You are home- www.agp-internet.com/react- sermonroom Nederlands (overdenkingen & Bijbelstudies) - Hier en Erna
   
HIER  EN  HIERNA
 

BEZWAREN ONDERZOEKT        HOOFDSTUK 3

   

1 - HET BEELD VAN GOD  

 

Door sommigen wordt verondersteld dat de bewoordingen die werden gebruikt in het verslag van de schepping van de mens, aantonen dat hij een onsterfelijke ziel bezit en een onster­felijk wezen is. Laten wij die woorden eens onbevooroordeeld onderzoeken om te zien of dit inderdaad zo is.

 

De eerste van deze uitspraken is het inleidende getuigenis van de Bijbel aangaande de mens, waarin wordt verklaard dat hij gemaakt zou worden naar het beeld van God. - Genesis 1:26,27.

 

"En God zei: Laat ons mensen maken, naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en dat zij heerschappij hebben over de vis­sen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de gehele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hen; als man en vrouw schiep Hij ze."

 

De eerste reactie van iemand die het meningsverschil aan­gaande de onsterfelijkheid van de mens niet kent zou zijn, een zich verbaasd afvragen wat dit te maken heeft met de on­sterfelijkheid van de mens; en zijn verbazing zou niet ge­ringer zijn als hij het antwoord hoort: "Omdat God onsterfe­lijk is moet de mens, omdat hij naar Zijn beeld geschapen is, ook onsterfelijk zijn."

 

Bezit God geen andere eigenschappen dan alleen onsterfe­lijkheid, zodat wij ons daartoe moeten beperken? Is God al­machtig? - Ja. Is de mens? - Nee. Is God alom tegenwoordig? - Ja. Is de mens? - Nee.

Is God alwetend? - Ja. Is de mens? - Nee.

Is God onfeilbaar? - Ja. Is de mens? - Nee.

 

Waarom wordt dan die ene eigenschap van onsterfelijkheid uitgekozen en de gelijkenis van de mens met God volledig daarop gebaseerd. In de vorm van een sluitrede luidt de al­gemene opvatting aldus:

1.  God is onsterfelijk. 1 Tim. 1:17.

2.  De mens is geschapen naar Gods beeld. Gen. 1:27.
Conclusie: Daarom is de mens onsterfelijk. Deze  opvatting kan echter gemakkelijk door een andere vervangen worden:

 

1.  God is almachtig.

2.  De mens is gemaakt naar Gods beeld.

3.  Daarom is de mens almachtig.

 

Deze conclusie geeft, door haar in onze eigen begrippen te stellen, ons een duidelijker inzicht maar is in feite niet minder ongerijmd. Zij toont aan dat het denkbeeld aangaande de onsterfelijkheid ontleend aan het “beeld” van God, een onjuiste veronderstelling is of dat de zwakke en eindige mens bekleed is met alle eigenschappen van de Godheid.

 

In welk opzicht is de mens het beeld van zijn Schepper? De duidelijke en letterlijke betekenis van het woord “beeld” (kijk elk goed woordenboek erop na) is een nabootsing, voorstelling of gelijkenis van een mens of ding, gemaakt in steen, hout, metaal, verf of anderszins zichtbaar gemaakt; een zichtbare voorstelling, een kopie; een gelijkenis, een beeltenis. Wij hebben een deel van de beschrijving onderstreept omdat dit een belangrijke gedachte omvat. Een beeld moet, iets zijn dat met het oog waarneembaar is. Hoe kunnen wij ons een beeld van iets vormen dat door onze zintuigen niet waarneembaar is? Zelfs een beeld dat wij ons in onze geest vormen, moet een of andere uiterlijke vorm hebben. In deze betekenis wordt het woord 31 keer elders in het Oude Testament gebruikt.

 

De tweede keer dat het woord “beeld” werd gebruikt, was om de relatie aan te tonen die tussen een vader en zoon be­staat, en het is een goede toelichting op de relatie die volgens Gen. 1:26,27 bestaat tussen God en de mens. Gen.5:3: "En Adam leefde honderd en dertig jaren, en gewon een zoon naar zijn gelijkenis, naar zijn evenbeeld."

