You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en Erna
   
ONSTERFELIJK EN ONSTERFELIJKHEID   (4)

 

BIJBELS - GEBRUIK VAN DE WOORDEN ONSTERFELIJK EN ONSTERFELIJKHEID

 

Het is onnodig de lezer eraan te herinneren dat de bedoe­ling van deze studie is, te ontdekken wat de Bijbel ons aan­gaande de aard en de bestemming van de mens leert. En omdat de Bijbel onze enige bron van onderwijs is, kunnen wij ons alleen op zijn getuigenis beroepen.

 

Noch in het verslag van de schepping van de mens, noch in andere bewoordingen die daarop betrekking hebben, is een be­wijs te vinden dat de mens van nature onsterfelijk is. Maar zou het niet kunnen zijn dat de uitdrukkingen 'onsterfelijk' en 'onsterfelijkheid' ergens aanduiden dat de mens onsterfe­lijk is of hem op z'n minst onsterfelijkheid toekennen? Het is vanzelfsprekend te veronderstellen dat als de mens on­sterfelijk is, de Bijbel dit belangrijke feit ergens ver­meldt. Laten wij daarom eens zien waar en hoe vaak in de Bijbel de uitdrukkingen 'onsterfelijk' en 'onsterfelijkheid' worden gebruikt. Hoe vaak worden die uitdrukkingen toegepast? Wie wordt in de Bijbel onsterfelijk genoemd? Verklaart de Bijbel dit van de mens of enig deel van de mens?

 

Als iemand zich, zonder de Bijbel te openen, zou trachten aan de hand van de gangbare uitspraken van de moderne theo­logie dienaangaande een mening te vormen, dan zou hij tot de conclusie komen dat de Bijbel vaak in nadrukkelijke bewoor­dingen verklaart, dat de mens een onsterfelijke ziel en een onvergankelijke geest bezit; want de hedendaagse populaire godsdienstige literatuur, die beweert een getrouwe weergave te zijn van Gods woord, is vol van deze uitdrukkingen.

 

In vlotte bewoordingen worden ze door de godsdienstleraars naar voren gebracht. Wijd en zijd worden ze door de christe­lijke pers verspreid. In orthodoxe preken en gebeden zijn het belangrijke punten. Men brengt ze naar voren als een overstromende bron van troost en bemoediging voor degenen die treuren om hun gestorven vrienden. Ons wordt verteld dat degenen die in het graf neerdalen niet dood zijn, en in dich­terlijke bewoordingen wordt ons gezegd: "Er is geen dood; wat zo lijkt is een overgang, zij zijn slechts overgegaan in een andere bestaansvorm, ze zijn ons alleen vooruitgegaan, want de ziel is onsterfelijk, de geest sterft nooit en geen ogen­blik verliest hij zijn bewust bestaan."

 

Dit is goed mits de Bijbel zulke verklaringen rechtvaar­digt. Maar het is zeer gevaarlijk dit te concluderen, zonder te onderzoeken of de Bijbel die verklaringen rechtvaardigt.

 

FEIT 1: In het Oude Testament worden de uitdrukkingen 'on­sterfelijk' en 'onsterfelijkheid' niet gevonden, noch in de diverse vertalingen, noch in de originele Hebreeuwse geschrif­ten. Er is echter één uitdrukking in Genesis 3:4 die mis­schien een dergelijke betekenis heeft en die uitgesproken werd met betrekking tot het menselijk ras, namelijk: “Gij zult niet sterven.” Maar jammer genoeg voor degenen die ge­loven in een natuurlijke onsterfelijkheid, stamt deze ver­klaring van iemand die niemand zal willen erkennen als de samensteller van zijn of haar geloofsbelijdenis. Dit werd door de duivel tot Eva gezegd, de vreselijke misleiding door middel waarvan hij haar val bewerkstelligde en zo de dood en al onze ellende in de wereld bracht.

