De vier
Tentkleden
(19)
Het dak
van het
heiligdom
Het dak
van het
heiligdom
werd
gevormd
door
vier
tentkleden.
Het
binnenste
tentkleed
bestond
uit
fijngeweven
linnen
met
blauw,
purper
en
scharlaken
met
kunstig
geborduurde
Cherubijnen.
Daaroverheen
was een
wit
tentkleed
van
geweven
geitenhaar.
Dan
volgde
een
tentkleed
van rood
geverfde
ramsvellen
en aan
de
buitenkant
werd het
geheel
afgedekt
door
dassenhuiden
(Ex.36:8-19).
De
koperen
pinnen
van de
tabernakel,
te
vergelijken
met
3tentharingen,
hielden
de
tentkleden
stevig
aan de
grond
(Ex.38:31).
We
zullen
zien dat
deze
tentkleden
de vier
fasen
van
Christus’
werk in
het
verlossingsplan
verzinnebeelden.
Zij
illustreren
ook een
diepere
ervaring
in het
christelijk
leven.
Laten we
deze
ervaringen
nagaan;
van de
buitenste
naar de
binnenste
lagen
van het
heiligdom.
De
bedekking
van
tachasvellen
Sommigen
menen
dat de
buitenste
laag
gemaakt
was van
robbenhuiden.
De rob
was een
zeedier
dat in
de Rode
Zee
voorkwam.
De
donkerbruine
of
zwarte
huid was
taai en
duurzaam
en werd
dikwijls
gebruikt
voor
sierleer
en
zolen.
Hoe dan
ook, dit
buitenste
tentkleed
verschaftte
een
afdoende
bescherming
(PP
347E; PP
310N).
Geen
bescherming
tegen
regen en
storm
(zoals
de
wolkkolom
dat was)
maar
onopvallend
van
kleur en
daardoor
zeer
geschikt
om het
heiligdom
tegen de
boze
bedoelingen
van
Arabische
plunderaars
die in
de
woestijn
ronddoolden
te
beschermen.
Evenals
dit het
geval is
met de
andere
materialen
die
Israël
voor het
heiligdom
had
gegeven
waren
deze
huiden
een deel
van de
buit uit
Egypte,
verkregen
door de
hand van
God. Wat
een
illustratie
is deze
veilige
bedekking
van
Christus:
Hij is
onze
bescherming
tegen de
vijand
wanneer
we
reizen
door de
woestijn
van het
leven!
“Want
Hij is
het, die
u redt
van de
strik
des
vogelvangers,
van de
verderfelijke
pest.
Met Zijn
vlerken
beschermt
Hij u,
en onder
Zijn
vleugelen
vindt
gij een
toevlucht;
Zijn
trouw is
schild
en
pantser.
Gij hebt
niet te
vrezen
voor de
verschrikking
van de
nacht,
voor de
pijl die
des
daags
rond
vliegt;
voor de
pest die
in het
donker
rondwaart,
voor het
verderf,
dat op
de
middag
vernielt.
Omdat
gij de
Here de
Allerhoogste
tot uw
woning
hebt
gemaakt”,
uw
heiligdom!
Psalm
91:3-9.
Deze
bedekking
van
sierleer
verzinnebeeldt
zeer
passend
de
nederigheid
van
Christus,
toen Hij
onder de
mensen
wandelde
op
aarde,
opdat
wij met
Hem
mogen
wandelen
op de
straten
van
goud.
Het is
ook een
symbool
van Zijn
nederigheid:
“Die in
de
gestalte
Gods
zijnde,
het Gode
gelijk
zijn
niet als
een roof
heeft
geacht,
maar
Zichzelf
ontledigd
heeft en
de
gestalte
van een
dienstknecht
heeft
aangenomen
en aan
de
mensen
gelijk
geworden
is.”
Phil.2:6-8.
Deze
buitenste
bedekking
had geen
uitwendige
schoonheid.