 

Iedereen begrijpt uit deze woorden onmiddellijk dat hier sprake is van een lichamelijke overeenstemming en gelijkvor­migheid van aard. Voeg deze twee Schriftgedeelten nu samen. Mozes zegt eerst dat God de mens naar Zijn beeld schiep, naar Zijn gelijkenis; en een paar hoofdstukken verder verklaart hij dat deze mens een zoon kreeg naar zijn beeld en zijn gelijkenis.

 

Hoewel allen moeten toegeven dat dit op de lichamelijke gestalte duidt, vertellen de theologische geleerden ons dat het eerste gezegde van dezelfde schrijver in een andere be­tekenis is gebruikt en dat die uitsluitend van toepassing is op onsterfelijkheid.

 

Er is geen ruimte voor enige andere conclusie dan die, dat evenals de zoon uiterlijk gelijk is aan het beeld van zijn vader, en eveneens verstandelijke en morele eigenschap­pen bezit, zo bezit de mens niet alle eigenschappen van God in al hun volmaaktheid, maar een gelijkenis, een beeld van Hem in zijn lichamelijke gestalte en morele aard.

 

Gezegd moet worden dat het woord “beeld” in het Nieuwe Testament in een andere betekenis wordt gebruikt, zoals bij­voorbeeld in Col. 3:9-10: "Liegt niet tegen elkander, nu u de oude mens met zijn werken afgelegd hebt; en de nieuwe mens aangedaan hebt, die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld van Hem, die hem geschapen heeft."

 

Aannemende dat dit woord hier uitsluitend duidt op de in­wendige aard en niet op de uiterlijke gestalte, zo moet men toch bedenken dat hetgeen de algemene theologie moet bewij­zen is, dat de mens onsterfelijk is omdat hij naar het beeld van God geschapen werd.

 

Van Christus, geopenbaard onder de mensen, werd verklaard dat Hij het “beeld” is van God en in Zijn “gedaante”. Na zijn opstanding toonde Christus dat zijn nog niet verheerlijkt lichaam vlees en beenderen bezat. Luk. 24:39. Hij voer licha­melijk ten hemel en niemand kan loochenen dat Hij daar een verblijfplaats heeft. Hand. 1:9-11; Efeze 1:20; Hebr. 8:1. Maar Paulus, sprekende over dezelfde Jezus zegt: "Dewelke is het Beeld van de onzienlijke God, de eerstgeborene aller kreaturen." Col. 1:15. Hier is de tegenstelling uitgedrukt tussen God, die voor de mens onzichtbaar is, en Zijn “beeld” dat in de persoon van Christus zichtbaar was. Daaruit volgt dat hetgeen de discipelen van Christus konden zien, namelijk Zijn lichamelijke gestalte, het beeld was dat hen een indruk moest geven van God die zij niet konden zien. Dit sluit na­tuurlijk niet de morele eigenschappen uit waarvan Jezus blijk gaf, maar die konden niet openbaar worden zonder een lichamelijk organisme.

 

Verder: "Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Chris­tus Jezus was; Die in de gestaltenis van God zijnde, het geen roof heeft geacht God even gelijk te zijn." Fil. 2:5,6. Men moet ons nog verklaren hoe Christus in de 'gestaltenis' van God kan zijn als God geen gestalte heeft.

 

Nog eens: "God, voortijds veelmaals en op velerlei wijze, tot de vaderen gesproken hebbende door de profeten; heeft in deze laatste dagen gesproken door de Zoon; die Hij gesteld heeft tot een Erfgenaan van alles, door welke Hij ook de we­reld gemaakt heeft; Die, alzo Hij het afschijnsel van Zijn heerlijkheid is, en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstan­digheid (persoon) enz."Hebr. 1:1,3.

 

 

Dit getuigenis is doorslaggevend. Het is een geïnspireer­de verklaring dat God een persoonlijke gestalte heeft; en om ons een indruk te geven hoedanig die gestalte is, verklaart ze dat Christus - precies zoals wij ons Hem voorstellen toen Hij lichamelijk is opgestegen naar de hemel, het uitgedrukte beeld daarvan is.

 

Er wordt gezegd dat het woord “persoon” veranderd zou moe­ten worden in “substantie”. Maar dat heeft niet de geringste invloed op de conclusie, want als er sprake is van een sub­stantie, dan moet er ook een vorm zijn en de enige aanwij­zing die de Bijbel aangaande deze vorm geeft, is de mense­lijke gestalte.

