INLEIDING
Gelukkig zijn er sommige dingen, die mensen niet
kunnen loochenen. Velen loochenen God, loochenen Christus, loochenen de
Heilige Geest, loochenen de goddelijke openbaring en loochenen elk
hiernamaals. Maar zij kunnen niet loochenen dat er een 'hier' bestaat. De
huidige staat der dingen is een feit dat niet genegeerd kan worden. De
mens ziet zichzelf in een reële, materiële wereld op een bestaanspeil dat
vol van geheimen en verbazing is. Hij ziet zichzelf met een
wonderbaarlijk gevormd organisme, met eigenschappen die hem een breed
veld van activiteiten bieden, met een verstand dat hem in staat stelt
logisch te denken, zich te uiten, conclusies te trekken en plannen te
maken voor de toekomst. Hij kan zich verdiepen in de geheimen van de
natuur, hij kan de substanties van de aarde tot in hun oorspronkelijke
elementen herleiden en met instrumenten, die zijn blik duizendvoudig
verruimen, de blauwe hemel boven zich bestuderen en de sterrenwerelden in
hun grote voortgang door het grenzeloze luchtruim volgen. De wonderen van
de natuur en de wonderbaarlijke verrichtingen van zijn medemensen, roepen
in zijn geest denkbeelden van bijna oneindige mogelijkheden op.
Maar temidden van al deze levensverschijnselen, ziet
hij een ander, indien mogelijk nog vreemder verschijnsel - het
verschijnsel van de dood. De mens met zijn geweldige bekwaamheden en
machtig verstand, sterft. Onmiddelijk, voor zover dit uiterlijk
waarneembaar is, vergaat zijn kracht. Zijn verstand functioneert niet
meer, zijn lichaam dat niet in staat is verderf te weren, vervalt en
vermengt zich met het stof. Waarlijk, iemand moet zeer ongevoelig en
onverschillig van aard zijn, als onder zulke omstandigheden zijn geest
zich niet bezig houdt met de zaken buiten zijn gezichtsveld en hij zich
geen vragen stelt ten aanzien van de 'onzichtbare dingen.'
Toch biedt het brede veld van iemands huidig bestaan
- geen denkbeeldig rijk maar een rijk van werkelijkheden, van feiten en
geen vermoedens - een vaste basis van waaruit iemand zijn conclusies kan
trekken ten aanzien van andere gebieden, zelfs ten aanzien van het
hiernamaals.
Zonder enige eigen inmenging of medewerking, worden
wij geconfronteerd met ons menselijk bestaan en onderworpen aan alle
voorwaarden van dit leven, ons voorthaastende naar onze bestemming, wat
die ook mag zijn. Een reeks van geheimzinnige vragen begeleidt onze
schreden. Vanwaar zijn al deze dingen gekomen? Wie verordende deze
schikking? Voor welk doel zijn wij hier? Wat is onze aard? Wat zijn onze
plichten? Wat zijn onze grenzen? Leven, welk een mysterie. Zal het, als
het begonnen is, ooit eindigen?
Er was een tijd dat wij niet bestonden: is het ons
lot in diezelfde toestand terug te keren? Overal rondom ons zien wij de
dood. Zijn slachtoffers zijn stil, koud en bewegingloos. Uit niets blijkt
dat zij nog steeds die eigenschappen bezitten die zij verstandelijk,
emotioneel of lichamelijk tijdens hun leven bezaten. Is de dood het einde
van alle dingen? Betekent de dood de ondergang voor alle menselijke
wezens?
Dit zijn vragen die de menselijke geest altijd
hebben bezig gehouden met zulk een intensiteit en gevoelskracht die geen
enkel ander onderwerp kan opwekken.
