You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en Erna
   
DE WOORDEN ‘ZIEL EN GEEST’  (5)

 

Wat wordt bedoeld met de woorden 'ziel' en 'geest' die op de mens worden toegepast? Degenen die geloven in een onvoor­waardelijke onsterfelijkheid wijzen triomfantelijk op het feit dat de uitdrukkingen 'ziel' en 'geest' toegepast zijn op menselijke wezens. Op basis daarvan achten zij deze vraag als zijnde opgelost en werpen daarmee een onoverkomelijke scheidsmuur op tegen elke verdere discussie. Dit is het ge­volg van een niet grondig onderzoeken van deze kwestie en niet willen inzien dat al hetgeen wij in deze aangelegenheid vragen is, de algemene verklaring van deze woorden te geven.

 

Wij loochenen niet dat de mens een 'ziel' en een 'geest' bezit. Wij vragen alleen of onze vrienden ons willen aanto­nen dat de Bijbel de ziel en de geest, de betekenis toekent die de moderne theologie daaraan gegeven heeft. Zij voorzien dan in de opheffing van een tot dusver bestaand gebrek aan inzicht waardoor deze onderlinge verdeeldheid voor altijd verdwijnt. Het probleem is dat de mensen aan de heidense fi­losofie en aan hun eigen verbeeldingskracht het begrip ont­lenen van een onstoffelijk, onsterfelijk wezen en dat ziel noemen. Als zij zien dat die uitdrukking in de Bijbel wordt gebruikt, geven zij daarvan hun eigen definitie en stellen dat daarmee de vraag opgelost is. Dit is niet alleen onlo­gisch, maar ook onjuist.

 

Wat vertellen de theologen ons aangaande de betekenis van deze woorden? Zij zeggen: "Ziel, het levende, onstoffelijke, actieve wezen of beginsel in de mens waardoor hij waarneemt, herinnert, redeneert en beslist." Aangaande de geest wordt gezegd: "Een onstoffelijk wezen of geest; in de zin waarin van God wordt gezegd dat Hij een geest is, gelijk de engelen en de menselijke ziel." Aangaande de mens wordt gezegd: "De onmisbare delen van de mens die door God geschapen werden zijn twee: lichaam en ziel. Het ene werd uit stof gemaakt, het andere werd hem ingeblazen." Verder wordt gezegd: "Deze ziel is een geestelijk wezen," en dan, zich kennelijk niet helemaal veilig gevoelend met dit een 'wezen' te noemen waar­van gezegd wordt dat het onstoffelijk is, wordt het nog ver­warrender door daaraan toe te voegen: "Leven, onstoffelijk, onsterfelijk."

 

Deze mening prikkelt tot een grondig onderzoek. Ten aan­zien van deze definitie van de 'ziel' , kan die de lagere diersoorten niet ontzegd worden, want zij 'beseffen, herinneren, denken en willen.' En als geest ook 'menselijke ziel' betekent komt de vraag op: "Heeft de mens twee onsterfelijke ele­menten in zich?"  Want de Bijbel past beide uitdrukkingen te­gelijkertijd om hem toe. Paulus zei tot de Thessalonicensen: "En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw ge­heel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard, in de toekomst van onze Here Jezus Christus." 1 Thess. 5:23. Past Paulus hier tautologie (een onnodige herhaling) toe door op de mens twee woorden toe te passen die dezelfde betekenis hebben? Dit zou een ernstige aanval op zijn inspiratie betekenen. Want, bezit de mens twee onster­felijke delen, ziel en geest? Dit zou kennelijk overdreven zijn, waar één genoeg is, zijn twee een last. En verder, aan­gaande deze veronderstelling; bestaan deze twee onsterfelijke delen hierna als twee onafhankelijke en aparte wezens?

 

Gezien die gedachte ongerijmd is, blijft er nog een vraag open: "Welke van deze twee is het onsterfelijke deel, is het de ziel of de geest?" Beide kunnen het niet zijn; en voor ons doet het er niet toe welke daarvan gekozen wordt. Maar wij willen weten wat aangaande die twee besloten wordt. Als ge­zegd wordt dat hetgeen wij 'ziel' noemen het onsterfelijke deel is, dan moeten teksten als Prediker 12:7: "De geest zal terugkeren tot God die hem gegeven heeft:" en Lukas 23:46 "In Uw handen beveel ik mijn geest," enz. worden opgegeven als bewijs voor zulk een onsterfelijk deel; want deze tek­sten gebruiken niet het woord 'ziel'.

 

Anderzijds, als beweerd wordt dat de 'geest' het onster­felijk deel is, dan moeten de teksten Gen.35:18: "En het ge­schiedde, als haar ziel uitging, (want zij stierf); en 1 Kort. 17:21: "Laat toch de ziel van dit kind in hem wederkomen," worden opgegeven als een bewijs van de onsterfelijkheid van de mens; want in geen van beiden wordt de uitdrukking 'geest' gebruikt.

 

En verder, als naar wordt beweerd, het lichaam en de ziel beide onmisbare delen van een mens zijn, hoe kunnen zij dan los van elkaar als een afzonderlijk, bewust en volmaakt we­zen bestaan?

 

En nu vragen wij de lezer zijn aandacht te vestigen op een ander verbazingwekkend feit, waarvan hem de draagwijdte niet mag ontgaan. Wij willen weten of deze 'ziel' of 'geest' onsterfelijk is. De Hebreeuwse en Griekse woorden waaruit zij vertaald zijn, komen in de Bijbel zeventien honderd keer voor. Ongetwijfeld moet in deze lange lijst op z 'n minst één keer vermeld zijn dat de ziel onsterfelijk is, als dit haar hoge voorrecht is. Zeventienhonderd keer vragen wij of één keer van de ziel is gezegd dat die onsterfelijk is of dat de geest onvergankelijk is. En het onveranderlijke en overwel­digende antwoord dat wij vinden is: Niet één keer. Nergens, hoewel honderden malen gebruikt, is ooit van de ziel gezegd dat die onsterfelijk van aard is of dat de 'geest' onvergan­kelijk is. Een vreemd en onverklaarbaar feit, als de onster­felijkheid een onafscheidelijke eigenschap van de ziel en de geest is.

 

Soms wordt een poging gedaan om de kracht van dit feit te ontwijken door te zeggen dat de onsterfelijkheid van de ziel, evenals die van God, als vanzelfsprekend aangenomen wordt. Wij antwoorden, de onsterfelijkheid van God wordt niet als vanzelfsprekend aangenomen. Hoewel dit aangenomen wordt als iets vanzelfsprekend, wordt niettemin bevestigd dat God on­sterfelijk is. "De koning der eeuwen, de onsterfelijke en onzienlijke en alleen wijze God." 1 Tim. 1:17.

"De Koning der koningen, en Here der heren: Die alleen onsterfelijkheid heeft," enz. 1 Tim. 6:15,16. Laten nu de verkondigers van de onsterfelijkheid van de ziel, één tekst aanwijzen waarin wordt gezegd dat de menselijke ziel onsterfelijkheid bezit of waar gezegd wordt dat de mens onsterfelijk is, gelijk van God gezegd wordt. Haar omdat dit niet aangetoond kan worden; verliest het zwakke 'vanzelfsprekend' argument alle kracht.