Zo is er
ook van
Christus
geschreven:
“Hij had
geen
gestalte
noch
luister,
dat wij
Hem
zouden
hebben
aangezien,
noch
gedaante,
dat wij
Hem
zouden
hebben
begeerd.”
Jesaja
53:2.
Christus
was een
nederig
mens. In
Zijn
uiterlijke
verschijning
had Hij
geen
schoonheid,
wat
mensen
schoon
noemen,
maar Hij
voldeed
aan Gods
standaard
van
schoonheid,
want de
Here
ziet
niet
zoals de
mensen
zien.
Want
mensen
zien
naar het
oog,
maar de
Here
ziet het
hart aan
(1
Sam.16:7).
Onder de
nederige
mantel
van
Jezus
was de
goddelijke
aanwezigheid.
Op deze
wijze
werd
Zijn
ware
heerlijkheid
omsluierd
(DA
43,46).
Nu we
deze
dakbedekkingen
waarnemen,
naar wat
de hemel
zelf
verzinnebeeldt,
wijst
dit
tentkleed
van
tachasvellen
op het
feit dat
we God
moeten
naderen
in
oprechtheid,
eenvoud
en
nederigheid.
Het
tentkleed
van
roodgeverfde
ramsvellen
De
bedekking
van de
roodgeverfde
ramsvellen,
verzinnebeeldt
prachtig
de
volgende
stap in
het werk
van
Christus
voor
onze
verlossing
en ook
in de
christelijke
ervaring.
Rood is
het
symbool
van
offer en
lijden.
Deze
bedekking
duidt op
Christus
Die
gehoorzaam
werd tot
de dood,
ja tot
de dood
des
kruises
(Phil.2:8).
Het is
het
bloed
van
Christus
dat
roept:
“Wendt u
tot Mij
en laat
u
verlossen,
alle
einden
der
aarde.”
Jesaja
45:22.
In het
leven
van de
christen
symboliseert
deze
bedekking
het
verbond
dat hij
maakt
met God
door het
brengen
van
geestelijke
offers
(Psalm
50:5).
Het
betekent,
dat hij
evenals
Paulus,
met
Christus
gekruisigd
is. Het
verzinnebeeldt
volledige
toewijding,
absolute
onderwerping
en
onbetwiste
trouw
aan Zijn
Leider.
Waarom
werden
ramsvellen
bestemd
voor
deze
overdekking?
Een ram,
een
volwassen
mannelijk
schaap,
symboliseert
het
offer
van
Christus.
In
Jes.63:1-3
en
Openb.19:13
wordt
Hij
beschreven
als
zijnde
gehuld
in een
kleed in
bloed
gedoopt
(Jes.63:1-3
en
Openb.19:13).
Zo is de
overdekking
van
roodgeverfde
ramshuiden
een
passend
symbool
van Zijn
offer.
De ram
werd
gebruik
als:
1.
Een
brandoffer.
Lev.9:2.
2.
Vrede-offer.
Lev.9:4.
3.
Inwijdingsoffer.
Lev.8:22-24.
4.
Schuldoffer.
Lev.5:15-19;
Num.5:6-8.
5.
Als
beweegoffer.
Lev.8:18.29.
Het
brandoffer
werd
door
iemand
vrijwillig
gebracht
(Lev.1:3)
en wees
op
volledige
toewijding
aan de
dienst
van God.
Het
voorzag
in de
verzoening
met en
aanvaarding
door God
door het
bloed
van
Christus.
Het was
een
teken
van Gods
aanvaarding
dat de
Here
voorzag
in een
ram voor
Abraham
die hij
kon
offeren
in de
plaats
van zijn
zoon
Isaäk
(Gen.22:13).
Het
vredeoffer
vergezelde
het
brandoffer
als een
uitdrukking
van
dankbaarheid
voor de
vrede en
het één
zijn met
God.
Als
inwijdingsoffer
verzinnebeeldde
de ram
volledige
toewijding
aan de
dienst
van God.
