeven daarom de heilige martelaren niet ongeduldig tot God te roepen. Eén van beiden, Openbaring 6:9,10 of het verhaal van Lazarus en de rijke man moet worden opgegeven, want door deze manier van uitlegging verslindt het ene bewijs het andere.

 

De bedelaar stierf en werd door de engelen in Abrahams schoot gedragen. De rijke man stierf ook en werd begraven. Let wel! dat hier sprake is van personen in hun gehele ge­daante en niet over een van hun onmisbare lichaamsdelen of onstoffelijke toevoegsels. Niets wordt gezegd aangaande de 'ziel' van de rijke man of van Lazarus. Als wij dit bezien als een letterlijke gebeurtenis, is er een belangrijke vraag aan de orde. Wanneer dragen de engelen degenen die gestorven zijn als personen (want nergens wordt iets gezegd over enge­len die de zielen van de mensen dragen) in Abrahams schoot of in de toestand van gelukzaligheid? Teksten zoals Matth. 24:30,31 en 1 Thess. 4:16,17 beantwoorden deze vraag zeer nauw­keurig: "En Hij zal Zijn engelen uitzenden met een bazuin van groot geluid, en zij zullen Zijn uitverkorenen bijeen vergaderen uit de vier winden, van het ene uiterste van de aarde tot het andere."

 

Wanneer? - Als de Zoon des mensen straks met glans en heerlijkheid komen zal: want dan zal de bazuin van de aartsengel de rechtvaardigen uit hun slaap op­wekken en de engelen zullen hen de Here tegemoet brengen om vanaf die tijd voor altijd met de Here te zijn. Dan zal Christus alle getrouwen uit hun graven roepen.

 

6. Met mij in het paradijs

 

Volgens het verslag van Lukas 23:33-36 van de kruisiging van Christus, zei een van de twee misdadigers die met Hem gekruisigd werden tot Jezus: "Here, gedenk mijner, als Gij in Uw koninkrijk zult gekomen zijn." En Jezus zeide tot hem: "Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het paradijs zijn." Verzen 42,43. "Dit," zegt de immaterialist, "moet al­tijd gelden als een duidelijke bekendmaking van de ononder­broken onsterfelijkheid van de ziel

 

De 'duidelijke bekendmaking' is op de volgende manier tot stand gekomen; Christus en de dief stierven naar wordt be­weerd, beide op die dag, zij gingen beide op die dag naar het paradijs, en hun toestand was vanzelfsprekend terwijl zij daar waren, een bewuste verstandelijke staat.

 

Er is één feit dat deze 'duidelijke verkondiging' in de weg staat en dat is dat Christus die dag niet naar het para­dijs ging. Om aan te tonen dat Christus die dag niet naar het paradijs ging, vragen wij eerst wat is het paradijs en waar bevindt het zich? Het woord paradijs komt in de Engelse uitgave van de Schrift drie keer voor, alle in het Nieuwe Testament, twee keer in het vers dat wij bespreken, maar dit is ruim voldoende om het af te bakenen en te lokaliseren. Ten eerste, Paulus zegt in 2 Kor. 12:2 "Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrokken is geweest tot de derde hemel." In vers 4 bevestigt hij dat de plaats waarheen de man opgetrokken werd het 'paradijs' was. Dit bevestigt het feit dat het paradijs in de derde hemel is.

 

En in Openb. 2:7 lezen wij de belofte die de Verlosser geeft aan de overwinnaars. Hij zegt: "Die overwint, Ik zal hem geven te eten van de boom des levens, die in het midden van het paradijs Gods is." Dit bevestigt een ander even be­langrijk feit dat het paradijs is waar de 'boom des levens' nu is. Nu, als de Schriften ons elders nog verdere informa­tie geven aangaande de plaats waar de boom des levens gevon­den wordt, hebben wij nog een verder getuigenis aangaande het paradijs.

 

In Openbaring 21 en 22 vinden wij een beschrijving van het Nieuwe Jeruzalem, de heilige stad die boven is. Gal. 4: 26. In Openb. 22:1,2 lezen wij: "En hij toonde mij een zui­vere rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit de troon van God en het Lam. In het midden van haar straat en op de ene en de andere zijde van de ri­vier was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten van maand tot maand gevende zijn vruchten." Door dit getui­genis leren wij dat de boom des levens, die in het midden van het paradijs van God groeit, zich in de heilige stad bevindt, dicht bij de rivier des levens, die voortvloeit uit de troon van God. Niets kan duidelijker zijn dan dit. Wij hebben nu het paradijs van het Nieuwe Testament gevonden. Het is in de derde hemel, waar de boom des levens is, en waar God Zijn re­sidentie en Zijn troon heeft. Daarom begeeft een ieder die het paradijs binnen gaat, zich in de tegenwoordigheid van God. Als de Verlosser zich op de dag van Zijn kruisiging met de berouwvolle dief daarheen had begeven, begaf Hij zich in de tegenwoordigheid van Zijn Vader.

 

Denk aan dit feit als wij eerbiedig luisteren naar de woorden van Here, en geloven wat Hij zegt terwijl Hij van zichzelf getuigt of Hij op de dag van Zijn kruisiging al dan niet naar het paradijs ging. Op de ochtend van Zijn opstan­ding, 'de derde' na Zijn kruisiging, zei Hij tot Maria, die op het punt stond volgens het oude gebruik van eerbied en aanbidding, Zijn voeten te omarmen, "Raak Mij niet aan, want Ik ben nog niet opgevaren tot Mijn Vader;" Joh. 20:17- Be­denk, de derde dag na de kruisiging, en nog niet opgevaren naar de hemel!

 

Maar daarnaast hebben wij een ander positief bewijs dat Christus tussen Zijn dood en opstanding niet naar de hemel, noch naar enige andere halfweegs gelegen plaats ging. De Schriften vertellen ons uitvoerig en precies waar Hij gedu­rende die tijd was, en die plaats was NIET 'Gehenna' de plaats van bestraffing voor de verdoemden, waar - naar wordt beweerd - Hij naar toe ging om te prediken tot de geesten in de gevangenis; en Hij ging ook NIET naar het paradijs. Tot degenen die naar het graf kwamen, zeiden de engelen (Matth. 28:5,6) "U zoekt Jezus, die gekruisigd was. Hij is hier niet: want Hij is opgestaan, gelijk Hij gezegd heeft. Kom en zie de plaats waar de Here lag." Geen getuigenis kon duidelijker zijn dat Hij niet in het graf was omdat Hij opgestaan was. Dit betekent dat Hij - Jezus die gekruisigd was - zich daar bevond tot Hij het na het opstaan uit de dood verliet. Wie kan een dergelijk getuigenis opzij zetten?