Waar vinden wij een antwoord op deze zo duidelijk
omlijnde en scherp begrensde vragen die van zulk een allesomvattend
belang zijn? Hebben wij de middelen binnen ons bereik waarmee wij dit
probleem kunnen oplossen? Wij zien in het rond op deze aarde en bewonderen
haar veelvuldige levensvormen en schoonheid; wij zien de opeenvolgende
seizoenen en de gelijkvormige en weldadige werkingen van de natuur, wij
zien naar de hemellichamen en hun heerlijkheid, de regelmaat van hun
bewegingen, - beantwoorden zij onze vragen? Zij vertellen ons iets, maar
niet alles. Zij vertellen ons van de grote Schepper en Onderhouder van
alle dingen; want, zoals de apostel Paulus zei: "Zijn onzienlijke dingen
worden, vanaf de schepping der wereld, door de schepselen verstaan en
doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid." Rom. 1:20. Zij
vertellen ons van Wie ons bestaan afhankelijk is en aan Wie wij
onderworpen zijn.
Maar dit versterkt duizendvoudig ons verlangen naar
meer inzicht. Want wij willen nu weten op welke voorwaarden Zijn gunsten
berusten. Wat moeten wij doen om aan Zijn eisen te voldoen? Hoe kunnen wij
Zijn goedkeuring verkrijgen? Hij is zeer zeker een Wezen dat deugt beloont
en zonde bestraft. Op een vastgesteld tijdstip zullen onze daden worden
getoetst aan Zijn eisen en het oordeel zal overeenkomstig zijn. Welke
uitwerking heeft dit op ons toekomstig bestaan? Wij hebben dit leven van
Hem ontvangen, bepaalt Hij de duur daarvan op grond van onze
gehoorzaamheid, of heeft Hij ons tot onafhankelijke wezens gemaakt die
altijd blijven voortleven, en als Zijn gunst niet deelachtig worden, zjn
wij dan bewuste van Zijn wraak?
Met welk een intense ongerustheid houdt de geest
zich bezig met de toekomst? Wat is de uitkomst van dit geheimzinnig
levensprobleem? Wie van ons kan dit zeggen? De natuur zwijgt. Wij richten
ons tot degenen die de vallei der duisternis zijn binnengegaan. Maar wie
kan de geheimen van deze verborgen regionen openbaren zo lang hij daar
niet binnengegaan is en ze onderzocht heeft? Doch, het voorhangsel van de
tent waarin zij binnengaan draait nooit buitenwaarts. Onbuigzaam sluit het
graf zijn zware poorten die elke poging verhinderen om een glimp op te
vangen van de onbekende andere zijde. De wetenschap bleef ons op deze
vraag het antwoord schuldig. De verbeeldingskracht laat ons in de steek,
en de menselijke zou zonder hulp, verzinken in een droefgeestigheid en
vertwijfeling.
Menigten beweren echter in staat te zijn een
antwoord op deze vragen te kunnen geven. De wereld is dienaangaande zo
lang onderricht dat honderden en honderden miljoenen mensen nu geloven, en
geloofd hebben dat de mens, innig verbonden met zijn aard een onsterfelijk
element - een 'onsterfelijke ziel' bezit, die de echte, intelligente,
verantwoordelijke mens en levenselement in zijn lichaam is - dat volledig
onafhankelijk is en zowel binnen als buiten het lichaam kan bestaan; dat
- nadat het lichaam gestorven is, net zo levend blijft als voordien en
actief en verstandelijk handelt en denkt in een toestand die dood wordt
genoemd of terwijl het lichaam in het graf ligt; en dat naar het oordeel
en besluit van God tot in alle eeuwigheid zal leven in een volmaakt
gelukkige staat of in een hel van diepe ellende.
Men kan alleen maar verbijsterd of verbaasd zijn
over de vreselijke mogelijkheden die in zulk een antwoord besloten liggen.