Het was
een
offerande
gebruikt
in de
inwijdingsdienst
van de
priesters,
wanneer
oren,
handen
en
voeten
aan God
werden
toegewijd.
Gods
medewerkers
moeten
volledig
toegewijd
zijn
(Ex.8:20;
Lev.8:20;
Lev.8:22-24).
Als
schuldoffer
(waarbij
een
boete
werd
vereist
voor
zonde in
onwetendheid
begaan)
verzinnebeeldde
de ram
de
volledige
boetedoening
die
Christus
bracht
toen Hij
de last
van de
zonde op
Zich
nam.
Zonder
dit
offer
hadden
we de
grote
schuld
met ons
eigen
leven
moeten
betalen
(Lev.5:15-19).
Het
beweegoffer
werd zo
genoemd,
omdat
het heen
en weer
werd
bewogen
voor de
Heer: op
deze
wijze
werd
verlossing
aangeboden
aan de
vier
windhoeken
van de
aarde.
Het
brengt
gemeenschap
tussen
God en
de
mensen
en het
was een
erkenning
van Gods
vrijwilligheid
om te
vergeven
en Zijn
universeel
recht om
te
heersen.
Dit
waren
allemaal
offers
tot “een
liefelijke
reuk”
(Lev.8:21),
dat
betekent:
zij
waren
voor God
gelijk
liefelijke
wierook.
Ze
verzinnebeelden
Christus
die Zijn
leven
voor ons
gaf, als
een
offer en
een
brandoffer
“Gode
tot een
welriekende
reuk.”
Ef.5:2.
Hoe
aangenaam
zou het
voor Hem
zijn,
als al
onze
offers
een
lieflijke
reuk
waren.
“De
offeranden
voor God
zijn een
gebroken
geest.
Een
verbroken
en
verslagen
hart, o
God,
veracht
Gij
niet!”
Psalm
51:19.
Zo’n
offer is
voor God
gelijk
een
lieflijke
reuk.
Het zal
vergezeld
gaan met
de
vruchten
van de
Geest:
“Liefde,
blijdschap,
vrede,
verdraagzaamheid,
vriendelijkheid,
geloof,
zachtmoedigheid
en
matigheid.”
Gal.5:22,23.
De
overdekkingen
van de
roodgeverfde
ramsvellen
verzinnebeelden
het
offer
van
Christus,
niet
alleen
door het
storten
van Zijn
bloed op
Golgotha
maar de
gehele
ervaring
van Zijn
offer
tot het
einde
van het
verlossingswerk.
Wat
geeft
deze
bedekking
van het
heiligdom,
gemaakt
van
roodgeverfde
ramsvellen,
daar een
goed
beeld
van!
Het
tentkleed
van
geitenhaar
We gaan
nog
dieper
en nog
meer
nader
tot de
hemel
zelf! En
wat
vinden
wij
daar?
Een
zuiver
witte
bedekking
van
gesponnen
geitenhaar.
De
inspiratie
vermeldt
de kleur
niet,
noch de
kleur
van de
tachasvellen
van het
dekkleed.
Om deze
zaak te
beslissen,
moeten
we een
beroep
doen op
andere
betrouwbare
bronnen.
Over dit
punt
zegt een
standaard
encyclopedie:
“Het
haar van
de
Kashmiergeit
van
Kashmier
in India
is wit
en het
haar van
de
angorageit
is lang,
wit en
zilverachtig.
Van het
haar van
beide
soorten
geiten,
worden
kleden
geweven.
<%-2>Toen
Israël
zijn
offergaven
voor de
bouw van
het
heiligdom
bracht,
wordt
onder de
gaven
(genoemd
in
Ex.25:3-8)
geitenhaar
vermeld.
Het volk
was pas
te Sinaď
aangekomen
en al
deze
gaven
waren
als buit
uit
Egypte
meegenomen:
de rijke
machtige
natie
die
handel
dreef
met alle
volkeren
van de
wereld.
