1. Uitgang en terugkeer van
de ziel
Wij hebben beweringen
onderzocht waarin het woord 'geest' op zulk een wijze is gebruikt om de
opvatting te ondersteunen dat de geest na de dood van het lichaam in een
ononderbroken bewuste staat verder leeft.
De Schrift verklaart duidelijk
dat de doden niets weten, dat als de adem de mens verlaat, hij in de aarde
terugkeert, zijn gedachten vergaan, en dat er noch wijsheid, noch kennis,
noch plannen zijn in het graf waarin hij gaat.
Wij willen nu het
Schriftgedeelte onderzoeken waarvan verondersteld wordt dat de uitdrukking
'ziel' wordt gebruikt om aan te tonen dat het een apart bestanddeel is in de
mens onsterfelijk van aard en in staat zowel binnen als buiten het lichaam
te bestaan.
Het eerste gedeelte daarvan is
Gen. 35:18 dat spreekt over het sterven van Rachel. Daarin staat:"En het
geschiedde als haar ziel uitging (want zij stierf) dat zij zijn naam noemde
Beoni." Dit wordt geciteerd als een bewijs dat de ziel vertrekt als het
lichaam sterft en verder leeft in een actieve en bewuste staat.
Luther Lee, in zijn dagen een
bekend methodist, schreef over dit gedeelte:
"Haar lichaam verdween niet.
Haar hersenen verdwenen niet. Er was niets dat verdween dat haar ziel zou
kunnen worden genoemd tenzij men veronderstelt dat er in de mens een
onstoffelijke geest is die het lichaam na de dood verlaat."
Tegenover deze bewering van
Luther Lee, stellen wij de volgende kritiek van Prof. Bush; -
“Toen haar ziel of leven op
het punt stond heen te gaan, Hebreeuws 'betzeth naphshah'.” De woorden
betekenen in feite niets anders als beëindiging van het leven of ophouden te
bestaan."
Toen de profeet Elia zich
driemaal over een dood kind boog (1 Kon. 17:21) en driemaal riep zeggende: "Here,
mijn God, laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen;" bad hij slechts
om de terugkeer van het natuurlijke leven.
1 Kon. 17:17 vertelt ons wat
uit het kind was uitgevaren en wat bijgevolg moest terugkeren alvorens het
zoontje kon leven. "En zijn krankheid werd zeer sterk, totdat geen
adem meer in hem was overgebleven." Daar zit de knoop: de adem des
levens was uitgevaren. En toen Elia kwam om voor zijn opwekking te bidden,
vroeg hij op de meest natuurlijke wijze om hetgeen uit het kind was
uitgegaan, waardoor het stierf, weer in hem terug te laten keren. Dit nu was
volgens vers 17 in eenvoudige bewoordingen uitgedrukt "de adem des levens."
Noch in deze noch in andere Schriftgedeelten vinden wij enig bewijs van het
bestaan van een onstoffelijke, onsterfelijke ziel.
Het kind was dood. Iets dat
'ziel' wordt genoemd dat het kind bezat was uit hem gegaan, daardoor stierf
het. Dit element, niet het kind zelf maar wat het kind als levend wezen
bezat, keerde tot hem terug, en het kind herleefde.
Maar volgens de
immaterialistische opvatting kan dit gedeelte niet zo gelezen worden. Want
deze opvatting maakt dat het kind de ziel is; en met die opvatting zou dit
Schriftgedeelte ongeveer zo luiden: "En de Here hoorde de stem van Elia, en
het kind kwam terug en nam weer bezit van zijn lichaam, en het lichaam
herleefde." Dit is de populaire opvatting. Maar let op de tegenstelling
tussen dit en het Schriftuurlijk verslag.
2. KAN DE ZIEL WORDEN
GEDOOD?
Mattheus 10:28: "Vreest niet
voor degenen die het lichaam doden, en de ziel niet kunnen doden; maar vrees
veel meer Hem, die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel!'
Lukas drukt dezelfde gedachte
uit in de volgende bewoordingen: "En Ik zeg u, Mijn vrienden: Vreest u niet
voor degenen, die het lichaam doden, en daarna niet meer kunnen doen.
Maar Ik zal u tonen, Wien gij
vrezen zult: vreest Dien, Die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in
de hel te werpen; ja, Ik zeg u, vreest Dien!" Lukas 12:4,5.
Een ieder begrijpt welke
uitwerking het doden van het lichaam heeft. Het berooft het van alle
functies en levenskrachten en activiteit. Het zou hetzelfde doen met de
ziel, aannemende dat de ziel is wat aangaande de ziel algemeen geloofd
wordt.
