"Wij allen dwaalden als
schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg." Jesaja 53:6
Dat dit wezen, geschapen voor
tronen en heerschappijen zichzelf verslaafd zou vinden aan ondeugden,
angsten en mislukkingen is een tragische verborgenheid. In het tweede
hoofdstuk van Genesis zien wij de mens naar Gods beeld. Zijn gehele wezen
beantwoordt met vreugde aan de liefde Gods in een gemeenschap van aangezicht
tot aangezicht. Dan komt er een plotselinge en dramatische verandering. In
het volgende hoofdstuk zien wij de mens angstig vluchten voor de
tegenwoordigheid van God, zijn gehele wezen komt in opstand tegen het
vooruitzicht Hem te ontmoeten. Vanaf dat moment verandert de geschiedenis
van de mens in een stroom van voortdurende boosheid. De oudtestamentische
beschrijving van wellust, slachtingen, en ontrouw, zelfs onder de besten van
de mensheid, is voor velen zeer schokkend. Het schijnt, dat hij, die
onbelemmerde mogelijkheden bezat tot het goede, nu een onbelemmerde
mogelijkheid bezit tot het kwade.
In het Woord van God wordt
Satan voorgesteld als de oorsprong van de zonde. Hij was Lucifer, de meest
verheven engel die voor de wet in de tegenwoordigheid Gods stond. Hij
begeerde de eer en de heerlijkheid van God voor zichzelf. In de
verdorvenheid van zijn denken, begon hij God te beschouwen als zelfzuchtig,
als iemand, die Zijn eigen absolute wil ten uitvoer bracht ten gunste van
zichzelf. Lucifer besloot in zijn hart: "Ik zal de Allerhoogste gelijk
worden" (Jesaja 14:14). Dat wil zeggen, "Ik wil mijn getrouwheid aan de wet
der zelf verloochende liefde opgeven en ik zal een betere wet invoeren om
het universum te regeren. Ik wil voor mijzelf leven en mij van God
afscheiden. Ik wil mijn eigen weg gaan en mijn eigen wil absoluut maken. Ik
zal mij in een onbeperkte vrijheid verheugen. Dan zal ik aan God gelijk
zijn. Ja, meer dan dat, dan zal ik Zijn plaats innemen en aanspraak maken op
de genegenheden van het universum, want wanneer ik aantoon, dat mijn
beginsel van "zichzelf te dienen" superieur is aan Zijn beginsel van
"zelfverloochening", dan zal mijn troon verheven zijn "boven de sterren
Gods" (zie Jesaja 14:12-14; Ezechiël 28).
Toen dit het vastbesloten
voornemen van Lucifer geworden was, werd hij met het derde deel van de
engelen, dat hij gewonnen had als onderdanen van deze "superieure" wijze
van regeren, uit de hemel geworpen. (zie Openbaring 12:4, 7-9).
Natuurlijk zou God de Satan
onmiddellijk hebben kunnen vernietigen, even gemakkelijk als wij een
kiezelsteen op de aarde werpen, maar de twee beginselen moesten volkomen
geopenbaard worden voor het gehele universum.
Brutaal en uitdagend als hij
was, stond Satan gereed om zijn opstand uit te breiden tot aan het einde van
het universum. Welke betere plaats was er om hier mee te beginnen, dan bij
dit nieuwe en bijzondere wezen, dat door God in de hof van Eden geplaatst
was? Was dat niet het wezen, dat God geschapen had om Zijn heerlijkheid té
openbaren, om Zijn wet te rechtvaardigen, om met God samen te werken, in
het omverwerpen van Satans koninkrijk? Hij wilde ten koste van alles het
goddelijke plan met de schepping van de mens tot mislukking brengen.