Al de
vrouwen
die wijs
van hart
waren en
daartoe
werden
opgewekt,
sponnen
geitenhaar.”
Ex.35:26.
Omdat
wit het
symbool
van
zuiverheid
en
volmaaktheid
is
(Openb.19:8)
en daar
de witte
geitenharen
bedekking
de
roodgeverfde
ramsvellen
opvolgt,
lijkt
het
aannemelijk
dat de
witte
geitenharen
bedekking
toepasselijk
de
waarheid
illustreert,
dat
Christus
volmaakt
werd
door
lijden.
Het
verzinnebeeldt
ook de
voortschrijdende
christelijke
ervaring,
want “al
waren uw
zonden
als
scharlaken
(zinnebeeld
van de
rode
ramsvellen),
zij
zullen
wit
worden
als
sneeuw.”
Jes.1:18,19.
“Gij dan
zult
volmaakt
zijn,
gelijk
uw
hemelse
Vader
volmaakt
is,” is
het doel
van de
christen
(Matt.5:48).
Deze
geitenharen
bedekking
was uit
elf
gordijnen
samengesteld;
elk
gordijn
was vier
el breed
en
dertig
el lang.
Het was
precies
lang
genoeg
om het
heiligdom
te
bedekken
(Ex.26:13).
Vijf van
deze
gordijnen
waren
afzonderlijk
aan
elkaar
verbonden
en zes
waren
afzonderlijk
met
elkaar
verbonden.
Het
zesde
gordijn
was
dubbel
gelegd
aan de
voorkant
van de
tabernakel.
Aan de
lange
kant van
ieder
van deze
gordijnen
waren
vijftig
lussen
vastgemaakt
(honderd
lussen
in
totaal).
In deze
lussen
waren
vijftig
haken
vastgemaakt,
die het
geheel
tot een
grote
overdekking
maakten
(Ex.26:7-13).
Deze
haken
waren
van
koper
dat
(zoals
reeds
opgemerkt)
het
lijden
verzinnebeeldde:
onze
worstelingen
en
overwinningen.
Deze
koperen
haken
zijn
zichtbaar
voordat
we het
binnenste
van de
overdekking
met haar
geborduurde
engelen
bereiken.
Net als
de
koperen
voeten
aan de
ingang
van het
heilige,
verzinnebeelden
ook de
koperen
haken de
laatste
sporen
van de
aardse
worsteling
voor we
komen in
de
aanwezigheid
van de
hemelse
engelen
die op
de
binnenste
bedekking
waren
geborduurd.
Waarom
was deze
bedekking
van
geitenhaar?
De geit
was het
dier dat
hoofdzakelijk
voor de
zondoffers
werd
gebruikt
(Lev.9:3)
en het
werd
altijd
gebruikt
bij de
reiniging
van het
berouwvolle
Israël,
waar het
in de
schaduwdienst
de
zonden
uitwistte.
Verzoening
is
éénwording,
één met
God:
volmaakte
vrede na
een
levenslange
strijd
met de
vijand.
Zoals de
vlag van
overgave
een
witte
vlag is,
zo is de
witte
bedekking
een
symbool
van
volledige
overgave
aan God.
Wit is
ook een
symbool
van
zuiverheid
en
gerechtigheid.
En op de
nieuwe
aarde
waar
gerechtigheid
woont,
zullen
de
verlosten
bekleed
zijn met
de witte
klederen
van
licht.
De
geitenharen
bedekking
was
daarom
een
zinnebeeld
van de
gerechtigheid
die
Christus
toerekent
aan
allen
die tot
Hem
komen en
die Hij
geeft
aan hen
die in
geloof
tot het
einde
toe
volharden.