In Mattheus 10:28 wordt op
stellige wijze gesproken over het verderf van ziel en lichaam, of de
volledige uitroeiing, van een bewust bestaan voor alle goddelozen in de hel.
Wij vragen nu of de tekst leert dat de ziel tussen de dood en het oordeel,
in een bewuste staat verkeert. Dit moet zo zijn wordt beweerd, omdat de mens
die ziel niet doden kan. Maar, de dood waarmee God volgens de algemene
opvatting straft, is een foltering in de vlammen van de hel, die direct na
het sterven van het lichaam begint. Laat ons dan eens nagaan wat de Schrift
verklaart aangaande de vergaar- en strafplaats van de doden.
Het woord ‘hel’ stamt van drie
verschillende woorden. Deze woorden zijn 'hades, ge-enna en tartoro-o'.
Deze drie duiden verschillende plaatsen aan; en de volgende lijst van alle
voorbeelden waarin ze in het Nieuwe Testament voorkomen toont hun gebruik
aan:
Hades, komt voor
in de volgende Schriftgedeelten, het is een plaats waarin de gelovigen en
ongelovigen verblijven, namelijk het graf waaruit zij allen zullen opstaan.
Het graf wordt tevens 'hel' genoemd.
In de volgende teksten is
voortdurend sprake van de hel, maar als u inplaats van 'hel' graf leest,
krijgt u een totaal ander beeld van de betekenis van dit woord.
Matth. 11:23 - zal tot de hel
nedergestoten worden.
Matth. 16:18 - en de poorten
der hel zullen haar niet overweldigen.
Lukas 10:15 - tot de hel toe
nedergestoten worden. 16:23 - als hij in de hel zijn ogen ophief.
Handelingen 2:27 - mijn ziel
in de hel niet verlaten.
Handelingen 2:31 - Zijn ziel
is niet verlaten in de hel.
1 Cor. 15:55 - Hel, waar is uw
overwinning?
Openb. 1:18 - Ik heb de
sleutels van de hel en de dood.
Openb. 6:8 - en de dood en de hel volgden hem na.
Openb. 20:13 - en de dood en
de hel gaven hun doden, die in hen waren.
Openb. 20:14 - de dood en de
hel werden geworpen in de poel van vuur.
Gehenna, duidt
op de vallei Hinnom, nabij Jeruzalem, waarin voortdurend vuren brandende
werden gehouden om de lichamen van misdadigers en de afval te verbranden
die uit de stad werden gebracht en daarin geworpen werden. Gehenna is de
plaats waarin de goddelozen levend geworpen zullen worden, een straf die
niet eerder wordt toegepast dan na de opstanding van de doden en het
oordeel.
Matth. 5:22 - zal strafbaar
zijn door het helse vuur.
Matth. 5:29 - niet uw gehele
lichaam in de hel geworpen worden.
Matth. 10:28 - ziel en lichaam
kan verderven in de hel.
Matth. 18: 9 - twee ogen
hebbende om in het helse vuur geworpen te worden. Matth. 23:15 - meer een
kind van de hel, dan uzelf.
Matth. 23:33 - zoudt u de
helse verdoemenis ontvluchten.
Markus 9:43 - dan twee handen
hebbende, heen te gaan in de hel.
Markus 9:45 - hebbende twee
voeten, geworpen in de hel.
Markus 9:47 - hebbende twee
ogen, in het helse vuur geworpen.
Lukas 12:5 - ook macht heeft
in de hel te werpen.
Jacobus 3:6 - wordt ontstoken
van de hel.
Tartaro-o wordt
alleen gebruikt in de volgende tekst:
"God spaarde niet de engelen
die gezondigd hebben, maar wierp hen in de hel." 2 Petr. 2:4.
Uit deze verwijzingen leert
men dat 'hades' de plaats is van de doden, hetzij rechtvaardigen of
goddelozen, waaruit zij weer door een opstanding tevoorschijn komen.
Openbaring 20:13.
'Gehenna' daarentegen is de
plaats waar de goddelozen levend in geworpen worden om met ziel en lichaam
te worden vernietigd. Deze plaatsen moeten daarom niet met elkaar worden
verward.
De straf, waarvoor de tekst
ons waarschuwt, is niet een straf in 'hades' de toestand of plaats van de
doden, maar in 'gehenna' een straf die niet eerder zal worden toegepast dan
na de opstanding en het oordeel van de goddelozen. Daarom stellen wij dat de
tekst geen enkele aanwijzing bevat aangaande de toestand van de mens in de
dood, maar dat die de gehele periode omvat van het sterven van het lichaam
tot de opstanding. Dit blijkt tevens uit de woorden die Lukas aangaande dit
gedeelte sprak:
"Vrees niet voor degenen, die
het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. Maar Ik zal u tonen wie
u vrezen zult; Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, ook macht heeft in
de hel te werpen."