Het bewijs dat reeds gegeven is, toont dat geen noodzaak bestaat te veronderstellen dat het beeld van God, waarnaar de mens geschapen is, onsterfelijkheid bezit; en Paulus in zijn getuigenis aan de Romeinen vernietigt voor altijd de mogelijkheid daar onsterfelijkheid op toe te passen. Hij zegt (Rom. 1:22,23): "Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden, en hebben de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd in de gelijkenis van een beeld van een verder­felijk mens, en van gevogelte, en van viervoetige en krui­pende gedierten."

 

Als nu God, toen Hij de mens naar Zijn beeld schiep, hem onsterfelijkheid schonk, dan is de mens net zo onverderfe­lijk als God zelf. Maar Paulus zegt dat dit niet zo is; dat terwijl God onsterfelijk of onverderfelijk is, de mens verderfelijk is.

 

2 -  DE ADEM DES LEVENS

 

Een andere uitdrukking die volgens sommigen de onsterfe­lijkheid van de mens aantoont is “de adem des levens” die hem volgens Gen. 2:7 gegeven werd. Gen. 1:27 beschrijft in algemene termen de gestalte waarin de mens werd geschapen, in tegenstelling tot de andere orden van dierlijk leven. In Gen. 2:7 wordt het proces beschreven waardoor deze schepping tot stand kwam. Omdat wij in het voorafgaande gedeelte geen bewijs hebben gevonden dat de mens onsterfelijkheid verkreeg, keren wij ons tot de laatstgenoemde tekst om de beweringen die daarop gebaseerd zijn te toetsen. Het vers luidt: "En de Here God had de mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel." - Gen. 2:7.

 

Er bevond zich in het stof waaruit Adam werd opgebouwd zeer zeker niets dat van nature onsterfelijk was. Al hetgeen hij aan onsterfelijkheid bezat, moet daarom na het ontvangen van de adem des levens, hebben bestaan in die adem. Dit zou betekenen dat de “adem des levens” onsterfelijkheid schenkt aan elk schepsel dat het gegeven wordt. Aanvaarden onze vrien­den deze uitleg? Zo niet, dan moeten zij dit argument loslaten want het heeft niet alleen betrekking op de mens maar ook op elk ander wezen dat die adem ontvangen heeft. Aan­vaarden zij dit echter dan zullen wij hen een schare van on­sterfelijke metgezellen voorstellen die niet bepaald vleiend is voor hun ijdelheid of hun argument, want Mozes past de­zelfde uitdrukking toe op alle lagere orden van de dierlijke schepping.

 

In Gen. 7:15 lezen wij: " En van alle vlees, waarin de adem des levens was, kwamen er twee aan twee tot Noach in de ark." Het moet iedereen onmiddellijk duidelijk zijn dat de gehele dierlijke schepping, de mens inbegrepen, omvat is in de uitdrukking “alle vlees.” Maar de verzen 21 en 22 bevat­ten nog sterkere uitdrukkingen: "En alle vlees, dat zich op de aarde roerde, gaf de geest, van het gevogelte, en van het vee, en van het wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op de aarde kroop, en alle mens. Al wat de adem des levens in zijn neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven."

 

Hier worden de diverse soorten dieren genoemd, en de mens wordt uitdrukkelijk met hen genoemd, en van allen wordt ge­zegd dat zij de “adem des levens” in hun neusgaten hebben. Het doet er niet toe dat ons niet, zoals in het geval met de mens, gezegd werd hoe deze dieren die adem deelachtig werden, want onsterfelijkheid, als die zich in het lichaam bevindt, moet - zoals wij hebben gezien - zich in de adem bevinden, en hier wordt bevestigd dat alle schepselen die adem bezit­ten; en van de dieren, evenals van de mensen, wordt verklaard dat die zetelt in hun “neusgaten.”

 

De woorden die Salomo gebruikte aangaande de mens en het dier, leggen sterk de nadruk op beider sterfelijkheid; "Want wat de kinderen der mensen wedervaart, dat wedervaart ook de beesten; en enerlei wedervaart hen beiden; gelijk die sterft, alzo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der mensen boven de beesten is (in dit opzicht) geen; want allen zijn stof en allen keren weer tot stof." Pred. 3:19,20.

