Uit het getuigenis van de
Schriften aangaande de dood van Adam blijkt dat de dood die tot 'alle mensen'
komt, hen in een toestand van dadeloosheid en bewusteloosheid in het stof der
aarde doet terugkeren. Deze conclusie aangaande de toestand van de gestorven
mens wordt alom ondersteund en onderbouwd door de vele getuigenissen waarin
de Bijbel voorziet. De Bijbel beschrijft duidelijk de rustplaats van de
doden. Het woord dat in het Oude Testament voor graf wordt gebruikt is 'sheol',
en het overeenkomstige woord in het Nieuwe Testament is 'hades'. Zij duiden op
een stille plaats, verborgenheid, slaap, rust, duisternis, verderf en wormen.
Het zijn namen voor de
gebruikelijke vergaarplaatsen van de doden, beiden de rechtvaardigen en de
onrechtvaardigen. De rechtvaardige doden zijn daar; want bij de opstanding
laten zij de overwinningskreet horen: "Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is
uw overwinning?" 1 Kor. 15:55. En de goddelozen zijn daar; want bij de
opstanding ter verdoemenis, wordt gezegd dat de dood en de hel (Grieks, hades)
hun doden geven. Openb. 20:13.
Dat het 'hades' van het Nieuwe
Testament het 'sheol' van het Oude Testament is blijkt uit een vergelijking
van Psalm 16 met Handelingen 2:27. Aldus zegt Psalm 16: 10: "Want u zult mijn
ziel in de hel niet verlaten;" en het Nieuwe Testament haalt dit aan in
Handelingen 2:27 en gebruikt in plaats van 'sheol' het woord 'hades.'
1. Allen gaan in sheol -
Aldus zei Jacob, "Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf (sheol)
neerdalen." Gen. 37:35- Korach en zijn gezelschap daalden neer in sheol.
Numeri 16:30,33. Alle mensen gaan daarheen. Psalm 84:49.
2. Wat gaat in sheol? -
Sheol ontvangt het gehele lichaam na de dood. Jacob verwachtte met zijn grijze
haren neer te dalen in sheol. De ziel van de Verlosser verliet sheol bij Zijn
opstanding. Ps. 16:10, Hand. 2:27,31. Korach, Dathan en Abiram daalden in
levende lijve neer in sheol. Num. 16:31,32. David getuigde toen hij van een
gevaarlijke ziekte hersteld was, dat zijn ziel bewaard bleef voor het gaan in
sheol. Psalm 30:3,4.
3. De duur van het verblijf
- Degenen die in sheol gaan moeten daar blijven tot hun opstanding. Bij de
tweede komst van Christus worden alle rechtvaardigen uit sheol bevrijd. Alle
goddelozen die bij Christus' wederkomst leven; gaan dan in sheol en worden
daar gedurende duizend jaren gevangen gehouden. Daarna worden zij vrijgelaten
en wordt het oordeel over hen uitgesproken.
4. Plaats van sheol -
Die duidt op het inwendige van de aarde als het gebied van de doden en de
plaats van het graf. Ezech. 32:18-32. Er wordt altijd over gesproken als
beneden, in het binnenste der aarde, of in de onderste delen van de aarde
(Zie Num. 16:30,33; Jes. 5:14; 14:9-20; Ezech. 31:15-18; 32:18-32).
Verwijzend naar de vuren die zich in het binnenste van de aarde bevinden, en
die de aarde tenslotte door een geweldige hitte zullen laten smelten, zegt de
Here door Mozes: "Want een vuur is aan gestoken in Mijn toorn en zal branden
tot in de onderste hel, en zal het land met zijn inkomsten verteren, en de
gronden der bergen in vlam zetten." Deut. 32:22. Toen Jona in de diepte der
wateren verdween, daalde hij af in sheol waar niemand dan alleen dode mensen
ooit waren geweest. Jona 2:2.
5. De dood vergeleken met
slapen - Er moet dus een gelijkheid bestaan tussen de toestand van de
slapenden en de toestand van de doden. Als wij slapen, is onze toestand anders
als wanneer wij wakker zijn en die bestaat daarin dat als wij een gezonde
slaap hebben, wij volkomen bewusteloos zijn. In dit opzicht is de dood gelijk
slapen; dat wil zeggen, de doden zijn bewusteloos. Dit beeld wordt vaak
gebruikt om de toestand van de doden uit te beelden.
"Velen die in het stof der aarde slapen zullen ontwaken." Dan. 12:2. "Vele
lichamen van de heiligen die ontslapen waren, werden opgewekt." Matth. 27:52.
