You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en Erna
 
 
AANGAANDE DE MENSELIJKE ZIEL   (7)

 

1. Uitgang en terugkeer van de ziel

 

Wij hebben beweringen onderzocht waarin het woord 'geest' op zulk een wijze is gebruikt om de opvatting te ondersteu­nen dat de geest na de dood van het lichaam in een ononder­broken bewuste staat verder leeft.

 

De Schrift verklaart duidelijk dat de doden niets weten, dat als de adem de mens verlaat, hij in de aarde terugkeert, zijn gedachten vergaan, en dat er noch wijsheid, noch kennis, noch plannen zijn in het graf waarin hij gaat.

 

Wij willen nu het Schriftgedeelte onderzoeken waarvan ver­ondersteld wordt dat de uitdrukking 'ziel' wordt gebruikt om aan te tonen dat het een apart bestanddeel is in de mens on­sterfelijk van aard en in staat zowel binnen als buiten het lichaam te bestaan.

 

Het eerste gedeelte daarvan is Gen. 35:18 dat spreekt over het sterven van Rachel. Daarin staat:"En het geschiedde als haar ziel uitging (want zij stierf) dat zij zijn naam noemde Beoni." Dit wordt geciteerd als een bewijs dat de ziel vertrekt als het lichaam sterft en verder leeft in een actieve en bewuste staat.

 

Luther Lee, in zijn dagen een bekend methodist, schreef over dit gedeelte:

 

"Haar lichaam verdween niet. Haar hersenen verdwenen niet. Er was niets dat verdween dat haar ziel zou kunnen worden genoemd tenzij men veronderstelt dat er in de mens een on­stoffelijke geest is die het lichaam na de dood verlaat."

 

Tegenover deze bewering van Luther Lee, stellen wij de volgende kritiek van Prof. Bush; -

 

“Toen haar ziel of leven op het punt stond heen te gaan, Hebreeuws 'betzeth naphshah'.” De woorden betekenen in feite niets anders als beëindiging van het leven of ophouden te bestaan."

 

Toen de profeet Elia zich driemaal over een dood kind boog (1 Kon. 17:21) en driemaal riep zeggende: "Here, mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen;" bad hij slechts om de terugkeer van het natuurlijke leven.

 

1 Kon. 17:17 vertelt ons wat uit het kind was uitgevaren en wat bijgevolg moest terugkeren alvorens het zoontje kon leven. "En zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem meer in hem was overgebleven." Daar zit de knoop: de adem des levens was uitgevaren. En toen Elia kwam om voor zijn opwekking te bidden, vroeg hij op de meest natuurlijke wijze om hetgeen uit het kind was uitgegaan, waardoor het stierf, weer in hem terug te laten keren. Dit nu was volgens vers 17 in eenvoudige bewoordingen uitgedrukt "de adem des levens." Noch in deze noch in andere Schriftgedeelten vinden wij enig bewijs van het bestaan van een onstoffelijke, onsterfelijke ziel.

 

Het kind was dood. Iets dat 'ziel' wordt genoemd dat het kind bezat was uit hem gegaan, daardoor stierf het. Dit ele­ment, niet het kind zelf maar wat het kind als levend wezen bezat, keerde tot hem terug, en het kind herleefde.

 

Maar volgens de immaterialistische opvatting kan dit ge­deelte niet zo gelezen worden. Want deze opvatting maakt dat het kind de ziel is; en met die opvatting zou dit Schriftge­deelte ongeveer zo luiden: "En de Here hoorde de stem van Elia, en het kind kwam terug en nam weer bezit van zijn li­chaam, en het lichaam herleefde." Dit is de populaire opvat­ting. Maar let op de tegenstelling tussen dit en het Schrif­tuurlijk verslag.

 

2. KAN DE ZIEL WORDEN GEDOOD?

 

Mattheus 10:28: "Vreest niet voor degenen die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vrees veel meer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel!'

 

Lukas drukt dezelfde gedachte uit in de volgende bewoor­dingen: "En Ik zeg u, Mijn vrienden: Vreest u niet voor degenen, die het lichaam  doden, en daarna niet meer kunnen doen.

Maar Ik zal u tonen, Wien gij vrezen zult: vreest Dien, Die, nadat Hij  gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest  Dien!" Lukas 12:4,5.

 

Een ieder begrijpt welke uitwerking het doden van het li­chaam heeft. Het berooft het van alle functies en levens­krachten en activiteit. Het zou hetzelfde doen met de ziel, aannemende dat de ziel is wat aangaande de ziel algemeen geloofd wordt.