Maar, vult het Nieuwe Testament dit ogenschijnlijk onvergeeflijk tekort van het Oude Testament niet aan door vele keren te bevestigen dat alle mensen onsterfelijkheid bezitten?

 

Aandachtige lezer, denk eens aan de vele keren waarin u gehoord en gelezen hebt dat alle mensen een onsterfelijke ziel bezitten. Hoe vaak meent u, verklaart het Nieuwe Testa­ment dat u een onsterfelijke ziel bezit? Honderd keer? Nee. Vijftig? - Nee. Tien? - Vijf? - Twee? - Een keer? - Nee. Wordt in het Nieuwe Testament de uitdrukking onsterfelijk niet op iets toegepast? - Ja, en dit brengt ons tot -

FEIT 2:

De uitdrukking “onsterfelijk” wordt in het Nieuwe Testament slechts één keer gevonden en toegepast op God. De betreffende uitdrukking vindt u in 1 Tim. 1:17. “De Koning der eeuwen, de onsterfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God, zij de eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid.” Amen!

 

Het oorspronkelijke woord 'aphthartos' dat hier als on­sterfelijk is vertaald, komt in zes andere gevallen in het Nieuwe Testament voor, en in elk daarvan wordt het vertaald in de betekenis van 'onverderfelijk'.

 

            APHTHARTOS (onverderfelijk)  

Rom. 1:23  de heerlijkheid van de 'onverderfelijke' God.

1 Cor. 9:25 maar wij een 'onverderfelijke' kroon.

1 Tim. 1:17 de koning nu der eeuwen, de 'onverderfelijke'.

1 Petr. 1:4 tot een 'onverderfelijke' erfenis.

1 Cor. 15:52 de doden zullen 'onverderfelijk' opgewekt worden.

1 Petr.1:2 niet uit vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad.

1 Petr. 3:4 maar uit onvergankelijk zaad.

 

Overeenkomstig deze bronnen blijkt dat dit woord in Ro­meinen 1:23 wordt gebruikt om God te beschrijven: “En hebben de heerlijkheid van de 'onverderfelijke’ God veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijk mens, en van gevogelte, en van viervoetig en kruipend gedierte."

Hier wordt de mens in tegenstelling tot God gebruikt. God is onverderfelijk of onsterfelijk, maar de mens is verderfe­lijk en sterfelijk.

 

In 1 Cor. 9:25 wordt het woord niet gebruikt om de ziel van de mens te beschrijven, maar de hemelse kroon van de overwinnaars: "Een iegelijk, die om de prijs strijdt, ont­houdt zich in alles. Dezen dan doen dit wel, opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverder­felijke."

 

In 1 Cor. 15:52 wordt het gebruikt om de onsterfelijke lichamen van de verlosten te beschrijven: "In een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin: want de ba­zuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden."

 

In 1 Tim. 1:17 wordt het gebruikt om, zoals reeds gezegd, God te beschrijven.

 

In 1 Petr. 1:4 wordt het gebruikt om de erfenis te be­schrijven die wordt weggelegd voor alle gelovigen: "Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en onverwelkelijke er­fenis, die in de hemel voor u bewaard is."

 

Tot nu toe vonden wij in deze lijst niets over een on­sterfelijke ziel. In 1 Petr.1:23 wordt het gebruikt om het beginsel van de wedergeboorte te beschrijven die in ons wordt gewrocht: "Gij die wedergeboren zijt niet uit vergan­kelijk, maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende woord van God."

 

In 1 Petr. 3:4 wordt dit woord gebruikt om het hemelse versiersel te beschrijven dat allen moeten trachten te ver­krijgen; "Maar de verborgen mens des harten, in het 'onver­derfelijk versiersel' van een zachtmoedige en stille geest, die kostelijk is voor God."

 

En dit zijn de enige voorbeelden van het gebruik van het woord APHTHARTOS (onverderfelijk). In niet één daarvan is het toegepast op de mens of een deel van hem als een natuur­lijk bezit.