Nadat Stefanus, Jezus ter rechterhand Gods had gezien en vervolgens gestenigd
werd, zegt het bericht 'ontsliep hij.' Hand. 7:60. In 1 Kor. 15:20 wordt
Christus de Eersteling genoemd van hen die ontslapen zijn; en in vers 51 zegt
Paulus, "wij zullen niet allen ontslapen."
Aan de Thessalonicensen schreef
Paulus dat hij niet wilde dat zij onwetend zouden zijn aangaande degenen die
ontslapen waren. (1 Thess. 4:13,14). In vers 14 spreekt hij over hen als
'ontslapen zijn in Jezus' en verklaart in vers 16 wat hij bedoelde door hen
gestorven in Christus te noemen. Degenen die verkondigen dat de doden in een
bewuste staat leven kunnen deze woorden niet opzij zetten door te zeggen dat
alleen hun lichamen sliepen; zij aanvaarden niet dat het 'bewustzijn' dat wij
gedurende ons leven bezitten en in de dood verliezen, uitsluitend deel
uitmaakt van het lichaam.
Job verklaart duidelijk dat zij
niet eerder zullen ontwaken dan bij de opstanding: "Maar een man sterft, als
hij verzwakt is, en de mens geeft de geest; waar is hij dan? De wateren
verlopen uit in een meer, en een rivier droogt op en verdort; Alzo ligt de
mens neer, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet
meer ontwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden." Job 14:10.
Zulke verklaringen als deze zijn
doorslaggevend inzake de toestand van de mens in de dood.
6. De doden verkeren in een
toestand alsof zij nooit geweest waren - Dit getuigt Job; want hij
getuigt dat als hij tijdens zijn geboorte gestorven was, hij niet bestaan zou
hebben; en in dit opzicht verklaart hij dat hij gelijk zou zijn aan de
koningen, raadsheren en prinsen van de aarde, die kostbare graven bouwden
waarin hun lichamen zouden worden opgebaard na hun dood. Op die toestand past
hij vaak de geciteerde uitdrukking toe: "Daar houden de bozen op met woelen,
en daar rusten de vermoeiden." Job 3:11-18. En Obadja (vers 16) spreekt over
de doden als zijnde in een toestand alsof zij nooit geweest waren.
7. De doden weten niet met
al - Sprekende over de dode mens zegt Job, hoofdstuk 14:21 "Zijn
kinderen komen tot eer, en hij weet het niet; of zij worden klein, en hij let
niet op hen." Ongetwijfeld zou - als de 'werkelijke mens' bewust en
intelligent is in de dood - hij de geschiedenis van zijn zonen met grote
belangstelling volgen. Omdat dit gedeelte verklaart dat hij dit niet doet,
betekent dit dat hij bewusteloos is.
Verder, toen de Here op het punt
stond oordelen over Jeruzalem te brengen, zei Hij tot koning Josia dat de
koning in vrede in zijn graf zou gaan, dat zijn ogen al het kwaad niet zouden
zien. 2 Kon. 22:20. Maar hij zou dit zeer zeker wel hebben gezien als hij in
de dood bij bewustzijn zou zijn geweest. Psalm 146:4. "Zijn adem gaat uit, hij
keert terug tot zijn aarde, te dien dage vergaan zijn gedachten." David
verwijst hier naar de zwakheid en onmacht van de mensen hun vrienden van
dienst te zijn, als zij aan de dood onderworpen zijn. Zij verliezen de adem
des levens, en hun lichamen worden tot stof.
Dan, zegt David, vergaan hun
gedachten. Het woord 'gedachten' dat hier gebruikt wordt duidt niet alleen op
iemands plannen en voornemens in het leven; het duidt op de handelingen van de
geest in het proces van denken en redenering. Op de dag van het overlijden van
de mens verdwijnt die macht ofwel vergaat. Hoe kan er dan een onsterfelijke
ziel zijn die de dood overleeft? - Er kan geen zijn. Als bewijs dat dit de
bedoeling is van dit Schriftgedeelte, luister naar de woorden van Salomo,
Davids zoon, in Prediker 9:5,6: "Want de levenden weten dat zij zullen
sterven, maar de doden weten niet met al
.. Ook is reeds hun liefde, ook hun
haat, ook hun nijdigheid vergaan; en zij hebben geen deel meer in alles, wat
onder de zon geschiedt." Vers 10: "Er is geen werk, noch verzinning, noch
wetenschap noch wijsheid in het graf, daar u heen gaat." Een dergelijk bewijs
kan niet verkeerd worden opgevat noch terzijde worden geschoven.