Voordat iemand dit aanvaardt, zou hij er goed aan doen zeer zorgvuldig na
te gaan of dit inderdaad waar is. Want als dit waar is, dan staat ons als
eerste het grote en ontstellende feit voor ogen, dat het grootste deel
van het menselijk gezin ertoe bestemd is voor eeuwig te verkeren in een
bewuste staat van ellende die met geen woorden te beschrijven is - een
kwelling zonder de bedoeling dat daaruit iets goeds voor henzelf of voor
anderen voortkomt en waarin zij geen moment bevrijd kunnen worden van een
nooit aflatende pijn. En waarvoor? Algemeen gesproken als een bestraffing
voor een leven van gemiddeld vijftig jaar van onverschilligheid en zonde
in deze wereld. Is er een mens met een vonk je menselijke genegenheid in
zijn ziel of het geringste gevoel voor gerechtigheid en genade in zijn
hart, die dit zou kunnen aanzien? Is er iemand die deze gedachte kan
verdragen?
Wat moeten wij denken van de Schepper van de mensen
Die zo met hen handelt, ook al zijn ze zondaars? Verbaast het u dat God op
grond van zulk een leer, door een steeds groter wordende schare van
sceptici wordt bezien als een harteloze wraakzuchtige tiran, die genoegen
schept in het toepassen van zulk een zware en verachtelijke vergelding op
de schepselen die Hij schiep en die Hij voor dit doel in leven houdt?
Maar, afgezien van de verpletterende vrees voor eeuwige ellende, volgt er
nog een lange reeks van conclusies waarvan wij - voordat wij bovengenoemde
stelling onderstrepen - moeten nagaan of wij al dan niet bereid zijn die
te aanvaarden. Als het waar is dat de mens een onsterfelijke ziel bezit,
dan volgt daaruit:
1. Dat Satan, die onze eerste ouders verzekerde dat
zij ze zeker niet zouden sterven (Gen. 3:4,5) de waarheid sprak, en dat
het geloven van die waarheid de misleiding was die de zonde in de wereld
bracht en het geluk en de vrede van
het mensdom verstoorde.
2. Dat de verafgoding van gestorven mensen en de
aanbidding van voorvaderen, die in het heidendom overheersten, en waarop
de afgodendienst gefundeerd is, op z'n minst een bepaalde grondslag
hebben.
3. Dat het aanbidden van heiligen, Maria verering,
vagevuur en mis van de Rooms Katholieke en Griekse kerken juiste
leerstellingen zijn;
4. Dat de verwachte komst van Christus, en een
toekomstig algemeen oordeel, en een opstanding uit de doden, volledig
opzij gezet kunnen worden als zijnde inconsequent en niet noodzakelijk.
5. Dat Gods genade universeel is en het spiritisme
aan hand van de Schriften verdedigd kan worden.
Anderzijds, als de mens van nature wel sterfelijk is
en een sterfelijke ziel bezit; als de doden zich van niets bewust zijn;
als het eeuwige leven alleen van Christus afhankelijk is, dan tuimelen
alle andere leerstellingen en toepassingen als gigantische fraudes,
misleidingen en bijgeloven omver. Christus en Zijn positie en werk, als
de Bron van alle leven en onsterfelijkheid, treden dan in hun ware licht
en onverdorvenheid naar voren; de wederkomst van Christus, de opstanding
van de doden, het oordeel en de tijd, beloning en straf vinden alle hun
plaats die overeenstemt met het getuigenis van de Schriften; en is er
sprake van een duidelijke harmonie in alle lijnen van dit onderwerp.
Ongetwijfeld kan de beantwoording van een vraag die
zo belangrijk is, niet worden gebaseerd op een menselijke verklaring.
Alleen Hij, die de onzichtbare wereld kent, kan de twijfels oplossen, de
geheimzinnigheid doen verdwijnen en de vragen beantwoorden die zich rondom
dit geweldige probleem bevinden. God moet het ons vertellen, want anders
kunnen wij niet eerder weten wat na dit leven gebeurt, dan totdat wij het
zelf ondervinden. Hij, die ons hier heeft geplaatst, moet Zelf Zijn
bedoeling aan ons mededelen, anders blijven wij voor altijd in
onzekerheid. Daarvan zijn alle eerbiedige en denkende gemoederen
overtuigd.