 

In Mattheus 10:28 wordt op stellige wijze gesproken over het verderf van ziel en lichaam, of de volledige uitroeiing, van een bewust bestaan voor alle goddelozen in de hel. Wij vragen nu of de tekst leert dat de ziel tussen de dood en het oordeel, in een bewuste staat verkeert. Dit moet zo zijn wordt beweerd, omdat de mens die ziel niet doden kan. Maar, de dood waarmee God volgens de algemene opvatting straft, is een foltering in de vlammen van de hel, die direct na het sterven van het lichaam begint. Laat ons dan eens nagaan wat de Schrift verklaart aangaande de vergaar- en strafplaats van de doden.

 

Het woord ‘hel’ stamt van drie verschillende woorden. De­ze woorden zijn 'hades, ge-enna en tartoro-o'. Deze drie duiden verschillende plaatsen aan; en de volgende lijst van alle voorbeelden waarin ze in het Nieuwe Testament voorkomen toont hun gebruik aan:

 

Hades, komt voor in de volgende Schriftgedeelten, het is een plaats waarin de gelovigen en ongelovigen verblijven, namelijk het graf waaruit zij allen zullen opstaan. Het graf wordt tevens 'hel' genoemd.

In de volgende teksten is voortdurend sprake van de hel, maar als u inplaats van 'hel' graf leest, krijgt u een totaal ander beeld van de betekenis van dit woord.

 

Matth. 11:23 - zal tot de hel nedergestoten worden.

Matth. 16:18 - en de poorten der hel zullen haar niet over­weldigen.

Lukas 10:15 - tot de hel toe nedergestoten worden. 16:23 - als hij in de hel zijn ogen ophief.

Handelingen 2:27 - mijn ziel in de hel niet verlaten.

Handelingen 2:31 - Zijn ziel is niet verlaten in de hel.

1 Cor. 15:55 - Hel, waar is uw overwinning?

Openb. 1:18 - Ik heb de sleutels van de hel en de dood.
Openb.  6:8 - en de dood en de hel volgden hem na.

Openb.  20:13 - en de dood en de hel gaven hun doden, die in hen waren.

Openb.  20:14 - de dood en de hel werden geworpen in de poel van vuur.

 

Gehenna, duidt op de vallei Hinnom, nabij Jeruzalem, waarin voortdurend vuren brandende werden gehouden om de li­chamen van misdadigers en de afval te verbranden die uit de stad werden gebracht en daarin geworpen wer­den. Gehenna is de plaats waarin de goddelozen levend geworpen zullen worden, een straf die niet eerder wordt toegepast dan na de opstanding van de doden en het oordeel.

 

Matth. 5:22 - zal strafbaar zijn door het helse vuur.

Matth. 5:29 - niet uw gehele lichaam in de hel geworpen wor­den.

Matth. 10:28 - ziel en lichaam kan verderven in de hel.

Matth. 18: 9 - twee ogen hebbende om in het helse vuur ge­worpen te worden. Matth. 23:15 - meer een kind van de hel, dan uzelf.

Matth. 23:33 - zoudt u de helse verdoemenis ontvluchten.

Markus 9:43 - dan twee handen hebbende, heen te gaan in de hel.

Markus 9:45 - hebbende twee voeten, geworpen in de hel.

Markus 9:47 - hebbende twee ogen, in het helse vuur gewor­pen.

Lukas  12:5 - ook macht heeft in de hel te werpen.

Jacobus 3:6 -  wordt ontstoken van de hel.

 

Tartaro-o  wordt alleen gebruikt in de volgende tekst:

"God spaarde niet de engelen die gezondigd hebben, maar wierp hen in de hel." 2 Petr. 2:4.

 

Uit deze verwijzingen leert men dat 'hades' de plaats is van de doden, hetzij rechtvaardigen of goddelozen, waaruit zij weer door een opstanding tevoorschijn komen. Openbaring 20:13.

 

'Gehenna' daarentegen is de plaats waar de goddelozen levend in geworpen worden om met ziel en lichaam te worden vernie­tigd. Deze plaatsen moeten daarom niet met elkaar worden verward.

 

De straf, waarvoor de tekst ons waarschuwt, is niet een straf in 'hades' de toestand of plaats van de doden, maar in 'gehenna' een straf die niet eerder zal worden toegepast dan na de opstanding en het oordeel van de goddelozen. Daarom stellen wij dat de tekst geen enkele aanwijzing bevat aan­gaande de toestand van de mens in de dood, maar dat die de gehele periode omvat van het sterven van het lichaam tot de opstanding. Dit blijkt tevens uit de woorden die Lukas aan­gaande dit gedeelte sprak:

"Vrees niet voor degenen, die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. Maar Ik zal u tonen wie u vrezen zult; Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in de hel te werpen."