Tevergeefs beweren de
immaterialisten ter ondersteuning van hun theorie aan
gaande de menselijke ziel, dat dit van toepassing is op het lichaam, want zij
geloven niet dat de gedachten, waar van David zegt dat die met de dood
vergaan, tot het lichaam behoren maar tot de ziel. Volgens Salomo is de
kennis die de mens tijdens zijn leven bezit, niet meer aanwezig als hij dood
is. Dit getuigenis kan de immaterialist niet opzij zetten of hij moet
loochenen dat Salomo de waarheid sprak.
8. De doden bevinden zich in
het stof der aarde - Job. 17:13. "Zo ik wacht, het graf zal mijn huis
wezen." In hoofdstuk 14:14 zegt hij: "Ik zou al de dagen van de toebedeelde
tijd hopen, totdat mijn verandering komen zou." De verandering waarnaar
verwezen wordt moet daarom de opstanding zijn, en hij beschrijft zijn toestand
tot op de tijd in de volgende bewoording: "In de duisternis zal ik mijn bed
spreiden. Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader.'
Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster! en als er rust te zamen in het
stof wezen zal." Job. 17:13-16.
De doden bevinden zich daarom
niet in de hemel of in de hel, maar in het stof. Jes. 26:19. "Uw doden zullen
leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opstaan; waakt en juicht, gij die in
het stof woont! want uw dauw zal zijn als de dauw van moeskruiden en het land
zal de overlevenden uit werpen. "
Is het mogelijk dat de woorden
van deze tekst verkeerd begrepen kunnen worden? Hij spreekt van nieuw leven
van de dode mens, van een opstanding van dode lichamen en van de aarde die
haar doden uitwerpt. En het bevel aan hen luidt: "Waakt op en juicht!" Wie
juicht? U die nog leeft die zich koestert in de zegen van de hemel, en zingt
ter ere van God? - Nee, maar 'gij die in het stof slaapt, u die in het graf
rust.' Als de doden bij bewustzijn zijn dan sprak Jesaja onzin. Als wij zijn
getuigenis geloven moeten wij onze doden in het graf zoeken.
9. Want in de dood is geen
gedachtenis - Psalm 6:6: "Want in de dood is Uwer geen gedachtenis: wie
zal u loven in het graf? Psalm 115:17: De doden zullen de Here niet prijzen,
noch die in stilte neergedaald zijn." Deze teksten zeggen niet dat alleen de
goddelozen zich niets herinneren en de Here niet prijzen, maar passen dit toe
op allen die 'gestorven' zijn. Maar wie kan veronderstellen dat de
rechtvaardigen, als ze levend zijn in de dood, zich God niet zouden herinneren
en Hem danken?
De goede koning Hizkia gaf, toen
hij de Here prees voor het verlengen van zijn leven met 15 jaar, dit als reden
waarom hij zo vreugdevol was: "Want het graf kan U niet loven, de dood kan U
niet prijzen; die in de hel neerdalen kunnen op U niet hopen. De levende, de
levende, die zal U loven, gelijk ik heden doe; de vader zal de kinderen Uw
waarheid bekend maken." (Jes. 38:18,19). Een grotere tegenstelling tussen
leven en dood dan deze kan niet geschetst worden. Moderne godgeleerden stellen
dat Hizkia in de hemel is en God prijst. Maar Hizkia verklaarde dat als hij
dood is, hij dit niet kon doen. Wiens getuigenis is geloofwaardiger, dat van
de geïnspireerde koning van Israël of van de ongeïnspireerde theologen die
verstrikt zijn in de netten van een valse theologie en zich in een labyrint
van dwaling en verwarring bevinden? Als wij Hiskia kunnen geloven - en wij
menen dat wij dat kunnen - dan prijzen de rechtvaardigen God niet zo lang zij
in het graf liggen.
Zij zijn volkomen bewusteloos.
10. De gestorvenen zijn
niet direct naar de hemel gegaan - Petrus getuigt aangaande de
patriarch David (Hand. 2:29,34,35): "Mannen broeders, het is mij geoorloofd
vrijuit te spreken van de patriarch David, dat hij gestorven en begraven is,
en zijn graf is onder ons tot op deze dag
.. Want David is niet opgevaren in
de hemel; maar hij zegt: De Here heeft gesproken tot mijn Here: Zit aan mijn
rechterhand, totdat Ik uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer
voeten." Wij vestigen de aandacht van de lezer in het bijzonder op het
volledige argument dat Petrus naar voren brengt, beginnende met vers 4.