 

Zo wordt het argument van de verkondigers van de natuur­lijke onsterfelijkheid; door zich te beroepen op Mozes' ver­slag aangaande de adem des levens, verbrijzelt onder het ge­wicht van hun eigen beweringen want als de “adem des levens” aan de mens onsterfelijkheid verleent, dan moet zij die ook verlenen aan elk ander schepsel dat adem ontvangt. De Bijbel bevestigt dat alle orden van de dierlijke schepping, die op het land leven, die adem bezitten. Daarom zouden onze tegenstanders eveneens de onsterfelijkheid van vogels, dieren, insecten, kevers en alle kruipende gedierte moeten beamen.

 

3-  DE LEVENDE ZIEL

 

Nu wij de onsterfelijkheid van de mens niet hebben gevon­den in de adem des levens die God de mens - aan het begin van zijn bestaan - in de neusgaten blies, blijft de vraag of die zich bevindt in wat over het algemeen “levende ziel” wordt genoemd die de mens onmiddellijk als gevolg van Gods handeling werd. "En de Here God had de mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten de adem des levens geblazen, alzo werd de mens tot een levende ziel." Gen. 2:7.

 

Adam was reeds een mens voordat de adem des levens in hem werd geblazen. Het verschil is dat hij voordien een “leven­loos” mens was, nadien een “levend” mens. Alle organen waren aanwezig om hun funkties te verrichten. Er was alleen behoef­te aan de levengevende kracht van de adem des levens om die organen in werking te stellen. Die kwam en de longen begon­nen uit te zetten, het hart begon te kloppen, het bloed be­gon te stromen en de ledematen begonnen te bewegen; toen werd blijk gegeven van alle bijzonderheden van de lichamelijke functies - zoals waarneming, denken, wil, enz.

 

De motor is een motor voordat de drijfkracht daaraan wordt toegevoegd. De bouten, grendels, cilinders, zuigers, drijf­stangen, krukassen, veren en wielen zijn aanwezig. Maar al­les is rustig en stil. Voeg er de drijfkracht aan toe en hij wordt als het ware bezield en toont onmiddellijk zijn ver­bazingwekkende kracht en snelheid.

 

Zo is het ook met de mens. Toen de adem des levens werd toegevoegd, die, zoals wij hebben gezien, ook aan alle die­ren der schepping werd gegeven, werd alleen dat toegevoegd dat de machine in beweging moest zetten. Geen apart onafhan­kelijk organisme werd toegevoegd, maar er vond een verande­ring plaats in de mens zelf. De mens werd iets of kwam te verkeren in een toestand die hij voordien niet kende. Een toegevoegde onafhankelijke ziel kan niet in de mens worden aangebracht om daarna van hem te zeggen dat hij een ziel is “geworden.” Toch wordt van Adam gezegd dat hij, na het ont­vangen van de adem des levens, een levende ziel werd. Een motor wordt in een schip aangebracht en door de kracht daar­van wordt het over de oppervlakte van de zee gedreven, maar het schip wordt door het ontvangen van een motor, geen mo­tor , en omgekeerd de motor geen schip.

 

Op de vraag: "Als Adam voordien al een “ziel” was, hoe kon hij dit dan nog eens worden door de laatste scheppings­daad, het inblazen van de adem?" kan worden geantwoord: "De tegenstelling berust niet op het woord 'ziel' maar op het woord 'levende'. Dit wordt duidelijk als men tracht dat ge­deelte zonder dit woord te lezen. "En de Here blies de adem des levens in zijn neusgaten; en de mens werd een ziel." Dat is het niet. Hij werd een levende ziel. Hij was voordien een ziel, maar geen levende ziel. Om aldus te spreken van een levenloze ziel, mag sommigen tot een spotlach prikkelen; niettemin werden deze uitdrukkingen door de Hebreeën gebruikt. (Zie Num. 6:6 'dood lichaam', nephesh math, 'dode ziel'. Hetzelfde in Lev. 21:11; Num. 19:13; Haggai 2:14:).

 

De overvloedige bewijzen voor de onsterfelijke geest van de mens, die volgens sommige geleerden in de Schriften wor­den gevonden, zijn niet zo overvloedig voorhanden als velen veronderstellen. Maar de erkenning dat er in dit Schriftgedeelte geen bewijzen gevonden zijn, is een veelbetekenende overwinning van eerlijke en openhartige kritiek op een zeer populair, maar volledig ongefundeerd godsdienstig dogma.