 

Gezien de huidige uitlegging van Christus' woorden ge­richt tot de dief, daardoor volkomen faalt, keren wij terug tot de tekst voor een andere verklaring van de uitdrukkings­wijze die daar gebruikt werd: "Waarlijk Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn."

Toen Jezus deze woorden sprak bestonden er nog geen pun­ten, komma's en andere leestekens. Jezus zei tot de dief: "Waarlijk Ik zeg u heden zult gij met Mij in het paradijs zijn." Met andere woorden: "Vandaag beloof Ik u dat u op ze­kere dag met Mij in het paradijs zult zijn."

 

Aangaande de interpunctie zelf, weten wij allen dat dit niet het werk der inspiratie is; en bovendien dat die van recente oorsprong is. De komma in zijn huidige vorm werd eerst in het jaar 1490 na Chr. uitgedacht door Manutius, een geleerde drukker in Venetië. Het is derhalve geoorloofd die toe te passen op elke manier die de bedoeling van de Schrift­gedeelten, of de samenhang vereist.

De woorden die Jezus tot de moordenaar sprak doelden op de toekomst. Dat door de toepassing van de komma een geheel onjuiste betekenis werd gegeven aan de zin: "Waarlijk Ik zeg u heden zult gij met Mij in het paradijs zijn", blijkt uit het feit dat de moordenaar op die dag niet met Jezus naar het paradijs ging. Jezus stierf op die dag, maar de moorde­naar niet. De joodse wet schreef voor dat een misdadiger ge­durende de sabbat niet aan het kruis mocht hangen. Joh. 19:31.Daarom, toen de misdadiger nog leefde op het tijdstip dat hij van het kruis werd genomen, braken zij zijn benen. Dit was de toestand van de dieven toen de tijd kwam om de lichamen van het kruis te nemen. De misdadigers leefden nog, en daarom werden hun benen gebroken. Hoe lang zij daarna nog leefden weten wij niet. Maar toen de soldaten tot Jezus kwa­men en zagen dat Hij reeds dood was, braken zij Zijn benen niet. Joh. 19:32,33.

 

Nu, als ondanks deze twee feiten; ten eerste dat Christus uitdrukkelijk verklaarde dat Hij 'die dag niet naar het pa­radijs ging' en ten tweede dat de dief 'op die dag niet stierf,' iemand wil blijven beweren dat Christus en de dief die dag naar het paradijs gingen, dan toont hij dat hij ge­leid wordt door vooringenomenheid en eigenzinnigheid en niet door kennis en verstand.

 

7.  Uit het lichaam

 

Een ander gedeelte waarvan verondersteld wordt dat die een afzonderlijk, bewust bestaan van de ziel aantoont wordt gevonden in 2 Kor. 5:8. "Maar wij hebben goede moed, en heb­ben meer behagen om uit het lichaam te wonen, en bij de Here te wonen."

 

Uitgaande van het erkende beginsel dat het onlogisch is te trachten een belangrijke leer op één enkel Schriftgedeel­te te funderen zonder de algemene strekking van de samenhang in overweging te nemen, en niet ook andere geschriften van dezelfde schrijver te raadplegen, laten wij eens enkele an­dere verklaringen bezien die Paulus in dit verband gegeven heeft.

 

In vers 1 van dit hoofdstuk spreekt Paulus over ons aard­se tehuis en een hemels tehuis en zegt: "Want wij weten, dat, zo ons aardse huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen." Hij drukt de toestand uit waarin wij ons in ons aardse tehuis bevinden."

Vers 2: "want ook in de­zen zuchten wij," (vers 4) "bezwaard zijnde." Hij vertelt ons waarnaar wij in deze toestand verlangen. Verzen 2,3: "Verlangende met onze woonstede, die uit de hemel is, overkleed te worden." In vers 4 herhaalt Paulus al deze feiten, om het resultaat te bevestigen van het werk waarnaar hij verlangde: "Want ook wij, die in deze tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde: nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed zijn." Nu verklaart hij het resultaat van het over­kleed' zijn met het hemels tehuis, dat hij zo oprecht verlangt: "Maar overkleed worden, dat het 'sterfelijke' van het leven verslonden worde."

 

Dan verklaart hij dat de staat die hij bedoelde die is; die God in het begin voor het menselijk ras bepaalde: "Die ons nu tot ditzelfde bereid heeft, is God."Dat wil zeggen, God besloot dat wij uiteindelijk die staat zouden bereiken die hij hier aanduidt als omkleed zijn met ons hemels tehuis.

 

Dan verklaart hij welke zekerheid wij in dit leven hebben dat wij deze staat eventueel kunnen bereiken: "Die ons ook het onderpand des geestes gegeven heeft." Dat is, de Geest wonende in onze harten is de zekerheid, of belofte, die wij hebben, dat wij uiteindelijk het verlangen van onze harten zullen ontvangen, en bekleed zullen zijn met het hemels te­huis. In vers 6 verklaart hij dat dit de basis is van zijn vertrouwen, hoewel wij "inwonende zijn in het lichaam, uitwonen van de Here." En dan, nadat hij incidenteel het geheim verklaart van de christelijke wandel in dit leven - "wij wandelen door geloof niet door aanschouwen," schreef hij de tekst geciteerd aan het begin van dit onderwerp, verklarende dat hij liever uit het lichaam woonde, om bij de Here te wonen.

 

Wij hebben nu het volledige onderwerp voor ons dat Paulus hier behandelt. Nu een gedachte aangaande de betekenis van de uitdrukkingen die hij gebruikt. Wat bedoelt hij met 'aardse huis' en het 'hemelse huis' met 'overkleed' zijnde en 'ontkleed' zijn? met 'opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde' en zijnde 'uit het lichaam te wonen?' en 'bij de Here te wonen?'