Lukas gebruikte niet het woord
'ziel', toch drukt hij dezelfde gedachte uit als Mattheus. Mensen kunnen
dit lichaam of dit huidige leven vernietigen, maar verder kunnen zij geen
verderf aanrichten. Maar God is in staat om niet alleen het lichaam te
doden, of het huidige leven te vernietigen, Hij kan ook het leven dat wij na
de opstanding weer bezitten in Gehenna werpen en vernietigen.
Deze twee dingen worden in
deze tekst bedoeld. En als wij dan verder voor ogen houden dat het woord 'psuche'
dat hier wordt vertaald door 'ziel' leven betekent, hetzij het huidige of
toekomstige leven, en in het Nieuwe Testament veertig keer zo vertaald is,
dan is de tekst vrij van alle problemen.
3. DE ZIELEN ONDER HET
ALTAAR
In Openbaring 6:9-11 is een
ander voorbeeld waarin het woord 'ziel' wordt gebruikt op een wijze die
velen als een bewijs aanvaarden dat in de mens een afzonderlijk iets
bestaat dat in de dood levend is, en in staat is zonder het lichaam te
functioneren, handelingen te verrichten en gevoelens te uiten, die tot het
leven behoren. De verzen waarnaar verwezen wordt luiden:
"En toen Het het vijfde zegel
geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen, die gedood waren om
het Woord Gods, en om de getuigenis, die zij hadden. En zij riepen met grote
stem, zeggende: Hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en
wreekt Gij ons bloed niet van degenen, die op de aarde wonen? En aan een
iegelijk werden lange witte klederen gegeven, en hun werd gezegd, dat zij
nog een kleine tijd rusten zouden, totdat ook hun mededienstknechten en hun
broeders zouden vervuld zijn; die gedood zouden worden, gelijk als zij."
Openbaring 6:9-11.
Welke conclusie moeten wij,
uitgaande van de algemene zienswijze, uit dit gedeelte trekken?
1. Aangenomen wordt dat deze
zielen in de hemel waren; dan moet het altaar waaronder Johannes hen zag het
reukoffer altaar zijn, aangezien dit het enige altaar is dat in de hemel
getoond wordt. Openb. 8:3. Maar het altaar waarover in deze tekst gesproken
wordt is kennelijk het offeraltaar waarop zij gedood werden. Daarom is het
ongerijmd en onschriftuurlijk hen uit te beelden onder het reukoffer-altaar.
2. Wij moeten concluderen dat
zij zich in een opgesloten toestand bevonden, onder het altaar - geen
toestand die wij gewoonlijk met de volmaakte hemelse zaligheid verbinden.
3. Salomo zegt van de doden
dat hun liefde, haat en hun nijdigheid is vergaan. Pred. 9:6. Maar dit maakt
geen verschil; want hier zijn de zielen van heilige martelaren die wrevel
koesteren jegens hun vervolgers, en om wraak roepen
over hun verdoemde hoofden. Is dit consequent? Moest de alles overtreffende
zegen van de hemel niet alle verbolgenheid jegens degenen die hen daar
gebracht hadden, hoewel zij meenden hen kwaad te berokkenen, hen er niet
toe leiden de hand die hen daar bracht te zegenen in plaats van te vloeken?
Maar verder, dezelfde
zienswijze die deze zielen in de hemel plaatst, verwijst de zielen van de
goddelozen, aan het einde van dit sterfelijk leven, naar een vuurpoel waarin
zij in het volle zicht van de verloste hemelse schare door een
onuitsprekelijke angst en onophoudelijke pijn gekweld worden. Als bewijs
dat men gelooft dat de werelden van zegen en kwelling zichtbaar zijn voor
elkaar, behoeven wij alleen te verwijzen naar de uitlegging die gegeven
wordt van de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus, waarin Abraham
in een gezegende situatie verkeert en de rijke man pijn lijdt. Verondersteld
wordt dat zij elkaar niet alleen kunnen zien, maar tevens met elkaar kunnen
spreken. Maar is dat zo?
Als het niet zo is dan moet de
bekende verklaring van die gelijkenis opzij worden gezet. Maar deze
veronderstelde vesting zal niet zonder meer worden overgegeven. Het is
daarom terecht om na te gaan welk verband er bestaat met de kwestie die wij
voor ons hebben.