De mens was niet buiten de
mogelijkheid van verzoeking en zonde geplaatst. Hij was een vrij en zedelijk
wezen. God wilde hem niet dwingen om met Hem samen te werken in het grote
plan dat Hij zich had voorgenomen met de mens. Voordat hem tronen en
heerschappijen toevertrouwd konden worden, moest zijn getrouwheid getoetst
worden. Aan het heilige paar was één kleine beperking opgelegd. Aan Adam en
Eva werd bevolen zich te onthouden van het eten van één boom in de hof, de
boom der kennis des goeds en des kwaads.
De Verzoeking en de Val
Het verslag dat de Bijbel
geeft over de manier waarop Satan zich als medium vermomde en de val van de
mens veroorzaakte, is kort, begrijpelijk en punktueel:
"Hij zeide tot de vrouw: God
heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? Toen
zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen
wij eten, maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof
staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken;
anders zult gij sterven. De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult
geenszins sterven, maar God weet, dat ten dage dat gij daarvan eet, uw ogen
geopend zullen worden, en gij zult als God zijn, kennende goed en kwaad."
(Genesis 3:1-5).
Het is van bijzonder
belang, dat wij acht slaan op de psychologie van Satans verzoeking.
Allereerst uit hij een insinuatie over Gods karakter. Hij weet maar al te
goed dat de meest effectieve manier om twijfel te verwekken, het stellen
van een vraag is. In werkelijkheid zegt hij: "God is zelfzuchtig. Hij heeft
uw belang niet op het oog. Waarom houdt Hij iets goeds voor u achter?" Op
deze wijze bekleedt hij de liefhebbende Schepper met zijn eigen
karaktereigenschappen. Nu hij zijn slachtoffer betrokken heeft in een
gesprek, gaat hij voort, door er aan toe te voegen dat men op Gods Woord
niet vertrouwen kan. "Gij zult de dood niet sterven", zegt hij. Met andere
woorden: Gij zijt niet van God afhankelijk voor uw leven. Gij hebt leven in
uzelf." *
Wantrouwen in Gods goedheid en ongeloof in
Zijn Woord, maakten onze eerste ouders tot overtreders. Ongeloof is de
wortel van alle zonde. "En al wat niet uit het geloof is, is zonde"
(Romeinen 14:23).
Evenals geloof en liefde
onafscheidelijk zijn (Galaten 5:6), zo ook twijfel en zelfzucht. Wanneer het
verstand verduisterd is door misvattingen omtrent Gods karakter, worden de
genegenheden van Hem afgetrokken en op het eigen ik geplaatst. Nu vervolgt
Satan: "Als u daarvan eet.…... zult u als God zijn". Dat wil zeggen, "Daar
God zelfzuchtig is, en uw belangen niet behartigen wil, moet u uw eigen
belangen behartigen. Dan zult u zich verheugen in het verheven bestaan van
het aan God gelijk zijn. Dan zult u geen behoefte meer hebben aan Hem, want
dan neemt u zelf Zijn plaats in. Om God gelijk te worden moet u het beginsel
van zelfverloochening, en het leven tot eer van God verwerpen en moet u voor
uzelf en tot verheerlijking van uzelf gaan leven."
Om het wezen van de zonde nog
duidelijker aan te tonen, zullen wij een illustratie gebruiken over het
zonlicht en een bloem. Het is een wetenschappelijk bewezen feit, dat een
bloem van zichzelf geen kleur bezit. De bloem bezit slechts het vermogen om
een bepaalde kleur, die vermengd is in de stralen van de zon, te
weerkaatsen. Als wij een bloem bewonderen om haar prachtige kleuren, dan
bewonderen wij in werkelijkheid de schoonheid van het zonlicht. Zo gauw het
licht van de zon weggenomen wordt, heeft de bloem geen kleur meer. Zo ook
met de mens; toen hij geschapen werd, werd hem het vermogen gegeven om de
schoonheid en de heerlijkheid van de "Zon der Gerechtigheid" (Maleachi 4:2)
te weerkaatsen. Van zichzelf bezat de mens geen leven en geen gerechtigheid.
