You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - De mens geboren...
 
Het zaad van de vrouw   (3)

 

"En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit  zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorze­len." Genesis 3:15.

 

Wij moeten de oorspronkelijke tempel verlaten, is slecht en verdorven; een verbetering is niet te verwach­ten. "Komt ooit een reine uit een onreine - niet één." (Job 14:4)

Door de val van de mens te veroorzaken dacht Satan, dat hij het goddelijke plan met de schepping van de mens verijdeld had, maar hij slaagde er alleen in om een nog grotere openbaring van Gods liefde voor de mens tevoor­schijn te roepen. Hij, die van eeuwigheid af de mens be­stemd en aangewezen had tot het zoonschap, om erfgenaam te worden van alle dingen "tot lof Zijner heerlijkheid", zond Zijn eigen Zoon om hem te redden van de val.

 

Het was Christus, de Zoon, die de mens schiep (Efeze 3:9 Statenvertaling). Het was Christus die in de wereld kwam om hem te herscheppen. Volledige verlossing betekent herschepping. De zondige natuur van de mens kan niet verbeterd worden; zij moet vernietigd worden. De mens moet een nieuwe, zondeloze natuur ontvangen. De mensheid moet opnieuw ge­schapen worden "in Christus Jezus".

 

"Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid." (Johannes 1:14).

Christus kwam om het heerlijke doel te vervullen waarvan de tabernakel het symbool was. Hij werd de tweede tempel, de "tweede Adam" om aan mensen en engelen de heerlijkheid van Gods karak­ter te openbaren. Wat uiterlijke schoonheid betreft, was deze tweede tempel, wat Zerubbabels tempel in vergelijking met die van Salomo was - "daarbij vergeleken als niets" (Haggai 2:4). Evenals het uiterlijk van de tabernakel in de woestijn, had hij "gestalte noch luister, dat wij Hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij Hem zouden heb­ben begeerd." (Jesaja 53:2). En toch, hoewel Christus na vierduizend jaar zonde kwam, was de heerlijkheid van deze tweede tempel groter …... dan de vorige. (Haggai 2:10).

 

De Goddelijke — Menselijke Natuur van Christus

 

De twee af delingen van het heiligdom zijn een zinnebeeld van de goddelijk-menselijke natuur van de Zaligmaker. Het heilige der heilige met de heilige wet en de heerlijkheid van de Schechina is een zinnebeeld van Zijn goddelijkheid. Jezus, het uitgedrukte beeld van de zelfstandigheid des Vaders en de afstraling Zijner heerlijkheid, is de vleesge­worden wet van God. Laten wij Hem in het licht van het heilige der heilige beschouwen om te zien wie Hij in werke­lijkheid is.

 

"Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. Deze, de afstra­ling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in de hoge, zoveel machtiger geworden dan de engelen als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft. Immers tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd:

Mijn Zoon zijt gij, Ik heb u heden verwekt? En wederom: Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn" Hebreeën 1:15.

 

"Maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap.

Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten.

En: Gij, Here, hebt in den beginne de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn het werk uwer handen; zullen vergaan, maar Gij blijft; en zij zullen alle als een kleed verslijten, en als een mantel zult Gij ze oprollen, als een kleed zullen zij ook verwisseld worden; maar Gij zijt dezelfde en uw jaren zullen niet ophouden." Hebreeën 1:8-12. NGB.

 

Hier wordt Christus duidelijk voorgesteld als de eeuwi­ge Majesteit des hemels, de Schepper en Onderhouder van het universum, de in Zichzelf bestaande die deel heeft aan de ontoegankelijke heerlijkheid des Vaders, Niemand kon de heerlijkheid van het heilige der heiligen van de taber­nakel aanschouwen en daarbij leven. Voor de ark en de Sehechina hing het voorhangsel. Zo heeft Christus de heer­lijkheid van Zijn goddelijkheid ook bedekt met Zijn vlees (Herbreeën 10:20), om óns te benaderen en ons bekend te maken met Zijn goddelijk karakter en leven. Het heilige, de andere afdeling van de tabernakel was een symbool van de menselijkheid van Christus - "het heilige" dat geboren werd uit de maagd Maria (Lucas 1:35).

 

“Maar wij zien Jezus, die voor een korte tijd beneden de engelen gesteld was vanwege het lijden des doods, opdat Hij door de genade Gods voor een ieder de dood zou smaken, met heerlijkheid en eer gekroond.