Volgens de orthodoxe
zienswijze zouden de vervolgers van deze zielen toen, of zeker spoedig
daarna, direct voor de ogen van de verlosten omringd zijn door de vlammen
van de hel, elke vezel van hun lichamen sidderend van een pijn die met geen
pen te beschrijven is.
Daar bevonden zij zich in hun
kwelling, in het volle zicht van de zielen van de martelaren, die hun
doordringende kreten van een oneindige en hopeloze ellende konden horen -
want de rijke man en de arme Lazarus konden, zoals wij hebben gezien, over
de kloof een gesprek met elkaar voeren. Is er een beul in de hel die een
grotere boosaardigheid en vergelding kon bedenken?
Niettemin worden deze zielen
uitgebeeld, zelfs onder deze omstandigheden, als roepende tot God om hun
bloed te wreken aan hun vervolgers, zeggende: 'Hoe lang nog?' alsof zij zich
beklaagden over de trage handelingen van de Voorzienigheid ten aanzien van
het doen voortduren of verhevigen van hun kwellingen. Zodanig is het
karakter dat de gebruikelijke opvattingen aan deze heilige martelaren
toeschrijven, en zodanig is de geest waarmee zij een godsdienstig systeem
omkleden waarvan het belangrijkste gebod vergeving, en de belangrijkste wet
barmhartigheid is. Vindt dit goedkeuring in enig hart waarin zich nog een
druppel goedheid van 'menselijk' mededogen bevindt?
Deze zielen bidden dat hun
'bloed' gewroken mag worden, iets wat een onzichtbare en onstoffelijke ziel
naar algemeen aangenomen wordt niet bezit.
Dit zijn enkele van de
problemen die wij tegenkomen, enkele van de obstakels die wij moeten
overwinnen in het weerleggen van de algemene opvatting.
Maar gesteld wordt dat deze
zielen bij bewustzijn moeten zijn; want zij roepen tot God. Hoe gemakkelijk
vergeten onze uitleggers dat woorden zinnebeeldig gebruikt kunnen worden als
men daaraan een letterlijke betekenis wil toekennen, of als ze letterlijk
worden gebruikt, daaraan een zinnebeeldige betekenis willen toekennen.
Verondersteld wordt dat er zoiets bestaat als zinnebeeldige
'verpersoonlijking' waarin onder bepaalde omstandigheden leven, handeling en
verstand worden toegekend aan 'levenloze' voorwerpen. Zo wordt gezegd dat
het bloed van Abel tot God riep vanuit de aardbodem. Gen. 4: 10-11.
Dat de 'steen uit de muur
roept', en de 'balk uit het hout antwoordde.' Hab. 2:11. Dat het loon der
werklieden, dat verkort werd, riep; en het geschrei is gekomen tot in de
oren van de Here Sebaoth. Jac. 5:4. Zo konden in dezelfde zin deze zielen
roepen en toch niet bewuster zijn dan het bloed van Abel, de steen, de balk
of het loon van de werklieden. Zo ongerijmd is deze algemene opvatting dat
tenslotte gezegd werd:
"Wij moeten niet
veronderstellen dat dit letterlijk gebeurde en dat Johannes inderdaad de
zielen van de martelaren onder het altaar zag, want de gehele uitbeelding is
symbolisch; wij moeten evenmin veronderstellen dat degenen die onrecht werd
aangedaan inderdaad in de hemel bidden om wraak over degenen die hen leed
berokkenden, evenmin dat de verlosten in de hemel blijven bidden aangaande
dingen die zich op aarde bevinden." Openbaring 6:9-11.
Maar er is gezegd dat hen
witte klederen werden gegeven; daaruit blijkt dat zij leven. Deze conclusie
is onjuist, evenals de bewering dat zij werkelijk riepen. Hoe waren de
omstandigheden? - Dit beeld verplaatst ons naar de tijd waarin het vijfde
zegel geopend werd en de zielen die worden getoond symboliseren degenen die
omgekomen zijn tijdens de grote vervolging. Zij waren op een uiterst
onterende wijze in het graf gedaald. Hun leven was in een verkeerd daglicht
gesteld, hun reputaties belasterd, hun namen bezoedeld, hun motieven
verkeerd uitgelegd, en hun graven werden bedekt met schande en schaamte
alsof zich daarin de grootste misdadigers bevonden.
De kerk van Rome, die toen de
gevoelens van de belangrijkste volkeren op aarde beďnvloedde, spaarde geen
moeite om haar slachtoffers als weerzinwekkende wezens voor te stellen.