 

Hetgeen hij in vers 1 'ons aardse huis' noemt, omschrijft hij in vers 6 als zijnde 'inwonende in het lichaam.' De be­langrijke eigenschap van dit huis is dat het ontbonden zal worden, en dus sterfelijk is. Dit aardse huis is daarom ons sterfelijk lichaam of wat in feite hetzelfde is, deze huidige sterfelijke toestand. Het hemelse huis is' eeuwig, of on­sterfelijk. Dit is daarom analoog redenerend, het onsterfe­lijke lichaam, of 'de toestand van onsterfelijkheid' die de verlosten na de opstanding wacht.

 

In Rom. 8:22,23 spreekt Paulus zeer duidelijk over deze twee omstandigheden. "Want wij weten dat het ganse schepsel te samen zucht, en te samen in barensnood is tot nu toe. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, die de eerstelingen des geestes hebben, wij ook zelf zuchten in onszelf, verwachten­de de aanneming van kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam."

 

Niemand kan de overeenkomst tussen dit gedeelte in Romei­nen en dat deel van 2 Kor. 5 dat wij overdenken ontgaan. Tot de Korinthiërs zegt Paulus dat wij in ons aardse huis zuch­ten, bezwaard zijnde; aan de Romeinen geeft hij dezelfde ge­dachte te kennen door te zeggen dat wij "zuchten in ons zelf," of in dit sterfelijk lichaam.

Aan de Korinthiërs schrijft hij dat terwijl wij in deze toestand verkeren wij "het onderpand des geestes" hebben; aan de Romeinen zegt hij dat wij de "eerstelingen des Geestes hebben," hetgeen het­zelfde is - het onderpand, zekerheid; aan de Korinthiërs schreef hij dat wij verlangen "overkleed te worden met ons huis;" aan de Romeinen dat wij "wachten op de aanneming tot kinderen, namelijk de verlossing van ons lichaam." Het uit­eindelijke doel - in beide gevallen, als een kwestie van hoop en verlangen is 'verlossing' ofwel het 'eeuwige leven;' maar in het ene geval wordt het genoemd 'zijnde omkleed met ons hemels huis uit de hemel,' en in het andere wordt gezegd dat het ' de verlossing van ons lichaam is.' Deze twee uit­drukkingen duiden daarom op een en dezelfde gebeurtenis.

 

8. Uit het lichaam

 

Terugkerende tot een overweging van de betekenis van de woorden die Paulus in 2 Kor. 5 gebruikte, vragen wij wat be­doeld wordt met ontkleed zijn. en het duidelijk antwoord is; "De ontbinding van ons aardse huis, of het overlijden van ons sterfelijk lichaam." De toestand van de dood, is de toestand waarin wij ontkleed zijn. En het gekleed zijn is te worden bevrijd uit de toestand van de dood, of als wij leven bij Christus' komst veranderd worden, als sterfelijk­heid overgaat in onsterfelijkheid, en wij opgenomen worden in de tegenwoordigheid van de Here.

 

Dan trekt Paulus een zeer duidelijke conclusie dat "ter­wijl wij inwonende zijn in het lichaam, wij uitwonen in de Here' en voegt eraan toe dat hij bereid is "uit het lichaam te wonen, en bij de Here te wonen."

 

Het enige vers waaruit een bewust bestaan na de dood zou kunnen worden afgeleid, is vers 8 waarin Paulus spreekt over "uit het lichaam te wonen" en "bij de Here te wonen." Maar zelfs hier zal blijken dat de hele kwestie zich draait om het tijdstip waarop wij voor de Here zullen verschijnen. Is dit onmiddellijk na de ontbinding van ons aardse huis? Deze tekst zwijgt over dit punt, maar de voorgaande verzen lossen de moeilijkheid volledig op, zoals hierna zal worden aange­toond.

 

Wijden wij ons daarom een ogenblik aan enkele beschou­wingen waaruit blijkt dat het onmogelijk is de populaire op­vatting aangaande het bewustzijn in de dood in overeenstem­ming te brengen met de opmerkingen die de apostel hier maakt. Beweerd wordt dat het huis, dat wij in de hemel zullen bezit­ten, de onsterfelijke ziel is waarmee wij onmiddellijk in de hemel gaan als het aardse huis ontbonden is. Aannemende dat dit zo is, laten wij een weinig verder gaan en zien met welk probleem deze opvatting uiteindelijk te maken krijgt. De tijd komt waarin het sterfelijk lichaam wordt opgewekt uit de doden en onsterfelijk wordt gemaakt. Dan neemt de ziel, volgens deze populaire opvatting, opnieuw bezit van het li­chaam. In deze verloste lichamen zullen zij tot in alle eeu­wigheid in Gods koninkrijk wonen. Dit is uiteindelijk ons eeuwig tehuis. Maar als wij dit in bezit nemen, wat gebeurt er dan met ons huis dat wij tussen de dood en de opstanding bewoonden? Als wij bij het sterven onmiddellijk onze sterfe­lijke lichamen verlaten om een geestelijk lichaam binnen te gaan dat voor ons bereid is, dat het tehuis is dat wij in de hemel bezitten, en waarin wij tot de opstanding zullen le­ven, dan zal, als onze natuurlijke lichamen na Jezus' komst weer verlost zijn en wij die weer in bezit nemen, dit nood­zakelijkerwijs tot gevolg hebben dat wij het tweede huis dat wij in de hemel hadden moeten verlaten. Wat gebeurt er dan met dat huis?

 

Verder introduceert deze opvatting iets waarover Paulus niet gesproken heeft; want hier is sprake van drie huizen:

 

1) het sterfelijk lichaam ofwel ons aardse huis;

20 de onsterfelijke ziel waarin wij in de hemel wonen;

3) het lichaam dat onsterfelijk opgewekt wordt en weer in bezit genomen wordt.

 

Volgens deze opvatting moet een van de drie huizen worden verlaten en tot een ruïne vervallen, of moet op een andere wijze worden opgeruimd als wij bezit nemen van onze verloste lichamen. Dit is onschriftuurlijk en absurd. Dit is een onmogelijke opvatting.