Want het voegde Hem, om wie en door wie alle dingen bestaan, dat Hij, om vele zonen tot heerlijkheid te brengen, de Leidsman hunner behoudenis door lijden heen zou volmaken.

Want Hij, die heiligt, en zij, die geheiligd worden, zijn allen uit een; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen.”

 

“Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deel gekregen, opdat Hij door zijn dood hem, die de macht over de dood had, de duivel, zou onttronen, en allen zou bevrijden, die gedurende hun ganse leven door angst voor de dood tot slavernij gedoemd waren.

Want over de engelen ontfermt Hij Zich niet, maar Hij ontfermt Zich over het nageslacht van Abraham. Daarom moest Hij in alle opzichten aan zijn broeders gelijk worden, opdat Hij een barmhartig en getrouw hogepriester zou worden bij God, om de zonden van het volk te verzoenen.

Want doordat Hij zelf in verzoekingen geleden heeft, kan Hij hun, die verzocht worden, te hulp komen.” (Hebreeën 2:9-11, 14-18  NGB).

 

Hij, die werkelijk God was werd werkelijk mens. God werd vlees. Vlees is stof. Het is letterlijk waar, dat God Zichzelf vernederde vanuit de heerlijkheid tot in het stof, teneinde dat stof te verheffen en de stoel der ere te doen beerven. (1. Samuel 2:8 St. Vert.).

 

Satan had in zijn hart gezegd: "Ik wil de Allerhoogste ge­lijk worden". Als hij opzag naar de troon, begeerde hij die plaats zelf in te nemen. Maar Jezus Christus, hoewel "in de gestalte Gods zijnde, (heeft), het Gode gelijk zijn niet als roof geacht, maar Zichzelf ontledigd, en de gestalte van een dienstknecht aangenomen, en is aan de mensen gelijk geworden. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja tot de dood des kruises" (Filippenzen 2:5-8).

Christus begeerde de hemel met al haar eer en heerlijkheid niet, ter­wijl degenen, die Hij geschapen en lief had, zonder God en zonder hoop in deze wereld waren. Hij overhandigde de scep­ter aan de Vader, verliet de troon, en nam de menselijke natuur aan, opdat Hij deze in Zichzelf zou kunnen herschep­pen en verzoenen met God.

 

De Zondige, Menselijke Natuur Gekruisigd

 

De Mensheid Opnieuw Geschapen in Christus

 

Bedenk wel, dat Christus die natuur aannam, welke Hij wilde verlossen. Hij was "het zaad van de vrouw", "uit het geslacht van David naar het vlees" (Romeinen 1:3). De maagd was niet onbevlekt, maar van nature een zondares, evenals de anderen.* Christus ontving, en kon zelfs geen zondeloze natuur ontvangen van Maria. Zij had geen zondeloze natuur te geven. Maar Hij nam de zondige natuur van de mensheid aan, om in Zichzelf de vijandschap te vernie­tigen en de mensheid te herscheppen en met God te verzoe­nen.

 

Het was niet Adams zondeloze natuur die vernieuwd en verenigd moest worden met de Godheid. Christus kwam om de natuur van Adam, de overtreder, met Zijn eigen godde­lijke natuur te verenigen. Het was de geschonden natuur van de mens waarvan Hij bezit nam. Hoe kon de gevallen, lijdende mensheid anders tot God teruggebracht worden? Al wie diende te worden verlost, diens natuur werd met God verenigd in Christus.

 

Wij beweren echter niet, dat de menselijke natuur van Christus zondig was. Zij was inderdaad zondeloos. Hij is "in alle dingen op gelijke wijze als wij verzocht geweest, doch zonder te zondigen" (Hebreeën 4:15). Hij was "heilig, zonder schuld of smet, gescheiden van de zondaren" (Hebreeën 7:26). Christus getuigde van Zichzelf "de overste der wereld komt en heeft aan Mij niets" (Johannes 14:30). De verzoeking, die van buitenaf tot Hem kwam, werd van binnenuit, vanuit Zijn hart, niet beantwoord. Geen ogenblik was er in Zijn hart een neiging tot het verkeerde of tot on­gehoorzaamheid.

