BIJBELS - GEBRUIK
VAN DE WOORDEN ONSTERFELIJK EN ONSTERFELIJKHEID
Het is onnodig de lezer
eraan te herinneren dat de bedoeling van deze studie is, te ontdekken wat
de Bijbel ons aangaande de aard en de bestemming van de mens leert. En
omdat de Bijbel onze enige bron van onderwijs is, kunnen wij ons alleen op
zijn getuigenis beroepen.
Noch in het verslag van de
schepping van de mens, noch in andere bewoordingen die daarop betrekking
hebben, is een bewijs te vinden dat de mens van nature onsterfelijk is.
Maar zou het niet kunnen zijn dat de uitdrukkingen 'onsterfelijk' en
'onsterfelijkheid' ergens aanduiden dat de mens onsterfelijk is of hem op
z'n minst onsterfelijkheid toekennen? Het is vanzelfsprekend te
veronderstellen dat als de mens onsterfelijk is, de Bijbel dit
belangrijke feit ergens vermeldt. Laten wij daarom eens zien waar en hoe
vaak in de Bijbel de uitdrukkingen 'onsterfelijk' en 'onsterfelijkheid'
worden gebruikt. Hoe vaak worden die uitdrukkingen toegepast? Wie wordt in
de Bijbel onsterfelijk genoemd? Verklaart de Bijbel dit van de mens of
enig deel van de mens?
Als iemand zich, zonder de
Bijbel te openen, zou trachten aan de hand van de gangbare uitspraken van
de moderne theologie dienaangaande een mening te vormen, dan zou hij tot
de conclusie komen dat de Bijbel vaak in nadrukkelijke bewoordingen
verklaart, dat de mens een onsterfelijke ziel en een onvergankelijke geest
bezit; want de hedendaagse populaire godsdienstige literatuur, die beweert
een getrouwe weergave te zijn van Gods woord, is vol van deze
uitdrukkingen.
In vlotte bewoordingen
worden ze door de godsdienstleraars naar voren gebracht. Wijd en zijd
worden ze door de christelijke pers verspreid. In orthodoxe preken en
gebeden zijn het belangrijke punten. Men brengt ze naar voren als een
overstromende bron van troost en bemoediging voor degenen die treuren om
hun gestorven vrienden. Ons wordt verteld dat degenen die in het graf
neerdalen niet dood zijn, en in dichterlijke bewoordingen wordt ons
gezegd: "Er is geen dood; wat zo lijkt is een overgang, zij zijn slechts
overgegaan in een andere bestaansvorm, ze zijn ons alleen vooruitgegaan,
want de ziel is onsterfelijk, de geest sterft nooit en geen ogenblik
verliest hij zijn bewust bestaan."
Dit is goed mits de Bijbel
zulke verklaringen rechtvaardigt. Maar het is zeer gevaarlijk dit te
concluderen, zonder te onderzoeken of de Bijbel die verklaringen
rechtvaardigt.
FEIT 1: In
het Oude Testament worden de uitdrukkingen 'onsterfelijk' en
'onsterfelijkheid' niet gevonden, noch in de diverse vertalingen, noch in
de originele Hebreeuwse geschriften. Er is echter één uitdrukking in
Genesis 3:4 die misschien een dergelijke betekenis heeft en die
uitgesproken werd met betrekking tot het menselijk ras, namelijk: “Gij
zult niet sterven.” Maar jammer genoeg voor degenen die geloven in een
natuurlijke onsterfelijkheid, stamt deze verklaring van iemand die
niemand zal willen erkennen als de samensteller van zijn of haar
geloofsbelijdenis. Dit werd door de duivel tot Eva gezegd, de vreselijke
misleiding door middel waarvan hij haar val bewerkstelligde en zo de dood
en al onze ellende in de wereld bracht.
Maar, vult het Nieuwe
Testament dit ogenschijnlijk onvergeeflijk tekort van het Oude Testament
niet aan door vele keren te bevestigen dat alle mensen onsterfelijkheid
bezitten?