 

Verder: Paulus bevestigt in 2 Kor. 5:5 dat God ons tot ditzelfde bereid heeft, dat is, Hij heeft ons geschapen in zulk een staat die wij tenslotte zullen bereiken nadat wij met ons hemels huis overkleed zijn. Is die toestand het on­afhankelijk bestaan van een onsterfelijke ziel? -  Nee; want als de mens nooit gezondigd had, zou hij die staat hebben bereikt zonder de dood te zien, en zou de gedachte aan een onsterfelijke ziel nooit opgekomen zijn. De gehele leer is een vrucht van de zonde, want ze is het gevolg van de zonde­val van de mens. Het is de tweede misleiding die de duivel noodzakelijk achtte om zijn eerste: "Gij zult de dood niet sterven" te ondersteunen. Want zodra al hetgeen uiterlijk, tastbaar en zichtbaar is van de mens sterft, wordt zijn leu­gen openbaar, tenzij hij hen kan doen geloven dat er sprake is van een onzichtbaar medium waardoor zij toch blijven le­ven. In dit Schriftgedeelte dat wij voor ons hebben verwijst Paulus derhalve niet naar een tussentijds bestaan.

 

Verder zegt hij dat wij door de Geest een onderpand of belofte bezitten dat deze toestand, die uitgebeeld wordt als het hoofddoel van ons verlangen, uiteindelijk bereikt zal worden en dat wij bekleed zullen worden met ons hemels te­huis ofwel lichaam. Maar waarvan is de Heilige Geest in onze harten een onderpand of belofte?

Wat betekent het dat wij hier een mate van de Heilige Geest bezitten? Is het een be­wijs of zekerheid dat wij onsterfelijke zielen bezitten die zullen leven als de lichamen dood zijn? -  Nee, maar dat wij verlost worden en onsterfelijk gemaakt zullen worden. Zie Efeze 1:13,14.

"In welken ook u zijt, nadat u het woord der waarheid, namelijk het evangelie der zaligheid gehoord hebt; in welken gij ook, nadat u geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met de Heilige Geest der belofte: Die het on­derpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot de prijs zijner heerlijkheid." En in Rom. 8:11 zegt Paulus nog eens: "En indien de Geest Desgenen, Die Jezus uit de doden opgewekt heeft, in uw woont, zo zal Hij, die Christus uit de doden opgewekt heeft, ook uw sterfelijke lichamen le­vend maken, door Zijn Geest die in u woont."

 

Dit zijn de heerlijke beloften waarvan de inwoning van de Heilige Geest in onze harten een onderpand is. Onze lichamen zullen weer verrijzen, gelijk ook Jezus uit de dood opgewekt is; en wij zullen onze erfenis ontvangen zodra wij verlost zijn. Dit duidt niet op een tussentijdse toestand, maar op de uiteindelijke beloning. En tenslotte sluit Paulus voor altijd zijn leer af tegen de entree van het bewuste- staat- dogma door te zeggen dat wanneer wij bekleed zijn met ons hemels tehuis, het sterfelijke van het leven verslonden wordt. - 2 Kor. 5:4.

Hoe kan het sterfelijke van het leven verslonden worden? - Alleen door het bezitten van een levensbeginsel waardoor het overwonnen en verzwolgen zal worden. Sterfelijkheid kan alleen verslonden worden door onsterfelijkheid, of eeuwig leven. Is dit de uitvaart van de ziel uit het sterfelijke li­chaam in het uur van de dood? Laten wij dit eens bezien.

 

Wat bezit de mens volgens de gangbare opvatting dat ster­felijk is? - Het lichaam. En wat is volgens deze opvatting onsterfelijk? - De ziel. Het lichaam wordt bij het sterven niet onsterfelijk, maar verliest alle levenskracht en gaat in het graf om tot stof te vergaan. En de ziel, die naar gezegd wordt reeds onsterfelijk was, is daarom niet onsterfelijker geworden. Wordt de sterfelijkheid hier opgeslokt door leven? - Integendeel. Sterfelijkheid, of het sterfelijk doel, wordt opgeslokt door de dood. Daarin is evenals voor­dien geen leven; want na het overlijden is de ziel, die al­leen leeft zo lang het lichaam leeft, dood.

 

Maar Paulus had, voordat hij die woorden in 2 Kor. 5 schreef, de Korinthiërs reeds verteld wanneer het sterfelij­ke door het leven zal worden vervangen, en hoe dit tot stand zal worden gebracht; daarom wist hij, toen hij dit gedeelte van zijn tweede brief schreef, dat zij dit volkomen zouden begrijpen. Zie ook het 15e hoofdstuk van zijn eerste brief, verzen 51-55; "Zie, ik zeg u een verborgenheid; wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden; in een punt des tijds, in een ogenblik, met de laat­ste bezuin: want de bazuin zal slaan, en de doden zullen on­verderfelijk opgewekt, en zij zullen veranderd worden. Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Dood! waar is uw prikkel? Hel (graf) waar is uw overwinning?"

 

In vers 50 zegt hij: "Doch dit zeg ik u, broeders, dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet beerven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet."

 

Het sterfelijk lichaam bezit geen onsterfelijke eigen­schap dat het in zijn greep kan houden totdat die greep door de dood zijn kracht verliest en de ziel in blijde verrukking opwaarts stijgt. Maar dit verderfelijke - al hetgeen sterfe­lijk is aan de mens - moet onsterfelijkheid aandoen, en dit verderfelijke - alles aan ons wat vergankelijk is - moet on­verderfelijkheid aandoen: dan zal het niet dit verderfelijke vlees en bloed zijn; en dan kan het het koninkrijk Gods beërven, en kan vrijmoedig en krachtig beginnen aan zijn loop­baan van een eeuwig leven. Zonder deze verandering, en onaf­hankelijk van deze grootse bekleding van onze sterfelijke natuur met onsterfelijkheid, is er geen leven voor iemand uit het menselijk gezin. En als dit voltooid is, dan is de dood overwonnen; dan zijn wij bekleed met ons hemels tehuis, dan is sterfelijkheid overwonnen door het leven. Maar dit gebeurt niet bij het sterven, maar bij de laatste bazuin, als de Here verschijnt in heerlijkheid, en de doden opgewekt worden, en de rechtvaardige levenden in een oogwenk veran­derd worden. Hoe kan een godsdienstige wereld op zulk een pad struikelen?