 

Dit Zaad van de vrouw was één onbegrijpelijk mysterie voor Satan. Tot nu toe had hij in ieder ander die uit een vrouw geboren was, iets in diens natuur kunnen vinden wat aan zijn verzoekingen beantwoordde. Had hij de menselijke natuur niet verdorven met de wet van zijn eigen koninkrijk, met het beginsel der zelfzucht? Hij wist dat Christus uit een vrouw geboren was en als zodanig het echte Zaad van de vrouw was. Maar toch kon hij deze zondige natuur in Christus niet vinden. Dit is het grote en het bovennatuur­lijke mysterie van de vleeswording. "De verborgenheid Gods" is, dat toen Christus de zondige natuur van de mens verenigde met Zijn goddelijke natuur, er slechts een zondeloze menselijke natuur in Hem gevonden werd.

 

"God is geopenbaard in het vlees, is gerechtvaardigd in den Geest." 1 Timotheus 3:16. St.Vert.

 

Dit Zaad der vrouw werd geboren uit de Heilige Geest. Wij hebben gezien dat het gescheiden zijn van de Heilige Geest de mens tot zondaar maakte. Het motiverende begin­sel, dat na de scheiding van de geest der liefde zijn leven bepaalde, kwam van Satan en uit hemzelf. Maar in Christus was de natuur van de gevallen mens met de Heilige Geest verenigd. De oneindige kracht van de Heilige Geest verdreef het inherente beginsel der zelfzucht uit de menselijke natuur en schiep deze opnieuw in Christus Jezus.

 

In de geopenbaarde feiten van Christus' menselijke natuur zijn twee grote waarheden die zich schijnbaar tegenspreken. Hij nam de zondige natuur van de mens aan, en toch was Zijn menselijke natuur zondeloos. Wij moeten hardnekkig vasthouden aan deze twee waarheden, want hier­in ligt de hoop voor het gevallen mensdom verankerd. Som­migen zeggen, dat Hij, omdat Zijn menselijke natuur zonde­loos was, deze op de een of andere wijze van Maria moet hebben ontvangen. Zij leggen de nadruk op het feit, dat uit een zondige natuur geen zondeloos leven kan voortkomen. Dezen erkennen echter niet het doel, waarom Christus de zondige natuur van de mens aangenomen heeft. Hij nam deze niet aan om er een zondeloos leven uit voort te brengen, maar Hij deed het, opdat Hij door de kracht van de Heilige Geest die in Hem werkte, deze zondige natuur kon kruisigen en vernietigen.

Paulus zegt uitdrukkelijk dat Hij "de vij­andschap in zijn vlees te niet gemaakt" heeft nl., die zondige natuur welke de mens ertoe leidt te trachten zich­zelf te redden door de werken der wet. Jezus bracht dit in Zichzelf tot stand, zodat iedere gelovige zich in Hem mag verheugen, dat zijn "oude mens medegekruisigd is" (Ro­meinen 6:6). Want een gelovige kan alleen datgene door het geloof ontvangen, wat reeds gewrocht is in Christus. Alles aangaande de verlossing van de mens moest in Hem tot stand gebracht worden. Iedere leer die loochent, dat Chri­stus de zondige natuur van Maria in werkelijkheid aannam is anti - christelijk, (1 Johannes 4:3).

 

Twee illustraties kunnen ons helpen om dit te begrijpen. Caustische soda is een vergif. Maar als u caustische soda in een chemisch gelijkwaardige hoeveelheid zoutzuur doet, dan wordt het keukenzout, en is geen vergif meer. Zo was ook het zaad der vrouw van zichzelf giftig door de erfelijke zondige natuur. Maar verenigd met het brandende zuur van de Heilige Geest werd het zaad "de rechtvaardige mens­heid" van Christus, nl. het zout der aarde.

 

Toen de melaatse tot Christus kwam, geheel melaats, legde Christus Zijn hand op hem en reinigde hem. Gewoonlijk werd iemand die een melaatse aanraakte zelf onrein, ech­ter Christus werd niet verontreinigd. Integendeel, de me­laatse werd genezen. Precies zo is de menselijke natuur vol van de melaatsheid der zonde. Toch werd Jezus niet verontreinigd, door deze zondige natuur met Zijn godde­lijke natuur te verbinden. De menselijke natuur verontreinig­de Hem niet. Integendeel, de Geest van Zijn goddelijkheid reinigde en heiligde deze menselijke natuur. Daarom kunnen wij ons verheugen in de volkomen zondeloosheid van de menselijke natuur van Christus.