 

Maar aangaande dit punt zijn wij niet aangewezen op onze eigen redenering, want de goddelijke ingeving zelf heeft een verklaring van dit vraagstuk gegeven. En niets is veiliger dan een geïnspireerde schrijver de woorden van een ander te laten verklaren.

 

Paulus vergelijkt in 1 Kor. 15:44,45 en daarna, de eerste Adam met de tweede Adam (Jezus Christus) en onze huidige toe­stand met de toekomstige. Hij zegt: "Er is een natuurlijk lichaam, en er is een geestelijk lichaam. Alzo is er ook geschreven: De eerste Adam werd tot een levende ziel gemaakt; de laatste Adam (Christus) tot een levenmakende geest." Hier verwijst Paulus direkt naar de feiten die opgetekend staan in Gen. 2:7- In vers 47 vertelt hij ons over de aard van de mens die tot een levende ziel werd gemaakt: “De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede mens is de Here uit de he­mel.” En in vers 49 zegt hij verder: "En gelijkerwijs wij het beeld van de aardse hebben gedragen", en gelijk Adam le­vende zielen zijn, "zo zullen wij ook het beeld van het hemelse dragen, wanneer onze lichamen gelijkvormig gemaakt zijn aan Zijn verheerlijkt lichaam." - Fil. 3:21.

 

In Kor. 15:50,53 vertelt hij ons waarom het noodzakelijk is dat dit wordt gedaan en op welke wijze dit tot stand wordt gebracht. "Doch dit zeg ik, broeders, dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet kunnen beërven, en de verderfelijkheid beërft onverderfelijkheid niet. Want dit verderfelijke moet weer onverderfelijkheid aandoen, dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen."

 

Als wij deze verklaringen naast elkaar plaatsen, wat zien wij dan? Wij hebben een zeer duidelijke verklaring dat de eerste mens, Adam, die tot een levende ziel werd gemaakt, van de aarde, dus aards was, niet het beeld van de hemelse onsterfelijkheid bezat. Hij bezat niet de onverderfelijkheid zonder welke niemand het koninkrijk Gods kan beërven, hij was geheel en al sterfelijk en verderfelijk. Als de mensen deze duidelijke en belangrijke woorden van de apostel hun juiste betekenis in deze kwestie willen toekennen, dan zou niet alleen elk geschil over de betreffende tekst worden op­gelost, bovendien zou er weinig reden zijn om op basis van de Schrift over de natuurlijke onsterfelijkheid van de mens te argumenteren.

 

Doch de uitdrukking “levende ziel” wordt evenals de uit­drukking “adem de levens” toegepast op alle soorten van de levende schepping; op dieren en reptielen alsmede de mens. De Hebreeuwse woorden zijn nephesh hhayäh, en deze woorden zijn in het eerste hoofdstuk van Genesis vier keer toegepast op de lagere diersoorten. Gen. 1:20,21,24,30.

 

In het woord “levende” bevindt zich niets dat erop duidt dat het leven dat Adam tijdens de schepping werd geschonken, altijd zou voortduren; want van de levende zielen wordt ge­zegd dat zij stierven. Openb. 16:3. Of dit nu van toepassing is op de mensen die de zee bevaren of op de dieren die in het water leven, het toont zondermeer aan dat hetgeen aange­duid wordt met de uitdrukking “levende ziel”, onverschillig wat het is, onderworpen is aan de dood.

 

Het leven dat Adam bezat, ontving hij door de adem des levens die God in zijn neusgaten blies, dat was dezelfde adem die ook alle ademende dieren bezitten, onverschillig op welke wijze zij die verkregen.

 

Neem het geval Eva. Zij werd geformeerd uit een rib van Adam, gemaakt uit iets dat reeds bestond. Er wordt niet ge­zegd dat God de adem des levens in haar neusgaten blies, of dat zij een levende ziel werd; toch beweert niemand dat haar aard wezenlijk anders was als die van Adam; met wie zij als passende metgezellin verbonden was.

 

Bedenk dat de vraag waar het hier om gaat is, of de ziel van de mens al dan niet onsterfelijk is en ondanks alle ge­beurtenissen voor altijd een “levende” ziel blijft.
(Uriah Smith)