Hij was precies als die bloem, echter met een belangrijk onderscheid.
De bloem heeft geen wil. Zij
kan het weerkaatsen van het zonlicht niet weerstaan. Maar de mens, als een
intelligent en zedelijk wezen, heeft een wil. In tegenstelling met de bloem,
zei hij: "Ik wil niet leven met als enig doel, de heerlijkheid van de zon te
weerkaatsen. Ik zal mij van het licht afwenden en iets uit mijzelf
voortbrengen. En in plaats, dat het licht dan in mij bewonderd wordt, zal
ik bewonderd worden voor het licht dat ikzelf ontstoken heb."
Zonde is het loochenen van de
werkelijkheid. Toen de mens zichzelf van God scheidde, sneed hij zich af van
de bron van leven en liefde. Daar "liefde de vervulling der wet is",
(Romeinen 13:10) is het duidelijk dat, wanneer de Heilige Geest de mens
niet langer vervult met het motiverende beginsel van liefde, de mens niets
anders doen kan dan zondigen. Ieder werk dat gedaan wordt doch gescheiden
van God is, en zonder de verbinding met Zijn Geest, is zondig. Het is geen
licht, maar duisternis. Daar het motiverende beginsel in het leven van een
mens, gescheiden van God, geen liefde zijn kan, moet het motief zelfzucht
zijn. Zo werd de tempel verontreinigd door het beginsel der zelfzucht, toen
de mens zich afkeerde van het heerlijke doel dat God met hem had, en voor
zichzelf een betere bestemming dacht te hebben gevonden. De wet van Satans
koninkrijk was "gegrift in de tafel van .... het hart" (Jeremia 17:1)
Zelfzucht nam de plaats in van
de liefde. Waar eens alleen de kennis van het goede, het karakter van God
geschreven stond, daar werd nu de kennis van het kwaad, het karakter van
Satan vastgelegd. De heerlijkheid van Gods tegenwoordigheid verliet de
tempel, en de mens was zonder bedekking. Hij was naakt naar ziel en lichaam.
Verre van God gelijk te zijn, bezat hij nu in zijn karakter het beeld van
Satan. Bij de eerste toenadering van zijn Schepper vluchtte hij schuldig en
bevreesd voor de goddelijke tegenwoordigheid.
Zijn natuur was nu in
vijandschap tegenover God. Doordat hij nu gescheiden was van de verbinding
met Gods Geest, was er niets in hem achtergebleven dat beantwoorden kon aan
de liefde Gods. In de plaats van die vreugdevolle, onbelemmerde
beantwoording van de liefde Gods, was er nu een angstige antipathie
tegenover Hem.
Zonde — Het Universele
Verschijnsel
Waarom zijn alle mensen dan
zondaren? Is dat alleen maar zo omdat wij het verkeerde voorbeeld van Adam
volgen in het toegeven aan de verzoeker? Toen Adam zondigde werd de
menselijke natuur verdorven. En omdat de bron verontreinigd was, was ook de
stroom van leven, die uit Adam voortsproot verontreinigd. Het gehele
menselijke geslacht was overgeleverd aan de heerschappij van Satan . De
nakomelingen van Adam waren verdorven door een erfelijk beginsel van
zelfzucht. De gevolgen van het eten van de boom der kennis des goeds en des
kwaads openbaren zich in de ervaringen van ieder mens. In zijn natuur
bevindt zich de neiging tot het kwaad. David beleed: "In ongerechtigheid ben
ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen" (Psalm 51:7).
"De goddelozen zijn van de
geboorte aan afvallig, de leugensprekers dwalen van den moederschoot aan"
(Psalm 58:4). Jesaja beleed: "Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden
ons ieder naar zijn eigen weg" (Jesaja 53:6). Deze neiging om onze eigen weg
te gaan ligt verweven in onze gehele natuur. Het ligt in de aard van de
mens, om voor zichzelf te leven, zichzelf te behagen, plannen voor zichzelf
te maken, en zichzelf lief te hebben op iedere denkbare wijze. Deze
aangeboren wet van de zelfzucht is het wezenlijke van de verdorvenheid.