Maar de reformatie begon haar
werk. Spoedig begon men in te zien dat degenen die vervolgd en gedood werden
goede, zuivere en waarachtige bedoelingen hadden. Toen werd gezien dat zij
niet hadden geleden omdat zij boosaardig en crimineel waren, maar "om het
woord van God en om het getuigenis dat zij naar voren brachten." Toen werden
hun verdiensten geprezen, hun namen geëerd, hun nagedachtenis gekoesterd.
En zo is het nu nog. Zo werden aan hun ieder van hen 'witte klederen'
gegeven.
Het probleem met
Schriftgedeelten als deze, vloeit voort uit de betekenis die de godgeleerden
aan het woord 'ziel' hebben gegeven. Uitgaande van die betekenis, wordt
iemand ertoe geleid te veronderstellen dat hier sprake is van een
onstoffelijk, onzichtbaar wezen in de mens dat na het sterven van het
lichaam zich daarvan bevrijd en omhoog stijgt in volmaakte vrijheid. Geen
enkel voorbeeld van dit woord in het oorspronkelijk Hebreeuws en Grieks zal
deze verklaring ondersteunen.
Meestal betekent het 'leven',
en wordt het toegepast op de 'mens'. Het is van toepassing op de doden en
de levenden, hetgeen blijkt uit Gen. 2:7, waar het woord 'levende' niet
gebruikt had behoeven te worden als leven een onafscheidelijke eigenschap
van de ziel was geweest, en op Num. 19:13 en vele andere gedeelten waar het
Hebreeuws letterlijk luidt: 'dode ziel.'
4. LICHAAM, ZIEL EN GEEST
1 Thess. 5:23. "En de God des
vredes zelf heilige u geheel en al; en uw gehele oprechte geest, en ziel,
en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onze Here Jezus
Christus."
Omdat hier de woorden 'ziel'
en 'geest' worden gebruikt, is de doorsnee lezer, misleid door de populaire
verklaringen die van deze uitdrukkingen werden gegeven, geneigd deze tekst
onmiddellijk te aanvaarden als een erkenning dat de mens een onsterfelijk
deel bezit, gelijk de huidige theologen ons voor ogen houden. Maar het zal
opgevallen zijn dat hier sprake is van twee uitdrukkingen, die elk op
verschillende tijden naar voren zijn gebracht als duidende op het
onsterfelijk deel van de mens. In verband met deze tekst moet of het ene of
het andere woord worden opgegeven als hebbende die betekenis, want de mens
bezit zeer zeker geen twee onsterfelijke delen. Hier moet dus worden bepaald
of het woord 'geest' duidt op een immaterieel en onsterfelijk deel van de
mens, of dat het woord 'ziel' op zulk een deel duidt. Nu, het ene deel heeft
evenveel recht als het andere om als een onsterfelijk deel van de mens te
worden bezien, en het is om het even welk deel die betekenis niet wordt
toegekend, want het is gemakkelijk de aanspraken van de ander te weerleggen.
Drie woorden worden hier op de
mens toegepast met de duidelijke bedoeling voldoende zeker te stellen dat
het 'gehele wezen' van de mens wordt bedoeld. "En de God des vredes heilige
u geheel en al," enz. en daarna omvat het woord 'gehele' dezelfde gedachte:
"Uw 'gehele' geest en 'gehele'
ziel en 'gehele' lichaam." Maar het valt op dat geen wens wordt uitgedrukt
die speciaal doelt op 'een deel' onafhankelijk van de andere. Paulus zegt
niet:
'Moge uw geest onberispelijk
worden bewaard, zonder de ziel en het lichaam, of uw lichaam zonder de ziel
en de geest." Het gebed omvat alle drie als een onverbrekelijk geheel, het
complete gestel van de gehele mens. In de Bijbelse beschrijving van de mens,
is er geen 'scheidslijn' tussen deze verschillende delen. Zij maken alle
deel uit van het gehele verantwoordelijke wezen.
Als iemand meent dat een
verklaring, die deze verschillende delen niet noemt onbevredigend is, is
het eenvoudig zulk een indeling te maken. Het 'lichaam' is gemaakt uit stof
- het is een hoeveelheid materiaal; het 'organisme' en het 'leven' waarmee
het begiftigd werd vormen een 'ziel' ofwel een 'georganiseerd wezen' en de
'geest' of 'adem des levens' schenkt het kracht; en als gevolg daarvan
verschijnt een georganiseerd, levend, met rede begaafd wezen.
De omschrijvingen van de
woorden zullen, zoals reeds aangetoond, deze toepassing volledig
ondersteunen. Het is een omschrijving, of volledige uitdrukking, om de
gehele mens te beschrijven. Als zodanig is het voor de algemene zienswijze
een ongunstige tekst.