 

Lukas gebruikte niet het woord 'ziel', toch drukt hij de­zelfde gedachte uit als Mattheus. Mensen kunnen dit lichaam of dit huidige leven vernietigen, maar verder kunnen zij geen verderf aanrichten. Maar God is in staat om niet alleen het lichaam te doden, of het huidige leven te vernietigen, Hij kan ook het leven dat wij na de opstanding weer bezitten in Gehenna werpen en vernietigen.

 

Deze twee dingen worden in deze tekst bedoeld. En als wij dan verder voor ogen houden dat het woord 'psuche' dat hier wordt vertaald door 'ziel' leven betekent, hetzij het huidi­ge of toekomstige leven, en in het Nieuwe Testament veertig keer zo vertaald is, dan is de tekst vrij van alle proble­men.

 

3.  DE ZIELEN ONDER HET ALTAAR

 

In Openbaring 6:9-11 is een ander voorbeeld waarin het woord 'ziel' wordt gebruikt op een wijze die velen als een bewijs aanvaarden dat in de mens een afzonderlijk iets be­staat dat in de dood levend is, en in staat is zonder het lichaam te functioneren, handelingen te verrichten en gevoe­lens te uiten, die tot het leven behoren. De verzen waarnaar verwezen wordt luiden:

 

"En toen Het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden. En zij riepen met grote stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heer­ser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? En aan een iegelijk werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een kleine tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun broeders zouden vervuld zijn; die gedood zouden worden, ge­lijk als zij." Openbaring 6:9-11.

 

Welke conclusie moeten wij, uitgaande van de algemene zienswijze, uit dit gedeelte trekken?

 

1. Aangenomen wordt dat deze zielen in de hemel waren; dan moet het altaar waaronder Johannes hen zag het reukoffer altaar zijn, aangezien dit het enige altaar is dat in de he­mel getoond wordt. Openb. 8:3. Maar het altaar waarover in deze tekst gesproken wordt is kennelijk het offeraltaar waar­op zij gedood werden. Daarom is het ongerijmd en onschrif­tuurlijk hen uit te beelden onder het reukoffer-altaar.

 

2. Wij moeten concluderen dat zij zich in een opgesloten toestand bevonden, onder het altaar - geen toestand die wij gewoonlijk met de volmaakte hemelse zaligheid verbinden.

 

3. Salomo zegt van de doden dat hun liefde, haat en hun nijdigheid is vergaan. Pred. 9:6. Maar dit maakt geen ver­schil; want hier zijn de zielen van heilige martelaren die wrevel koesteren jegens hun vervolgers, en om wraak roepen
over hun verdoemde hoofden. Is dit consequent? Moest de al­les overtreffende zegen van de hemel niet alle verbolgenheid jegens degenen die hen daar gebracht hadden, hoewel zij meen­den hen kwaad te berokkenen, hen er niet toe leiden de hand die hen daar bracht te zegenen in plaats van te vloeken?

 

Maar verder, dezelfde zienswijze die deze zielen in de hemel plaatst, verwijst de zielen van de goddelozen, aan het einde van dit sterfelijk leven, naar een vuurpoel waarin zij in het volle zicht van de verloste hemelse schare door een onuitsprekelijke angst en onophoudelijke pijn gekweld wor­den. Als bewijs dat men gelooft dat de werelden van zegen en kwelling zichtbaar zijn voor elkaar, behoeven wij alleen te verwijzen naar de uitlegging die gegeven wordt van de gelij­kenis van de rijke man en de arme Lazarus, waarin Abraham in een gezegende situatie verkeert en de rijke man pijn lijdt. Verondersteld wordt dat zij elkaar niet alleen kunnen zien, maar tevens met elkaar kunnen spreken. Maar is dat zo?

Als het niet zo is dan moet de bekende verklaring van die gelij­kenis opzij worden gezet. Maar deze veronderstelde vesting zal niet zonder meer worden overgegeven. Het is daarom te­recht om na te gaan welk verband er bestaat met de kwestie die wij voor ons hebben.

 

Volgens de orthodoxe zienswijze zouden de vervolgers van deze zielen toen, of zeker spoedig daarna, direct voor de ogen van de verlosten omringd zijn door de vlammen van de hel, elke vezel van hun lichamen sidderend van een pijn die met geen pen te beschrijven is.