Alleen de Bijbel kan ons een juist inzicht geven in
deze belangrijke vragen, de aard van het leven en de dood, de opstanding
en de hel. En als wij zeggen Bijbel, bedoelen wij de Bijbel zoals wij hem
lezen en precies zoals het er staat, geen Bijbel die ontkracht wordt of is
door de moderne 'hogere kritieken.' Wij hebben niets aan een Bijbel die
ons door deze critici wordt overhandigd, want daarin zijn de oude
waarheden ondergegaan in een mist van mythen en fabels die, naar wordt
beweerd, door God geïnspireerd zijn. De Bijbel is een eenheid die in z 'n
geheel staat of valt. Zijn eerste berichten en de meest betwiste
gedeelten, werden door Christus en Zijn apostelen als zijnde juist erkend;
en één woord van bekrachtiging uit zulk een bron is meer waard dan alle
kritiek die de gehele wereld bieden kan. Het verslag van de schepping, de
val van de mens en het verlossingsplan voor de mens die daarin geopenbaard
worden, vormen de enige vaste grond waarop de aanwezigheid kan worden
verklaard van zonde en lijden in een wereld die onder de leiding staat van
een Oppermachtig Wezen, wiens naam Reinheid en Liefde is.
Op de bladzijden van
het Boek der Inspiratie, zien wij duidelijk het grote onderscheid dat God
maakte tussen goed en kwaad, de beloningen die Hij de rechtvaardigen
belooft en de straf die Hij de overtreders toebedeelt.
Hoe zeer leggen deze feiten de nadruk op de
belangrijkheid van de vraag: zijn alle mensen onsterfelijk? Zijn de
goddelozen onsterfelijk? Is een eeuwige en onbegrijpelijke kwelling en
onuitsprekelijke ellende hun deel? Bezitten zij in hun wezen een beginsel
dat zo hardnekkig van levensduur is dat het de zwaarste
vernietigingsmiddelen die de Almachtige ter beschikking staan, kan
weerstaan en een eeuwigheid van intens vernietigend vuur geen inbreuk kan
maken op zijn bestaan? Angstige vragen - vragen waarover het woord van God
ons niet in het onzekere laat, of ons door twijfel verwart of door
valsheid misleidt.
En wanneer wij de lezer aangaande dit belangrijke
onderwerp verwijzen naar het woord van God (de Statenvertaling) zal elk
oprecht gemoed begrijpen dat de wijze waarop wij meer inzicht zoeken
belangrijk is. Vooroordeel of emoties mogen binnen de grenzen van zulk een
onderzoek niet gevonden worden. Als het zo is dat God duidelijk heeft
geopenbaard dat alle onberouwvolle mensen verdoemd zijn tot een eeuwigheid
van bewuste ellende, moeten wij dit feit aanvaarden, hoe moeilijk het ook
zijn zal zulk een handelwijze in overeenstemming te brengen met het
karakter van God, Die van zichzelf zegt dat Hij 'liefde' is.
Maar, als dit niet het geval is, als er geen sprake
is van een eeuwig brandende hel, als in plaats daarvan het bericht
aantoont dat Gods handelwijze verdedigd kan worden, dat de zonde wel haar
juiste beloning ontvangt, maar tegelijkertijd zulk een maatregel ten
aanzien van de verlorenen getroffen wordt, die het universum bevrijdt van
het vreselijke beeld van een eeuwig brandende hel vol levende wezens die
door vuur en vlam geteisterd worden en in hun eeuwig durende pijn God
lasteren - kan iemand dan minder bereid zijn dit feit te aanvaarden of om
die reden in te stemmen met de lofprijzing:
Groot en
waarachtig zijn Uw werken, Here God almachtig, rechtvaardig en waarachtig
zijn uw wegen, Gij koning der heiligen!