 

Maar als ons toekomstig onsterfelijk lichaam ons hemels tehuis is, kan gevraagd worden hoe Paulus kan zeggen, zoals hij in 2 Kor. 5:1 doet, "Wij hebben (tegenwoordige tijd) een gebouw van God, een huis niet met handen gemaakt, maar eeu­wig in de hemelen?" Wij bezitten die reeds in dezelfde zin als wij thans het eeuwig leven deelachtig zijn. Johannes ver­telt ons hoe dit is: het is door het geloof, of door de be­lofte, niet door huidig bezit. 1 Joh. 5:11: "En dit is de getuigenis, namelijk dat ons God het eeuwige leven heeft ge­geven;" en op grond van deze belofte bezitten wij het. Maar waar is het nu? En is dit leven - in ons? Nee, maar " in Zijn Zoon," en als Hij, de Zoon, die ons leven is, zal ver­schijnen, zullen wij omkleed worden met ons hemels tehuis, en met Hem "in heerlijkheid geopenbaard worden." Kol. 3:4.

 

Nog eens; gevraagd kan worden hoe Paulus kan spreken over twee huizen, alsof wij van het ene naar het andere verhuizen, terwijl het alleen een verandering van toestand is van ster­felijkheid in onsterfelijkheid. Hij beeldt die uit in het zinnebeeld dat hij gebruikt om bekering uit te beelden. Efeze 4:22-24. "Te weten dat gij zult afleggen aangaande de vori­ge wandel, in de oude mens, die verdorven wordt door begeer­lijkheden der verleiding; en dat u zoudt vernieuwd worden in de geest uws gemoeds, en de nieuwe mens aandoen, die naar God geschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid." Hier is de eerlijke verandering van het hart, de verandering van karakter, van zonde tot heiliging, waarover gesproken wordt als het afleggen van de ene mens en aandoen van de an­dere. Met zelfs grotere gepastheid kan de verandering van sterfelijkheid tot onsterfelijkheid worden bezien als een verhuizing van een aards, vergankelijk huis naar een onver­gankelijk hemels tehuis.

 

De woorden die Paulus gebruikte om de twee situaties te beschrijven, zijn duidelijk afgebakend. Enerzijds zijn zij een 'aards huis' kreunend onder de lasten, 'sterfelijkheid' 'niet van de Here.' Anderzijds werden de woorden gebruikt; 'overkleed zijn met ons hemels tehuis,' - 'opdat het sterfe­lijke leven verslonden worde,' - 'bij de Here in te wonen.' Hij begeerde niet 'ontkleed' te worden, hetgeen duidt op de toestand van de doden; maar hij verlangde er naar bij de Here te zijn. Hij wilde daardoor te kennen geven dat de christen in de dood niet bij de Here is.

 

Uit dit alles kunnen wij alleen maar concluderen dat, toen hij zei dat hij bereid was om uit te wonen uit het li­chaam en bij de Here te zijn, hij bedoelde dat hij bereid was afstand te doen van dit bezwaard, belast, sterfelijk li­chaam; dat wil zeggen, dat deze sterfelijke toestand, waarvan dit lichaam een voorbeeld is, tot een einde zou komen. Hij was bereid, of verlangde ernaar bij de Here te zijn, dat is, om het beloofde geestelijke, onsterfelijke lichaam te bezit­ten omdat wij alleen daarin in de tegenwoordigheid van God kunnen wonen. En overtuigd zijnde, door de tegenwoordigheid van de Geest van God in zijn hart, dat als deze verandering zou plaatsvinden, hij daarin een glorieus aandeel zou heb­ben, was hij meer dan gewillig die verandering te ondergaan. Het was slechts een herhaling van het gebed dat gelijk een voortdurende zucht is opgestegen uit het hart van de gemeen­te gedurende haar moeizame pelgrimsreis; "Uw koninkrijk kome, ja, kom Here Jezus, kom spoedig;" niet, "Laat onze on­sterfelijke zielen," waarvan zij niet veronderstelden dat zij die bezaten, "overgaan in een bewuste toestand in de dood" - waarin zij niet geloofden.

 

9. In het lichaam uit het lichaam

 

Vol overtuiging is beweerd dat Paulus geloofde dat een mens onafhankelijk van het lichaam kan bestaan, dit op grond van enkele uitspraken die hij deed in 2 Kor. 12:2-4.

 

"Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren (of het geschied zij in het lichaam, weet ik niet, of buiten het li­chaam, weet ik niet, God weet het), dat de zodanige opgetrok­ken is geweest tot in de derde hemel; En ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam, of buiten het lichaam zij, God weet het), dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mens niet geoorloofd is uit te spreken."

 

Hier wordt algemeen van verondersteld dat de man die hij kende, hijzelf was, en dat de woorden die hij gebruikte een verslag waren van zijn eigen ervaring. Paulus werd opgenomen tot in de derde hemel, tot in het paradijs, en hoorde woorden die een mens volgens de wet niet zou mogen spreken; maar hij wist niet of hij in of buiten het lichaam was.

 

Dit voorbeeld voorziet niet in een bewijs dat een geest inderdaad uit het lichaam in bewuste staat kan leven, zelfs al werd dit bedoeld door de uitdrukking 'buiten het lichaam' want Paulus verzekert ons dat hij niet wist of hij in een toestand buiten het lichaam verkeerde. Toch wordt beweerd dat dit een duidelijk voorbeeld is, want zulk een toestand wordt als zijnde mogelijk bezien. Wij geven direct toe dat zulk een toestand erkend is, gelijk ze uitgedrukt is door de woorden 'buiten het lichaam' doch dat dit duidt op een onstof­felijke geest, een onsterfelijke ziel, de echte verstandige mens, die zich door het universum voortspoed zelfs tot in de derde hemel, om daar onuitsprekelijke woorden te horen, en hemelse informatie te verzamelen, en zich daarna weer in het lichaam begeeft, dat gedurende een tijd verlaten was, moet niet te snel aan dit gedeelte worden ontleend.

 

Hier wordt algemeen verondersteld dat de man die hij ken­de, hijzelf was, en dat de woorden die hij gebruikte een ver­slag waren van zijn eigen ervaring. Paulus werd opgenomen tot in de derde hemel, tot in het paradijs, en hoorde woor­den die een mens volgens de wet niet zou mogen spreken; maar hij wist niet of hij in of buiten het lichaam was.