 

Daar bevonden zij zich in hun kwelling, in het volle zicht van de zielen van de martelaren, die hun doordringende kre­ten van een oneindige en hopeloze ellende konden horen - want de rijke man en de arme Lazarus konden, zoals wij hebben ge­zien, over de kloof een gesprek met elkaar voeren. Is er een beul in de hel die een grotere boosaardigheid en vergelding kon bedenken?

Niettemin worden deze zielen uitgebeeld, zelfs onder deze omstandigheden, als roepende tot God om hun bloed te wreken aan hun vervolgers, zeggende: 'Hoe lang nog?' alsof zij zich beklaagden over de trage handelingen van de Voorzienigheid ten aanzien van het doen voortduren of verhevigen van hun kwellingen. Zodanig is het karakter dat de gebruike­lijke opvattingen aan deze heilige martelaren toeschrijven, en zodanig is de geest waarmee zij een godsdienstig systeem omkleden waarvan het belangrijkste gebod vergeving, en de belangrijkste wet barmhartigheid is. Vindt dit goedkeuring in enig hart waarin zich nog een druppel goedheid van 'men­selijk' mededogen bevindt?

 

Deze zielen bidden dat hun 'bloed' gewroken mag worden, iets wat een onzichtbare en onstoffelijke ziel naar algemeen aangenomen wordt niet bezit.

 

Dit zijn enkele van de problemen die wij tegenkomen, en­kele van de obstakels die wij moeten overwinnen in het weerleggen van de algemene opvatting.

 

Maar gesteld wordt dat deze zielen bij bewustzijn moeten zijn; want zij roepen tot God. Hoe gemakkelijk vergeten onze uitleggers dat woorden zinnebeeldig gebruikt kunnen worden als men daaraan een letterlijke betekenis wil toekennen, of als ze letterlijk worden gebruikt, daaraan een zinnebeeldige betekenis willen toekennen. Verondersteld wordt dat er zo­iets bestaat als zinnebeeldige 'verpersoonlijking' waarin onder bepaalde omstandigheden leven, handeling en verstand worden toegekend aan 'levenloze' voorwerpen. Zo wordt gezegd dat het bloed van Abel tot God riep vanuit de aardbodem. Gen. 4: 10-11.

Dat de 'steen uit de muur roept', en de 'balk uit het hout antwoordde.' Hab. 2:11. Dat het loon der werklieden, dat verkort werd, riep; en het geschrei is gekomen tot in de oren van de Here Sebaoth. Jac. 5:4. Zo konden in dezelfde zin deze zielen roepen en toch niet bewuster zijn dan het bloed van Abel, de steen, de balk of het loon van de werk­lieden. Zo ongerijmd is deze algemene opvatting dat tenslot­te gezegd werd:

 

"Wij moeten niet veronderstellen dat dit letterlijk ge­beurde en dat Johannes inderdaad de zielen van de martelaren onder het altaar zag, want de gehele uitbeelding is symbo­lisch; wij moeten evenmin veronderstellen dat degenen die onrecht werd aangedaan inderdaad in de hemel bidden om wraak over degenen die hen leed berokkenden, evenmin dat de ver­losten in de hemel blijven bidden aangaande dingen die zich op aarde bevinden." Openbaring 6:9-11.

 

Maar er is gezegd dat hen witte klederen werden gegeven; daaruit blijkt dat zij leven. Deze conclusie is onjuist, evenals de bewering dat zij werkelijk riepen. Hoe waren de omstandigheden? - Dit beeld verplaatst ons naar de tijd waar­in het vijfde zegel geopend werd en de zielen die worden ge­toond symboliseren degenen die omgekomen zijn tijdens de grote vervolging. Zij waren op een uiterst onterende wijze in het graf gedaald. Hun leven was in een verkeerd daglicht gesteld, hun reputaties belasterd, hun namen bezoedeld, hun motieven verkeerd uitgelegd, en hun graven werden bedekt met schande en schaamte alsof zich daarin de grootste misdadi­gers bevonden.

De kerk van Rome, die toen de gevoelens van de belangrijkste volkeren op aarde beďnvloedde, spaarde geen moeite om haar slachtoffers als weerzinwekkende wezens voor te stellen.