 

Toch schiep de Geest van God in Christus geen nieuw menselijk lichaam. Zijn menselijke vermogens werden niet veranderd. Zijn lichaam was "ons vernederd lichaam" (Filippenzen 3:21). Gedurende vierduizend jaar waren de vermogens van het menselijke organisme door de zonde verzwakt. Door de bevrediging van eetlust waren de lagere driften van de mens naar verhouding sterker ontwikkeld dan zijn geestelijke en zedelijke vermogens. Christus nam de zwakheden van deze gedegenereerde mens­heid op Zich.

 

De Menselijke Natuur in Christus Overwinnaar

 

De menselijkheid van Christus was een levende voor­stelling van de Tien Geboden - die wet van de eeuwige zelfverloochende liefde. Zijn gehoorzaamheid was die van een waarachtig menselijk wezen. Hij gebruikte geen kracht, die de mens niet tot zijn beschikking heeft. De zonde be­staat daarin, dat de mens zich van God afscheidt en zonder de verbinding met de Geest der goddelijke liefde probeert te bestaan. Op deze wijze werd hij "een uitgeledigde wijn­stok" die vrucht voortbrengt "voor zichzelf" (Hosea 10:1 St. Vert.).

Elke vrucht, die niet de vrucht van de Heilige Geest is, is zondig, daar ze een voortbrengsel is van zelf­zucht. Christus gaf het voorbeeld hoe de mens rechtvaardig kon zijn. Ik doe "niets uit Mijzelf" zei Hij, "Ik zoek niet mijn eer"; "Mijn spijze is de wil te doen desgenen, die Mij gezonden heeft" (Johannes 6:57; 8:28; 8:50; 4:34).

Hij was zo onzelfzuchtig, dat Hij geen plannen voor Zichzelf maakte, Hij deed niets om de aandacht op Zichzelf te vestigen. Hij maakte van Zijn aanbidding geen uiterlijk vertoon. Zijn gehele leven was slechts de eenvoudige uitwerking van de wil Zijns Vaders. De Vader alleen verscheen in Zijn leven, want Hij zei tot de discipelen, "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader  gezien; …..de Vader,  die in Mij blijft, doet Zijn werken" (Johannes 14:9, 10).

 

"Niet Mijn wil maar Uw wil geschiede" was het nooit falen­de beginsel dat Zijn leven regeerde. Hij leefde van "alle woord, dat uit de mond Gods uitgaat" (Mattheus 4:4). Al Zijn werken werden door God gewrocht. Indien Hij slechts iets gedaan zou hebben zonder de zalving van de Heilige Geest, dan zou Hij als ons Voorbeeld gefaald hebben. Maar Christus was rechtvaardig door het geloof. Hij be­wees, dat er geen andere gerechtigheid is dan die, welke komt op grond van het geloof in God.

 

Dit was het slagveld tussen Christus en Satan. Kon de duivel Christus er toe bewegen om iets zonder de Vader te doen? Wat laat ons de strijd in de woestijn zien? Jezus had veertig dagen niet gegeten. Hij was zwak en uitgeteerd van honger. De manier waarop Satan Hem benaderde was in beginsel dezelfde, waarop hij Eva benaderde. Alleen de omstandigheden waarin Christus zich bevond betekenden een veel grotere beproeving. Satan zei: "Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg dan dat deze stenen broden worden" (Matthe­us 4:3). Dit was een insinuatie, dat God Zijn Zoon verlaten had om Hem in de woestijn te laten omkomen.

Daar Jezus Zich dus niet op de Vader kon verlaten, dat Deze voor Hem zou zorgen, moest Hij de teugels maar in eigen hand nemen en voor Zichzelf zorgen. Toen deze verzoeking faalde, werd de Heiland gedwongen Zijn geloof te demonstreren. Tenslotte werd Hem aangeboden om het koninkrijk waar­voor Hij gekomen was, te verkrijgen zonder het lijden en de zelfverloochening van het kruis. Elke verzoeking was een appèl aan de liefde voor Zichzelf, maar de Zaligmaker beantwoordde hieraan niet het minst.