Aandachtige lezer, denk eens
aan de vele keren waarin u gehoord en gelezen hebt dat alle mensen een
onsterfelijke ziel bezitten. Hoe vaak meent u, verklaart het Nieuwe
Testament dat u een onsterfelijke ziel bezit? Honderd keer? Nee. Vijftig?
- Nee. Tien? - Vijf? - Twee? - Een keer? - Nee. Wordt in het Nieuwe
Testament de uitdrukking onsterfelijk niet op iets toegepast? - Ja, en dit
brengt ons tot -
FEIT 2:
De uitdrukking
“onsterfelijk” wordt in het Nieuwe Testament slechts één keer gevonden en
toegepast op God. De betreffende uitdrukking vindt u in 1 Tim. 1:17. “De
Koning der eeuwen, de onsterfelijke, de onzienlijke, de alleen wijze God,
zij de eer en heerlijkheid in alle eeuwigheid.” Amen!
Het oorspronkelijke woord 'aphthartos'
dat hier als onsterfelijk is vertaald, komt in zes andere gevallen in het
Nieuwe Testament voor, en in elk daarvan wordt het vertaald in de
betekenis van 'onverderfelijk'.
APHTHARTOS (onverderfelijk)
Rom. 1:23 de heerlijkheid
van de 'onverderfelijke' God.
1 Cor. 9:25 maar wij een
'onverderfelijke' kroon.
1 Tim. 1:17 de koning nu der
eeuwen, de 'onverderfelijke'.
1 Petr. 1:4 tot een
'onverderfelijke' erfenis.
1 Cor. 15:52 de doden zullen
'onverderfelijk' opgewekt worden.
1 Petr.1:2 niet uit
vergankelijk, maar uit onvergankelijk zaad.
1 Petr. 3:4 maar uit
onvergankelijk zaad.
Overeenkomstig deze bronnen
blijkt dat dit woord in Romeinen 1:23 wordt gebruikt om God te
beschrijven: “En hebben de heerlijkheid van de 'onverderfelijke’ God
veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verderfelijk mens, en van
gevogelte, en van viervoetig en kruipend gedierte."
Hier wordt de mens in
tegenstelling tot God gebruikt. God is onverderfelijk of onsterfelijk,
maar de mens is verderfelijk en sterfelijk.
In 1 Cor. 9:25 wordt het
woord niet gebruikt om de ziel van de mens te beschrijven, maar de hemelse
kroon van de overwinnaars: "Een iegelijk, die om de prijs strijdt,
onthoudt zich in alles. Dezen dan doen dit wel, opdat zij een
verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke."
In 1 Cor. 15:52 wordt het
gebruikt om de onsterfelijke lichamen van de verlosten te beschrijven: "In
een punt des tijds, in een ogenblik, met de laatste bazuin: want de
bazuin zal slaan, en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en
wij zullen veranderd worden."
In 1 Tim. 1:17 wordt het
gebruikt om, zoals reeds gezegd, God te beschrijven.
In 1 Petr. 1:4 wordt het
gebruikt om de erfenis te beschrijven die wordt weggelegd voor alle
gelovigen: "Tot een onverderfelijke, en onbevlekkelijke, en
onverwelkelijke erfenis, die in de hemel voor u bewaard is."
Tot nu toe vonden wij in
deze lijst niets over een onsterfelijke ziel. In 1 Petr.1:23 wordt het
gebruikt om het beginsel van de wedergeboorte te beschrijven die in ons
wordt gewrocht: "Gij die wedergeboren zijt niet uit vergankelijk, maar
uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende woord van
God."
In 1 Petr. 3:4 wordt dit
woord gebruikt om het hemelse versiersel te beschrijven dat allen moeten
trachten te verkrijgen; "Maar de verborgen mens des harten, in het
'onverderfelijk versiersel' van een zachtmoedige en stille geest, die
kostelijk is voor God."
En dit zijn de enige
voorbeelden van het gebruik van het woord APHTHARTOS (onverderfelijk). In
niet één daarvan is het toegepast op de mens of een deel van hem als een
natuurlijk bezit.