 

Dit voorval voorziet niet in een bewijs dat een geest in­derdaad buiten het lichaam in bewuste staat kan leven, zelfs al werd dit bedoeld door de uitdrukking 'buiten het lichaam' want Paulus verzekert ons dat hij niet wist of hij in die toestand verkeerde. Toch wordt beweerd dat dit een duidelijk voorbeeld is; want zulk een toestand wordt als zijnde moge­lijk bezien. Zeer snel wordt gesteld dat zulk een toestand erkend is, gelijk ze uitgedrukt is door de woorden 'buiten het lichaam' Doch, dat dit duidt op een onstoffelijke geest, een onsterfelijke ziel, de echte verstandige mens, die zich door het universum voortspoed zelfs tot in de derde hemel, om daar onuitsprekelijke woorden te horen en hemelse infor­matie te verzamelen, en zich daarna weer in het lichaam be­geeft dat gedurende een tijd verlaten was, moet niet te snel aan dit gedeelte worden ontleend.

 

Waar sprak de apostel over? In de verzen 1, 2 zegt hij: "Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar; want ik zal komen tot gezichten en openbaringen van de Here. Ik ken een mens in Christus, voor veertien jaren," enz. zoals reeds geciteerd. Zijn onderwerp, de visioenen en openbaringen die hij van de Here had ontvangen; en de woorden van vers 2 tot vers 4 vormen een verslag van zulk een opmerkelijke openbaring, misschien de meest opmerkelijke die hij ooit heeft meege­maakt. Hem werd een visioen gegeven van het paradijs, en hij hoorde onuitsprekelijke woorden. En zo echt en levendig was dit visioen, dat hij niet wist of hij lichamelijk naar die plaats was gebracht. Als dit niet is gebeurd, dan is het vi­sioen op de gebruikelijke wijze gegeven, dat wil zeggen, dat men door de kracht van de Heilige Geest een gebeurtenis ziet plaatsvinden.

 

Allen moeten toegeven, dat alleen die twee mogelijkheden naar voren worden gebracht, - hetzij door lichamelijk op te stijgen naar het paradijs, of in de normale toestand van een 'visioen zien.' Als hij lichamelijk naar het paradijs ging, heeft dit vanzelfsprekend geen invloed op de vraag aangaande het bewustzijn in de dood. En als dit een gewoon visioen was, hoe wordt daardoor een bewustzijn in de dood bewezen? De vraag is beperkt tot dit ene punt; en het antwoord ligt bij de definitie gegeven van de uitdrukking 'buiten het lichaam.'

 

Bedoelde Paulus daarmee hetgeen de moderne uitleggers ons willen doen geloven? Paulus bedoelde daarmee eenvoudig, dat hij een visioen zag; de reeds genoemde uitleggers bedoelen daarmee het "uitgaan van de onsterfelijke geest uit het li­chaam en zijn bestaan gedurende een tijd in een afzonder­lijke, bewuste, verstandelijke staat onafhankelijk van het lichaam."

 

Maar laten wij iets verder kijken en zien hoe die toestand is. Volgens de algemene opvatting, is het scheiden van de ziel van het lichaam 'sterven.' Dit is wat onder dood ver­staan wordt. Er kan niet iets bestaan zoals een scheiding van lichaam en ziel, zonder dat de dood intreedt. En het te­rugkeren van de ziel om weer in het lichaam te gaan wonen, is een opstanding uit de doden. Dit is wat in het geval van Rachel wordt bedoeld, haar ziel (de adem) verliet haar, en zij stierf (Gen. 35:18); en het zoontje van de weduwe, die door Elia werd opgewekt, diens ziel (adem) keerde in hem te­rug en hij herleefde. - 1 Kon. 17:22.

 

Maar is er iemand die meent dat Paulus bedoelde te zeggen dat hij stierf en een opstanding had? Dit is wat hij zei als de woorden ‘buiten het lichaam’ zouden betekenen wat sommi­gen ons willen laten denken. Zijn ziel ging naar het paradijs en zijn lichaam lag hier, wij weten niet hoe lang, als een lijk op deze aarde! En toen zijn ziel terugkeerde, had hij een opstanding uit de doden. De noodzaak van deze absurde conclusie, moet voldoende zijn om een ieder er van te over­tuigen dat Paulus met de uitdrukking 'buiten het lichaam' niet de toestand van de doden bedoelde. Hij bedoelde eenvoudig dat hij een visioen had, een toestand waarin de geest gedurende een tijd wordt geleid door de Heilige Geest en in staat is kennis te nemen van nabije of toekomstige gebeurte­nissen, en de persoon zelf komt het voor of hij zelf licha­melijk aanwezig is, de gebeurtenissen ziet en luistert naar de woorden die gesproken worden. Dromen, die mensen hebben gehad, zijn ongetwijfeld goede voorbeelden van hoe dit kan plaatsvinden, en het geval van Johannes in de Openbaring, voorziet in een opmerkelijk voorbeeld. Hij werd weggevoerd tot in de verre toekomst en scheen aanwezig te zijn en deel te hebben in gebeurtenissen die toen nog niet bestonden, en waarbij hij in werkelijkheid niet aanwezig had kunnen zijn, zelfs niet in zijn veronderstelde onstoffelijke, onsterfe­lijke ziel. In de gewone omgangstaal wordt iets dergelijks ook gevonden als wij van iemand zeggen dat hij zijn hoofd kwijt is ; maar niemand veronderstelt dat deze uitdrukking duidt op een letterlijk verlies. Evenmin duidt de uitdrukking 'bui­ten het lichaam' op zulk een scheiding.

 

Paulus verwees in 2 Kor. 12:2-4 in geen enkel opzicht naar de toestand van de doden. Te veronderstellen dat hij overeenkomstig de immaterialistische opvatting daarnaar verwees zou ons tot de grootste absurditeiten leiden. Zijn woorden leveren derhalve geen enkel bewijs dat er in de mens een ziel is die in bewuste, verstandige staat kan leven, terwijl het lichaam tot stof terugkeert.

 

10.  Ontbonden en met Christus zijn

 

Wanneer zullen allen het eens zijn aangaande de toestand van de doden? Wanneer zal de vraag of de doden leven en be­wust en actief zijn, of dat zij rusten in het graf en zich van niets bewust en inactief zijn, worden beantwoord? Wan­neer zal men besluiten of de zegekreet: "Dood! waar is uw prikkel? Hel (graf) waar is uw overwinning?" een uitroep is van de verlosten over een werkelijke overwinning of dat het slechts iets figuurlijks of denkbeeldigs is, zoals het moet zijn als het graf niet de werkelijke mens, maar alleen een omhulsel, het sterfelijk lichaam bevat, dat algemeen wordt bezien als een onnodig omhulsel en een belemmering.