Zonde is de uitwerking van dit beginsel, Iedere zonde die gedaan wordt is
slechts een openbaring van deze erfzonde. Maarten Luther zei:
"Wij moeten belijden, zoals
Paulus ook zegt in Romeinen 5:12, dat de zonde begonnen is bij één mens,
Adam, door wiens ongehoorzaamheid alle mensen zondaren geworden en
onderworpen zijn aan de dood en de duivel. Dit noemt men erfzonde of
hoofdzonde. De vruchten die uit deze zonde volgen zijn de boze daden, die
verboden zijn in de Tien Geboden, zoals ongeloof, vals geloof, afgoderij,
zonder vreze Gods zijn, verwaandheid, blindheid en, om kort te zijn, God
niet kennen en geen rekening houden met Gods Woord, ongehoorzaamheid aan de
ouders, moorden, onkuisheid, stelen, bedriegen, enz. Deze erfelijke zonde
is zo'n diepe verdorvenheid van de natuur, dat het met het verstand niet
begrepen kan worden, maar het moet geloofd worden uit de openbaring van de
Schriften." (Maarten Luther, Smalcald Articles, Part 3,
Sec. l, Book of Concord, Vol. l, pp. 321 f.)
Ook John Wesley getuigde:
"Ik zal enkele oorzaken
noemen, waarom wij bijzonder acht moeten slaan op de zondigheid van onze
natuur:
1. Omdat deze van alle zonden
de meest omvangrijke en de meest verspreide is Zij doordringt de gehele
mens en verderft alles. Andere zonden verwonden bepaalde delen van Gods
evenbeeld; maar deze ontstelt de gehele mens. Het is het vergif van de oude
slang, dat in de bron geworpen is, en zo iedere handeling,
iedere ademtocht van de ziel infecteert.
2. Zij is de oorzaak van alle
andere zonden, beide in ons hart en in ons leven.
"Want van binnenuit het hart
des mensen komen de kwade overleggingen, hoererij" en alle andere gruwelen.
Zij is de bittere bron; en alle afzonderlijke lusten zijn slechts beekjes
daaruit voortkomend, die in het leven een deel te voorschijn brengen, niet
alles, van datgene wat zich binnen in bevindt.
3. Zij omvat eigenlijk alle zonden, want zij is de oorsprong derzelven,
die slechts wachten op een gelegenheid om te voorschijn te treden. Vandaar
dat het "het lichaam dezes doods" genoemd wordt en bestaat uit de
verschillende leden, die samen dat "lichaam der zonde" (Collossenzen 2:11
St. Vert.) vormen, wiens
leven zich in een geestelijk dode toestand bevindt. Het is de vervloekte
grond, gereed om allerlei verderfelijk onkruid voort te brengen. Nog nooit
is iedere zonde in woorden tot uitdrukking gebracht door de slechtste
schelm die ooit leefde. Maar onderzoek uw eigen natuur, en u kunt alles, ja
iedere zonde in haar oorsprong vinden. Daar bevindt zich een volheid van
ongerechtigheid -Atheïsme, afgoderij, hoererij, moord.
Misschien is volgens u geen
van deze dingen in uw hart, maar er bevindt zich meer in die onpeilbare
diepte van boosheid dan u bekend mag zijn."
(John Wesley, from the Works of John Wesley, Vol.
IX, Zondervan, pp. 462-463.)
Wat is de Zondige Natuur?
Velen hebben geen juist begrip
over wat de zondige natuur van de mens nu eigenlijk is. Zij zien het
gedegenereerde menselijke organisme, "het vernederde lichaam" (Fillippen-zen
3:21), en daar zij vaststellen, dat de zonde zo nauw verbonden is met de
hartstochten die hun zetel hebben in het lichaam, concluderen zij daaruit,
dat het lichaam zelf de zondige natuur is. Maar de zonde zelf heeft haar
bestaan in het hart, en komt tot uitdrukking door middel van het lichaam.