In de
bok voor
de Here
op de
Grote
Verzoendag
werd de
verzoening
voleindigd
en
wanneer
de
tegenbeeldige
verzoening
is
beëindigd,
dan is
een volk
bereid
dat zijn
klederen
gewassen
en wit
heeft
gemaakt
in het
bloed
van het
Lam
(Openb.7:14).
De
binnenste
of
koninklijke
bedekking
Nog
verder,
waar
zijn we?
We zijn
de
koperen
pennen
gepasseerd,
de
laatste
strijd
met de
zonde en
een
koninklijke
bedekking
geweven
in het
hemelse
weefgetouw
is de
onze.
Deze
bedekking
is
gemaakt
van
blauw,
purper
en
scharlaken.
“Draden,
die de
vrouwen
wijs van
hart
sponnen.”
Ex.35:25.
Deze
gekleurde
draden
waren
geweven
tot de
tien
gordijnen
of
stroken.
Elk
gordijn
was vier
el breed
en 28 el
lang. Op
deze
gordijnen
borduurde
men met
echte
gouden
draden
de
cherubs
onder de
leiding
van
Aholiab,
die niet
alleen
meesterwever
maar ook
meesterborbuurder
was
(Ex.35:25;
36:8,14).
Er wordt
niet
verteld
hoeveel
en hoe
groot
deze
geborduurde
engelen
waren,
maar op
de tien
gordijnen;
elk zes
voet
breed en
42 voet
lang
(wanneer
alleen
het
plafond
gerekend
zou
worden),
was
plaats
voor een
aantal
engelen.
De reden
waarom
het
aantal
niet is
gegeven,
is
ongetwijfeld
omdat de
cherubijnen
een
ontelbaar
gezelschap
verzinnebeelden
(Hebr.12:22).
Toen
deze
tien
gordijnen
gereed
waren,
werden
er twee
grote
gordijnen
- van
elk vijf
- aan
elkaar
gevormd
(ieder
20 el
breed en
28 el
lang of
op zijn
minst 30
bij 42
voet).
Aan de
lange
zijde
van elk
gordijn
werden
vijftig
blauwe
lussen
vastgemaakt
(blauw
verzinnebeeldt
gehoorzaamheid
aan de
hemelse
waarheid),
zodat
door
middel
van
vijftig
haken of
koppelingen
(van
zuiver
goud
gemaakt)
deze
twee
gordijnen
aan
elkaar
werden
verbonden.
Zo werd
de
tabernakel
één
geheel
(Ex.36:8-13).
Deze
bedekking
die
geweven
was van
prachtige
gekleurde
draden,
(als
glanzende
zijde)
met op
de
koninklijke
kleuren
de
geborduurde
engelen
in
fonkelend
goud
moet
werkelijk
schitterend
zijn
geweest.
En deze
pracht
is niet
verwonderlijk
want ze
verzinnebeeldde
de
engelenmenigte
die
verbonden
is met
het werk
in het
hemelse
heiligdom
ten
behoeve
van het
volk van
God op
deze
aarde
(PP
310N).
De
schoonheid
van dit
plafond
werd
slechts
overtroffen
door dat
wat het
symboliseerde.
Het
blauw
verzinnebeeldde
(evenals
op
andere
plaatsen)
trouw
aan Gods
eeuwige
waarheid.
Doorweven
met de
scharlakenkleur
van de
offerande,
maakte
het een
bedekking
van
koninklijk
purper,
geschikt
voor hen
die in
het
gezelschap
komen
van
tienduizend
maal
tienduizend
en
duizend
maal
duizenden
engelen,
gesymboliseerd
door de
in goud
geborduurde
cherubs.
Deze
koninklijke
kleuren
zijn
niet
alleen
illustraties
van het
karakter
van de
hemelse
wezens,
maar zij
symboliseren
ook de
kwaliteiten
van
waarheid
en
offerande,
die de
karakters
vormen
van
allen
die
leden
worden
van de
hemelse
familie.
In deze
bedekkingen
herkennen
we de
klederen
waarmee
God
Jeruzalem
wenst te
bekleden.