 

Wat is in Gods oog van grote waarde? - Het versiersel van een zachtmoedige en stille geest. Wat is de aard van dit ver­siersel? - Het is niet vergankelijk gelijk de lauwerkrans, de fraaie kledij, het goud en de juwelen, waarmee mensen zich trachten te versieren, maar het is onverderfelijk, een karakter dat gevormd is door de Geest van God, het is u één van de vele vruchten van de boom des levens die God waardevol acht.

 

Bezit de mens van nature dit onverderfelijk versiersel, deze stille en zachtmoedige geest? - Nee; want wij worden aangespoord dit te verwerven en te aanvaarden in de plaats van een wereldse geest. Dit en dit alleen wordt door de tekst bevestigd. Te zeggen dat deze tekst bewijst dat de mens een onverderfelijke geest bezit is net zo onlogisch en onverenig­baar als te zeggen dat Paulus verklaart dat de mens een on­sterfelijke ziel heeft, omdat hij in zijn eerste brief aan Timothëus (hoofdstuk 1:17) 'onverderfelijk’ gebruikt en in zijn eerste brief aan de Thessalonicensen het woord ' ziel gebruikt. Het argument zou in beide gevallen gelijk zijn.

FEIT 3: ' Het woord 'onverderfelijkheid' verschijnt slechts vijf keer in het Nieuwe Testament. Onderstaand de voorbeel­den: ...

 

In Rom. 2:7 wordt het naar voren gebracht als iets waar wij naar moeten streven met geduldige volharding in goeddoen: "Degenen wel, die met volharding goeddoen, heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid zoeken (zal God) het eeuwige leven schenken." Daaruit blijkt dat wij hier geen onverderfelijk­heid bezitten, want als wij die wel hebben, waarom worden wij dan aangespoord die te zoeken?

 

In 1 Cor. 15:53,54 wordt het twee keer gebruikt om te be­schrijven wat dit 'verderfelijke' moet aandoen voordat wij het koninkrijk Gods kunnen beerven. "Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet on­sterfelijkheid aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal 'onverderfelijkheid' aangedaan hebben, en dit 'sterfelijke' zal 'onsterfelijkheid' aangedaan hebben, dan zal het gezegde dat geschreven is: 'de dood is verslonden tot overwinning,' bewaarheid worden.

 

1 Tim. 6:16 wordt toegepast op God en de radicale verkla­ring wordt gegeven dat Hij alleen onsterfelijkheid bezit: "Die alleen onsterfelijkheid heeft, en in een ontoegankelijk licht woont, Dewelke geen mens gezien heeft, noch zien kan ; welke zij een eeuwige kracht. Amen."

 

In 2 Tim. 1:10 wordt ons verteld uit welke bron wij aan­gaande dit punt het ware licht ontvangen. Daardoor wordt voor altijd de bewering uitgesloten dat het verstand of de weten­schap dit kunnen aantonen, of dat heidense orakels ons dit bekend kunnen maken; "Doch nu geopenbaard is door de ver­schijning van onze Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft teniet gedaan, en het leven en de onsterfelijkheid aan het licht bracht door het evangelie."

 

Hoe heeft Christus' leven de onsterfelijkheid aan het licht gebracht? Antwoord: Door de dood teniet te doen. Zon­der dit zou er geen leven noch onsterfelijkheid bestaan: want het menselijk ras was als gevolg van de zonde gedoemd te sterven.

Op welke wijze en voor wie heeft Hij dan de dood teniet gedaan? Hij heeft die teniet gedaan door voor de mens te sterven en het leven weer op te nemen. Dit heeft Hij ge­daan voor degenen die het door Hem willen aanvaarden. Maar allen, die Zijn aangeboden hulp versmaden, zullen tenslotte het lot van een eeuwige dood ondergaan. Zo wordt door het evangelie het feit aan het licht gebracht, dat de mensen van nature geen onsterfelijkheid bezitten, maar dat een weg is geopend waardoor zij tenslotte deze onschatbare gave kunnen ontvangen.