Jezus zeide: "Want uit het hart komen boze overleggingen, moord, echtbreuk,
hoererij, diefstal, leugenachtige getuigenissen, godslasteringen." (Mattheus
15:19).
Toen Gods wet der liefde het
heersend beginsel in het hart van de mens was, was zijn natuur zondeloos;
toen echter zelfzucht deze plaats innam, werd zijn natuur zondig. De apostel
Paulus noemt dat verdorven beginsel, dat onze leden regeert "een andere
wet", "de wet der zonde en des doods" (Romeinen 7:23; 8:2). Dat is het
wezenlijke van de zondige natuur. Het ontaarde, sterfelijke lichaam is
slechts het gevolg van het feit, dat dit verkeerde beginsel bezit neemt van
de gehele mens. De zonde heeft het levende organisme uit zijn evenwicht
gebracht en de lichamelijke, geestelijke en zedelijke vermogens van de mens
verzwakt. In het bijzonder zijn de dierlijke neigingen van de lagere natuur
verdorven en gestimuleerd tot onnatuurlijke verlangens. Maar het feit
blijft, dat de val zelf geen verandering teweeg bracht in het organisme van
de mens, maar dat het heersend beginsel in het hart veranderd werd. Het is
dit heersend beginsel in het hart dat beslist, of de natuur van de mens
zondig is of zondeloos. Zoals de aard is zo zullen ook de daden zijn.
"De werken van het vlees" zijn
volkomen zondig, doch niet omdat het vlees zelf zwak en verdorven is. De
eerste zonde was een zonde van het vlees, en dat vlees was in zijn
oorspronkelijke volmaaktheid. Wat maakte die eerste daad dan zondig? Daar
het buiten God omging was het motiverend beginsel verkeerd. Immers buiten de
Heilige Geest om is liefde niet het motief dat aanzet tot de werken.
"De werken van het vlees" zijn
zondig omdat zij hun oorsprong hebben in het vlees, in plaats van in de
Schepper. Alles wat in God zijn oorsprong heeft is een uitdrukking van
liefde; alles wat zijn oorsprong heeft in het schepsel zonder God, is een
uitdrukking van zelfzucht.
Zoals het lichaam dood is
zonder de adem des levens die uit God is, zo is ook de geestelijke natuur
zonder de adem van de Heilige Geest "dood in overtredingen en zonden" (Efeze
2:1). De mens zou de lichamelijke dood eveneens sterven, doch dank zij de
genade Gods blijft hij leven. Hij schenkt de zondaar, als een verdienste van
de verzoening van Christus, het lichamelijke leven, opdat hij door Zijn
goedheid er misschien toe geleid mocht worden om de realiteit in te zien,
nl. dat er absoluut geen leven buiten Christus is, geestelijk noch
lichamelijk.
"Maar de natuurlijke mens
begrijpt de dingen niet die van de Geest Gods zijn; want zij zijn hem
dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan, omdat ze geestelijk onderscheiden
worden" (1 Corinthe 2:14).
De "oude mens" is stekeblind
voor geestelijke waarheid. Vlees en bloed kunnen het koninkrijk Gods niet
zien (Johannes 3:3). Hij moge jaren besteden aan de studie van de Bijbel,
"zich te allen tijde laten leren, zonder ooit tot erkentenis der waarheid te
kunnen komen" (2 Timotheus 3: 7). Hij kan niets anders dan de Schriften
verdraaien en misbruiken. Dat is de reden waarom Paulus zegt: dat ketterij
één van de werken van het vlees is (Galaten 5:19, 20 St.Vert.). De mens in
zijn natuurlijke toestand moge toestemmen "dat de wet goed is" (Romeinen
7:16) en hij mag vele christelijke plichten erkennen, doch hij kan de deur
der genade niet vinden. Hij heeft geen geestelijke ogen. Hij kan het
evangelie niet horen, want hij heeft geen geestelijke oren. Hij kan de
eenvoudigste geestelijke waarheid niet begrijpen, daar hij geen geestelijk
verstand bezit. Zelfs kan hij God niet zoeken (Romeinen 3:11).