 

Deze vraag zal niet eerder worden beantwoord dan totdat de mensen gewillig zijn de Schriften te aanvaarden en te vol­gen, in plaats van te trachten de Schriften te dwingen hen te volgen. Nooit zal, zo lang zij het zinnebeeldige in plaats van het letterlijke en het letterlijke in de plaats van het zinnebeeldige stellen, en vast blijven houden aan een mogelijke betekenis van één enkele tekst, de leer van de geïn­spireerde schrijvers begrepen worden.

 

Paulus heeft ons vaak genoeg en naar het schijnt nadruk­kelijk genoeg gezegd, wanneer de christen zich met zijn Here zal verenigen. Dat is bij de verlossing van het lichaam. Rom. 8:23. Het is op de dag van de Here Jezus. 1 Kor. 5:5. Het is bij de laatste bazuin. 1 Kor. 15:51-55. Het is wanneer wij overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde. 2 Kor. 5:4. Het is als Christus, ons leven, zal verschijnen. Kol. 3:4. Het is als de Here neerdaalt uit de hemel met een kreet, en de doden opgewekt worden. 1 Thess. 4:16:17. Het is bij de komst des Heren. 2 Thess. 2:1. Het zal zijn 'op die dag' , een uitdrukking die Paulus vaak aan­duidt als de dag van Christus' verschijning. 2 Tim. 4:7,8. Maar Paulus heeft bij één gelegenheid, zonder een nadere verklaring te geven, de uitdrukking gebruikt "'om ontbonden te worden en met Christus te zijn;" en op grond daarvan wor­den zijn woorden door de godsdienstleraars aangegrepen als een onweerlegbaar bewijs dat na de dood de geest zich direct in de tegenwoordigheid van Christus begeeft. Dit gedeelte wordt gevonden in Fil. 1:21-24 en luidt als volgt:

 

"Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin. Maar of te leven in het vlees, hetzelve mij oorbaar zij, en wat ik verkiezen zal, weet ik niet. Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te wor­den en met Christus te zijn, want dat is zeer verre het bes­te. Maar in het vlees blijven, is nodiger om uwentwil."

 

Omdat wij bereid zijn zo ver mogelijk met onze vrienden mee te gaan in de verklaring van de Schrift, blijven wij niet stilstaan bij wat Paulus bedoelde met de woorden "ont­bonden worden." Ongetwijfeld bedoelt hij hier hetzelfde als in 2 Tim. 4:6 waar hij zegt: "De tijd mijner ontbinding is aanstaande," verwijzend naar zijn naderende dood. Betekende dit dat Paulus direct na zijn sterven bij Christus zou zijn? - O nee! De juiste bedoeling moet in dezen worden aanvaard. Paulus dacht aan twee omstandigheden: de bestaande toestand en de komende situatie. Tussen die twee bevond hij zich. Gods werk hier op aarde, de belangen van de gemeente, die zijn groot en liefdevol hart tot in het diepste troffen, trokken hem hier; zijn eigen verlangens trokken hem naar een toestand van overwinning en rust. En de invloeden die hem naar beide kanten trokken, waren zo zeer met elkaar in even­wicht dat hij nauwelijks wist wat hij kiezen zou als hem de keus zou worden gelaten. Niettemin zei hij dat het voor de gemeente beter was hier te blijven om hen met raad en daad bij te staan.

 

De staat en toestand waarnaar hij uitzag werd zeer door hem begeerd. Ongeveer vier jaar voordat hij deze woorden aan de Filippensen schreef, had hij de Korinthiërs geschreven en vertelde hen waarnaar hij verlangde, en waar hij niet naar verlangde ten aanzien van de toekomst. Hij zei: "Nademaal wij niet ontkleed willen zijn." 2 Kor. 5:4. Met ontkleed zijn bedoelde hij de toestand van de doden na het beëindigen van het sterfelijk leven tot de opstanding. Daar verlangde hij niet naar; maar hij voegt er direct aan toe waar hij wel naar verlangde; namelijk "overkleed te worden, opdat het ster­felijke van het leven verslonden zou worden;" en als dit ge­daan is, en als wat sterfelijk is onsterfelijk gemaakt is, dan worden de doden opgewekt en is het lichaam verlost. Rom. 8:23; 1 Kor. 15:52,53.

 

In de brief aan de Korinthiërs drukte hij het doel van zijn verlangen uit door te zeggen dat hij verlangde over­kleed te worden en dat het sterfelijke leven voorbij mocht gaan; in de zendbrief aan de Filippensen geeft hij het ver­langen te kennen ontbonden te worden en met Christus te zijn. Deze uitdrukkingen hebben dezelfde betekenis. Daarom ging Paulus in Fil. 1:23 voorbij aan de toestand van de doden, de onbeklede staat, evenals hij gedaan had bij de Korinthiërs, want hij kon de Korinthiërs niet zeggen dat hij 'niet' naar een bepaalde staat verlangde, en vier jaar later aan de Fi­lippensen schrijven dat hij er 'wel' naar verlangde. Paulus sprak zichzelf niet tegen.

 

Maar deze tussentijdse toestand is het omstreden punt in deze strijd; de toestand van de doden vormt in deze vraag het kernpunt; en hierover zwijgt de tekst in alle talen. Dit is het gevoelige punt in het algemene argument aangaande deze tekst. Aangenomen wordt dat onmiddellijk na het over­lijden het samenzijn met Christus werkelijkheid wordt. Hoe­wel deze tekst dienaangaande niets bevestigt, bevestigen vele andere teksten dat het moment waarop wij in de tegenwoordigheid van Christus komen en onsterfelijkheid ontvangen een toekomstige gebeurtenis is na de opstanding van de doden. Laat ons daarom eens zien of er in de woorden van Paulus iets gevonden wordt dat de mening weerlegt dat er een perio­de van volledige bewusteloosheid, van grotere of kleinere duur tussen de dood en ons ingaan in de hemel bestaat.