Wat is in Gods oog van grote
waarde? - Het versiersel van een zachtmoedige en stille geest. Wat is de
aard van dit versiersel? - Het is niet vergankelijk gelijk de
lauwerkrans, de fraaie kledij, het goud en de juwelen, waarmee mensen zich
trachten te versieren, maar het is onverderfelijk, een karakter dat
gevormd is door de Geest van God, het is u één van de vele vruchten van de
boom des levens die God waardevol acht.
Bezit de mens van nature dit
onverderfelijk versiersel, deze stille en zachtmoedige geest? - Nee; want
wij worden aangespoord dit te verwerven en te aanvaarden in de plaats van
een wereldse geest. Dit en dit alleen wordt door de tekst bevestigd. Te
zeggen dat deze tekst bewijst dat de mens een onverderfelijke geest bezit
is net zo onlogisch en onverenigbaar als te zeggen dat Paulus verklaart
dat de mens een onsterfelijke ziel heeft, omdat hij in zijn eerste brief
aan Timothëus (hoofdstuk 1:17) 'onverderfelijk’ gebruikt en in zijn eerste
brief aan de Thessalonicensen het woord ' ziel gebruikt. Het argument zou
in beide gevallen gelijk zijn.
FEIT 3: '
Het woord 'onverderfelijkheid' verschijnt slechts vijf keer in het Nieuwe
Testament. Onderstaand de voorbeelden: ...
In Rom. 2:7 wordt het naar
voren gebracht als iets waar wij naar moeten streven met geduldige
volharding in goeddoen: "Degenen wel, die met volharding goeddoen,
heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid zoeken (zal God) het eeuwige
leven schenken." Daaruit blijkt dat wij hier geen onverderfelijkheid
bezitten, want als wij die wel hebben, waarom worden wij dan aangespoord
die te zoeken?
In 1 Cor. 15:53,54 wordt het
twee keer gebruikt om te beschrijven wat dit 'verderfelijke' moet aandoen
voordat wij het koninkrijk Gods kunnen beerven. "Want dit verderfelijke
moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid
aandoen. En wanneer dit verderfelijke zal 'onverderfelijkheid' aangedaan
hebben, en dit 'sterfelijke' zal 'onsterfelijkheid' aangedaan hebben, dan
zal het gezegde dat geschreven is: 'de dood is verslonden tot
overwinning,' bewaarheid worden.
1 Tim. 6:16 wordt toegepast
op God en de radicale verklaring wordt gegeven dat Hij alleen
onsterfelijkheid bezit: "Die alleen onsterfelijkheid heeft, en in een
ontoegankelijk licht woont, Dewelke geen mens gezien heeft, noch zien kan
; welke zij een eeuwige kracht. Amen."
In 2 Tim. 1:10 wordt ons
verteld uit welke bron wij aangaande dit punt het ware licht ontvangen.
Daardoor wordt voor altijd de bewering uitgesloten dat het verstand of de
wetenschap dit kunnen aantonen, of dat heidense orakels ons dit bekend
kunnen maken; "Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onze
Zaligmaker Jezus Christus, Die de dood heeft teniet gedaan, en het leven
en de onsterfelijkheid aan het licht bracht door het evangelie."
Hoe heeft Christus' leven de
onsterfelijkheid aan het licht gebracht? Antwoord: Door de dood teniet te
doen. Zonder dit zou er geen leven noch onsterfelijkheid bestaan: want
het menselijk ras was als gevolg van de zonde gedoemd te sterven.
Op welke wijze en voor wie
heeft Hij dan de dood teniet gedaan? Hij heeft die teniet gedaan door voor
de mens te sterven en het leven weer op te nemen. Dit heeft Hij gedaan
voor degenen die het door Hem willen aanvaarden. Maar allen, die Zijn
aangeboden hulp versmaden, zullen tenslotte het lot van een eeuwige dood
ondergaan. Zo wordt door het evangelie het feit aan het licht gebracht,
dat de mensen van nature geen onsterfelijkheid bezitten, maar dat een weg
is geopend waardoor zij tenslotte deze onschatbare gave kunnen ontvangen.