 

Christus wilde zelfs niet in het geringste voor Zich­zelf leven. Hij vernederde Zich niet alleen door mens te worden, maar als mens vernederde Hij Zich om een dienst­knecht te worden. Hij was de onvermoeibare dienstknecht van hen die Hij kwam redden, Zich altijd weer opofferend voor het welzijn van anderen. Hij kwam niet om gediend te worden, maar om anderen te dienen en Zijn leven te geven tot een losprijs voor velen. "Christus heeft Zichzelf niet behaagd" (Romeinen 15:3). Op deze wijze leefde Hij de wet van God uit in menselijk vlees.

 

Hoe vertwijfeld trachtte Satan deze voortdurende uit­drukking van de wet der goddelijke liefde te doorbreken!  Toen Jezus Zijn discipelen begon te verklaren, hoe Hij vele dingen moest lijden en overgeleverd zou worden in de han­den van de godsdienstige leiders, richtte Satan doormiddel van Petrus een krachtig appèl tot zelf - bescherming aan Hem: "U moet niet toelaten dat deze dingen U aangedaan worden. U bent de Christus, de Zoon van de levende God. Zorg voor Uzelf'. U behoort met eerbied en waardigheid behandeld te worden die overeenkomt met Uw verheven po­sitie." Dat de Zoon des mensen, de Zoon van de eeuwige God was, was voor de discipelen al een grote verborgenheid. Dat de Zoon van God echter zou toestaan dat Hij beledigd, mishandeld en onderworpen zou worden aan een schandelij­ke dood, was eenvoudig onbegrijpelijk!

 

Toen deze ure kwam,  werd de Meester door één van Zijn  discipelen verraden,  door een ander werd Hij ver­loochend en door de rest werd Hij verlaten. Zelfs God scheen Hem verlaten te hebben. Toen Hij door God en mens verla­ten aan het kruis hing,  sprak Satan door de priesters, de moordenaars en het volk: "Red Uzelf!" Satan dacht zeker, dat nu de geest van Christus gebroken was, Hij Zijn godde­lijke kracht voor Zichzelf zou gebruiken. Dat er een wezen kon bestaan,   dat zo vervuld was met onzelfzuchtige liefde, was een verborgenheid die Satan ergerde. Hij geloofde echt, dat er een moment zou komen waarop de Zoon van God zou weigeren verder te  gaan.  Zo ging hij door tot het bittere einde,  totdat hij zijn eigen ondergang bezegelde. Want of­schoon de angst van het gevoel voor eeuwig van God geschei­den te worden het  hart  van de Zoon Gods brak, wilde Hij de voorzienigheid van Zijn Vader niet betwijfelen, noch toe­geven aan  de  gedachte om  Zichzelf te redden.  Tot Zijn laatste ademtocht zocht Hij niets voor Zichzelf, maar "heeft mij liefgehad en heeft Zich voor mij overgegeven" (Galaten 2:20).

 

Golgotha was voor Jezus slechts het hoogtepunt van het feit, dat Hij Zijn gehele leven het kruis der zelfverlooche­ning gedragen had en een openbaring van wat Gods karakter altijd geweest is. Het werkelijke kruis is een geestelijk beginsel, geen martelaarsschap van het lichaam. Het is een openbaring van het beginsel der zelf- opofferende liefde, dat de levenswet is voor het universum. De Zoon van God "ontledigde Zichzelf" en kwam naar deze aarde om het be­ginsel van het kruis in de menselijke natuur te openbaren. De vleeswording was daar een openbaring van. Elke dag van Zijn leven was daar een openbaring van. En Golgotha was het hoogtepunt van deze openbaring. Door het kruis "vernietigde Christus de vijandschap in Zijn vlees". Door het geloof handhaafde Hij deze overwinning tot het einde toe. Satan kon in Hem de zondige natuur niet vinden. Zij was in Hem gekruisigd. Golgotha maakte het tot een eeuwig feit, dat "onze oude mens medegekruisigd is" (Romeinen 6:6).

 

De menselijke natuur werd rechtvaardig gemaakt in Chris­tus , door dit geloof van Jezus. De menselijke natuur werd "gerechtigheid Gods in Hem" (2 Corinthe 5 :21). Zij werd evenals de eerste afdeling van de tabernakel - verlicht door het heilige vuur der liefde, doortrokken met de wierook van Zijn verdiensten, gevoed met het brood van Gods Woord en vervuld met al de volheid van "de zeven Geesten Gods".

 

 *  (Maria was een goede vrouw, een geheiligd gelovige, maar dat verandert niets aan het feit, dat zij met de heiligen en met de profeten de zondigheid van haar Adamitische natuur be­lijden moest.)