 

Maar de reformatie begon haar werk. Spoedig begon men in te zien dat degenen die vervolgd en gedood werden goede, zui­vere en waarachtige bedoelingen hadden. Toen werd gezien dat zij niet hadden geleden omdat zij boosaardig en crimineel waren, maar "om het woord van God en om het getuigenis dat zij naar voren brachten." Toen werden hun verdiensten gepre­zen, hun namen geëerd, hun nagedachtenis gekoesterd. En zo is het nu nog. Zo werden aan hun ieder van hen 'witte klede­ren' gegeven.

 

Het probleem met Schriftgedeelten als deze, vloeit voort uit de betekenis die de godgeleerden aan het woord 'ziel' hebben gegeven. Uitgaande van die betekenis, wordt iemand ertoe geleid te veronderstellen dat hier sprake is van een onstoffelijk, onzichtbaar wezen in de mens dat na het ster­ven van het lichaam zich daarvan bevrijd en omhoog stijgt in volmaakte vrijheid. Geen enkel voorbeeld van dit woord in het oorspronkelijk Hebreeuws en Grieks zal deze verklaring on­dersteunen.

Meestal betekent het 'leven', en wordt het toe­gepast op de 'mens'. Het is van toepassing op de doden en de levenden, hetgeen blijkt uit Gen. 2:7, waar het woord 'leven­de' niet gebruikt had behoeven te worden als leven een onafscheidelijke eigenschap van de ziel was geweest, en op Num. 19:13 en vele andere gedeelten waar het Hebreeuws letter­lijk luidt: 'dode ziel.'

 

4.  LICHAAM, ZIEL EN GEEST

 

1 Thess. 5:23. "En de God des vredes zelf heilige u ge­heel en al; en uw gehele oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Here Je­zus Christus."

Omdat hier de woorden 'ziel' en 'geest' wor­den gebruikt, is de doorsnee lezer, misleid door de populaire verklaringen die van deze uitdrukkingen werden gegeven, ge­neigd deze tekst onmiddellijk te aanvaarden als een erken­ning dat de mens een onsterfelijk deel bezit, gelijk de hui­dige theologen ons voor ogen houden. Maar het zal opgevallen zijn dat hier sprake is van twee uitdrukkingen, die elk op verschillende tijden naar voren zijn gebracht als duidende op het onsterfelijk deel van de mens. In verband met deze tekst moet of het ene of het andere woord worden opgegeven als hebbende die betekenis, want de mens bezit zeer zeker geen twee onsterfelijke delen. Hier moet dus worden bepaald of het woord 'geest' duidt op een immaterieel en onsterfelijk deel van de mens, of dat het woord 'ziel' op zulk een deel duidt. Nu, het ene deel heeft evenveel recht als het andere om als een onsterfelijk deel van de mens te worden bezien, en het is om het even welk deel die betekenis niet wordt toegekend, want het is gemakkelijk de aanspraken van de ander te weerleggen.

Drie woorden worden hier op de mens toegepast met de duidelijke bedoeling voldoende zeker te stellen dat het 'ge­hele wezen' van de mens wordt bedoeld. "En de God des vredes heilige u geheel en al," enz. en daarna omvat het woord 'ge­hele' dezelfde gedachte:

"Uw 'gehele' geest en 'gehele' ziel en 'gehele' lichaam." Maar het valt op dat geen wens wordt uitgedrukt die speciaal doelt op 'een deel' onafhankelijk van de andere. Paulus zegt niet:

'Moge uw geest onberispelijk worden bewaard, zonder de ziel en het lichaam, of uw lichaam zonder de ziel en de geest." Het gebed omvat alle drie als een onverbrekelijk geheel, het complete gestel van de gehele mens. In de Bijbelse beschrijving van de mens, is er geen 'scheidslijn' tussen deze verschillende delen. Zij maken al­le deel uit van het gehele verantwoordelijke wezen.

 

Als iemand meent dat een verklaring, die deze verschil­lende delen niet noemt onbevredigend is, is het eenvoudig zulk een indeling te maken. Het 'lichaam' is gemaakt uit stof - het is een hoeveelheid materiaal; het 'organisme' en het 'leven' waarmee het begiftigd werd vormen een 'ziel' of­wel een 'georganiseerd wezen' en de 'geest' of 'adem des le­vens' schenkt het kracht; en als gevolg daarvan verschijnt een georganiseerd, levend, met rede begaafd wezen.

De omschrijvingen van de woorden zullen, zoals reeds aangetoond, deze toepassing volledig ondersteunen. Het is een omschrij­ving, of volledige uitdrukking, om de gehele mens te be­schrijven. Als zodanig is het voor de algemene zienswijze een ongunstige tekst.