Hij is even onmachtig als een
dode. O, ja, de natuurlijke mens mag in staat zijn om bijvoorbeeld een huis
te bouwen, zaken te doen, een schip te besturen, een
hoogwaardigheidsbekleder te zijn, wonderlijke dingen uit de denken zoals
computers, straalvliegtuigen en ruimteschepen, en met zijn geestelijke
vader te zeggen, "Is dit niet het grote Babel dat ik gebouwd heb…... door de
sterkte mijner macht en tot eer mijner majesteit?" (Daniël 4:30). Het
allerbeste wat het vlees doen kan, is bevlekt met zelfzucht en zonde.
Zelfs de psychologie erkent,
dat het lagere instinct, of wel de drijfveer in de menselijke natuur het
zoeken en tot uitdrukking brengen van het eigen -ik is. Zij leert ons dat de
mens deze lagere drijfveer niet veranderen, doch hoogstens op een
verhevener niveau richten kan. Zo wordt iemand een succesvol zakenman en
gebruikt zijn geld ten gunste van de samenleving. Een ander wordt een
actieve werker voor het liefdadigheidswerk. Weer een ander wordt zeer
godsdienstig, terwijl hij alle bewuste zonden vermijdt en door de beoefening
van een grote wilskracht wordt hij uiterlijk even "onberispelijk" zoals
Paulus zei, dat als hij was voor zijn bekering.
Hij mag hard zwoegen in
christelijke dienst, en prachtige uitspraken doen over God en godsvrucht.
Hij kan zelfs zichzelf als ook anderen misleiden door groot vertoon van
vroomheid. Omdat het echter een werk van het vlees is, is het alles niets
meer dan een glinsterende zonde. In het oog van God zijn de beste van deze
daden allen even zondig als die van tollenaren en hoeren. In feite is het
zoals Jezus duidelijk verklaart, dat de laatste klasse eerder dan de eerste
er toekomt, om hun zondigheid te belijden, het evangelie te aanvaarden en
"in te gaan in het Koninkrijk Gods (Mattheüs 21:31).
De "oude mens" die geboren
wordt met deze erfelijke zondige natuur, is een slechte boom. Hij kan geen
goede vrucht voorbrengen (Mattheüs 7:18). Hij is "verderfelijk" (Jeremia
17:9), zonder uitzicht op genezing. Er is geen hoop op hervorming, op
verbetering of herstel. Hij is in onverbeterlijke opstand tegenover God en
Zijn wet (Romeinen 8:7). De "oude mens" moet sterven.
Algemene Gevolgtrekkingen
Laten wij dit hoofdstuk
samenvatten door enkele conclusies en visies aan te voeren:
1. Toen de mens probeerde
onafhankelijk van God te handelen, scheidde hij zichzelf van de Bron der
liefde, het leidende beginsel dat zijn natuur zondeloos maakte. Het leidende
beginsel van de zelfzucht is het wezenlijke van de verdorvenheid. Deze
algemene toestand van het menselijke hart maakt hem ongeschikt voor
gemeenschap met God en ontneemt hem het vermogen ook maar één goede daad te
verrichten.
2. Daar alle mensen deel
hebben aan deze erfelijke zondige natuur, behoort niemand andere zondaren
te oordelen en te veroordelen, zelfs geen zondaren zoals beschreven in
Romeinen, hoofdstuk 1. (Romeinen 2:1). Alle zonde die in
de wereld bedreven wordt is in de natuur van ieder mens aanwezig. De
Farizeeër, die God dankt, dat hij niet gelijk andere mensen is, is blind
voor de werkelijkheid. Toen Wesley de ontredderde mensheid zag, kwam hij
tot de belijdenis: "Hier ligt John Wesley, maar voor de genade Gods".
