You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en Erna
 
 
DE DOOD VAN ADAM  (8)

 

Belangstellende onderzoekers hebben zich aangaande de schepping van de mens afgevraagd wat hem bij die schepping werd verleend ten aanzien van leven en onsterfelijkheid. Vastgesteld is dat in verband met de schepping niets gezegd is waaruit blijkt dat hij begiftigd werd met een onsterfe­lijke natuur en dat de Bijbel nergens bevestigt dat hij on­sterfelijk is of onsterfelijkheid bezit. Geen enkele tekst geeft in verband met de mens de woorden 'ziel' en 'geest' op zulk een wijze weer dat daaruit blijkt dat hij iets bezit dat onstoffelijk en onsterfelijk is. Wel wordt precies het tegenovergestelde aangetoond. Als volgende stap in deze studie is het daarom juist een onderzoek in te stellen aan­gaande de dood van de mens, dat is in welke toestand hij door de dood gebracht wordt. Laat ons eens zien wat wij daaruit kunnen leren.

 

De onderzoeker van de aard van de mens en diens toestand in de dood, moet zich in de eerste plaats met diepe belang­stelling wenden tot het verslag dat aangaande de vader van ons geslacht gegeven werd. In de eerste hoofdstukken van Ge­nesis vinden wij een verslag van de oorsprong van het mense­lijk gezin, dat zo eenvoudig en tegelijkertijd zo rechtlij­nig is dat de spotternijen van twijfelaars alle kracht ver­liezen en zij zich alleen maar belachelijk maken als zij zouden trachten op een wetenschappelijke basis daarvoor iets anders in de plaats te stellen. Uit het oordeel dat over Adam, de eerste mens, werd uitgesproken nadat hij zich door overtreding schuldig had gemaakt, blijkt in welke toestand alle andere mensen door de dood worden gebracht. In de schep­ping en dood van Adam, vinden wij een levendig verslag van de opbouw en afbraak van het menselijk wezen, en dit voorbeeld dat het eerste en meest luisterrijke is, moet voorzien in een voorbeeld en regel voor alle andere leden van het menselijk gezin.

 

Aangaande de schepping van Adam en de elementen waaruit hij werd samengesteld is naar wij aannemen, reeds voldoende gezegd. Het verslag toont aan dat de mens volledig uit het stof der aarde geformeerd werd. "En de Here God had de mens geformeerd uit het stof der aarde." Gen. 2:7. Dit lichaam werd begiftigd met een verheven en indrukwekkend organisme dat door de adem des levens die God in zijn neusgaten blies tot leven werd gewekt. Het lichaam had voordat het levend werd gemaakt geen kracht om te handelen, de adem had voordat het in de neusgaten werd geblazen, geen macht uit eigen beweging te handelen, maar toen deze twee elementen werden sa­mengevoegd, toen de adem in het lichaam werd geblazen, kwam het lichaam tot leven. Door dit vitale beginsel werd de men­selijke machinerie in werking gesteld en alle verschijnselen van lichamelijke - en geestelijke activiteit vloeiden daaruit voort.

 

De Ontwerper van dit scheppingswerk heeft uiteraard, als Heerser over het heelal, de schepselen die Hij geschapen had gevraagd Hem te gehoorzamen. Maar Hij wilde hen niet dwingen dit te doen, want alleen een spontane liefde en een vrijwil­lige en bereidwillige gehoorzaamheid kan een trouwe dienst uitmaken. Hij stelde de mens die Hij geformeerd had op de proef om zijn trouw aan zijn Maker te toetsen. De plaats waar hij beproefd werd was een prachtige tuin waarin alles aanwezig was wat aangenaam was voor het oog en goed tot spij­ze. En over alles in Eden had de mens onbeperkt gezag, op één uitzondering na. En aangaande deze uitzondering, de voor­waarde waaraan hij zou worden getoetst, werd duidelijk ge­zegd: De Here God gebood de mens, zeggende: "Van alle boom in de hof kunt u vrijelijk eten, maar van de boom van de ken­nis van goed en kwaad, daarvan zult u niet eten; want op de dag dat u daarvan eet, zult u de dood sterven."

 

Adam en Eva konden de eisen van dit gebod onmogelijk misverstaan, noch de dreigende straf voor de overtreding daarvan verkeerd opvatten. Voordat Satan, Eva kon verleiden, moest hij haar doen geloven dat er geen straf dreigde en dat zij niet sterven zou. Nu moest de vraag worden beslist wie geloofwaardig was, God of Satan, en vreemd genoeg koos de theologische wereld, met uitzondering van een kleine minder­heid, ten aanzien van de verklaring aangaande de straf, de kant van Satan. Dit blijkt uit de uitlegging die gewoonlijk van de bestraffing wordt gegeven, die in drie soorten werd verdeeld:

 

1. de geestelijke dood als gevolg van de vervreemding van de ziel van God, liefde voor de zonde, en de haat jegens hei­ligheid, wordt 'geestelijk dood' genoemd;

 

2. de tijdelijke dood doelt op het scheiden van ziel en li­chaam;

 

3. de eeuwige dood onmiddellijk na het sterven van de bewus­te pijniging van de ziel in de hel die geen einde heeft.
Bezien wij deze verschillende verdelingen eens in het licht van de dreiging "U zult de dood sterven," om te zien in hoeverre die met elkaar overeenstemmen. Door te zondigen haalde Adam die straf over zich, daardoor werd hij een zondaar. Een zondige toestand is een toestand die ons van God scheidt.

 

Omdat Adam willens en wetens zondigde en daardoor zich­zelf in een staat van vervreemding van God bracht, werd het oordeel over hem uitgesproken: "U zult de dood sterven." Be­tekende dit dat hij de straf van een eeuwige dood zou onder­gaan? Als dit zo was, dan kan Adam daar nooit van bevrijd worden. Maar hij zal worden bevrijd van de dood die het ge­volg was van overtreding; want de Schrift verzekert ons, dat allen weer 'tot leven gewekt zullen worden.'

 

Toen Adam zondigde, moest God doorvoeren waar Hij hem voor gewaarschuwd had. Adam moest rekenschap afleggen en het oordeel over zijn daden ontvangen. "En tot Adam zei Hij: Om­dat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw, en van die boom hebt gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: U zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt, en met smart zult u daarvan eten al de dagen van uw leven. Ook zal het u doornen en distelen voortbrengen, en u zult het kruid des velds eten. In het zweet uws aanschijns zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daar­uit genomen bent, want u bent stof, en u zult tot stof we­derkeren." - Genesis 3:17-19.

 

Met deze woorden heeft God zelf ons een verklaring gege­ven van het vonnis en in deze kwestie is hoger beroep aan­tekenen niet mogelijk. Herhalen wij nog eens het laatste ge­deelte van het vonnis: "In het zweet uws aanschijns zult u brood eten, totdat u tot de aarde terugkeert, omdat u daar­uit genomen bent, want u bent stof en tot stof zult u weder­keren." Het terugkeren tot stof is hier tot een afsluitende gebeurtenis gemaakt, die voorafgegaan wordt door een periode van zware arbeid. Nadat de mens tenslotte door de arbeid en de problemen van het leven is uitgeput, zal hij terugkeren tot het stof waaruit hij genomen werd. Voor Adam begon dit proces vanaf de dag dat hij zondigde en de verkondigde straf werd, toen hij negenhonderddertig jaar oud was, vol­trokken.