 

Eerstens, als naar verondersteld mag worden de bewuste­loosheid absoluut is, dan is het tijdsverloop voor de mens niet waarneembaar. Zodra het bewustzijn terugkeert, wordt de gedachten-lijn weer opgenomen op het punt waarop de bewuste­loosheid intrad. Pred. 4:5 zegt:

"Maar de doden weten niet met al." Dit feit is vaak bewezen door reële ervaringen. Er zijn gevallen bekend waarin mensen door een schedelbreuk volkomen bewusteloos raakten en de hersenen slechts gedeelte­lijk funktioneerden. Misschien waren zij op het moment dat het ongeluk gebeurde bezig een opdracht of aanwijzingen te geven aan degenen rondom hen. Lange tijd waren ze bewuste­loos maar toen zij door een operatieve ingreep hun bewustzijn weer terug kregen, begonnen ze onmiddellijk te spreken en voltooiden de zin die zij wilden uitspreken op het moment dat zij door het ongeluk getroffen werden. Dit bewijst dat de personen zich niet bewust waren van enig tijdsverloop. Zij pakten de draad weer op waar die onderbroken werd.

Zo is het ook met de doden. Zij zijn zich het tijdsver­loop tussen hun dood en wederopstanding niet bewust. Door het knipperen van het ooglid wordt voor een moment het zicht op alle dingen afgesneden, maar dit gaat zo bliksemsnel dat wij geen onderbreking van ons zicht bespeuren. Zes dui­zend jaar in het graf is voor een gestorven mens niet meer dan het knipperen van het oog van de levenden. Voor hen is het bewustzijn het enige middel om de tijd te meten verdwe­nen en als zij ontwaken schijnt het hen toe alsof er geen tijdsverloop is geweest.

 

Als Abel uit de dood zal ontwaken, zal het hem toeschij­nen dat hij onmiddellijk na de moorddadige slagen van Kain onsterfelijk opstaat totdat zijn aandacht wordt bepaald bij voor hem nieuwe beelden. En voor Stefanus die, toen hij stervende was en Christus' verheffing in de hemel zag, zal het zijn alsof hij zonder een moment van onderbreking zich in Zijn glorieuze heerlijkheid begeeft. En als Paulus zal wor­den opgewekt, zal het hem voorkomen alsof hij direct na de slag van de beul opgenomen is in heerlijkheid.

 

Gezien de onweerlegbare feiten aangaande dit punt, vragen wij hoe iemand over een toekomstig leven kan spreken, als hij verwacht onmiddellijk na de dood het koninkrijk Gods bin­nen te gaan. Zal hij spreken over eeuwen lang in het graf liggen voordat hij dit bereikt heeft? Nee, voor hem bestaat er geen tussentijd omdat hij gedurende die tijd bewusteloos is.

 

Dit, in overeenstemming met deze verwijzing naar de leer van onze Heer, is de taal die Paulus gebruikt in 1 Thess. 4:16,17 waarin hij zegt: "Want de Here Zelf zal met een ge­roep, met de stem van de aartsengel, en met de bazuin van God neerdalen van de hemel, en die in Christus gestorven zijn zullen eerst opstaan; Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te samen met hen opgenomen worden in de wolken, de Here tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met de Here wezen."

 

Gelijk Christus leerde dat Zijn volk bij zijn tweede komst met Hem zal zijn, leerde ook Paulus. Moeten wij dan het standpunt innemen dat Paulus de Filippensen leerde dat iemand door zijn onsterfelijke geest onmiddellijk na de dood met de Here is, terwijl hij in Thessalonicensen duidelijk vertelde dat dit op een heel andere manier en door geheel andere mid­delen zal gebeuren?

 

Waarom zei hij dat hij er naar verlangde te gaan, dat is te sterven? - Omdat hij zeer goed begreep dat zijn leven van lijden, moeite en beproeving hier zou eindigen met de dood, en als de gemeente hem had kunnen missen, zou hij de dood hebben begroet, niet alleen om hem te bevrijden van zijn bijna ondragelijke lasten, maar omdat hij wist dat de tijd tussen zijn dood en de komst van de Here hem als een ogen­blik zou toeschijnen en dat de heerlijkheid van de eeuwige wereld na zijn opstanding uit de doden, ogenblikkelijk een realiteit zou zijn.

 

Maar als wij dit Schriftgedeelte vanuit het standpunt van de tegenstanders bezien, die stellen dat de ziel onsterfe­lijk is, dan komt onmiddellijk de vraag op, kan een onsterfe­lijke ziel zonder in het lichaam te zijn beproeving, vertwij­feling, vervolging, honger, naaktheid, gevaar en zwaard on­dergaan?

 

2 Kor. 4:16: "Daarom vertragen wij niet; maar hoewel onze uitwendige mens verdorven wordt, zo wordt nochtans de in­wendige mens vernieuwd van dag tot dag."

 

Is deze inwendige mens (het karakter) de onsterfelijke ziel? Wij antwoorden: "Nee, maar de nieuwe mens die wij aan­doen, Christus, de hoop der heerlijkheid, gevormd in ons." (Zie Kol. 3:9,10; Efeze 4:22,24; 3:17,18; Kol. 1:27).

 

1 Thess. 4:14; "Want indien wij geloven dat Jezus gestor­ven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, weerbrengen met Hem."

Ja, zegt degene die in een bewuste toestand van de doden gelooft, weerbrengen vanuit de hemel; daarom kan het niet anders zijn dan dat zij daar met Hem samen zijn in een be­wuste staat.

 

Niet zo snel. De tekst spreekt over degenen die 'slapen' in Jezus. Gelooft u dat degenen die naar de hemel zijn ge­gaan daar slapen? Ons werd altijd geleerd dat de hemel een plaats is van voortdurende activiteit en ononderbroken vreugde. En verder, worden al deze personen slapende uit de hemel naar de aarde gedragen? Wat een theologische ongerijmdheid. Maar uit welke plaats worden zij dan wel gebracht als ze niet uit de hemel komen?

Wij antwoorden, uit dezelfde plaats waaruit God onze Here Jezus Christus bracht. Zie Hebr. 13:20. "De God nu des vredes, Die de grote Herder der schapen, uit de doden heeft weergebracht," enz. Wij mogen dan de tekst van Thessalonicensen als volgt lezen: "Want als wij geloven dat Jezus stierf, en God Hem uit de doden opwekte, zo zullen degenen die in Jezus slapen, Door God uit de doden worden opgewekt." Dit is wat de tekst bevestigt en niets meer. Het is oen glorieuze belofte van de opstanding, die volkomen in te­genspraak is met een zich bevinden in een bewuste staat van de dood.