De oorspronkelijke termen,
die men door de woorden 'onsterfelijk' en 'onsterfelijkheid? vertaalde
zijn ATHANASIA en APHTHARSIA. Greenfield en Robinson hadden het woord
eenvoudig als 'onsterfelijkheid' vertaald; en men treft dit woord aan in
de volgende Schriftuurplaatsen:
ATHANASIA
1 Cor. 15:53 - moet
onsterfelijkheid aandoen
1 Cor. 15:54 - zal
onsterfelijkheid aangedaan hebben
1 Tim. 6:16 - Die alleen
onsterfelijkheid bezit
Het laatste woord 'aphtharsia'
werd doorzelfde autoriteiten vertaald: 'onverderfelijkheid, bij
gevolgtrekking, onsterfelijkheid .' Onderstaand vindt u een compleet
overzicht van de teksten waarin dit woord voorkomt:
APHTHARSIA
Rom. 2:7 Heerlijkheid, en
eer, en onverderfelijkheid zoeken.
1 Cor. 15:42 Het lichaam
wordt onverderfelijk opgewekt
1 Cor. 15:50 de
verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet
1 Cor. 15:54 zal
onverderfelijkheid aangedaan hebben
Efeze 6:24 Christus
liefhebben in onverderfelijkheid
2 Tim.1:10 de
onverderfelijkheid aan het licht gebracht
Titus 2:7 deftigheid,
oprechtheid.
In aansluiting op de
opmerkingen die reeds zijn gemaakt ten aanzien van Rom.2:7 en 2 Tim.1:10
waar deze uitdrukking - in onze versie - werd vertaald "onsterfelijkheid"
merken wij nog op dat ze in 1 Cor. 15:42 verwijst naar het lichaam na de
opstanding van de doden; en in de verzen 50, 53 en 54, is het de 'onverderfelijkheid'
die niet beërft kan worden door verderfelijkheid, dat is, door onze
huidige sterfelijke staat; en dit 'verderfelijke' moet eerst
onverderfelijkheid aangedaan hebben voordat wij het koninkrijk Gods kunnen
binnengaan.
In Efeze 6:24 wordt het
gebruikt om de liefde te beschrijven die wij voor Christus moeten
bezitten, en in Titus 2:7 de aard van de leer die wij moeten beoefenen, in
beide voorbeelden is het vertaald door 'oprechtheid.'
Wij hebben nu alle
voorbeelden van de Bijbel voor ons waarin de woorden 'sterfelijkheid' en
onsterfelijkheid' zijn gebruikt. Voor zover die van toepassing zijn op de
mens werden die woorden gebruikt om, zoals in Rom. 1:23 te wijzen op het
verschil tussen God en de mens. God is onverderfelijk, ofwel onsterfelijk;
de mens is verderfelijk ofwel sterfelijk. Maar indien - zoals wordt
gesteld - een wezenlijk deel van de mens bestaat uit een onsterfelijke
ziel, een onvergankelijke geest, dan is hij in dit opzicht onsterfelijk,
en dan heeft Paulus geen goede tegenstelling gekozen. Ons wordt
onverderfelijkheid en onsterfelijkheid voorgehouden als iets waarop wij
mogen hopen en dat wij mogen trachten te beërven - een verklaring die een
bedrog en misleiding zou zijn, als wij die reeds bezitten. Het woord wordt
gebruikt om een onderscheid te maken tussen hemelse en eeuwige dingen, en
die, die aards en vergankelijk zijn. Gezien deze feiten, kan geen oprechte
geest van mening verschillen aangaande het volgende:
CONCLUSIE:
Voorzover het de woorden 'onsterfelijk en 'onsterfelijkheid' betreft, zegt
de Bijbel nergens dat de mens 'onsterfelijk' is; nergens staat dat hij
'onsterfelijkheid' bezit, en hij bevat geen bewijs dat de mens van nature
een onverderfelijk, onsterfelijk beginsel bezit. Overal wordt het
tegendeel bevestigd door deze uitdrukkingen in elk voorbeeld op andere
onderwerpen toe te passen.