3. Niemand heeft een waar
begrip van de duivelse boosheid van het natuurlijke hart (Jeremia 17:9).
Elk mens is onder omstandigheden tot elke boze, misdadige handeling in
staat. Golgotha is het grootste voorbeeld van de verschrikkelijke boosheid
van de mens, daar nam hij zijn Schepper
en vermoordde Hem.
Kort voor de tweede komst van
Jezus zal er opnieuw een openbaring van het boze mensenhart plaatsvinden,
wanneer de weerhoudende invloed van Gods Geest zich van deze aarde
terugtrekt (Openbaring 7:1). Dan zal de wereld een grote scène worden van
weergaloze wetteloosheid, haat, begeerte, slachting en corruptie. Op deze
wijze zullen de druiven van de goddeloosheid rijpen voor "de grote
persbak van de gramschap Gods" (Openbaring 14:19.)
4. De zondigheid van de
menselijke natuur is grotendeels onbekend voor het menselijke verstand.
"Arglistig is het hart boven alles, ja, verderfelijk is het; wie kan het
kennen?" (Jeremia 17:9. Luther zei: "Deze erfelijke zonde is een zo diepe
verdorvenheid van de natuur, dat het met het verstand niet begrepen kan
worden, maar het moet geloofd worden uit de openbaring van de Schriften.
"En Wesley merkte op: "Maar er bevindt zich meer in die onpeilbare diepte
van boosheid dan u bekend is. "Want de wet van Satans koninkrijk werd
geschreven waar eenmaal Gods wet geschreven stond - "op de tafel van het
hart" in het binnenste heiligdom van de ziel. Precies zoals de mens in de
beginne onbewust gerechtigheid tot uitdrukking bracht, op dezelfde wijze
brengt de gevallen mens onbewust het kwade tot uitdrukking.
5. De vruchten van de zondige
natuur zijn de boze daden die in Gods wet verboden worden. Bewust kwaad doen
verontreinigt de ziel met schuld. Waar geen kennis der zonde is, daar is
ook geen schuld (Johannes 9:41; Handelingen
17:30; Leviticus 4:22,23).
6. Voor de "oude mens" is er
geen hoop op herstel. Hij kan er niet toe gebracht worden om God te dienen
en lief te hebben. Hij mag een hervorming tentoonspreiden, "op alle punten
overwinnen" en trots zijn op zijn goede zedelijke beginselen en
hervormingsrichtlijnen. Maar hij voegt slechts zonde bij zonde. Zelfs het
verwijderen van alle slechte vruchten verandert de boom niet. Hij blijft
even verdorven als altijd. De bijl moet aan de wortel gelegd worden.
7. Waar de werkelijkheid van
s`mensen erfelijke zondige natuur niet begrepen wordt, heeft het evangelie
geen kracht. Gelukkig is de mens, die verlicht is met de wetenschap, dat
zijn natuurlijke ik onherroepelijk boos is, en die met Paulus belijden wil:
"Ik weet dat in mij (dat is mijn vlees), geen goed woont" (Romeinen 7:18).
Zo iemand is des te meer in
staat om de voortreffelijkheid van de Zaligmaker te waarderen en te roemen
in de soevereine genade Gods bij de verlossing van de mens.
*
(Het is verbazingwekkend
hoeveel godsdienstige leraren nog steeds een echo zijn van de eerste leugen
van Satan, door de verderfelijke leer van de natuurlijke onsterfelijkheid
van de mens te prediken. Gescheiden van God heeft de mens geen leven -
geestelijk noch lichamelijk. Indien God de adem des levens wegneemt, keert
hij weer terug tot stof, zie Psalm 146:29,30).