Hij
zegt:
“Ik
bekleedde
u met
een
kleurig
geborduurd
gewaad,
schoeide
u met
het
kostbaarste
leder,
wond u
een fijn
linnen
hoofddoek
om en
hulde u
in
zijde.
Ik
tooide u
met
sieraden,
deed
armbanden
aan uw
armen en
een
keten om
uw hals.
En Ik
gaf een
sierlijke
kroon op
uw
hoofd.
Gij
tooide u
met goud
en
zilver,
uw
kleding
was van
fijn
linnen
en zijde
en
kleurig
geborduurd
gewaad.”
Ezech.16:10-13.
Dit
binnenste
tentkleed
met haar
goudgeborduurde
engelen,
verzinnebeeldde
ook
Christus
in Zijn
verheven
staat.
“Daarom
heeft
God Hem
ook
uitermate
verhoogd
en Hem
de naam
boven
aller
naam
geschonken,
opdat in
de naam
van
Jezus
zich
alle
knie zou
buigen
van hen,
die in
de hemel
en die
op de
aarde en
die
onder de
aarde
zijn en
alle
tong zou
belijden:
Jezus
Christus
is Here,
tot eer
van God
de
Vader.”
Fil.2:10-11.
De vier
tentkleden;
een
overzicht
We
sommen
nogmaals
al de
vier
bedekkingen
op, die
Christus
in
Zijn
vier
fasen
van het
verlossingswerk
symboliseren:
-
Tachas
of
robbenhuid
en: een
nederige
Heiland
Hij
vernederde
Zichzelf
om onder
zondige
mensen
te
wandelen.
- Rood
geverfde
ramsvellen:
een
Heiland
die Zich
ten
offer
gaf. Hij
werd
gehoorzaam
tot de
dood,
zelfs
tot de
dood des
kruises.
- Wit
geitenhaar:
een
zondeloze
Heiland.
Hij werd
door
lijden
volmaakt.
Hebr.2:10.
- De
koninklijke
bedekking:
een
verhoogde
Heiland.
Phil.2:9.
Deze
bedekkingen
verzinnebeelden
ware
schoonheid
van
karakter.
Niet
slechts
van
Christus,
maar van
iedere
ware
christen.
Zoals
goud, de
rijke
borduurselen
en de
koninklijke
kleuren
(allen
onder de
eenvoudigste
buitenste
overdekking),
zo is
des
konings
dochter
louter
pracht
daarbinnen
(Psalm
45:14).
Uiterlijke
opschik
wijst op
een
gebrek
aan
inwendige
schoonheid
van een
echt
christelijk
karakter.
Nederigheid,
offervaardigheid,
gehoorzaamheid
en
koninklijkheid
vormen
de weg
die
leidt
naar de
verborgen
kamer
van de
Allerhoogste.
Het is
de weg
der
overwinning:
‘HET PAD
NAAR DE
TROON
VAN
GOD.’
De
voltooide
tempel
is een
zinnebeeld
Uit het
voorgaande
blijkt
duidelijk
dat het
gehele
heiligdom
Christus
verzinnebeeldde.
Hij werd
verzinnebeeldt
in
practisch
ieder
onderdeel
ervan:
vanaf de
poort
van de
voorhof
tot de
ark van
het
heilige
der
heiligen
en vanaf
het
zilveren
fundament
tot aan
de
tentkleden
bestaande
uit de
vier
bedekkingen.
Sprekende
over de
tempel
te
Jeruzalem
zegt
Johannes
dat
Christus
sprak
“van de
tempel
van Zijn
lichaam.”
Joh.2:21.
De kerk
wordt op
dezelfde
wijze
verzinnebeeldt
als een
tempelgebouw.
Over dit
punt
zegt
Paulus:
“Gij
zijt
gebouwd
op het
fundament
Jezus
Christus.”