Petrus bewijst uit de profetie, opgetekend in de Psalmen, de opstanding van
Christus. Hij zegt (vers 31): "Zo heeft, Hij dit voorziende, gesproken van de
opstanding van Christus, dat zijn ziel niet verlaten is in de hel, noch zijn
vlees verderving heeft gezien."
En hoe bewijst hij dat David
over Christus spreekt, en niet over zichzelf? Hij bewijst dit door het feit
dat Davids ziel in hades (het graf) bleef, en dat zijn vlees verderving zag;
en zijn graf tot op die dag met hen was. "Want", zegt hij, "David is niet ten
hemel gevaren." Nu, als Davids ziel in een bewuste staat verder leefde, als
die niet in hades (het graf) gebleven was, maar in de hemel was opgevaren, kan
geen mens aantonen dat David, in die psalm, niet over zichzelf inplaats van
Christus sprak; en dan zou Petrus' argument voor de opstanding van Christus
volledig vernietigd zijn.
Maar Petrus, die in het
bijzonder bij die gelegenheid onder de invloed van de Heilige Geest sprak,
wist wat hij zeggen moest; en zijn argument vernietigt volledig het dogma van
de onsterfelijkheid van de ziel. Bijgevolg kan de leer van een bewuste staat
van de doden niet op basis van de Schriften worden aangetoond, maar jaagt
direct enkele van de belangrijkste leerstellingen van de Bijbel tegen zich in
het harnas. David zal te zijner tijd naar de hemel gaan; maar dat zal zijn
bij de opstanding van de doden. Hij zelf zegt: "Maar ik zal Uw aangezicht in
gerechtigheid aanschouwen, en zal verzadigd zijn van Uw beeld, als ik zal
ontwaken." (uit de doodsslaap) Psalm 17:15.
11. Zonder een
opstanding zijn de doden verloren - Dit is de conclusie die Paulus
trekt in zijn meesterlijk argument in 1 Kor. 15, en dat zelfs toepast op
degenen die in Christus ontslapen zijn. " Want indien de doden niet opgewekt
worden, zo is ook Christus niet opgewekt. En indien Christus niet opgewekt
is, zo is uw geloof tevergeefs, zo zijt gij nog in uw zonden. Zo zijn dan ook
verloren, die in Christus ontslapen zijn. " Verzen 16-18.
Als wij dit getuigenis lezen,
dan vragen wij ons in uiterste verbazing af hoe iemand die in de Bijbel
gelooft, kan vasthouden aan de leer van de onsterfelijkheid van de ziel, en
de bewuste toestand van de doden, terwijl de Bijbel daarmee in directe
tegenspraak is. Als de zielen van de doden blijven leven, zijn die dan
verloren? Wat! verloren? en toch in een hogere sfeer leven? Verloren, en zich
toch verheugen in de zegeningen van een eeuwig leven in de hemel? Verloren?
en toch aan Gods rechterhand waar altijd en eeuwig vreugde heerst?
Verloren temidden van de ruïnen
van de heidens mythologie waaruit dit voortgekomen is, een theorie die in
strijd is met de leringen van Gods woord, en dode mensen aldus verheft? Paulus
spreekt over het gehele menselijke wezen. Gelijk wij in Adam sterven, zo
zullen wij in Christus tot leven worden gewekt.
Na de verklaring dat als er geen
opstanding zou zijn, wij omkomen, verzekert hij ons dat Christus is opgestaan,
en dat er voor allen een opstanding is. Dan spreekt hij over de opstanding van
degenen die in Christus slapen, en vertelt ons wanneer die opstanding zal
plaatsvinden. Die zal plaatsvinden, niet door het opstijgen van een
ongrijpbaar, onstoffelijk wezen uit dit sterfelijk omhulsel als wij sterven,
maar het zal zijn op de grote dag, als de laatste bazuin deze versleten aarde
zal doen beven op haar grondvesten.
Het getuigenis aangaande dit
onderwerp werd door een predikant als volgt samengevat:
"Ik houd mij aan het verslag dat
de Schrift geeft aangaande de toestand waarin de dood ons brengt. En die zien
wij uitgebeeld door de slaap; door het ontbreken van alle leven, gedachten of
handelingen; door rust, rustplaats of tehuis, stilte, bewusteloosheid,
duisternis, afbraak of verderf."
Deze verklaring wordt
overvloedig ondersteund door de teksten waarnaar verwezen is; en door deze
teksten is in onuitwisbare letters boven de poorten van de duistere vallei het
grote feit beschreven dat ons bestaan niet wordt bestendigd door middel van
een onsterfelijke ziel, maar dat, zonder een opstanding van de doden er geen
toekomstig leven is. Kunnen wij iets anders doen, lezer, als deze conclusie
aanvaarden?