 

De oorspronkelijke termen, die men door de woorden 'on­sterfelijk' en 'onsterfelijkheid? vertaalde zijn ATHANASIA en APHTHARSIA. Greenfield en Robinson hadden het woord een­voudig als 'onsterfelijkheid' vertaald; en men treft dit woord aan in de volgende Schriftuurplaatsen:

 

ATHANASIA

 

1 Cor. 15:53 -  moet onsterfelijkheid aandoen

1 Cor. 15:54 -  zal onsterfelijkheid aangedaan hebben

1 Tim.  6:16 -   Die alleen onsterfelijkheid bezit

 

Het laatste woord 'aphtharsia' werd doorzelfde autoritei­ten vertaald: 'onverderfelijkheid, bij gevolgtrekking, on­sterfelijkheid .' Onderstaand vindt u een compleet overzicht van de teksten waarin dit woord voorkomt:

 

APHTHARSIA

 

Rom. 2:7  Heerlijkheid, en eer, en onverderfelijkheid zoeken.

1 Cor.  15:42  Het lichaam wordt onverderfelijk opgewekt

1 Cor.  15:50 de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet

1 Cor.  15:54 zal onverderfelijkheid aangedaan hebben

Efeze    6:24  Christus liefhebben in onverderfelijkheid

2 Tim.1:10  de onverderfelijkheid aan het licht gebracht

Titus     2:7  deftigheid, oprechtheid.

 

In aansluiting op de opmerkingen die reeds zijn gemaakt ten aanzien van Rom.2:7 en 2 Tim.1:10 waar deze uitdruk­king - in onze versie - werd vertaald "onsterfelijkheid" merken wij nog op dat ze in 1 Cor. 15:42 verwijst naar het lichaam na de opstanding van de doden; en in de verzen 50, 53 en 54, is het de 'onverderfelijkheid' die niet beërft kan worden door verderfelijkheid, dat is, door onze huidige ster­felijke staat; en dit 'verderfelijke' moet eerst onverderfelijkheid aangedaan hebben voordat wij het koninkrijk Gods kunnen binnengaan.

 

In Efeze 6:24 wordt het gebruikt om de liefde te beschrij­ven die wij voor Christus moeten bezitten, en in Titus 2:7 de aard van de leer die wij moeten beoefenen, in beide voor­beelden is het vertaald door 'oprechtheid.'

 

Wij hebben nu alle voorbeelden van de Bijbel voor ons waarin de woorden 'sterfelijkheid' en onsterfelijkheid' zijn gebruikt. Voor zover die van toepassing zijn op de mens wer­den die woorden gebruikt om, zoals in Rom. 1:23 te wijzen op het verschil tussen God en de mens. God is onverderfelijk, ofwel onsterfelijk; de mens is verderfelijk ofwel sterfelijk. Maar indien - zoals wordt gesteld - een wezenlijk deel van de mens bestaat uit een onsterfelijke ziel, een onvergankelijke geest, dan is hij in dit opzicht onsterfelijk, en dan heeft Paulus geen goede tegenstelling gekozen. Ons wordt onverderfelijkheid en onsterfelijkheid voorgehouden als iets waarop wij mogen hopen en dat wij mogen trachten te beërven - een verklaring die een bedrog en misleiding zou zijn, als wij die reeds bezitten. Het woord wordt gebruikt om een on­derscheid te maken tussen hemelse en eeuwige dingen, en die, die aards en vergankelijk zijn. Gezien deze feiten, kan geen oprechte geest van mening verschillen aangaande het volgende:

 

 

CONCLUSIE: Voorzover het de woorden 'onsterfelijk en 'onsterfelijkheid' betreft, zegt de Bijbel nergens dat de mens 'onsterfelijk' is; nergens staat dat hij 'onsterfelijk­heid' bezit, en hij bevat geen bewijs dat de mens van nature een onverderfelijk, onsterfelijk beginsel bezit. Overal wordt het tegendeel bevestigd door deze uitdrukkingen in elk voorbeeld op andere onderwerpen toe te passen.