In Hem
wast elk
bouwwerk
- goed
ineensluitend
- “op
tot een
tempel
heilig
in de
Here, in
wien gij
ook
medegebouwd
zijt tot
een
woonstede
Gods in
de
Geest.”
Ef.2:19-22.
En
opnieuw
zegt
Paulus
over
Christus
als Zoon
over
Zijn
huis:
“Zijn
huis
zijn
wij,
indien
wij de
vrijmoedigheid
en de
hoop
waarin
wij
roemen,
tot het
einde
toe
onverwrikt
vasthouden.”
Hebr.3:6.
En ten
slotte
die
prachtige
profetie
van
Zacharia
6:13.15.
“Hij
(Christus)
zal de
tempel
des
Heren
bouwen...
die
verre
zijn,
zullen
aan de
tempel
des
Heren
komen
bouwen.”
De
tempel
symboliseert
ook
iedere
christen
persoonlijk
“Wat?”
riep
Paulus
uit:
“Weet
gij
niet,
dat gij
Gods
tempel
zijt en
dat de
Geest
Gods in
u
woont?”
1
Cor.3:16,
vergelijk
1
Cor.6:19.
En
opnieuw:
“Wij
toch
zijn de
tempel
van de
levende
God...
daarom
gaat weg
uit hun
midden
en
scheidt
u af,
spreekt
de Here,
en houdt
niet
vast aan
het
onreine,
en Ik
zal u
aannemen,
en Ik
zal u
tot
Vader
zijn en
gij zult
Mij tot
zonen en
dochteren
zijn,
zegt de
Here, de
Almachtige.”
2
Cor.6:14-18.
Toen de
tempel
van
Salomo
werd
gebouwd
werd
deze
opgetrokken
uit
steen,
dat
afgewerkt
was bij
de
steengroeve.
Geen
hamer,
beitel
of
ijzeren
gereedschap
werd
gehoord
bij het
bouwen
van het
huis (1
Kon.6:7).
Evenzo
is deze
aarde
een
steengroeve,
waar we,
indien
we een
plaatsje
willen
bezitten
in de
hemelse
tempel,
worden
gehouwen
en
gepolijst
en alle
ruwe
delen
worden
met de
hamer
verwijderd,
voordat
we
gereed
zijn om
“aangebracht”
te
worden.
De
beproevingen
van het
leven
zijn de
ijzeren
gereedschappen,
Gods
werktuigen,
waarmee
we
bereid
worden
voor een
plaats
in de
tempel
van de
Eeuwige.
Petrus
zegt:
“Laat u
als
levende
stenen
gebruiken
voor de
bouw van
een
geestelijk
huis...
tot het
brengen
van
geestelijke
offers.”
1
Petr.2:5.
Als we
hout,
hooi en
stoppels
plaatsen
in onze
karakter-tempel
zullen
ze
worden
verbrand
omdat
vuur op
de dag
van het
oordeel
zal
uitmaken
hoedanig
ieders
werk is.
Slechts
het goud
en
zilver
en de
kostbare
stenen
zullen
de test
van het
vuur
kunnen
doorstaan
(1
Cor.3:12,13).
Dag aan
dag
bouwt
iedere
christen
aan zijn
geestelijk
huis en
zijn
lichaam
wordt
een
geestelijke
offerande...
een
levend
offer,
heilig
en
aanvaardbaar
voor God
(Rom.12:1).
Wij
bouwen
in
vreugde
of
verdriet
Een
tempel
die de
wereld
niet
ziet
Die niet
verdorven
kan
worden
door
tijd
Wij
bouwen
voor de
eeuwigheid.
Bouwt u
een
tempel
voor
inwoning
van God?
Zijn de
bouwstenen
het
geloof
en de
liefde?
Opdat de
Vader
het
bezit er
van neme
Een
eeuwige
woning
voor
God?
N.B.
Sargent
(vrij
vertaald)
(“HET
PAD NAAR
DE TROON
VAN GOD”
Sarah E.
Peck)